• Ideeënroman over de overgave aan het kunstenaarschap

    Ideeënroman over de overgave aan het kunstenaarschap

    De belangstelling voor het werk van de Oostenrijkse schrijver Thomas Bernhard (1931-1981) blijft onverminderd groot. Zijn romans worden door literaire fijnproevers nog steeds gelezen en zijn toneelstukken worden met enige regelmaat op de planken gebracht. Na bijna veertig jaar verschijnt nu zijn roman De onderspitdelver (1983) in een toegankelijke Nederlandse vertaling van Chris Bakker. De onderspitdelver is een psychologische roman over kunstenaar zijn, waarin drie talentvolle pianisten die een bijzondere relatie met elkaar hebben de hoofdrol spelen. Daarbij gaat de roman in op de overgave aan het kunstenaarschap, op begrippen als virtuositeit en genialiteit en op de maatschappelijke betekenis van de kunstenaar wat het boek tot een ideeënroman maakt.

    Twee virtuozen en een genie

    Allereerst is er Glenn Gould, de Canadese, briljante vertolker van de Goldbergvariaties van Johann Sebastian Bach. In 1953 volgt Gould aan het Mozarteum in Salzburg pianolessen bij de Russische pianist Vladimir Horowitz (1903-1989), daar komt hij in contact met het fictieve personage Wertheimer en met de ik-figuur. Beiden zijn virtuoze pianisten en hebben net als Glenn Gould pianoles van Horowitz en zijn in staat een ongekend hoog niveau te bereiken. Echter, als Wertheimer en de ik-figuur Glenn Gould horen spelen, haken ze af. Ze beseffen dat Glenn Gould een niet te overtreffen piano-kunstenaar is, een muzikaal genie, die zelfs hun leermeester Horowitz overtreft. Zijzelf zijn pianisten zoals er al zoveel zijn, gedoemd een carrière te richten op banale zaken als lesgeven en het voor de hand liggende repertoire te spelen dat de voorkeur van het publiek heeft. 

    De verhouding van de drie personages ten opzichte van elkaar is complex. De ik-figuur is de verteller in deze roman, een verteller die niets en niemand ontziet. Zijn bewondering voor het kunstenaarschap van Glenn Gould kent geen grenzen, zijn diepgravende beschouwingen over het handelen en het karakter van zijn kwetsbare cursusgenoot Wertheimer zijn spijkerhard. De titel van de roman De onderspitdelver is te herleiden tot de bijnaam die Glenn Gould aan Wertheimer geeft. Bij hun ontmoetingen spreekt Gould hem aan met: ‘Mijn beste onderspitdelver’. Het boek dat Wertheimer later schrijft, heeft ook De onderspitdelver als titel. Uiteindelijk wijzigt en schrapt hij zoveel in het manuscript dat slechts de titel overblijft en een boek nooit gepubliceerd wordt. Na het opgeven van zijn carrière als pianist geeft de ik-figuur zich over aan de ‘geesteswetenschappen’, tevens werkt hij aan het essay, Over Glenn Gould, dat ook nooit gepubliceerd wordt. Het mysterie Glenn Gould heeft zowel Wertheimer als de ik-figuur in de rest van hun leven nooit losgelaten.

    Monologue intérieur

    De tekst van Bernhards roman kent geen indeling in hoofdstukken en alinea’s, deze wordt slechts onderbroken door gebruik van hoofdletters en interpunctie. De onderspitdelver is een monologue intérieur, een doorlopend aaneengeschreven tekst vanuit het perspectief van de ik-figuur, hoofdzakelijk opgebouwd uit persoonlijke herinneringen en gevoelens die door hem inhoudelijk worden becommentarieerd. Er zijn woorden en zinsneden die cursief gedrukt zijn, zoals kunstbezetenheid, pianoradicalisme, geen sporen achterlaten. Ze dwingen de lezer pas op de plaats te maken en mee te gaan in de gedachtestroom van de ik-figuur of zich te verwonderen over neologismen als glenngeniaal en aforisticus.      

