• Sturende kunst

    Sturende kunst

    Het aansturen van dingen, daar geloof ik wel in. Ik bedoel, als mijn moeder op zondagochtend riep dat er een grote pan soep gemaakt moest worden omdat ze onze oom en tante met hun autootje volgepakt met kinderen uit Groningen verwachtte, dan kwamen ze ook. Dat was nog voordat een huistelefoon gewoon was.
    Ik zoek me een weg door deze februaridagen. Ik ging naar het Nul-Museum Eicas en zag de documentaire over de Belgische kunstenaar Paul Van Hoeydonck (1925 – 2025), The Fallen Astronaut. Ik wilde die helemaal niet zien, kwam voor een andere tentoonstelling. Van die dagen. Een suppoost van het museum hoefde alleen maar te zeggen, ‘Als u voortmaakt, bent u precies op tijd voor de documentaire over Paul Van Hoeydonck.’ En hup, daar ging ik al.’

    Ik kende Van Hoeydonck niet. Toen hij zei, ‘I’m always expected that I become more famous than Picasso.’ It was just in contrary, people hated me.’, werd ik nieuwsgierig. Hij maakte het kunstwerk ‘verloren handschoen’: een gehelmd astronautenhoofd met een losse handschoen ernaast. Hij zei dat kort daarna een astronaut op de maan een handschoen verloor. Hij keek erbij alsof hij het nog steeds niet geloofde, toch was het echt gebeurd.

    In ‘Het blauwe notitieboekje’ van Sander van Leeuwen gebeuren ook zulke dingen. Over een detectiveschrijver die nu eens een ‘boek van betekenis’ wil schrijven. Ter inspiratie leest hij zijn hele boekenkast leest. Capote, Thoreau, Ishiguro. The New York Trilogy van Paul Auster speelt een belangrijke rol in dit verhaal vol onverwachte wendingen. Die beginnen met een blauw notitieboekje gevonden in een ‘eigenaardig soort’ boekwinkel. Op eerste pagina van het verder lege boekje staat, Wees voorzichtig met wat je opschrijft. P.A.. De dingen worden raadselachtig op een geloofwaardige manier.

    Om op gang te komen schrijft hij een paar willekeurige zinnen in het notitieboekje, ‘De telefoon gaat. Verkeerd verbonden. / Een kat schiet voor de tram langs. Verdwijnt in een steeg. / Op de hoek ruikt het naar herfstbladeren en koffie.’ Dan, wandelend met zijn vrouw, ziet hij een kat voor een passerende tram oversteken, in een steeg verdwijnen. Krijgt zijn vrouw een verkeerd verbonden call. Er gebeurt wat hij geschreven heeft. Het verhaal verrast na elke alinea meer. Zal ik verklappen dat de schrijver Paul Auster ontmoet, (of is het toch niet Paul Auster?).

    Deze hele Tirade staat trouwens vol prachtige verhalen en gedichten. Er klopt iets, er verschuift iets.

    Van Elisa Veini een serie getiteld ‘Winter was hard’. Ik lees ze als notities over de tijd waarin we leven, elke regel is raak. Ik bedoel, ik zie, voel het. ‘de krant schrijft wat iedereen allang weet / en wat nu gebeurt // krijgt een stem / pas als het niemand meer treft // dan zullen allen er altijd al tegen zijn geweest’. Dat dat het is, de dingen ongrijpbaar, de dagen gebeuren.

    In het verhaal ‘Cuidado’, van Marijn Sikken gaat een vrouw voor het eerst alleen op vakantie naar de Canarische eilanden. Een man zoekt contact, waar ze niet op ingaat. Hij duikt op waar zij ook gaat (dit is een lijntje in een verhaal over hoe een vrouw gezien wordt als een object). Er komt politie aan te pas om haar te bevrijden van deze man. Al heeft hij haar met geen vinger aangeraakt, het kwaad is al geschied, ‘ook als hij er niet is, niet fysiek, zal ze de rest van de tijd op haar hoede zijn. Ze is niet meer alleen.’ Dat alleen willen zijn ook in de openbare ruimte iets is waar de ander van af moet blijven.

    Thomas Heerma van Voss schreef ‘Het interview’. Als interviewer in het boek De prullenmand heeft veel plezier aan mij, beschrijft hij de omgeving en reacties van de geïnterviewde, oude schrijvers die in de vergetelheid zijn geraakt. ‘Het interview’ is vanuit de geïnterviewde geschreven, een omgekeerd perspectief. Dat levert sterke beschrijvingen op in hoe de schrijver zichzelf als interviewer waarneemt. De geïnterviewde: “‘Er is hier in geen maanden iemand op bezoek geweest,’ zeg ik. Hij knikt kalm, maar ik zie ook iets anders in zijn blik: gretigheid. De oogopslag van iemand die iets bruikbaars opvangt.’” En dat je denk te weten wie de geïnterviewde, de verteller is. Heerma van Voss is een zuiver balanceerder op het lijntje waar verdichting en werkelijkheid met elkaar oplopen.

    Dan dit nog. ‘Jij kiert zo prachtig / tussen mijn donkerblauwe gordijnen / iedere ochtend opnieuw // Ik ben van jou ik ben van au, / ik ben van koperzeer en van kou, / ik ben van wankelmoed en trouw’, dicht Frans Kuipers in ‘Proloog’.

    Een Tirade met opvallend veel sterke en mooie bijdragen, ook van Lena Claassen, Paul Demets, Lisa Rooijackers, Inge Marleen Anton Minne, Anouk Bosch, Caspar Dulaart, Julien Staartjes, Ingmar Heytze, Daan Doesborgh en Fien Vanderbeke.

    Gun jezelf zo’n literair tijdschrift. Vind in deze februaridagen de weg naar buiten.

     

    Tirade nr. 151 / redactie: Sophia Blyden, Nikki Dekker, Daan Doesborgh e.a. / Van Oorschot / 108 blz. /


    Inge Meijer schrijft over de dingen die ze leest.

     

     

  • Een tijdsbeeld en hoe dat gaat

    Een tijdsbeeld en hoe dat gaat

    Het eerste wat ik doe is bladeren, op zoek naar herkenbare portretten. Dean Bowen springt eruit als realistisch en goed gelukt zelfportret. En degenen die een foto maakten van henzelf, zoals K. Michel, en van Jente Posthuma, een naakt met koptelefoon op. Ik zie de moeilijkheid van sommige auteurs om een zelfportret te creëren. Adriaan van Dis legde een schakelketting in de vorm van een gezicht, tekende daar neus, mond en ogen in. Thomas Verbogt is niet te herkennen in het gekrabbelde postzegelformaat zelfportret, ook niet als je weet dat hij het is. Bij nader inzien herken ik Nadia de Vries wel in die in uit twaalf potloodlijnen opgetrokken Kubus. En ja, Joost Oomen zie ik ook wel in dat karikaturale tekeningetje.

    Literair tijdschrift De Revisor presenteert meer dan tachtig zelfportretten van schrijvers. Ik blader er zogezegd doorheen. Er zijn schrijvers waarvan ik wel hoorde, maar nooit iets las. Er zijn er waar ik nog nooit van gehoord heb. Deze portretten zijn een (her)kennismakingstocht.

