• Deze recalcitrante vertelstem is ongelooflijk bevredigend en verfrissend

    Deze recalcitrante vertelstem is ongelooflijk bevredigend en verfrissend

    Meta is haar naam van Michael Tedja (1971) is niet de enige roman over een personage dat zijn moeder verliest en waarvan de vader al lang geleden het gezin heeft verlaten. De ouders van de ik-persoon zijn in hun twintiger jaren van Suriname naar Rotterdam geëmigreerd. Zij zijn vrijzinnig, liberaal en vinden daardoor geen aansluiting bij de meer conservatief ingestelde Surinaamse diaspora. De vader mag dan een overtuigd rationalist zijn, maar de moeder en haar jongste dochter Nan voelen zich aangetrokken tot de Surinaamse cultus van de Winti rituelen. Plotseling komt de moeder te overlijden en de vader is al een tijdje uit beeld. Meta, Nan en hun broer moeten zelf zien om te gaan met hun complexe familiegeschiedenis, die een grote invloed uitoefent op wie ze zelf zijn.

    De kwestie van een gelaagde identiteit wordt in meerdere facetten door Tedja onder de loep genomen. Dit wroetende zoeken naar antwoorden kan een schrijver niet voltrekken binnen het strakke kader van een roman. Beschouwende passages worden afgewisseld met autobiografische notities, maar in dit amalgaam van genres staat vooral het taalspel zelf centraal. Om Tedja’s werk te willen begrijpen is het belangrijk zijn esthetiek te doorgronden. 

    Aquaholisme

    Voor Tedja ligt de essentie van verhalen in de manier waarop iets verteld wordt. Zijn werkwijze noemt hij ‘aquaholisme’, dat neologisme wijst op het samenvoegen van heterogene elementen tot een nieuwe constellatie. Daarbij komt het feit dat ook zijn geliefkoosde thema’s als identiteit en racisme zich richten op het omgaan met veelvormigheid. In één van de meer beschouwende passages verklaart de ik-persoon, dat het cultureel diverse binnen de literatuur veronachtzaamd wordt, maar dat zijn denken wel veelvormig is: ‘ik heb mijn eigen stem nooit verloochend’. Een roman kan nooit multicultureel zijn, aangezien de vastgesnoerde structuur dit bij voorbaat uitsluit. In Meta is een naam wemelt het van de pagina’s, waarin het verhaal wordt verlaten, en die daarentegen gevuld zijn met bespiegelingen over de toegepaste methode.

    Alleen het eerste woord in de titel getuigt reeds van het zelf reflexieve karakter van dit boek. Die neiging om zichzelf te bevragen houdt wel de vaart uit het verhaal, omdat het verhaal vaak wordt onderbroken. Meestal gebeurt dat in voetnoten, die naar het einde toe een steeds prominentere plaats innemen. Bijna altijd wordt het woord ‘kritiek’ gevolgd door een voetnoot, waarin iemand de kenmerken van deze ‘roman’ gaat bevragen, meestal op negatieve wijze: ‘de ontwikkelingen zijn niet goed,’ ‘langdradig’ of ‘verwarrend’. Het klinkt alsof Tedja de bezwaren van critici en lezers wil anticiperen door ze zelf al te neer te schrijven en ze in dialoog te laten treden met de hoofdtekst. De lezer is getuige van een uitdijend proces van zelfkritiek dat tien pagina’s lang kan voort denderen. 

    Recalcitrante vertelstem

    Dat taalspel is niet slechts vormelijke spielerei. Het bevat ook een aanklacht tegen wat men als een normaal en lineair verloop van een verhaal zou beschouwen. Al wat niet aan deze normen voldoet wordt als hermetisch beschouwd en zodoende worden vreemde elementen van de bladspiegel verdreven. Met zijn vormexperimenten poogt Tedja om voor deze verhalen een plaats te creëren. Een mooi voorbeeld hiervan zijn de hulpeloze en ontroerende pogingen van een ik-persoon, om contact op te nemen met een ‘jij’, die genoteerd staan in de marge van de voetnoten.  Naar wie die ‘ik-persoon’ verwijst, blijft onduidelijk. Meestal betreft het de oudere zus van Nan, soms haar oudere broer, die beeldend kunstenaar en schrijver is. Bij dat laatste personage weerklinken er ettelijke reminiscenties aan Tedja zelf, ‘het is al zijn vierde roman’. In dit boek is elk meta-niveau welkom. 