    De ik-figuur pelt de herinneringen aan Glenn Gould en Wertheimer laag voor laag af. Gedachten worden vaak onderbroken door de toevoeging ‘dacht ik’ of ‘dacht ik in het logement’. Het herhaalde gebruik van ‘dacht ik’ verwijst niet alleen naar de herinneringen van de ik-figuur, maar het refereert ook aan zijn twijfel over het waarheidsgehalte van zijn gedachten. De herhaalde toevoeging ‘in het logement’ maakt duidelijk dat het terughalen van de herinneringen door de ik-figuur grotendeels in dezelfde ruimte plaatsvindt. De ik-figuur is een analytische denker, die voortdurend wikt en weegt of zijn herinneringen en gedachten juist zijn. Veel van zijn gedachten zijn in een vorm van cyclisch denken weergegeven; al redenerend komt de ik-figuur na een aantal denkstappen weer uit bij de beginsituatie. 

    De toepassing van de woordherhalingen en de invoegingen van ‘dacht ik’ in de romantekst accentueren deze cyclische denkstructuren. Bovendien verwijzen ze naar de compositie van de Goldbergvariaties, die deze elementen ook bevat. Om Thomas Bernhard te vergelijken met de ik-figuur is te simpel. Ofschoon er overeenkomsten zijn tussen het leven van de auteur en dat van de ik-figuur, zoals hun studie aan het Mozarteum, hun schrijverschap en hun longproblemen, is laatstgenoemde geen blauwdruk van de auteur. Zo eenvoudig stelt Thomas Bernard zijn personages niet samen. Overigens zijn er ook overeenkomsten tussen het fictieve personage Wertheimer en de auteur.  

    Auteur en zijn personages

    Wie bekend is met het werk van Thomas Bernhard zal de meedogenloosheid van de ik-figuur herkennen in zijn oordeel over allerlei zaken, zeker wanneer dit het culturele en maatschappelijke leven in Oostenrijk betreft. Het landschap, de dorpen, de spoorwegen, de hotels, het eten en drinken, het katholicisme, niets deugt. Ook de mensen in zijn directe omgeving pakt hij genadeloos aan. Vrijwel iedereen vormt een belemmering in de ontwikkeling van de ik-figuur, op enkele personen na die hij bewondert. In De onderspitdelver is hem het niveau van virtuositeit te min en het bereiken van de status van genialiteit het ultieme. Een tussenweg is er niet. Met een zekere nuance naar de mens en zijn omgeving kijken doet hij niet, sterker nog: kán hij niet. 

    Verwacht bij Thomas Bernhard geen relativering, geen lichtvoetigheid. Inhoudelijk is zijn werk loodzwaar, geschreven vanuit een negatief en somber wereldbeeld. Wanneer Bernard zich van humor bedient, dan is het een vorm van sarcasme of cynisme. Hij heeft zowel in Oostenrijk als in het buitenland veel kritiek gehad op zijn werk en zijn persoon – critici noemden hem een nestbevuiler – maar de auteur zonder meer afdoen als zwartgallig zonder zijn werk zorgvuldig te lezen, doet geen recht aan zijn authentieke schrijverschap. De onderspitdelver is een knap geschreven roman met een bijzondere inhoud en een spanning wekkende monologue intérieur die nergens inzakt. Bernhard mag dan bij een deel van het lezerspubliek nog steeds weerstand oproepen, zijn romans en toneelwerk zijn van een internationale allure.

     

     

  • Vakantierubriek 2013 – Albert Hogeweij

    Oostenrijk

    Thomas Bernhard – Adalbert Stifter
    ‘Na de zelfmoord van onze ouders zaten wij tweeënhalve maand in de toren opgesloten’, aldus zet de eerste zin van de novelle Amras (1964) van de Oostenrijker Thomas Bernhard (1931-1989) behoorlijk typerend voor diens van mensenhaat, eenzaamheid en onbegrip doordesemde oeuvre. Dat hij toch tot de ‘lachschrijvers’ gerekend mag worden, komt door zijn onnavolgbare, zeer muzikale stijl, waarin de logica van de, ondanks hun lengte, volstrekt heldere, apodictische zinnen (gegoten vaak in de vorm van een door een verteller opgetekende monoloog van een of andere even afzijdig als verbitterd levende kunstenaar, filosoof of componist) met hun herhalingen en variaties en gecultiveerde overdrijving tot in het karikaturale voortwoekert en aldus op onze lachspieren begint te werken.

    De helderheid van Bernhards proza verraadt zijn voorliefde voor Pascal, Novalis en Schopenhauer. Omdat in die monologen nogal eens een heilig Oostenrijks huisje het moet ontgelden, oogstte Bernhard veel weerstand in zijn eigen land. Tegen diverse boeken en toneelstukken van hem werden processen aangespannen. Bernhard zou een ‘Nestbeschmutzer’ zijn. Niet iedereen kan daar natuurlijk van het kaliber Kurt Waldheim zijn, nietwaar?