    Daar,  een op de rug getekend persoon, lange haren, kat op rechterschouder. Ha, Rob van Essen. En Ingmar Heytze, nadat ik beeld en de daaronder geplaatste naam bij elkaar heb gebracht, zie ik het ook. En Sasja Janssen met dubbel s, haar kenmerkende bos haren in een paar potloodstrepen verbeeld, herkenbaar. En natuurlijk Lize Spit, een portret zonder gezicht, maar dan, dat opgestoken haar. Herkend worden aan de haardracht is een ding. Laatst kwam ik iemand van lang geleden tegen die zei me te herkennen aan mijn haren, onmiskenbaar herkenbaar.

    Lang geleden, in 1977 plaatste de toenmalige redactie van De Revisor auteurs, verdeeld over twee nummers 79 zelfportretten van schrijvers. Veel schrijvers die toen meededen, zijn overleden. De nog te traceren schrijvers werden in de afgelopen drie jaar geïnterviewd over de voortgang van hun schrijversleven, het literaire veld waarin ze verkeerden. Sommigen publiceren nog steeds (Jan Siebelink,  Mensje van Keulen), de meesten werden uit de vergetelheid losgepeuterd. Soms met enige terughoudendheid, of uit vrees voor een hoestbui een ontmoeting niet zagen zitten. Tot ze, na vasthoudendheid van de interviewer toegaven, de interviewer binnen lieten en eenmaal de kelen geschraapt, niet meer van hun praatstoel loskwamen.

    In een terugblikkend perspectief kwamen vergeten en ondergesneeuwde schrijvers weer boven. Het ontroerde me, al raak ik de laatste tijd wel vaker ontroerd.

    Laatst keek ik op NPO gemist de film ‘Mijn moeder wil niet meer leven’ van Lev Avitan. Op een bepaald moment, in akte III, raakte ik ontroerd, kwamen er tranen. Gisteren keek ik de film opnieuw met mijn jongste dochter die ziek op de bank lag.  Weer raakte ik op hetzelfde punt ontroerd, die tranen. Als Avitan tot zijn moeder spreekt, haar terug wil halen uit de dood. En wat dat zegt, ontroering tot tranen toe.

    Van Avitan is naast een zelfportret een gedicht opgenomen. De kern van zijn teksten treft me in deze strofe,  ‘vriendschap maakt het bestaan van de staat overbodig / omdat het de toename van de capaciteit van een lichaam / om te raken en geraakt te worden exceptioneel cultiveert’.

    Ik herken Nikki Dekker en Jan Glas, samen op dezelfde pagina. Vrouwkje Tuinman heeft enkel aan het brilmontuur in dik aangezette zwarte lijnen, en de sterk gevormde mond genoeg om haar te zien verschijnen. Op de cover het zelfportret van Yentl van Stokkum, linksboven die van Leonieke Baerwaldt. Er is een goede gelijkenis. En Maartje Wortels getekende zelfportret doet denken aan de grillige tekening van Lidy van Marissing uit 1977.

    Cees Nooteboom over zijn zelfportret van toen: ‘Gewoon, zoiets wat je dan een keer doet. En dan op een dag komt er iemand naar je toegereisd om te vragen hoe en wat.’

    Deze nog. Het zelfportret van Obe Alkema is gemaakt via het ‘verbind de punten met elkaar’ tekenen. Wat er dan ontstaat. In elkaar verwarrende lijnen een onherkenbaar portret. Of zie ik  in die ‘verwarde lijnen’ toch iets dat de schrijver kenmerkt? Graag gelezen verhalen van twee schrijvers die ik niet kende, Corinne Heyrman en Eline van Wieren. Zij werden gezien.

    De tijd stilgezet met een zelfportret. Hoe alles nu gaat. En dat er over veertig jaar opnieuw iemand zich gedreven voelt deze schrijvers op te zoeken. Wie er dan nog schrijft, wie er nog een uitgever heeft. En wie van deze schrijvers heeft een onuitwisbare voetafdruk in de literatuur achtergelaten. Schrijven is een zaak van het hart, van overtuiging.

     

     

    De Revisor #45 HET ZELFPORTRET
    De prullenmand heeft veel plezier aan mij, Schrijversportretten toen en nu / Thomas Heerma van Voss / Das Mag (2025)


    Inge Meijer schrijft over de dingen die ze leest en het dagelijkse leven.

     

     

     

     

  • Meesterlijk beschreven

    Meesterlijk beschreven

    Had ik nu echt tijdens een borrel tegen een schrijver gezegd dat ik aan een boek werk? Op de gekste momenten komt het bij me naar boven. Als een pop-up op de online pagina van een dagelijkse krant. Het verstoort mijn denken, zou het willen wegklikken.

    Het is dat hij het vroeg, de schrijver. Tijdens die borrel werd hij geïnterviewd over zijn boek Het archief. Na afloop vroeg hij (indringende blik) wat ik meer deed dan redactiewerk, columns. Alsof ik iets op te biechten had, zei ik het, van het boek. Hij knikte, ‘Ja, ja.’ Alsof hij het wel gedacht had. 

    Als iemand me in ‘real life’ aanspreekt op dingen die online verschenen zijn, hakkel ik me erdoorheen, spreek met stompe woorden. Zoiets. Ik vrees dat het ook werkelijk een boek gaat worden. En dan. Hoe houd je de dingen uit elkaar.

    Nog een geluk dat ik niet over zijn moeder begon. Niet dat gesprek voerde dat fietsend vanaf het station naar de borrel zomaar in mijn hoofd ontstond. ‘Goh, ik zag je moeder afgelopen zomer op Terschelling.’ Dat hij zou zeggen, ‘Oh, wat leuk, ja, ze heeft daar een huisje.’ Ik onderbrak mezelf: ‘Oh nee, geen sprake van. Je zegt niet dat je zijn moeder op een vroege ochtend bij een duinopgang op Terschelling zag.’ 

    Ik ging die ochtend met de jongste dochter zwemmen in zee. We kwamen niemand tegen.Toen zag ik haar aankomen fietsen. Ze stopte bij duinopgang Formerum, juist waar wij naar boven moesten. Ze zag er ontspannen uit, mooi ook, ze droeg iets in zwart wit. Mijn dochter had geen idee. Ik fluisterde, alsof het een zeldzaam duinvogeltje betrof dat ik niet wilde doen opschrikken, ‘Kijk, daar staat een belangrijk feministisch schrijfster, weduwe van die en die.’ Bij het zien van haar aanwezigheid, begreep ik opeens dat het wegvallen van een partner verdrietig en bevrijdend kan zijn. Het Beladen huis was nog niet verschenen. 

    Eigenlijk wilde ik het hebben over Het archief. Ik loop er al maanden mee, maar dan verschijnt die pop-up weer in mijn hoofd. Nee, dat is niet het ergste, wel het ontbreken van de juiste omschrijving van dit boek. Steeds denk ik, het is meer dan een geweldig knap geschreven boek over een literair tijdschrift. Het gaat om hoe de dingen samenvallen. De schrijver met zijn verhaal, het alter ego van de schrijver met de vader, de moeder uit Het archief, en dat weer met het dus later verschenen Beladen huis. Dat het oprechte personages zijn, er oprechte verlangens spelen. Dat verlangens een drijfveer zijn om ergens te komen. 

    Het alter ego van de schrijver wil van betekenis zijn in de literatuur. Al is het maar in de marge, als redacteur van het literaire tijdschrift Arabesk bijvoorbeeld.  Even was het alter ego bang dat hij gevraagd werd op de merites van zijn bekende vader. Dan wordt duidelijk hoe belangrijk de goedkeuring van zijn vader voor hem is. Hij legt het aanbod zijn vader (oud-hoofdredacteur opinieweekblad, programmamaker, acteur, schrijver) voor. Die zegt: ‘Mijn advies: gewoon ja zeggen.’
    Als je daarvoor gevraagd wordt, zeg je geen nee. Vertel mij wat.

