• Heruitgave laat kans op reflectie liggen

    Heruitgave laat kans op reflectie liggen

    Na de moord in Amsterdam van Ian Buruma verschijnt zeventien jaar na de moord op Theo van Gogh. Wie denkt dat dat een mooie gelegenheid is om terug te blikken op de analyse van de conflicten waarvan de moord destijds een uitbarsting was, komt bedrogen uit. Het boek is een ongewijzigde herdruk van Dood van een gezonde roker (meteen daarna ook verschenen in het Engels – de taal waarin Buruma het boek zelf schreef – onder de titel Murder in Amsterdam) uit 2006. Het enige verschil is dat nu een Voorwoord is opgenomen dat Buruma voor deze heruitgave (2021) schreef.

    Filmmaker, presentator, scenarioschrijver en columnist Theo van Gogh, in al die hoedanigheden graag een provocateur, werd op 2 november 2004 vermoord door Mohammed Bouyeri. Dat was ruim twee maanden nadat zijn samen met Ayaan Hirsi Ali gemaakte film Submission op de Nederlandse TV te zien was geweest. De dader schoot hem neer en stak daarna een mes in diens lichaam met een pamflet dat duidelijk moest maken wat zijn missie was. Eén van zijn bedoelingen kwam niet uit. Mohammed Bouyeri had zelf gedood willen worden om zoals martelaar te sterven. Hij werd echter gearresteerd.

    Voor Ian Buruma was het drama aanleiding zijn gedachten te verwoorden over de staat van tolerantie van Nederland. Buruma is sinoloog en japanoloog en als zodanig kenner van Aziatische culturen, maar hij is in Nederland veel bekender als publicist over de  gevaren die de democratie in het Westen bedreigen en over het fundamentalisme in de islam. In 2018 was hij onderwerp van een rel toen hij een Canadese radio-dj die door ruim twintig vrouwen werd beschuldigd van seksueel grensoverschrijdend gedrag de kans gaf zijn kant van het verhaal te vertellen in The New York Review of Books, de krant waarvan Buruma op dat moment hoofdredacteur was. Buruma zag zich gedwongen op te stappen. Even vroeg hij zich af wat er in Nederland in zo’n geval zou zijn gebeurd; een vraag die zich opdrong omdat hij beide culturen kent en die opnieuw over tolerantie ging. Buruma werd in 1951 geboren in een gezin met een joodse moeder en een doopsgezinde vader. Hij woonde afwisselend in Nederland, Hongkong en Amerika.

    Vreemd

    In zijn Murder in Amsterdam onderzocht hij de tolerantiegraad in Nederland aan de hand van drie hoofdfiguren: Theo van Gogh, Ayaan Hirsi Ali en Mohammed Bouyeri. Hoe werden deze drie tot wie ze in het jaar van de moord, 2004, waren. Waarom werden de twee eerstgenoemden door het ene kamp van Nederlanders (en immigranten) gehaat en door het andere juist bewonderd? Hoe kon een op zich slimme jonge Marokkaan als Mohammed Bouyeri zich in enkele jaren ontwikkelen tot een fanatieke moslimfundamentalist van wie alle ongelovigen dood moesten en wiens hoogste doel was te sterven als martelaar voor Allah? Wat was het aandeel van het zogenaamd tolerante Nederland in dat geheel?
    Het boek dat Buruma in 2006 rond deze vragen publiceerde bevat nog altijd interessante beschouwingen. De meest opvallende grondtoon daarvan is hoezeer de Nederlandse omgang met wat vreemd is wordt gekleurd door de ervaring van het eigen tekortschieten in Tweede Wereldoorlog en de haat tegen een vreemde indringer die dat schuldgevoel weer oproept. Daarnaast: het effect van de Nederlandse omgang met immigranten die soms de schijn heeft van een uitgestrekte hand, maar die hen het gevoel geeft er nooit echt bij te horen.