    Ook inhoudelijk weigeren de stemmen en gedachten van de personages om zich in een slachtofferrol te wentelen, zonder daarmee de bestaande racistische structuren te ontkennen. Het beste komt dit naar voren in de talrijke raamvertellingen, die de revue passeren. Er loopt van alles rond, onder andere een Pools klasgenootje, waarvan de familie zelf de eindjes aan elkaar moet knopen, of de soms redelijk antipathieke familieleden uit Suriname. Het is bijna onmogelijk om alle personages te onthouden, laat staan op te sommen. Wat bij blijft zijn de meer absurde stukken, waarin opmerkingen over het verloop van een menstruatiecyclus gepaard gaan met het vinden van een poedel. Zinnen als ‘mijn broer en ik aten wasmiddel’ vormen geen uitzondering in het geheel.

    Karakter van het boek

    Het karakter van dit boek lijkt bij momenten de betekenis van de naam ‘Nan’ te weerspiegelen: ‘hysterie in waanzin vervat’. Door de eerdergenoemde werkwijze waaiert de inhoud alle kanten op. Tedja weet de lezer constant te verrassen. In een literair klimaat met talrijke traditionele familieromans voelt zijn recalcitrante vertelstem ongelooflijk bevredigend en verfrissend aan. Het is een uitnodiging om de ontroerende, humoristische en snuggere fragmenten op te schrijven en er zelf mee aan de slag te gaan. Welles-nietes spelletjes en de tegenstellingen tussen autochtonen en allochtonen of slachtoffers en daders deugen niet meer. De wereld is toch al complex, dus kunnen we er maar beter creatief mee omspringen.

    Door die hybride en complexe structuur is er wel minder lineaire houvast om intens mee te kunnen leven met het verlies en rouw van onder andere Nan. Misschien dat een herlezing dit gebrek zou kunnen verhelpen, al moet je daar wel zin in hebben, want dit soort lectuur eist veel van de lezer. De constante interrupties kunnen ook ronduit vervelend zijn. Literatuur die je doet meeslepen in de zielenroerselen van anderen zal je elders moeten zoeken. Maar een aquaholistische benadering van hedendaagse literatuur heeft Tedja wel in de aanbieding. Hij zet je aan het denken en lachen, met soms een traantje en vaak een grijns van verwondering of irritatie. Kleurrijk, complex en compromisloos. Meta is haar naam blijft broodnodig leesvoer in deze veelvormige wereld, waar veel schrijvers niet mee weten om te gaan. Michael Tedja lijkt het ook niet te weten. Hij probeert gewoon van alles uit en net dat is zijn grootste verdienste.

     

     

  • Uit onvrede met de burgerlijkheid

    Uit onvrede met de burgerlijkheid

    Balorigheid moet zowat de gemeenschappelijke noemer zijn van alle verhalen uit Laten we vader eruit gooien van Mary Dorna, pseudoniem van Mary Jeanette Stoppelman (1891-1971). Ze schreef voor verschillende kranten en tijdschriften als Het Parool, de NRC en Tirade. In deze verhalenbundel is een meisje aan het woord dat vol branie vertelt over haar onvrede met het burgerlijke milieu waarin ze is opgegroeid. Die weerzin voor de benepen levenswijze van de middenklasse zou heel gedateerd kunnen aanvoelen. De bundel is dan ook voor het eerst verschenen in 1968 en bevat verhalen uit Dorna’s eerder gepubliceerde werk. Zij was zelf afkomstig uit een joods burgergezin en trok op haar negentiende de wijde wereld in, op zoek naar ademruimte. Autobiografische inspiratie lijkt onvermijdbaar, al doet dat zeker geen afbreuk aan de herkenbaarheid.