    Maar dat de dingen zich niet laat dwingen, ook niet in een literair tijdschrift. Literatuur op zich is geen ‘spread the word’ ding.

    Ik lees over de nauwgezet beschreven redactievergaderingen, kwaliteit van ingezonden stukken, presentaties nieuwe edities, hoop (die gaandeweg vervliegt) op meer abonnees, zoeken naar een nieuwe uitgever, weer een nieuwe uitgever.En daar tussendoor de uitzonderlijk tedere beschrijvingen van de vader. De meesterlijk beschreven observaties. Zoals de dag dat zijn vader de diagnose kanker stadium vijf krijgt. De specialist zegt: ‘“(..) ik kan me voorstellen dat dit alles u nu een heel onwerkelijk, akelig gevoeletje geeft. Maar ik zou u willen vragen: heeft u een fijn leven gehad?” Mijn vaders handen belanden op de stoelleuningen, vielen ervan af, hij knipperde druk met zijn ogen. (…)
    “Jawel”, zei mijn vader. “Alleen het was nog niet helemaal klaar. En… ik ben niet zo geneigd tot grote tevredenheid.”
    “Het gras is groener aan de overkant?” vroeg de specialist.
    “Het gras is gewoon niet zo groen.’”

    De vader die daarna in het  ziekenhuiscafé bibberend een kopje thee drinkt. ‘Pas in de taxi naar huis vloekte hij. “Godverdomme zeg,” doorbrak hij de minutenlange stilte. “Had die arts het nou over een gevoeletje?”’
    Dat de vader overal bovenuit stijgt, daar kan een literair tijdschrift niet tegenop. Ik heb het over een zeer goed boek. 



    Het archief / Thomas Heerma van Voss / 274 blz. / DasMag


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest en ziet.

     

  • Literair Nederland duikt met Thomas Heerma van Voss Het archief in

    Literair Nederland duikt met Thomas Heerma van Voss Het archief in

    Op zaterdag 30 november kwamen recensenten en redactieleden van Literair Nederland en Jong Literair Nederland samen in antiquariaat Hinderickx & Winderickx in Utrecht voor de jaarlijkse borrel. Ook Thomas Heerma van Voss was erbij. Hij kwam praten over zijn roman, Het archief. In 2009 debuteerde Heerma van Voss met de roman De allestafel. Sindsdien schreef hij essays, korte verhalen en drie romans, waarvan de laatste, Het archief, deels is gebaseerd op zijn ervaringen bij literair tijdschrift De Revisor. Als nieuwste redactielid van Literair Nederland ging ik met hem in gesprek. Over redactie voeren, het belang van literaire tijdschriften en goed kunnen kijken naar kleine dingen.

     

    Het archief gaat over Pierre, die als ‘veelbelovend jong redactielid’ plaatsneemt in de redactie van literair tijdschrift Arabesk. Wat is hij voor iemand? 

    ‘Pierre is iemand die zich in de luwte wil bekommeren om wat anderen ontgaat. Hij is beschouwend, vaak meer analytisch dan deelnemend en heeft een groot hart voor de literaire zaak, zonder dat hij precies weet wat hij daarmee moet, kan of wil. Als hij gevraagd wordt om bij de redactie te komen zegt hij al snel ja.’


    Wat is Arabesk voor tijdschrift, hoe staat het blad ervoor?

    Arabesk is verwant met literair tijdschrift De Revisor, waar ik vanaf 2015 of was het 2014, zeven jaren in de redactie heb gezeten. Wat daar ingewikkeld was, en dat merkt Pierre ook bij Arabesk, is dat er voortdurend verwezen werd naar het roemruchte verleden, soms expliciet, soms impliciet. En de situatie is in het heden natuurlijk heel anders dan vroeger. Inmiddels heeft Arabesk meer inzendingen dan abonnees.’ 


    En is er een uitgeverij die de gang van zaken bekritiseert.

    ‘De uitgeverij die Arabesk uitgeeft, zegt tegen Pierre en de drie andere redacteuren: probeer te verjongen. Er worden initiatieven geopperd om het blad online zichtbaarder te maken. Met een zogeheten ‘diversiteitssubsidie’wordt er een externe redacteur met een multiculturele achtergrond ingeschakeld om de boel op te schudden. Dat is nodig en belangrijk, het blad is te traditioneel, te stoffig en te wit, maar het is tegelijkertijd ook een potsierlijke vertoning: ze betalen iemand om hardop te zeggen wat ze zelf al weten. Daarnaast leveren de beginnende vertalers en dichters die deze externe Arabesk-redacteur aandraagt matige stukken in. De redactieleden worstelen met de vraag of ze die moeten plaatsen. Aan goede intenties en welwillendheid is er bij Arabesk geen gebrek, alleen wordt de vraag steeds groter hoe de redactie het moet aanpakken, wat zin heeft en of het blad wel per se in stand gehouden moet worden.’


    Misschien is het probleem ook dat veel mensen geen weet hebben van het bestaan van literaire tijdschriften.

    ‘Mijn boek is een paar maanden geleden verschenen. Ervoor had ik met een PR-medewerker van uitgeverij DasMag een overleg. Hij zei: leg in elk interview opnieuw uit wat een literair blad is, want niemand weet dat nog. Dus hoorde ik mezelf in de radiogesprekken die ik had steeds zeggen: een literair tijdschrift bestaat uit literaire verhalen, essays en gedichten, het heeft vaak een kleine oplage maar dient wel als kweekvijver, enzovoorts.’ 


    Het eerste hoofdstuk gaat over Pierre en zijn vader, die een enorm archief bijhoudt. Wat is Pierres vader voor een man?

    ‘Hij is zo iemand die, zonder veel te zeggen, heel aanwezig kan zijn. Hij heeft zich verschanst in zijn kamer met allemaal papieren, allemaal oude tijdschriften. Hij was ooit ook redacteur en journalist en hij hecht eraan dingen te bewaren, te begrijpen waar iets vandaan komt.’


    Hoe is Pierre door hem beïnvloed?

    ‘Ik denk dat verlangens vaak halfbewust tot stand komen. Dus er zitten geen expliciete passages in het boek waarin Pierre denkt: “Ik zit bij dit blad omdat mijn vader dit interessant vindt.” Maar dat idee spreekt wel uit alles wat hij doet. Zijn vader is heel prominent aanwezig. Voor ik aan Het archief begon, was ik al bezig met een tekst over een blad waarvan ik niet wist hoe het verder moest gaan, wat het moest worden. Pas vanaf het moment dat ik dacht: “O wacht, er moet een vader in en ik weet hoe het met die vader moet aflopen”, werd het een roman.’

    Pierres vader wordt erg ziek. Pierre kan daar niets aan veranderen, een parallel met de teloorgang van het tijdschrift. Hij staat erbij en kijkt ernaar. Hoe vond je het om Pierre te schrijven?


    ‘Ik houd van boeken waarin de zwaarte de lichtheid versterkt en andersom. En ik houd van een hoofdpersoon die goed om zich heen kijkt. Ik denk dat Pierre die blik ook deelt met zijn vader: goed kijken naar kleine dingen. Het boek gaat over verschillende manieren om je te verhouden tot iets dat aan het verdwijnen is. Pierre probeert alles te doen wat hij kan, maar ja, wat kan je doen als een naaste heel ziek is? Je kan het niet verbeteren, je kan er wel zijn.’