    Toch is voor mij Bernhard een van de redenen om Oostenrijk hoog te achten. Misschien wat nationalistisch gedacht, maar de cultuur van het desbetreffende land moet zo’n schrijver toch maar voortbrengen. Tegen mensen die bijvoorbeeld Frankrijk hoger aanslaan, breng ik gelijk Bernhards mening over Franse literatuur in stelling: die vond hij, op Herr Teste van Paul Valéry na, maar weinig voorstellen.

    Een andere Oostenrijkse auteur die een aanlokkende werking op mij uitoefent is Adalbert Stifter (1805-1868). Een schrijver die voor het echte leven ook liever dekking zocht in een gecultiveerde schrijfstijl. Voor Thomas Bernhard was Stifter jarenlang niet alleen qua zinsbouw en woordkeus, maar ook voor diens pregnante en exacte blik op zijn naaste omgeving een lichtend voorbeeld. In Stifers Bildungsroman Der Nachsommer (1857) is de handeling opgeofferd aan beschouwingen. Maar in Bernhards Alte Meister uit 1985 pleegt de protagonist regelrechte Stifter-Beschimpfung, als hij de Biedermeierauteur wegzet als ‘provinciale dilettant’, wiens proza laboreert aan een ‘vreselijke stijl’ met zijn ‘kleinburgerlijke sentimentaliteit’.

    Wie het beroemde voorwoord van Stifter bij zijn Bunte Steine uit 1852 leest zou hem bijna gelijk geven: ‘Bij mijn schrijfsels is het mijn doel geweest […] gelijkgestemde vrienden een genoeglijk uur te bezorgen.’ Goed, Stifter stond in 1848 niet op de barricaden en zwoer niet bij een groots en meeslepend leven, maar veeleer dan conservatief was hij een utopist. Depressief, drankzuchtig en vereenzaamd in zijn ongelukkige huwelijk, trok hij in zijn boeken een volkomen schijnwereld op waarin stilering van de werkelijkheid boven realistische weergave ging. Gedragen door de overtuiging dat de Natuur zowel als de zedelijke werkelijkheid tot in haar schijnbaar onbeduidendste verschijnselen beheerst wordt door ‘das sanfte Gesetz’. ‘Zoals het in de natuur buiten is, zo is het ook in de innerlijke natuur, in die van het mensdom. Een heel leven vol rechtvaardigheid, eenvoud, zelfbeheersing, redelijkheid, werkzaamheid in eigen kring, bewondering van schoonheid, verbonden met een blijmoedig, berustend sterven, houd ik voor groot. Heftige gemoedsbewegingen, angstwekkend voortrazende toorn, wraakzucht, de ontvlamde geest die naar activiteit streeft, omverwerpt, verandert, verwoest en in de opwinding vaak het eigen leven vergooit, houd ik niet voor groter maar voor kleiner.’ Klinkt nu als een pleidooi voor onthaasting, maar als lezer bekruipt je het gevoel dat de harmonie voortdurend bevochten moet worden, dat de chaos enkel eronder kan worden gehouden in die bezwerende stijl. Het dagelijkse leven van Stifter was daarbij zo innig niet…Een Duitse literatuurprofessor merkte eens op dat de lasteraar Thomas Bernhard in zijn leven niets anders heeft gedaan dan dat te verwezenlijken waarvan Adalbert Stifter slechts kon dromen en in zijn werk gestalte wist te geven. Bernhard was impotent, Stifter depressief. Eerstgenoemde kwam door longziekte vroegtijdig aan zijn eind, bij de tweede kwam er zelfmoord aan te pas.

    Ach Oostenrijk, aangeharkte natuur, platgetreden paden, maar je schrijvers vinden er hun eigen weg naar onnavolgbaarheid.

    door Albert Hogeweij 

    In de Vakantierubriek 2013 stellen recensenten een aantal boeken aan u voor, uit de landen die zij op hun vakantie zullen bezoeken, of inmiddels hebben bezocht.
    Wilt u ook een bijdrage leveren aan de Vakantierubriek 2013. Klik dan hier.

    Wilt u alle bijdragen van de andere recensenten lezen, klik dan hier.