    Spitsvondige capriolen

    De capriolen van maatschappelijk misfits en hun afschuw voor de huichelarij van hun omgeving zijn zaken die nog steeds kunnen bekoren. Ook het meisje, waarvan sprake is, belandt naast alle hokjes. Volgens een tante lijkt haar kapsel op een ragebol. Het lesrooster blijft voor haar ‘het rooster waar alles doorheen valt’ en ze sluit vriendschap met net zij die ook in de marge leven, zoals zigeuners of sekswerkers. Haar vader vertegenwoordigt daarentegen alles waar ze aan wil ontvluchten: Met zijn krant een sigaar in de zetel roken of op stap gaan met zijn saaie zakenvrienden, die ook geen enkel emotie of bevlogenheid ten toon spreiden. Maar haar tante en haar perfecte neefje Hans zijn nog ergerlijker. In het eerste verhaal ‘beleefd verzoek’ stuurt ze in naam van haar vader een briefje om ‘van verdere bezoeken verschoond te blijven’. 

    Dankzij de spitsvondige en ongeremde stijl die Dorna hanteert, voelt het geklaag over de hypocrisie van de volwassenen nooit zeurderig aan. Vaak zijn haar beschrijvingen tegelijkertijd scherp en ronduit hilarisch. In een ‘buitenlandse badgast’ benoemt ze de vrouw van de hoteleigenaar als ‘een met edelstenen behangen afgodsbeeld waar de heer Biedermann alles aan kon hangen; zijn klachten, zijn juwelen en een soms krankzinnig opbruisende vrolijkheid.’ Steeds wordt de humor gekruid door haar hang naar avontuur en nood aan fantasie. Wanneer haar oom Ricardo hen komt bezoeken, adoreert ze hem. Hij is een sensitieve vagebond die hartverscheurende verhalen te berde brengt. Dat hij in de gevangenis heeft gezeten, vanwege oplichting, vergeeft ze hem met welwillende tederheid, aangezien zijn vertelsels haar meevoeren naar vreemde streken. Die roes eindigt abrupt als samen met haar vader ook de werkelijkheid terug binnenkomt.

    Ontwapenende naïviteit

    Met een ontwapenende naïviteit en eenvoud onthult ze soms verrassende waarheden. In het ‘rosse geheim’ gaat ze stiekem langs bij Nelly, de zus van hun dienstmeisje Da. Zij mag het niet tegen haar ouders vertellen, want Nelly is een meisje van plezier dat in zonde leeft. Waarop zij vinnig antwoordt met een vraag aan Da: ‘Ben jij een meisje van verdriet, omdat je het niet zo gezellig hebt, is het gezellig hebben een doodzonde?’ Het is een krachtige weigering van een kind, dat zich niet wil laten corrumperen door de neerslachtigheid van de wereld. Zij wil zich niet als een schaapje laten verleiden door oliebollen te aanvaarden van domme en nare jongens. 

    Die opstandigheid bedekt soms haar drang om ergens bij te horen en haar verzuchtingen over het feit dat andere kinderen wel weten hoe ze zich moeten gedragen. En als ze eens vriendschap met iemand sluit, dan raakt die ook weer snel ontbonden. In het verhaal ‘pêle mêle’ is ze op een verjaardagsfeestje waar ze geen zin in heeft. Zij zoekt toenadering tot een miezerig jongetje dat ook aan de zijlijn staat. Samen hebben ze plezier op de mondharmonica, tot het meisje met een sinaasappelschil de gastvrouw imiteert en alle blikken op hen gericht worden.

    Dorna laat zien dat die marginale positie niet ontstaat uit puberstreken, maar voortvloeit uit een wezenlijk conflict tussen karakter en maatschappij. Vanaf twee derde van de bundel handelen de verhalen over de tijd dat het meisje een jongedame is geworden en haar kost verdient als portretmodel. Het is even wennen, al blijft veel hetzelfde. Schertsend blijft ze het geveins van de burgerij onder vuur nemen, terwijl ze met diepe genegenheid praat over het sjofele, maar gezellige hostel waarin ze overnacht.  Zelfs wanneer ze in haar latere leven kunstenares is geworden, weigert ze om op verzoek van haar deftige vrienden een andere huishoudster in dienst te nemen dan Leida, wiens man in de gevangenis zit. Haar solidariteit met de verschoppelingen is iets voor het leven. En wanneer ze dan toch nog eens een dienst aan iemand van haar vroegere klas wil bewijzen, dan spat de rillende afkeer van de bladzijden.