    Pierres moeder neemt in het boek weinig ruimte in. Toch heeft ze een fascinerende relatie met Pierres vader.

    ‘Pierres ouders zijn al heel lang samen. Hun huwelijk uitpluizen is niet waar zijn blik op was gericht, dus dat zit relatief weinig in het boek. Zijn moeder heeft nooit precies begrepen hoe haar man in elkaar zit. Of ze heeft nooit de goede toon gevonden. Ze hebben allebei een andere manier van leven. Als het einde dan ineens zo concreet opdoemt, is daar geen ontkomen meer aan. De een wil antwoorden, de ander wil niets zeggen.’ 


    En hoe zit het met de relatie tussen Pierre en Lucie, zijn vriendin.

    ‘Lucie is er door het hele boek heen. Een van de moeilijkheden, dat is meer technisch, met het schrijven van Het archief was dat er in de redactietijd een spanningsboog moest zitten. Die periode duurt vier, vijf jaar. Dus ik moest suggereren dat er jarenlang leven is buiten het blad, zonder dat het daar te veel over gaat. Ik wilde daarbij per se een goede relatie, omdat het te voorspelbaar is als Pierres redacteurschap negatieve invloed heeft op zijn relatie met Lucie. Ze is iemand op wie hij kan leunen, een soort baken.’


    Er is een gedrukte editie van Arabesk met bijdragen van een aantal schrijvers die we kennen uit Het archief, waaronder Pierre. De echte schrijvers ervan staan achterin vermeld. Heb jezelf de redactie ervan gedaan? 

    ‘Ja, dat was heel leuk om te doen. In Het archief beschrijf ik allerlei teksten uit Arabesk, maar ik kon natuurlijk amper uit het blad citeren, dan zou je een onevenwichtig boek krijgen. Toen mijn roman af was maar het nog maanden zou duren voor hij verscheen, heb ik de uitgeverij gevraagd of we niet, ter promotie, eenmalig een uitgave van Arabesk konden maken. Ik dacht dat ze zouden zeggen: “Nee, dat wordt te duur, te veel gedoe”, maar ze zeiden dat het prima was als ik het zelf regelde. Dus heb ik een overzicht gemaakt van alle verwijzingen in de roman naar Arabesk en ben ik schrijvers gaan vragen. Wat me in positieve zin verraste, was dat iedereen die ik hiervoor vroeg het leuk vond om onder zo’n Arabesk-pseudoniem te schrijven. De schrijvers konden zich uitleven. Het werd een rollenspel op papier.’


    Hoe reageerden redactieleden van andere literaire tijdschriften. Zijn ze blij met de aandacht?

    ‘Het is  niet zo dat alle redacties hebben gereageerd. Wel heb ik van meerdere mensen gehoord dat ze na het lezen een abonnement gingen nemen op een literair blad. Dat was natuurlijk niet een doel op zich van mijn boek, wel is het een fijne bijvangst.’

     

     

    Op de foto: Thomas Heerma van Voss en Juno Blaauw
    (Foto: Carolien Lohmeijer)


     

     

     

     

     

     

    Het archief / Thomas Heerma van Voss / uitgeverij DasMag / 274 blz.

     

     

     

  • Wandelvakantie

    Wandelvakantie

    Nu de zon de dagen verwarmt, de akelei op lange dunne stelen roze bloeit, de druivenhagen minuscule druiventrosjes dragen, overweeg ik om mijn rugzak te pakken en eindelijk dat pad te gaan lopen waarover ik al zo lang roep het te willen lopen. Gewoon spullen inpakken en weg. Maar er is altijd wat, er moet iets met de katten, uitgenodigde eters afzeggen, geliefden achterlaten. Jezelf losmaken van dat wat je leven in stand houdt, en wat er dan van overblijft. Een leven lang verdoet de mens zijn tijd aan dromen en wensen dit of dat nog eens te ondernemen, en blijft veelal thuis. Dit mens in ieder geval. Levend in dromen neem ik een voorschot op een wandeling door het lezen van een klein boek ‘Omwegen’ getiteld, wat je bekend voorkomt. Via omwegen schijn ik pas te komen waar ik wil zijn. Maar dan toch, niet het doel, maar de weg erheen is waar het om gaat. Dus maak ik het espresso potje nog eens schoon, vul die met versgemalen koffie en vraag me af of ik wel geschikte schoenen in huis hebt.

    Toen Thomas Heerma van Voss op wandelvakantie ging met het gezin van zijn (toenmalige) vriendin, kreeg hij advies over het gebruik van nieuwe wandelschoenen van zijn vader. ‘Thuis had ik de schoenen alvast ingelopen, dat had mijn vader me aangeraden. Zoals hij me ook jaren terug, rond mijn achttiende, adviseerde om met leren schoenen zo snel mogelijk in plassen regen te stappen. “Wij hebben enorme brede voeten, dan moet je zulke trucjes toepassen.”’
    De familie van zijn vriendin is een doorgewinterde wandelfamilie, terwijl hij nog nooit aan wandelvakanties heeft gedaan. In zijn familie werd er tijdens vakanties ‘vooral stilgezeten’. ‘Per auto verplaatsten we ons met zijn vieren naar de Franse kust, altijd diezelfde villa aan zee, waar we drie weken min of meer leefden alsof we huisarrest hadden.’ Als ze al ergens wandelden was dat in een lokaal dorpje. ‘waar we slenterden van de parkeerplaats naar de dichtstbijzijnde café au lait (…) terrassen waren onze ankers, bewegen daaromheen voelde als noodzakelijk intermezzo.’

    Wart een heerlijk boekje, zachtmoedig, met humor. De auteur volgt gedwee, met enig genoegen de vijf geoefende wandelaars naar het einde van de dag. Dan is hij moe, ‘maar op een fijne manier’. Dat genoegen zit in het nabijzijn van zijn vriendin. Een jaar daarvoor gingen ze samenwonen, waarna zij met haar familie ging wandelen in Italië. Toen ze terugkwam twijfelde ze aan hun relatie. Nu liepen ze daar zomaar samen in de Ardennen, tevreden, misschien zelfs gelukkig. Dit alles getoond in kleine opmerkingen, hun handen die elkaar raken, dat hij zelden het gevoel had gehad, zo ‘samen’ te zijn als nu.

    De schoonmoeder heeft tijdens de wandeling de touwtjes in handen, de verblijfplaatsen geregeld, wijst op wat er gezien moet worden. ‘Och, wat schattig’, bij het zien van een houten bankje op een berg. Deze observaties: ‘Bovenaan de berg ging iedereen behalve mijn schoonvader zitten. (…) zelfs tijden de spaarzame pauzes wilde hij blijven bewegen.’ Ik las het verhaal van een welwillend mens, een liefde die geen stand houdt. En waarin gezocht wordt naar de plaats van de auteur in dit alles. Waarom de dingen genoteerd moeten worden? ‘Omdat ik ze niet wil vergeten.’ Prachtig geschreven. En zelf kon ik nu wel thuisblijven.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft wekelijks een column.