  • De nieuwe Tirade en twee voorgaande edities hier belicht

    In de laatste drie edities van Tirade zetten dichters en literatuurbeschouwers de toon en schrijft Joop Goudsblom verder aan zijn memoires. De tijdschriften bevatten een fijn aanbod van onlangs gedebuteerde – en debuterende auteurs, vertaalde literatuur en persoonlijke literaire verslagen. Tirade onderscheidt zich wel degelijk door plaats te bieden aan een mengeling van prille en doorgewinterde auteurs die in hun stijl verrassen en aan het denken zetten. 

    De nieuwste Tirade (nr. 443) is een themanummer over de auto in de wereldliteratuur: Het Tirade-autonummer, ‘speciaal gemaakt voor hoedenplank en dashboard’. ‘Hoedenplank’ en ‘dashboard’ roepen nostalgische gevoelens op aan vervlogen tijden. Hoofddeksels worden er tegenwoordig in alle soorten en modellen gedragen maar wie legt nu nog zijn hoed op de hoedenplank sinds het veelkleurige gehaakte hoedje (om de aanwezigheid van de onvergetelijke closetrol te camoufleren), de respect afdwingende hoed van vader of opa daarvan verdreef? Ook die closetrol is inmiddels van zijn plaats verdreven. Ruimte genoeg dus voor Tirade.

    Jeroen van Kan vraagt zich af in Dichters rijden niet, waar de mythe vandaan komt dat dichters niet geschikt zijn voor het autorijden en zo ja, waarom dat zo is. Is het simpel omdat ze dan ongelimiteerd drank tot zich kunnen nemen? Met behulp van een enquête kwam Van Kan tot de hem verbazende conclusie dat de helft van de geënquêteerde dichters wel autorijdt.

    De crash, vier keer is een bijdrage van Menno Hartman. Waarin op tamelijk willekeurige manier, zoals je een mooi veldboeket samenstelt, auto gerelateerde ervaringen uit de wereldliteratuur zijn samengebracht. Waaronder literaire werken als Machines en emoties van Hermans en Kousbroek, (Hermans schrijft over zijn ‘gesneuvelde lieveling’). De door een verkeersongeval omgekomen schrijvers Italo Svevo, Albert Camus en Roland Barthes als ook de eerste verkeersdode in Engeland (1869) vinden een plek in dit boeket aan autoleed op wereldniveau.

    Van Vrouwkje Tuinman het gedicht LiveHammer, dat welhaast voor zichzelf spreekt. In Autogedichten droomt Delphine Lecompte dat ze verkracht wordt op de achterbank van een taxi door een imker. ‘De taxi heeft geen chauffeur / De taxi heeft een dode chauffeur.’ Geheel des Lecomptes is het dat ‘de verkrachting’ leest als stond er bijvoorbeeld ‘ze dronken een kopje thee’.

    De invariant van M.G. Jansen gaat over de ervaringen van een perfectionistische treinreiziger die de tijd en zichzelf volledig onder controle lijkt te hebben. Als hij in een treincoupé zijn overbuurman observeert, corrigeert hij zichzelf direct: ‘Bekijk hem niet te lang, kijk naar buiten, met een hand op je tas.’ Jansen schrijft in een dwingende ritmische stijl die, tussen de observaties door, doen geloven dat de man vrij is, dat hij elk moment uit de trein kan stappen waar hij maar wil. ‘Je wilt iets groters, iets onmogelijks. Je wilt de coupé ontstijgen, boven je lucht zien en niet geleid worden (…).’ Het verhaal toont zich in eerste instantie langdradig, je denkt, ‘laat die man uitstappen, zijn vrijheid vinden’. Maar dan, de titel De Invariant indachtig is het duidelijk. Deze man zal nooit veranderen. Een knap beklemmend verhaal.

    In een bijdrage van Geerten Meijsing Eerste rit heeft hij het over zijn relatie met zijn onlangs overleden zus, Doeschka Meijsing. Herinneringen aan zijn kinder- en jeugdjaren die hij begint met: ‘Ter begrafenis van mijn onlosmakelijke zuster was mij door de familie een spreekverbod opgelegd, (…).’ Geerten Meijsing deelt beslist geen pluimen uit en leeft, zoals hij zelf zegt, geheel afzijdig van de Nederlandse literatuur. Eerste rit is een eigenzinnige en daardoor ontroerende hommage aan Doeschka Meijsing.

