• Een tocht die meer is dan een wandeling

    Er moet een tijd geweest zijn dat je ook in wat nu Nederland heet regelmatig pelgrims tegenkwam. Er zullen genoeg heilige oorden geweest zijn, waarnaar mensen wel een wandeltocht wilden maken. Wie nu op pelgrimsreis wil, zal naar het buitenland moeten.
    De eerste plaats die je dan te binnen schiet, is Santiago de Compostela, in het noorden van Spanje. Daarheen wandelde ook Judith Vanistendael, vanuit Saint-Jean-Pied-de-Port, in Frankrijk, zodat ze aanzienlijk meer kilometers zou maken dan het voorgeschreven minimum: honderd kilometer.

    Judith Vanistendael kennen we van haar beeldromans: De maagd en de neger en het ontroerende Toen David zijn stem verloor. Pelgrim of niet is anders van opzet dan de vorige boeken. Het is ook bescheidener van omvang. Het bevat tekeningen die Vanistendael maakte in de ongeveer veertig dagen dat ze onderweg was. Een getekend dagboek, waarbij tekst en tekeningen elkaar aanvullen.
    Sommige tekeningen laten goed zien hoe snel Vanistendael ze maakte. Mannen in werkpak aan de bar bijvoorbeeld: snel geschetst en daarna wat ingekleurd. Zoals dat nu eenmaal gaat als je onderweg bent: je legt je indrukken vast, maar als het je te veel tijd kost, is het juiste moment alweer voorbij.Voor andere tekeningen is ze duidelijk gaan zitten: er zijn portretten die met aandacht getekend zijn en ook een van de laatste tekeningen, de kathedraal van Santiago de Compostela, is vrij gedetailleerd. Waarschijnlijk wist ze toen al wel dat het de tekening zou worden die haar reis moest afsluiten. Later tekende ze nog haar voeten in een bak water. Het bloed kleurt het water rood.

    Als Pelgrim of niet alleen een verslag was van een voettocht, was het niet interessant genoeg geweest. Door de tekst komen we ook de overdenkingen van Van Istendael te weten. Hoe haar gemoed de grootte van haar schaduw volgt: ’s ochtends is haar schaduw groot en is ze vol goede moed, maar tegen de middag voelt ze zich net zo nietig als haar gekrompen schaduw is.
    Aan het eindpunt moet ze vertellen wat voor haar de reden is geweest om de voettocht te houden: sportief, spiritueel of religieus. Ze vindt ze geen van drieën van toepassing.

    Misschien dat ‘spiritueel’ toch het dichtstbij komt, al was het maar door de reflectie waartoe zo’n tocht je dwingt. Je moet van tijd tot tijd uit jezelf stappen en van een afstandje jezelf bezien.
    De voettocht van Judith Vanistendael is bepaald geen ‘makkie’ geweest, wat uit tekst en tekeningen gemakkelijk op te maken is. Toch wordt het boek niet zwaar en zeker ook niet klagerig. Vanistendael signaleert het en de lezer mag er daarna een oordeel over hebben.

    Diverse groepen mensen zouden geïnteresseerd kunnen zijn in Pelgrim of niet? Natuurlijk de bedevaartgangers die zelf de route hebben gelopen, maar ook lezers die geïnteresseerd zijn in zo’n tocht, die meer is dan een lange wandeling. En natuurlijk zijn er mensen die nu eenmaal alles van Vanistendael willen lezen. Dan pikken ze zo’n aardig boekje meteen mee.

     

     

  • Charles Burns rondt trilogie krachtig af

    Charles Burns rondt trilogie krachtig af

    In sommige strips is het leven simpel: er is een probleem en dat moet opgelost worden. Je krijgt wat aanwijzingen en uiteindelijk lukt het of lukt het niet. Soms komen er in de loop van het verhaal problemen bij, zodat het verhaal onvoorspelbaar is, maar in principe is de wereld overzichtelijk.
    Charles Burns maakt andere strips. Met Zwart gat schreef hij al een verontrustend boek over een samenleving die in de greep is van een geheimzinnige ziekte. De wereld is nog duisterder geworden in zijn trilogie X, De korf en Suikerschedel.