  • Ode aan een onverbeterlijke optimist

    Ode aan een onverbeterlijke optimist

    In 2009 – kort na zijn debuut als schrijver – kreeg  Thomas Heerma van Voss een telefoontje van zijn vriend Daniel van der Meer: of hij redacteur wilde worden bij de net opgerichte uitgeverij Babel & Voss. Het betaalde niet, maar het zou plezierig en zinvol werk zijn. De oprichters van de uitgeverij waren van plan alleen boeken uit te geven die ze zelf mooi vonden. Thomas ging graag in op het verzoek, zijn broer Daan was mede-oprichter en naast Daniel van der Meer was de andere vennoot Reinjan Mulder, de vader van een jeugdvriend. Mulder was lang werkzaam geweest als redacteur literatuur bij NRC en daarna tien jaar als uitgever bij uitgeverij De Geus.

    Vol enthousiasme meldde Thomas, 19 jaar en student Nederlands, zich op het kantoor van de uitgeverij. Dat zag er anders uit dan het imponerende pand van de uitgeverij van zijn debuut: ‘Het kantoor van Babel &Voss lag boven in een vervallen pand op de Wallen. Op de begane grond bevond zich een medisch hulpcentrum, waar achter een dikke glasplaat altijd een paar sjofel geklede jongvolwassenen, soms zachtjes kreunend, zaten te wachten op een dokter.’

    Incasseren van tegenslagen

    Het uitgeven viel tegen, de stapels manuscripten die andere uitgeverijen ontvingen, waren hier heel klein en uit de kwaliteit kon hij opmaken dat ze kennelijk al door die andere uitgeverijen geweigerd waren. Maar af en toe kwam er toch een manuscript langs dat publicabel was. En toen merkte Thomas dat er een groot tweede probleem was: kleine uitgeverijen blijken veel moeite te hebben hun boeken in de boekhandel te krijgen. En boeken die niet zichtbaar zijn bestaan eigenlijk niet en worden dus  niet gekocht. Ook enthousiaste deelname aan de jaarlijkse Beurs voor kleine uitgevers hielp niet. Maar het leek Reinjan Mulder niet te deren. ‘Hoe weinig we ook verkochten, hoe moeizaam een titel vaak ook liep, onze tweewekelijkse vergaderingen bleven goedmoedig, aangenaam. Dat was misschien wel een van de opvallendste eigenschappen van Reinjan, iets waar ik met verwondering en toenemende jaloezie naar keek: zijn vermogen om tegenslagen te incasseren met dezelfde glimlach waarmee hij weken eerder hardop droomde van een grootse gebeurtenis. Alsof in alles een positieve boodschap verscholen lag die hij als enige kon ontcijferen.’

    Thomas’ broer gaf het al na twee titels op. Reinjan die de onderneming financierde en alle tekorten blijmoedig aanvulde uit een blijkbaar ongelimiteerde voorraad geld, constateerde pas na vijf jaar dat het tijd werd te stoppen. Maar dat einde moest niet onopgemerkt plaats vinden, vond hij. Over hun vruchteloze pogingen de uitgeverij te laten slagen had Thomas een stuk geschreven voor  het blad Ons ErfdeelDat verslag moest in boekvorm de laatste uitgave van Babel & Voss zijn, vond Reinjan Mulder. Dat hij er in beschreven werd als een wat naïeve en onverbeterlijke optimist deerde hem niet. Onder de titel Onzichtbare boeken verscheen in 2015 de geschiedenis van hun mislukking. 

    Boekje ter afsluiting

    Thomas Heerma van Voss heeft er geen jammerverhaal van gemaakt. Integendeel, het is een ode aan de Ausdauer en het vaak onbegrijpelijke goede humeur van Reinjan Mulder. Zijn eigen ervaringen beschrijft hij met opgewekte gelatenheid. En er gebeurde een wonder: het boekje werd een succes. Zo groot zelfs dat Babel & Voss er nog vijf jaar mee voort kon. Weliswaar op een steeds zachter pitje, maar toch…

    Tot uiteindelijk Reinjan Mulder zijn Waterloo vond bij het uitbrengen van het boek Melancholicaman. Na het verschijnen van deze titel had de auteur enkele dozen exemplaren meegenomen en deze vervolgens bij veel boekhandels tegen betaling aan de man gebracht met recht van retour. En retour kwamen ze, zodat Reinjan zich blauw betaalde aan terugkerende exemplaren waarvan hij nooit het verkoopbedrag had kunnen innen. Dat was zelfs voor de eeuwige optimist niet te pruimen. Maar ook nu wilde hij dat het einde van de uitgeverij met enige tam-tam zou gebeuren. Thomas, vond hij, moest een vervolg schrijven op ‘Onzichtbare boeken’.  Hij bood aan een verblijf te betalen in het badplaatsje Dovercourt, waar – wist  hij – Thomas goede herinneringen aan had. Daar kon hij vast wel wat schrijven.

    Thomas hield de uitnodiging af. Maar toen zijn vriendin liet weten dat ze de relatie wilde beëindigen was voor hem het moment gekomen om toch maar op pad te gaan. Het resultaat is Verdwenen boeken, dit jaar inderdaad verschenen als laatste uitgave van Babel & Voss.

    Herinneringen aan gezamenlijke vakanties

    Het is een wat melancholisch relaas geworden over het bezoek van Thomas aan Dovercourt, in een poging de gelukkige zomervakanties te herbeleven die hij hier elk jaar met Reinjan en zijn gezin mocht doorbrengen. Want Reinjan’s zoon was zijn boezemvriend en hij mocht daarom elk jaar mee naar het appartement dat Reinjan had geërfd van zijn vader, de schilder Piet Mulder die hier de zee portretteerde. Maar Dovercourt is niet meer wat het was, het plaatsje is leeggelopen, het hotel waar hij zou logeren wordt net op dat moment gesloopt. Hij herinnert zich de snackbar  ‘waar Reinjan vroeger elke vakantie vier porties fish-and-chips haalde, die hij naar huis droeg als een trofee. ‘Nu ik hier sta zie ik zijn opgetogen gezicht weer, lopend over de boulevard, goed zichtbaar door de ramen van zijn vaders flat. Verwilderd grijs plukjeshaar, onbehouwen grijns, haastige bewegingen, precies zoals hij jaren later Babel & Voss bestierde.’

    Veel lezers van Onzichtbare boeken zullen zich hebben afgevraagd waar Mulder de hoeveelheden geld vandaan haalde die hij zonder enige bekommernis in de uitgeverij stak. Dat wordt in Verdwenen boeken onthuld. Reinjan was in 2009 op zijn 60ste een nieuw leven begonnen. ‘Hij ging weg bij de uitgeverij waar hij werkte, hing een FOR SALE-bordje op zijn Engelse appartement, ontfermde zich over de piepjonge  Milan Kundera, schreef met zijn nieuwe geliefde het filosofische boek Opnieuw beginnen en stortte zich bezield op een eigen uitgeverij waarmee hij alles veel beter zou aanpakken dan bij de uitgeverijen waar hij eerder werkte.’

    Een late midlife crisis en de verkoop van het Engelse appartement waren dus de basis voor het mislukte uitgeef avontuur dat uiteindelijk toch nog deze twee aardige, vlot geschreven boekjes heeft opgeleverd. Met een fraai portret van Reinjan Mulder en een kijkje in de ziel van de schrijver. Ze zijn nu in één band herdrukt door DAS MAG, de uitgeverij die Daniel van der Meer oprichtte toen hij vertrok bij Babel & Voss. En zo kwam de cirkel toch een beetje rond.