    Van Tsead Bruinja het gedicht Fennema. Een gedicht, waar achter de ogenschijnlijk simpele strofen, weemoed en wraak op de loer liggen.
    ‘fennema had een zuur hoofd en met dat hoofd / en dat wijf zou hij in ons huis wonen / (…) / fennema had twee zonen ze keken / gemeen uit hun ogen maar niet zo zuur als hun vader /op mijn slaapkamer lachtte de ene me uit / hier zal ik me wel vermaken / maar ik geloof niet dat hij uren door het raam / de weilanden over vloog of brood met aardbeien/ en suiker in de tuin opat’
    De weemoed om het huis van de jeugd, met al zijn toekomstverwachtingen, dat verlaten werd, zal nooit slijten. De dichter wil er naar terug, de sterfelijkheid trotserend.
    ‘(…) maar moeder is allang dood / en het huis staat er nog / als ik dood ben zoek ik haar op / gaan we samen terug / jagen we fennema er uit’

    Meer poëzie van Sylvia Hubers, Gerard van Hameren, Kreek Daey Ouwens en proza van Thomas Heerma van Voss, de Schotse schrijver Norman Douglas (1935). Herinneringen aan het kopen van een Dinky Toys van Joop Goudsblom en Joris van Casteren schreef een reisverslag Het glas van Casanova. Met zijn vierjarige dochtertje reisde hij naar het graafschap Suffolk om daar de locaties uit De ringen van saturnus van de schrijver W.G. Sebald (die overigens in 2001 bij een auto ongeluk om het leven kwam), te gaan bekijken. Per fiets reisde Van Casteren door het graafschap en schreef er een mooi verslag over.

    In Kroniek van de roman onderwerpt Carel Peeters de nieuwe roman van Gerrit Komrij De loopjongen aan een diepgaander onderzoek onderwerpt dan de meeste recensenten deden (die het vooral een ‘echte’ Komrij vinden) en noemt Komrij liefkozend een ‘scheppende schizo’ zoals W.F. Hermans een ‘scheppende nihilist’ was.

    In Tirade – 442 – (Februari 2012) proza van Gilles van der Loo. Dag, Bert over een prettig gestoorde oudere vrouw die zich onweerstaanbaar  gedraagt in een smoezelige echtscheidingsprocedure. Van Daan Heerma van Voss het verhaal Veldkinderen, een ontmoeting tussen twee vrienden. Heerma van Voss heeft een indringengde en bewegende stijl: ‘Rennende kinderen trekken onze blikken mee, (…) Onwillekeurig lacht hij even, mijn vriend. Dan, alsof betrapt, staat hij op om koffie te halen.’ Mooie beschrijving van twee mensen die elkaar alles al gezegd hebben.

    Esther Naomi Perquin componeerde Boekarest, een éénpersoons reisadvies. Perquin is in eerste instantie dichteres en dat is terug te vinden in haar proza. In korte hoofdstukken, waarin ze afstand neemt tot de gebeurtenissen, beschrijft ze haar verblijf in Roemenië. Zinnen als: ‘Kom er aan op een doordeweekse dag.’ of ‘Dat het toeteren dat je hier hoort een andere betekenis heeft dan thuis.’ en ‘Er is een lunch waarbij je aan twee Roemeense schrijvers zult worden voorgesteld.’ geven een gecomprimeerd beeld van Perquins waarneming. Fijne literatuur die zich graag opnieuw laat lezen.

    Willem Otterspeer werkt aan een biografie over W.F. Hermans waarbij hij een correspondentie tegenkwam tussen Hermans en Jan Emmens die ooit een essay over Hermans schreef dat om een of andere reden publicatie steeds misliep. Volgens Otterspeer ‘(…) een van de beste essays ooit over Hermans geschreven.’

    Verder een verhandeling van W.I.M. van Calcar over Vrijheid van meningsuiting in historisch en taalkundig perspectief, schreef Arnold Heumakers een goed stuk over De verthrillering van de literatuur aan de hand van Bonita Avenue en Merijn de Boer de bijdrage De bril van Campert. Het debuutverhaal van Isaac Babel De oude Sjloime werd vertaald door Froukje Slofstra. Een sfeervol wintersprookje Victor Halfnar van de Oostenrijkse schrijver Thomas Bernhard (1931-1989) en proza van Sander Kollaard.

    Gedichten zijn er van Hans Mirck, Mees Hartog, Tjarda Eskes, Anton Korteweg, Adrienne Rich, Linda Greg, Adam Clay en Richard Sikken, de laatste vier in een vertaling van Lieke Marsman. En is Carel Peeters in Kroniek van een roman vol lof over de roman Grip van Stephan Enter.