    Deel 1 begint met de jongeman Doug, die wakker wordt. Hij heeft een hoofdwond. In ieder geval heeft hij een pleister op de zijkant van zijn hoofd. Zijn haar is weggeschoren op een kuifje na.
    Doug gaat zijn kat Dropje achterna, door een gat in de muur en komt in een wereld met vreemde wezens terecht. Hij probeert zich te oriënteren, maar krijgt niet goed grip op de situatie. Gelukkig heeft hij een gids, zoals Dante die had op zijn tocht door hel, louteringsberg en paradijs.
    Als je goed kijkt, zie je dat het eigenlijk niet Doug is die op pad gaat, maar een alter ego. Doug heeft wel eens opgetreden met een masker dat wat doet denken aan Kuifje. Er zijn in de drie boeken van Burns meer verwijzingen naar Kuifje, zoals de stijl van tekenen en de roodgevlekte eieren. Het personage dat Doug toen speelde, is een deel van hem en is tot leven gekomen.

    In de hallucinante wereld waarin de afsplitsing van Doug terechtkomt, komen enkele elementen steeds terug, onder anderen zijn vader, die niet zo heel veel van het vaderschap terecht heeft gebracht, maar aan wiens aanwezigheid, ook na zijn dood, Doug zich niet kan onttrekken.
    In de ‘werkelijke’ wereld treffen we de jonge Doug aan, maar ook een wat oudere. Die gaat in Suikerschedel op zoek naar zijn vroegere geliefde Sarah.

    In deel 1 en 2 waren veel aanzetten die weliswaar intrigeerden, maar waarvan nog niet duidelijk was waar ze op uit zouden lopen. Zo was er het gegeven van de korf, waarin een ‘broedster’ eieren legde. De broedster bleek een meisje die haar tijd doorbracht met het lezen van romantische stripverhalen.
    Al dat soort aanwijzingen komt in deel 3 samen in de plot: de romantische liefde uit de stripboekjes, waarvan je al kunt aanvoelen dat de werkelijkheid niet zo zoet zal zijn; de vader en het eieren leggen, die natuurlijk allebei met het ouderschap te maken hebben; het geweld, dat terugkomt op de polaroidfoto’s in de eerdere delen – het loopt allemaal uit op een ontknoping, die hier natuurlijk niet onthuld kan worden.

    Achteraf kun je constateren dat het verhaal van Burns knap in elkaar gezet is, maar dat is waarschijnlijk toch niet wat de lezer van deze drie boeken het meeste bij zal blijven. Burns tekent een duistere wereld, die wij met onze ratio niet kunnen beheersen. Weliswaar wordt duidelijk waarom Doug de grip op de werkelijkheid is kwijtgeraakt, maar je kunt je als lezer niet aan het idee onttrekken dat jij ook op het randje van het ravijn loopt: het kan goed gaan, maar voor je het weet, verlies je de grond onder je voeten.
    Natuurlijk beseffen we dat meestal niet: we doen ons werk, eten op tijd, hebben ons gezin en onze hobby’s. Ons leven lijkt op orde. Maar Burns laat zien dat het huis van ons leven misschien wel niet zo stevig gebouwd is. Er hoeft maar weinig te gebeuren of er valt een gat in de muur en wat gebeurt er als we daar doorheen stappen?

    Suikerschedel eindigt met het alter ego met het kuifje, dat door het gat terugkeert in het huis. Hij vindt het griezelig, maar is zo moe dat hij in slaap valt. Als hij wakker wordt, ziet hij boven de afgebrokkelde muur een strakblauwe lucht. Graag zou je je opgelucht voelen, omdat uiteindelijk alles goed gekomen is, maar het blauw van de lucht is vrij donker en de muur biedt geen enkele bescherming. Na het lezen van Burns kun je nooit meer echt gerust zijn.