     

     

  • Oogst week 43 – 2020

    Onzichtbare boeken Verdwenen boeken

    Thomas Heerma van Voss (1990) is niet alleen schrijver van romans als Stern en Condities, maar hij was ook actief als redacteur bij Babel & Voss, een uitgeverij die in 2009 werd opgericht door Reinjan Mulder. Deze uitgeverij was een frisse wind binnen het literaire veld, maar na een veelbelovend begin bleef het echte succes uit. In 2014 schreef Heerma van Voss daarom het afscheidsboekje Onzichtbare boeken. Ironisch genoeg werd juist dit werk een succes. De uitgeverij ging tóch door.

    Dit jaar viel het doek voor Babel & Voss definitief. Daarom schreef Heerma van Voss opnieuw een afscheidsboekje: Verdwenen boeken. Das Mag heeft Onzichtbare boeken en Verdwenen boeken gebundeld. In deze uitgave gaat het niet alleen over de pieken en dalen van een uitgeverij, maar ook over de band tussen Heerma van Voss en Mulder.

    Onzichtbare boeken Verdwenen boeken
    Auteur: Thomas Heerma van Voss
    Uitgeverij: Das Mag Uitgeverij B.V.

    Aslast

    In 2010 debuteerde A.H.J. Dautzenberg (1967) met de verhalenbundel Vogels met zwarte poten kun je niet vreten. Sindsdien publiceert hij onder meer romans, gedichten, essays, theaterteksten en korte verhalen. Tien jaar na zijn debuut verschijnt Aslast, een novelle over P., een man van middelbare leeftijd. Hij bevindt zich niet alleen in een trein, maar ook in een absurdistisch grensgebied tussen binnen- en buitenwereld. Zo is de wagon opgeleukt met een tekening in de stijl van Mondriaan en beginnen de gekleurde rechthoeken opeens te bewegen. Dautzenberg gebruikt muzikale taal, waardoor deze novelle over eenzaamheid, lotsbestemming en individualiteit veel wegheeft van een lang gedicht.

    Aslast
    Auteur: A.H.J. Dautzenberg
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl

    Een bijzonder boek dat recent verscheen is Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl van Uwe Johnson (1934-1984), een vertaling door Marc Hoogma, met medewerking van Theo Veenhof, van Jahrestage. Aus dem Leben von Gesine Cresspahl dat tussen 1970 en 1983 in vier delen werd uitgebracht. Deze Nederlandstalige editie bevat ruim vijftienhonderd pagina’s en gaat over een jonge vrouw in New York die haar dochtertje vertelt over haar eigen jeugd in Duitsland. Niet alleen komen de nazi’s en het leven in de DDR uitgebreid aan bod, ook wordt de wereldpolitiek aan het einde van de jaren 60 belicht, zoals de oorlog in Vietnam, de Praagse lente en de moorden op Martin Luther King en Robert Kennedy.

    Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl
    Auteur: Uwe Johnson
    Uitgeverij: Uitgeverij G.A. Van Oorschot B.V.
  • Beste opties

    Beste opties

    Ik herken de vrouw op de achterflap niet. Natuurlijk weet ik wie het is, de boog van de wenkbrauwen, het bruine haar, prima blik voor een achterflap. Ik weet dat ik het ben die glimlacht naar de fotograaf – mijn redacteur destijds, Irwan Droog, ook de verantwoordelijke voor het mooie omslagbeeld. Toch zegt die griet me weinig. Dat lijkt erger dan het is. In zekere zin maakt het een en ander makkelijker, want afstand is precies wat ik nodig heb: ik herlees mijn eigen debuut. Sinds verschijnen deed ik dat nog niet, Probeer om te keren vierde onlangs haar derde verjaardag.

    In het ijzersterke Strovuur van Gerwin van der Werf denkt hoofdpersoon Fay – zeventien jaar ‘en een gaatje in mijn hart’ – aan het schip van Theseus, een gedachte-experiment dat draait om de vraag of dat schip hetzelfde schip blijft als alle originele onderdelen ervan zijn vervangen. Vanaf daar is het een kleine sprong naar het idee dat je lijf er zo’n zeven jaar over doet om al zijn cellen te vernieuwen. Volgens sommigen begin je dus iedere zeven jaar opnieuw.
    De jonge vrouw op de achterflap van mijn boek voelt lichtjaren van mij verwijderd. Ze schreef een roman over, onder meer, de zorg van een moeder voor een gehandicapte dochter. Ze weet nog van niets, die vrouw, niet dat ze een kleine poos later zelf moeder zal worden van een gehandicapt meisje – zo gehandicapt zelfs dat behoeden de beste optie is. De jonge vrouw, laat ik maar weer overstappen op de eerste persoon enkelvoud, kreeg gelukkig ook een fantastische baan, een andere burgerlijke staat, een gezonde en hard groeiende zoon. Maar het is niet overdreven om te zeggen dat ook ik een gaatje in mijn hart heb. In dat gaatje past precies mijn eerste kind.

    Vanaf mijn eerste publicatie nam ik me voor om nooit met schaamte naar eerder geschreven werk te kijken. Dat blijkt geen loos voornemen, want ik lees geregeld in interviews met schrijvers dat er boeken, verhalen of gedichten zijn waar ze amper aan durven terug te denken. In De Groene Amsterdammer worden 21 telkens overwegend dezelfde vragen aan schrijvers gesteld, een ervan is wat iemand zou veranderen aan eerder werk.
    Thomas Heerma van Voss, van wie je naast zijn verhalen en romans gerust ieder interview kunt lezen omdat hij niet alleen wijze maar ook aardige dingen zegt, geeft het antwoord dat ik zelf ooit hoop te geven: ‘Ik vind het oneerbiedig om tegen mijn jongere zelf te zeggen: wat een rare keuzes heb jij gemaakt, want toen vond ik dat echt de beste opties.’

    Herlezen dus. Mijn eigen stem herken ik. Een enkele keer moet ik hardop lachen om iets. En wat ik tijdens het lezen zie, zijn al die bewust gekozen beste opties. Of ik die nu ook zou kiezen maakt eigenlijk niet uit. Als ik het boek uit heb blijft er trots over. Werklust. En mededogen naar die jonge vrouw op de foto, die nog niet wist wat er zou komen – en dat het heel goed afliep.

     

     


    Marijn Sikken mijmert over boeken en verhalen en schrijft daarover. Haar debuutroman Probeer om te keren verscheen in 2017 bij Uitgeverij Cossee.

  • Het mysterie van de eerste sekse

    Het mysterie van de eerste sekse

    In de door Maartje Laterveer samengestelde essaybundel Wolf uit 2019 beantwoorden dertien vrouwen de vraag ‘Wat maakt de vrouw?’ In Sfinx, het logische vervolg op Wolf, buigen dertien mannen (schrijvers, journalisten, redacteurs, historici en essayisten) zich daarom in even zoveel essays over het verschijnsel ‘man’. Volgens Simone de Beauvoir in De tweede sekse (1949) wordt een vrouw niet als vrouw geboren, maar tot vrouw gemaakt. Wat betekent dat dan voor de ‘eerste sekse, wordt die wel als man geboren, en zo ja, wat betekent dat dan? Het staat vooraf uiteraard buiten kijf dat ‘de man, net als ‘de vrouw’ niet bestaat. Toch is Sfinx een interessante bundel omdat de auteurs zich vanuit allerlei invalshoeken ‘eerlijk en diepgaand’ gebogen hebben over het fenomeen “man”.