    Verwijten

    De recente heruitgave wordt ingeleid door een Voorwoord, dat helaas weinig toevoegt. In plaats van te duiden wat er in de zeventien jaar sinds de moord is veranderd of wat we er eventueel van hebben geleerd, houdt Buruma het hoofdzakelijk op een korte uitleg van zijn boek uit 2006 en een apologie tegen de kritiek die het destijds opriep. Die kritiek was niet mals, met misschien wel als hoogte- (of diepte-?)punt de scheldpartij van columnist Theodor Holman (Vriend van Van Gogh) in De Groene Amsterdammer. Maar er waren meer verwijten. Buruma zou de Nederlandse vuile was hebben opgehangen in het buitenland en hij zou een postmoderne relativist zijn van de bedreiging van ‘onze vrijheid’ door de islam. Buruma verdedigt zich ertegen met de opmerking dat hij ‘best de intellectuele verworvenheden van bepaalde Europese denkers [ hij doelt vooral op de Verlichting] (wil) koesteren, maar niet omdat de westerse beschaving per se superieur is aan andere’. Dat is duidelijk.

    Maar bij een andere opmerking zou je juist meer uitwerking verwachten: ‘Eén tendens die ik vijftien jaar geleden beschreef is alleen maar sterker geworden: als reactie op de moord op Theo van Gogh en de vermeende vertroeteling door linkse elites van “allochtonen” heeft radicaal rechts, ooit een marginaal verschijnsel, een nog grotere mond – en meer zetels in het parlement – gekregen. Maar ik heb me verkeken op de manier waarop dat in zijn werk zou gaan, en wie de hoofdrollen zouden gaan spelen’, waarna hij Wilders, Baudet en Pastors noemt, van wie hij de laatste twee in 2006 nog niet noemde. Echter geen woord over hoe die ‘manier waarop dat in zijn werk zou gaan’ er dan uitziet, wat er slechter aan is, hoe dat mogelijk was en wat het effect is op de ontwikkelingen die hij in 2006 beschreef. Daar heb je als lezer temeer behoefte aan omdat Buruma zijn Voorwoord juist begint met de zin: ‘Nu hoor je niet meer zoveel over de islam als de grootste bedreiging voor de westerse beschaving, althans niet in Nederland’. Waar heeft hij zich dan precies op ‘verkeken’?

    ‘Huidige’

    Na dat Voorwoord laat Buruma een kans liggen om de herdruk te actualiseren door het niet te laten bij een letterlijke herdruk maar hier en daar enige reflectie toe te voegen. Je hebt soms de indruk dat je een verouderd boek zit te lezen: De VS zitten al lang niet meer in Irak en de website De gezonde roker werd eind 2004 al opgeheven. Soms roepen die gedateerde gegevens extra behoefte aan duiding op. In het boek uit 2006 is Aboutaleb ‘de huidige wethouder van Amsterdam’, maar dat maakt nu juist nieuwsgierig naar de effecten van zijn optreden als burgemeester in Rotterdam, een stad met veel migranten(kinderen) in de vijftien jaar die we intussen verder zijn. En bij de aforistische zin ‘Ironie kan een gezond tegengif tegen dogmatisme zijn, maar ook een vrijbrief voor onverantwoordelijkheid’ is er toch alle aanleiding om het even over Baudet te hebben.
    Het is jammer dat die kansen niet benut zijn.

     

  • Ik zeg het maar zo jongen

    Ik zeg het maar zo jongen

    Gisteravond heb ik gefascineerd gekeken naar de documentaire over Boudewijn Büch op NPO. Büch heeft me altijd geboeid. Zijn verbale enthousiasme, verzameldrift en barokke manier van leven sprak me altijd zeer aan zonder gelijk zijn voorbeeld te willen volgen. Er werd in de docu vooral ingezoomd op zijn liefdesleven. Dat boeit me eigenlijk maar matig. Ik hield erg van zijn reisprogramma’s en zijn boeken over reizen, cultuurgeschiedenis, schrijvers en verzamelingen.

    Net als Büch vind ik atlassen geweldig en boog me er in mijn jeugd vaak overheen. Rijk aan schatten en een wonderschone, grafische ingang tot het rijk der verbeelding. Terra incognita, hinc sunt leones, prachtige termen die je gegraveerd ziet in een gebied op een landkaart dat nog onbekend en onbereisd is. Boudewijn Büch voelde zich op zijn gemak in delen van de wereld die  door weinig mensen bezocht waren. Op de vlucht voor het gemaniëreerde en deels ook leugenachtige leven dat hij zelf had vormgegeven, zo werd geponeerd in de documentaire. Ik denk dat dat waar is.