    Chronologische compositie 

    Enkel in het laatste verhaal ‘panta rhei’ wordt het pantser van de opstandigheid jegens het milieu van haar vader doorbroken. Bij zijn begrafenis ergert ze zich weliswaar aan de hypocrisie van de huilende mensen rondom haar. Zelf probeert ze te achterhalen waarom zij niet huilt, terwijl hij pas op zijn sterfbed de tranen durft te laten stromen. Dat levert een bloedeerlijke en indringende bekentenis op, waarvan zinnen als deze de kern van haar gevoel raken: ‘We hebben elkaar dan eindelijk ontmoet en begrepen, het bange, kouwelijke, vaak huilende kind van vroeger en de zieke, kouwelijke, soms wenende man, toen hij op het punt stond de levensgrens te overschrijden.’ De chronologische compositie van de verhalen uit Laten we vader eruit gooien is onontbeerlijk om de lading van zulke zinnen te kunnen vatten.

    De combinatie van rebelse branie met een oprechte behoefte aan verbondenheid levert een aantal kwinkslagen die de beknelde ziel van het meisje allerminst verdoezelen. Waarom deze bundel nooit in het licht van de publieke aandacht is getreden? Tja, met het schrijftalent van Dorna of de tijdloze aard van haar verhalen heeft het niets te maken, dus laten we daar gauw verandering in brengen. Tegenwoordig lopen misfits misschien rond met een smartphone in de hand, maar de verbitterde tantes, de nare jongens en de drang naar ongebreideld avontuur blijven. Sommige zaken krijgt geen enkele vader kapot.

     

     

  • Transitroman met een skyline aan stijlen

    Transitroman met een skyline aan stijlen

    In de roman Miniapolis van Rob Van Essen is het plot een plaats waar de alwetende verteller rondjes draait. Omwegen, zwerftochten en doelloze fietstochten dienen om het verhaal niet te snel in het hart te treffen. De twee hoofdpersonages Wildervanck en Scherpenzeel lijken alle tijd van de wereld te hebben. Scherpenzeel is net aangenomen op het bijkantoor van een verzekeringsmaatschappij waar Wildervanck de scepter zwaait. Deadlines, kwartaalcijfers en geldzorgen zijn meer een zaak voor het hoofdkantoor, want Wildervanck en co hebben geen schroom om alle stress koeltjes te seponeren. De baas van het bijkantoor doet zelfs zijn uiterste best om niet te vlug de doodse sfeer van dat gebouw op te snuiven. Elke ochtend maakt hij steeds grotere lussen met zijn fiets. Van de ietwat vervallen herenhuizen, langs de verderop gelegen bedrijfsterreinen, tot aan de monotone nieuwbouwwijken aan de rand van de stad. Van Essen besteedt veel aandacht aan de betonnen jungle,waarin de personages hun weg zoeken. Die uitvoerige beschrijvingen dienen niet om orde te scheppen, want volgens de verteller ‘was dat maar schijn, alles was een momentopname, alleen voor de eendagsvlieg was de stad statisch, en dan nog moest-ie niet al te goed om zich heen kijken.’ 

    Actie à l’adagio 

    Wanneer de lezer toch een kaart van dat architecturale labyrint zou kunnen natekenen, dan moet hij zonder twijfel de punaise van het plot vastpinnen op de grote brug die over de rivier loopt. Het is daar dat Scherpenzeel een jongen aan een pijler heeft zien hangen, nadat hij in zijn appartement een briefje had gevonden waarop stond ‘Ga smorgens naar de brug.’ Diezelfde jongen blijkt dan ook nog eens een trouwe en om geldverlegen cliënt van het bijkantoor te zijn. De spanning wordt opgebouwd en Scherpenzeel gaat op speurtocht om te achterhalen wat Wildervanck allemaal weet over die zogenaamde Jonathan. 

    Als de fascinatie van de lezer tot een hoogtepunt is opgevoerd, zouden de meeste auteurs hun personages langs allerlei intriges sturen om ze dan met een rotvaart richting de finale ontknoping te laten snellen. Van Essen haalt hier zijn schouders voor op. Hij legt de beide heren van het bijkantoor geen strobreed in de weg, wanneer zij doodgemoedereerd de stad uit fietsen. Ze belanden op het platteland, overnachten in hotels en lunchen op picknickbanken. Ondertussen verslindt Wildervanck de ene detectiveroman na de andere, maar niet om te weten wie het gedaan heeft. Volgens hem is het plot daarbij een noodzakelijk kwaad. Het is de sfeer die telt. Dat lijkt ook het adagium dat Van Essen zelf tijdens het schrijven van deze roman heeft gehanteerd.