    Achterstand van 1-0

    De rol van de man is in de afgelopen decennia veranderd, mede door de emancipatie van de vrouw, betoogt Laterveer in haar inleiding. Van oudsher is mannelijkheid verbonden met ‘dominantie, leiderschap, voetbal en onafhankelijkheid’, terreinen waar vrouwen steeds zichtbaarder zijn geworden. En om in voetbaltermen te spreken staan mannen volgens Laterveer inmiddels zelfs met 1-0 achter; waar meisjes namelijk het mooiste meisje van de klas zouden moeten zijn, moeten ‘jongens het mooiste meisje van de klas veroveren’. De wat mysterieus aandoende titel Sfinx wordt uitgelegd middels een kat die op het omslag prijkt, verwijzend naar een diersoort die relatief veel aandacht zou opeisen. In de Griekse mythologie stond een sfinx daarnaast bekend als half vrouw, half adelaar en in de Egyptische als half man, half leeuw. Mannen krijgen, net als vrouwen, ‘etiketten opgeplakt die helemaal niets met hun werkelijke identiteit te maken hoeven te hebben, en die hen in beginsel net zo onvrij maken als vrouwen.’ Vrijheid blijkt voor mannen dus evenmin een vanzelfsprekendheid te zijn als voor vrouwen. 

    Macht

    In Sfinx houdt Casper Thomas zich in het essay waar de bundel mee begint bezig met een zoektocht naar het succes van leiders als Trump, Poetin, Modi en Bolsonaro. Hij ziet een opkomst van een antiliberale politiek die gedreven wordt door ‘mannelijke dominantie en stoffige rolpatronen.’ In zo’n klimaat van macht en overheersing moest wel een beweging als MeToo ontstaan, volgens Hans Hogenkamp omdat ‘de man vindt dat de vrouw de macht heeft omdat zij hem kan weigeren, maar in de ogen van de vrouw de man de macht [heeft] omdat hij haar kan dwingen.’ Op humoristische wijze schetst Hogenkamp de verwarring waar mannen onder gebukt gaan als het gaat om die machtsverhoudingen. Rutger Lemm constateert dat hij als vader anders op zijn kind reageert dan zijn vriendin en vraagt zich af waar zijn egocentrisme en luiheid vandaan komen. Hij komt tot de conclusie dat ‘er altijd wel een vrouw is die dat mogelijk maakt.’ En over patriarchaat gesproken: ook Thomas Heerma van Voss en Lotfi El Hamidi zien daarmee een duidelijke relatie. De eerste vraagt zich af in hoeverre het feit dat hij als man geboren is doorslaggevend is geweest voor wie hij geworden is, de tweede legt uit dat wanneer mannen tot God bidden om hen een zoon te schenken, is dat niet alleen vanwege status of het doorgeven van een familienaam, maar ook ‘omdat ze zelf weten in welke niet te benijden positie vrouwen in de samenleving terechtkomen.’ Een pijnlijke constatering.

    Waar is de oerman gebleven

    Passages als bovenstaande zetten de lezer aan het denken. In vrijwel ieder essay zijn ook min of meer humoristische overwegingen te vinden, bijvoorbeeld het advies van Mohammed Benzakour aan ‘identiteitsworstelaars’ om een hengel aan te schaffen, of verhelderende uiteenzettingen, zoals het door Martin de Haan zeer genuanceerd uitgelegde standpunt van Michel Houellebecq over vrouwen en mannen, of verontrustende zaken zoals de cijfers die Nathan Vos schetst over het aantal zelfdodingen onder mannen. Maxim Februari schrijft een heel persoonlijk stuk waarin hij uiteenzet dat zijn manbeeld ooit ontleend was aan maatschappelijke structuren, dat mannen (en vrouwen) niet geboren worden maar gemaakt (zoals De Beauvoir indertijd ook al betoogde), maar dat hij tot de ontdekking is gekomen dat mannelijkheid in wezen ‘iets puur statistisch’ is. Peter Giesen relativeert de rol van de oerman als heroïsche jager; de ‘prehistorische rolverdeling was volgens hedendaagse archeologen lang niet zo stereotiep als vaak wordt aangenomen.’ Tjeerd Posthuma en Maurits de Bruijn maken de lezer er vooral van bewust dat mannen kwetsbare wezens kunnen zijn, dat er ook van hen misbruik kan worden gemaakt en dat kleedkamers het toneel van afwijzing kunnen zijn. Met het laatste essay, van Jan van Mersbergen, heeft Laterveer voor een prachtig en evenwichtig einde van haar bundel gekozen. Vanwege een nogal moeizame relatie met zijn ex besluit Van Mersbergen dat hij het niet meer wil hebben over mannelijk en vrouwelijk. Het gaat volgens hem om ‘evenwicht, verantwoordelijkheid, doen en zorgen’. Dat zorgen is niet typisch vrouwelijk, dat is volgens hem gewoon een werkwoord en egoïsme is niet typisch mannelijk, het is onzijdig.

    Genuanceerd en persoonlijk

    Laterveer heeft een bundel samengesteld waarin door de auteurs op genuanceerde en vaak ook persoonlijke wijze wordt nagedacht over de complexiteit van mannelijkheid. Er komen thema’s naar voren als vriendschap, macht, verantwoordelijkheid, kwetsbaarheid en schaamte die door mannen weliswaar anders worden beleefd dan door vrouwen, maar die voor beide seksen relevant blijken te zijn. Sfinx is een veelzijdige bundeling van essays die stuk voor stuk stof tot nadenken geven, maar waarin het verschijnsel ‘man’ gelukkig ook nog voldoende mysterie overhoudt.

     

  • Oogst week 18 – 2019

    Partizaan Winter

    Partizaan Winter is het debuut van de Italiaanse schrijver Giacomo Verri (1978). Het verscheen oorspronkelijk in 2012 en is nu in een vertaling van Lilian Lotichius bij uitgeverij IJzer verschenen. Partizaan Winter vertelt over de gebeurtenissen uit 1943 in en rond het geboortedorp en de woonplaats van de auteur, Borgosesia.

    Aan de hand van drie sleutelfiguren vertelt Verri het verhaal van de vrijheidsstrijd van partizanen tegen het fascisme in de oorlogswinter van 1943. De drie personages raken op hun eigen manier verwikkeld in de oorlogsgebeurtenissen met als dieptepunt de represaille door het fascistische en berucht wrede Tagliamento-legioen voor de moord op twee van hun kameraden door de partizanen. Na een nacht van gruwelijke martelpraktijken fusilleert het legioen tien inwoners van Borgosesia.

    Een korte documentaire over de roman staat hier.

    Partizaan Winter
    Auteur: Giacomo Verri
    Uitgeverij: Uitgeverij IJzer

    Grote dieven kleine dieven

    Veel van de romans van de Egyptische schrijver Cossery spelen zich af in Egypte. Ze gaan over het contrast tussen arm en rijk, tussen machthebbers en machtelozen. De hoofdpersonen in zijn boeken zijn meestal representanten van de underdog.

    Zo ook in Grote dieven kleine dieven waarin Oessama, een intelligente, ironische, kleine dief, een belastende brief vindt in een door hem gerolde portefeuille. Het boek speelt zich af in een uit zijn krachten gegroeid Caïro, waar haastig en goedkoop gebouwd wordt. Door bezuinigingen op deugdelijk bouwmateriaal en door achterstallig onderhoud van bestaande huizen storten regelmatig panden in.

    Uit de brief die Oessama gestolen heeft blijkt dat een projectontwikkelaar en een politicus schuldig zijn aan het instorten van een gebouw, waarbij minstens vijftig doden vielen.