     

    Suikerschedel

    Auteur: Charles Burns
    Vertaald door: Arend Jan van Oudheusden
    Verschenen bij: Uitgeverij Oog & Blik
    Aantal pagina’s:
    Prijs: € 21,95

  • Slierten familie uit je ogen wrijven

    Slierten familie uit je ogen wrijven

    Poëzierecensie door

    Het duurt even voor je vat krijgt op de poëzie van Saskia Stehouwer. Misschien omdat de aandacht meer door een deel dan door het geheel wordt getrokken: de strofe in plaats van het gedicht, het gedicht in plaats van de afdeling of de hele bundel.
    Misschien zit het verstand er teveel tussen. Met beredeneren kom je niet zo heel ver in de gedichten van Stehouwer. Vaak zijn er momenten waarop de lezer de weg kwijtraakt. Toch zijn haar gedichten niet warrig. Dat je al lezende soms verdwaalt in de gedichten is misschien wel de bedoeling. De onzekerheid die het oplevert past wel bij een thema waarin veel onzekerheid woelt. Weliswaar wordt er vaak op een stellige manier vooruit gewezen naar een toekomst, maar misschien gebeurt dat alleen om die onzekerheid te bezweren.

    morgen ontmoet hij een jongen
    die een helder beeld heeft van zijn toekomst

    morgen zal hij iets kwijtraken en in een hotel gaan wonen
    om het terug te vinden

    Het lijken zinnen die iemand zegt om zichzelf gerust te stellen: morgen wordt het beter.

    Stehouwer maakt in haar gedichten vaak gebruik van de gebiedende wijs: ‘blijf aantekeningen maken’; ‘let op de lichtinval’; ‘teken een vis’, ‘stop voor je de laatste druppel / uit je sinaasappels hebt geperst’; ‘leg je hand op je hoofd en laat hem daar’. Ook dat lijkt te duiden op een zekere stelligheid. Maar de vraag is aan wie de strikte aanwijzingen gericht zijn. Zegt de ik dat tegen zichzelf? Dan lijkt het op een uiterste manier om zichzelf in de hand te houden, om overzicht te houden op de eigen situatie.
    Er zijn verschillende gedichten die verwarring over het perspectief opleveren. Is ‘je’ een ander of is het een verhuld ‘ik’? Het lijkt of vaak het laatste het geval is; vaak wordt de ‘je’ ook van binnen uit beschreven. .

    Meer

    waar je loodzwaar zwemt
    de schubben van een oud liedje
    op je huid gestempeld
    je hoofd dreinend onder de arm

    wij willen dat je blijft drijven

    het zicht is slecht
    je wrijft de slierten familie uit je ogen
    steekt een kaars aan
    voor de verkeerde god
    hij stuurt niemand

    je ademt in
    vult je longen met het slijm
    van pestende kinderen
    en ponykampen

    wij dirigeren de paarden
    op de oprijlaan
    tot ze in koor roepen
    dat je terug moet komen
    jij zwaait buiten beeld

    De ‘je’ in dit gedicht zou zomaar een ‘ik’ kunnen zijn. De ‘wij’ zijn dan de mensen om die ‘ik’ heen. Zij hebben het voor het zeggen. Zij kunnen zeggen hoe ze het willen, zij dirigeren de paarden. De ‘je’ heeft het lastiger: ze moet loodzwaar zwemmen, heeft slecht zicht en als ze een kaars aansteekt, is het voor de verkeerde god: er komt niemand te hulp.

    Er zijn pestende kinderen en ponykampen. Dat zou een herinnering kunnen zijn, zoals er meer verleden is: er zijn ook ‘slierten familie’ die het zicht belemmeren op de omringende wereld. Wie zijn die ‘ze’ die roepen ‘dat je terug moet komen’? Het zullen niet de paarden zijn. Is dat de familie die uit de ogen gewreven wordt?