    In Tirade – 441 – (december 2011) een bijdrage van socioloog Joop Goudsblom (1932). Zijn memoires startte hij in Tirade nr. 429 (2009) en zet hij voort in dit nummer. Een beter podium voor de (voorpublicaties?) van de memoires van Goudsblom (1932) kan men niet bedenken. Goudsblom was ooit (1957) medeoprichter en kwam met de naam ‘Tirade’. In een portretinterview in de Groene Amsterdammer (2-02-2012) sprak Goudsblom onder andere over zijn memoires en dat het een moeilijk genre is. Ze moeten goed geschreven zijn, geen woord teveel bevatten en je moet geloven in wat er aan herinneringen is bij gebleven. ‘(…) ik geloof er ook echt in. Zo moet het gegaan zijn. Ik durf mijn hand ervoor in het vuur te steken’, aldus Goudsblom over zijn memoires. Scholier in oorlogsrijd (memoires, deel II) is een sobere weergave van herinneringen die, doordat ze dus goed opgeschreven zijn, niet anders gebeurd kunnen zijn. Het is zoals het was en niet anders. Goudsblom wil met deze memoires geen tijdsbeeld schetsen, dat dit toch gebeurt komt door het zodanig componeren van de herinneringen dat de tijd waarin het speelt, als een soort couleur locale vanzelf verschijnt. ‘(…) zoals op een oud familiefilmpje, opgenomen om het gedrag van kinderen vast te leggen, onbedoeld nog te zien is hoe de tuin er toen bijstond.’ Mooi is dat.

    Merijn de Boer reisde In het kielzog van Albert Helman door het Surinaamse binnenland. In zes weken voer de schrijver Helman in een uitgeholde boomstam en met drieëndertig man personeel over de Surinaamse rivieren. De Boer en zijn familie passen zich aan de tijdgeest aan en reizen met twee bootsmannen en twee gidsen.

    Verder een in memoriam in briefvorm van de hand van Jeroen van Kan aan de vorig jaar overleden literatuur- en toneelwetenschapper Hans van den Bergh (1932-2011). Debuteert Sebastiene Postma met de twee proza gedichten; Hulp II en De Jakobsladder. En verhalen van Julien Ignacio, Edith Wharton, Victor Frölke, Michiel Heijungs en Marijke Schemer. Meer poëzie van Jan Kruizinga, Hedwig Selles en Nicky Theunissen.

    Carel Peeters schreef in zijn Kroniek een verhandeling over de rol van de grootvader als beschermheer in de werken van Jeroen Brouwers aan de hand van Bittere bloemen.

    Uitgever Wouter van Oorschot plaatste een ‘kadertje’ in deze editie. Hiermee een initiatief van zijn vader, Geert van Oorschot volgend waarin hij jaarlijks lezers opriep nieuwe abonnees te werven en wanbetalers verzocht hun achterstallige betalingen te voldoen. De huidige uitgever, achtte het tijd voor een kadertje nu het voortbestaan van Tirade afhangt van ‘kapitaalkrachtige abonnees met een onbedwingbare mecenaatwens’. Welnu, die mogen zich, wat Van Oorschot betreft, laten gelden om het voortbestaan van Tirade te waarborgen.

    Welke auteur in welke editie precies publiceert, is na te zien op de site van Tirade. Een site die er nogal stilletjes uitziet maar waar maandelijks een auteur resideert die bijna dagelijks een blog schrijft. In het verleden waren dit o.a. Maartje Wortel, Jan van Mersbergen en Menno Wigman. Op dit moment is Sander Kollaard de Tirade blogger. Kollaard woont in Zweden en debuteerde onlangs met de verhalenbundel Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde bij Van Oorschot. Lees zijn blogs en speciaal de bijdrage van 2 juni, het kan wat teweeg brengen, zo’n blog.

     

    Lees en bestel hier:

    Tirade 443 – mei 2012
    Tirade 442 – februari 2012
    Tirade 441 – december 2011
    Onder redactie van: Ester Naomi Perquin, Merijn de Boer, Menno Hartman en Jeroen van Kan
    Uitgeverij Van Oorschot

    Verschijnt vijf maal per jaar. € 12,50 losse nummers € 40,00 abonnement (vijf nummers) € 34,00 voor studenten en CJP-houders