     

    Grote dieven kleine dieven
    Auteur: Albert Cossery
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas

    De IJssel stroomt feller dan de Amstel

    Ad ten Bosch is grootgebracht tussen de boeken. Zijn vader was boekhandelaar bij Van Someren en Ten Bosch, een boekhandel die Ten Bosch later overnam. Dat was het begin van een loopbaan in het boekenvak. Hij is drukker, boekverkoper, uitgever en schrijver (geweest).

    In De IJssel stroomt feller dan de Amstel, met als ondertitel ‘Herinneringen van een boekverkoper, uitgever en schrijver’ vertelt hij zijn verhaal.

    Uitgeverij van Oorschot: ‘Zijn memoires lezen als een verslag van een avontuurlijk leven en een geschiedenis van het Nederlandse boekenvak ineen.’

    De IJssel stroomt feller dan de Amstel
    Auteur: Ad ten Bosch
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Onrustige dagen

    Zoals De IJssel stroomt sneller dan de Amstel (zie hiervoor) een beeld geeft van het Nederlandse boekenvak, zo biedt Geniaal is niet direct het woord. Brieven aan Theo Sontrop inzicht in de verhouding van een schrijver en zijn uitgever. Deze speciale uitgave (bezorgd en van een nawoord voorzien door Jan Paul Hinrichs) is in beperkte oplage verschenen bij de Statenhofpers en bevat 73 brieven van F.B. Hotz aan De Arbeiderspers. Oplage: 75 gebonden exemplaren.

    Maar de liefhebbers van verhalenverteller Hotz kunnen ook hun hart ophalen bij Onrustige dagen, de mooiste verhalen, gekozen en ingeleid door Thomas Heerma van Voss die schrijft: ‘Hotz is een grootmeester. Scherpzinnig, grappig, ontroerend, psychologisch bijzonder sterk en, wat echt een unicum is: zijn verhalen voelen niet gedateerd. Als ik bij het schrijven even vastloop trek ik regelmatig een van Hotz’ bundels uit de kast. Om een paar zinnen te lezen. Om me over te geven aan zijn ritme. Ik zou het iedereen aanraden. De beste verhalen van Hotz horen bij het beste wat de Nederlandse literatuur heeft voortgebracht.’

    Onrustige dagen
    Auteur: F.B. Hotz
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Stand by your man

    Stand by your man

    Het is tijden geleden dat ik naar het Songfestival heb gekeken, de laatste keer was toen Sandy Shaw had gewonnen met ‘Puppet on a string’. Nu Waylon meedoet is er een soort reuring ontstaan die me erbij trekt. Waylon had genoeg van de negatieve berichtgeving over zijn optreden, met name over de dansers rond zijn nummer: dat hij dat niet moest doen, niet nodig had. Zijn liedje gaat over rebellie die, volgens Waylon, in iedereen schuilt: ‘Ik sta ergens voor, ik hou mijn poot stijf. Precies dat zit in die dans.’ Daarom wilde hij niets meer met de betreffende kranten te maken hebben die hem negatief bekritiseerden. Zou ik ook niet willen. Het moet verdorie ook maar eens gewoon genomen worden zoals je het brengt.

    Een beetje rebellie kunnen we wel gebruiken. Maar hoe doe je dat, rebelleren?
    In de nieuwste Tirade – een bloemlezing van vijftig blogs die sinds 2009 online verschenen zijn –  las ik het blog van Thomas Heerma van Voss ‘De uitnodiging’, uit 2014. Hij was gevraagd voor een openbaar gesprek over zijn werk als schrijver in een stad waar hij zelden kwam. De interviewster, die hij niet kende, googelde hij op de ochtend van vertrek. Hij vond een boekensite waarop zij boeken bedeelde met vier en vijf sterren, zonder uitzondering. Alleen voor hem niet, zijn debuut kreeg één ster en de roman die daarop volgde twee. Verdwaasd vroeg hij zich af waarom hij was uitgenodigd.

    De interviewster begroette hem in de stad waar hij zelden kwam met een ferme handdruk en liet an passant weten zijn nieuwste boek niet te hebben gelezen. In het gesprek noemde de interviewster zijn personages ‘stumperds’ en verging de schrijver de lust tot antwoorden. Er vielen ongemakkelijke stiltes. De onderhuidse rebel in hem bleef steken ’tussen hoffelijkheid en lafheid’.
    Was ik erbij geweest en het onrecht aangevoeld, was ik spontaan ‘Stand by your man’ van Tammy Wynette, gaan zingen. Die ene line, als een mantra. Voor ‘man’ kun je ‘self’ of ‘point’ zingen. Het heeft mij al door menig geval van onrechtvaardige bejegening geloodst. Dan zou de schrijver de interviewster ten afscheid een ferme handdruk geven en zeggen: ‘Leuke boekensite schrijf je trouwens voor.’

    Ik ben er overigens van overtuigd dat als Tammy Wynette ooit met dit liedje had meegedaan aan het songfestival, ze ongetwijfeld gewonnen zou hebben. En als Waylon nu zijn ‘poot stijf houdt’ en die dansers gewoon laat doen wat hij wil dat ze doen, dan zou hij in de finale nog wel eens hoge ogen kunnen gooien.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Uitgelezen Verhalen tijdens de Week van het Korte Verhaal

    Agenda: 17 februari / Tolhuistuin / Amsterdam

    In New York bestaat het concept al sinds 1985 en trekt het volle zalen onder de naam Selected Shorts, met Broadway- en Hollywood-acteurs.

    In Nederland is het een vrij nieuw fenomeen maar wordt toch al weer de vierde editie van Uitgelezen verhalen gepresenteerd. Uitgelezen verhalen is een ontmoeting tussen literatuur en theater. Acteurs zullen deze vierde editite verhalen vertellen van Anton Tsjechov, Philip Huff, Joseph Roth, Niña Weijers en Thomas Heerma van Voss. Aan de vorige edities werkten onder anderen mee Pierre Bokma en Johanna ter Steege.

    De eerstvolgende Uitgelezen Verhalen is tijdens de Week van het Korte Verhaal ( 14 t/m 21 februari). Deze week gaat van start op 14 februari met de bekendmaking van de eerste J.M.A. Biesheuvelprijs voor de beste Nederlandstalige verhalenbundel uit 2014.

    De acteurs Elle van Rijn, Aus Greidanus jr. en Marcel Faber zullen van bovengenoemde auteurs korte verhalen lezen. De avond is onderdeel van de Week van het Korte Verhaal.  Philip Huff, Niña Weijers en Thomas Heerma van Voss zullen ook aanwezig wanneer de verhalen gelezen worden.

    De verhalen zijn geselecteerd op het thema de Liefde in haar vele vormen: de hopeloze liefde voor een ex-vriendin (Huff), de voorbije liefde tussen een plattelandsarts en zijn overspelige vrouw (Tsjechov), de liefde voor een kamermeisje (Roth), de mogelijk ontluikende liefde tussen een taxichauffeur en passagier (Weijers) en betaalde liefde (Heerma van Voss).


    Uitgelezen verhalen

    Dinsdag 17 februari
    Aanvang 20.00 uur
    Tolhuistuin IJzaal
    IJpromenade 2, Amsterdam Noord (bij Eye film)
    Kaarten: 12.50 euro via www.ticketkantoor.nl/shop/uitgelezen

    Kijk ook op www.uitgelezenverhalen.nl