    Gondelmetaforen

    Met originele zinsneden en aaneenschakelingen van beelden weet hij bij wijlen een intieme en haast mythische atmosfeer te scheppen. Wanneer Jonathan op zoek gaat naar zijn moeder, vindt hij haar terug tussen de daklozen bij het station. Ze is ‘een klein segment van de reusachtige, donkergrauwe mensenrups die zich tegen de tunnelwand aanschurkt’. Het is in de mijmeringen van diezelfde moeder dat de sfeer het meest intrigeert. Er is sprake van een groot gebouw met een plat dak waarlangs glazenwassers in gondels door de lucht bewegen. Dat staat soms in een paginalange zin geformuleerd, zodat er in dat ene beeld een ritmische dynamiek tot stand komt en de lezer er heerlijk in kan verzinken. Die hallucinerende waas bevindt zich in schril contrast met de landerige en slome ontwikkeling van het fietsuitje van Wildervanck en Scherpenzeel. Bij hen heerst de banaliteit. Al weet Van Essen te vermijden dat het ronduit saai wordt door pareltjes van metaforen in het rond te strooien. Het hoffelijke bekvechten over wie de rekening betaalt, wordt ‘de moeizame dans van zal-ik-ook en nee-dat-is-echt-niet-nodig’.  

    Moedermanco

    Af en toe schemert de plot door de metaforen heen. Dat gebeurt meestal tijdens de ontboezemingen van Scherpenzeel over de afwezige relatie ten opzichte van zijn ouders. Of tijdens de dialogen tussen Jonathan en zijn moeder. Net als in De goede zoon is een verstoorde moeder-kind relatie het hoofdthema van deze roman. Een moedermanco zo u wil. Dat moedermanco weet Van Essen op uiteenlopende wijzen te bestrijken. Thema’s als suïcide en psychiatrische behandeling komen op een nuchtere manier aan bod. En toch past de taboesfeer, die al te vaak rond deze onderwerpen hangt, naadloos in de labyrintische wereld waarin de personages zich bevinden. Zinnetjes als ‘ik heb je gekregen maar nooit gehad’ maken dat de combinatie van ontwapenende intimiteit bij momenten wonderwel kadert in de bevreemdende atmosfeer van het verhaal. Die paradox vormt ook de grootste sterkte van deze roman en kan enkel voortkomen uit het watermerk van een schrijver, die zijn arsenaal aan technieken op een beheerste manier weet te benutten.

    Eclectische voorstudie

    Dat levert evenwel een scala aan stijlen op, waardoor het geheel lastig te balanceren valt.  Er is het narratief van Wildervanck en Scherpenzeel dat goed past in de naoorlogse traditie van lanterfantende personages. De verhalen van Jonathans moeder over glanzenwassers in gondels evoceren dan weer een mythologische sfeer, die doet denken aan postmoderne romans zoals Tongkat van Peter verhelst. Een van de dingen die beide vertelstijlen gemeen hebben is hun relatieve plotloosheid. Het feit dat Van Essen juist een plotlijn gebruikt om beide met elkaar te verbinden is daarom des te opmerkelijker. Het resultaat zou gekunsteld aandoen als de rake metaforen en hilarische opmerkingen er niet waren geweest. ‘Ergens iets van zeggen was nutteloos… Het liefst had hij die tekst op een tegeltje geschreven, een flink dikke tegel, en er iemand de hersens mee ingeslagen.’ Als zo’n zin u zelfs niet doet grinniken, dan wendt u zich beter tot de doodserieuze literatuur.

    Ondanks de kwinkslagen en de tedere zinnetjes blijft Miniapolis bij momenten overkomen als een, weliswaar zeer goed uitgevoerde, voorstudie van dat wat Van Essen ons in de toekomst kan voorschotelen. Het bouwplan voor een lanterfanterboek of net de blauwdruk van zijn eigen hedendaagse mythe. Miniapolis is een transitroman vol straten, tramlijnen en fietspaden. Het plot is een bouwput van waaruit de auteur een literaire skyline laat verrijzen. Hopelijk laat Van Essen bij zijn volgende worp de lezer de stad even ontvluchten, zodat die vanop een afstandje op zijn minst eens één wolkenkrabber in volle glorie kan aanschouwen.