    Ik miste helaas wel de duiding van het geestesleven van Büch gevormd door zijn jeugd, achtergrond, gezin en ouders. Samen met  Theo van Gogh, was Büch een van de markante figuren die ik in mijn studententijd leerde kennen. Ze vormden de intellectuele entourage van mijn nieuwbakken stadsleven. De briefwisseling (Wassenaarse brieven) tussen Van Gogh en Büch op de achterpagina van het studentenblad Propria Cures begin jaren negentig, vormden voor mij een wekelijks literair hoogtepunt. Dat Büch na zijn dood vrijwel onmiddellijk werd weggezet als een fantast en middelmatige verzamelaar, vond ik heel minnetjes. En zo Nederlands. Bewonderen kunnen we in dit natte landje maar matig. Iemand die zijn leven in het teken van de literatuur stelt en langzaamaan in zijn eigen ideale, literaire denkwereld de hoofdrol gaat spelen en erin gaat geloven, dat is, naast dat het uiteraard ook veel complicaties geeft, toch prachtig? ‘Ik zeg het maar zo jongen: Hemel en hel zijn in het hart van de mensen.’ (Boudewijn Büch: De hel. Novelle. 1990, p. 75).

     

     

  • Retorische strijdmakkers

    Retorische strijdmakkers

    Vandaag kreeg ik weer de vraag van iemand die naar de vierduizend boeken keek die ik in mijn boekhandel aan huis heb staan: ‘En, heb je alle boeken gelezen?’ Ik geef nog netjes antwoord ook elke keer. Typisch een vraag van een niet-lezer. Waarschijnlijk stel ik net zulke domme vragen aan iemand die bijvoorbeeld fiscalist is of in aandelen doet.

    Ik lees gemiddeld twee boeken per maand en, nou ja, eigenlijk, om eerlijk te zijn, lees ik er geen een uit. Wel lees ik een paar boeken tegelijk. Ik laat me leiden door de verleidingen van de intertekstualiteit van boeken. Als ik in bijvoorbeeld een boek van Friedrich Nietzsche begin, lees ik ook een stuk uit de biografie van Safranski en door Safranski lees ik ook weer iets van Sloterdijk en door Sloterdijk weer iets van Heidegger of Paul Celan en door Paul Celan pak ik een boek van de kunstenaar Anselm Kiefer en die brengt me weer bij een essaybundel van een kunstcriticus die … en zo houdt het gelukkig nooit op.

    Ik kwam tijdens mijn studietijd iemand – beter gezegd: een fenomeen – tegen waarvan je het intimiderende idee had dat hij ook echt alles las wat in zijn huis stond. En daar stond heul veul, heb ik eens mogen aanschouwen tijdens een studieborrel bij hem thuis. Hij stond erom bekend weinig te slapen, om zoveel mogelijk te lezen, te schrijven ook. Ik kreeg van hem het werkcollege Betogend schrijven aan de UvA, ergens halverwege de jaren negentig. Das Phänomen heette Michaël Zeeman, een ook weer veels te vroeg gestorven man der letteren. Dichter, romancier, journalist, tv-presentator (Zeeman met boeken) en docent, al was hij dat bij een studie die hij eigenlijk niet bliefde las ik in een necrologie van Carel Peeters over Zeeman: Culturele Studies (of die Carel Peeters niet bliefde).

    Ik, jongen uit de nieuwbouwwijken van het Noord-Hollandse Huizen, zonder enige noemenswaardige culturele achtergrond, durfde bijna geen zin uit te brengen tijdens de colleges van Zeeman. Wat kon ik voor zinnings zeggen? Bij zijn eruditie, zijn kamervullende gestalte, zijn bassende stem, ik verbleekte erbij. Volgens mij las ik Ave verum corpus van Désanne van Brederode en moest daar een recensie over schrijven. Ik denk dat hij over zijn hart heeft gestreken, een onvoldoende werd toch een voldoende.

    In die tijd lag hij verbaal nogal in de clinch met enfant terrible Theo van Gogh. Sla ik mijn vrouw wel hard genoeg, was de titel van een van Van Goghs boeken, refererend aan de roddel dat Zeeman zijn vrouw fysiek onheus had behandeld. Ik was niet tegen Zeeman, maar vooral een fan van Van Gogh en dan vooral van zijn polemiserende pen. Naast films maken, kon hij polemieken schrijven die hem een regelrechte nazaat maakte van de hoestende en veroordelende literator uit Parijs, Willem Frederik Hermans. Enfin, de jaren negentig, de fitties waren toen niet van de lucht. Maar ze zijn dood, Zeeman, Van Gogh, Hermans. Opgestegen naar de Parnassus voor een eeuwigdurende retorische strijd.