    Het enige antwoord dat de ‘je’ geeft, is zwaaien naar degenen die naar haar roepen. Maar dat doet ze buiten beeld, zodat niemand het ziet. In de laatste regel is er een ‘jij’, wat nadrukkelijker is dan ‘je’. Zouden de stappen van ‘je’ steviger geworden zijn? Zou het zwemmen minder zwaar geworden zijn? Waar komt ze terecht nu ze haar eigen gang gaat? De gedichten van Stehouwer roepen altijd vragen op. Daarom houden ze me zo bezig.

    Die slierten familie slingeren door de hele bundel. In het gedicht ‘Glimp’ wordt gesproken over een vader die het huis uit loopt: ‘we zagen hem nooit meer’. Twee kantjes lijkt een sleutelgedicht over familie omstandigheden met daarin de volgende regels:

    we volgen het spoor van de vader
    tot aan de voordeur
    een kruis gekerfd naast de kruk
    tot hier en niet verder

    Het gekerfde kruis lijkt een magisch symbool om de vader tegen te houden. Indertijd tevergeefs gezet of nu, in dit gedicht, alsnog in de deur gekrast.

    Het weggaan van de vader heeft het ongetwijfeld moeilijker gemaakt voor de jeugdige ‘ik’. Maar in het slot van het gedicht laat ze zich er niet meer door weerhouden:

    ik kijk naar de tekening
    van een boot in mijn hand
    schuif mijn ribben recht
    en hijs de zeilen

    De bundel heet Wachtkamers, wat niet wil zeggen dat er alleen maar gewacht wordt op wat komen gaat. Vaker is te lezen dat de wachtkamers verlaten worden. Dat iemand daadwerkelijk op weg gaat en dat er een verleden wordt achtergelaten. Een ongemakkelijk verleden dat invloed heeft op het heden. Maar de ‘ik’ recht haar rug.

    Uit de gedichten van Stehouwer spreekt vitaliteit: frisse beelden, maar ook personages die zich niet neerleggen bij hun situatie. Of, zoals het in ‘Glimp’ staat: ‘we rechtten onze schouders / en ontdekten onze nek.’

    Veel gedichten in deze bundel zijn spannend. Ze maken nieuwsgierig naar de wereld die ze oproepen, veel meer hoeven gedichten niet te doen.

     

    Wachtkamers

    Saskia Stehouwer
    88 blz.
    € 12,50
    Uitgeverij Marmer 2014

     

  • Je kunt altijd opnieuw beginnen

    Je kunt altijd opnieuw beginnen

    Het zou oneerlijk zijn om Aimée de Jongh een belofte te noemen. Hoewel ze de weg van twintig naar dertig jaar pas halverwege heeft afgelegd, heeft ze al ruimschoots bewezen wat ze kan: de lezers van Metro lezen haar strookstripje Snippers en wie haar afstudeerfilm One past two niet kent, moet die maar gauw op internet gaan opzoeken en dan zal het duidelijk zijn: De Jongh is een gerijpt striptekenaar en animator.

    Het maken van een grote beeldroman stond nog altijd op haar verlanglijstje. Nu De terugkeer van de wespendief verschenen is, kan ze ook dat afvinken. Centraal in het verhaal staat Simon, een wat tobberige man. Hij heeft uit plichtsgevoel het boekhandeltje van zijn vader overgenomen, maar de zaak dreigt ten onder te gaan. Hij krijgt een bod, maar daar wil hij niet op ingaan. Het plichtsgevoel, immers.

    De opslag van de boeken bevindt zich in een boshuis, dat ook een soort bunker is, waarin Simon zich kan terugtrekken: de buitenwereld bestaat dan niet meer. Hij is er alleen met zijn boeken. En met zijn binnenwereld. Die plaatst hem terug naar zijn schooltijd, waar hij het enige vriendje was van het gepeste jongetje Ralph. Ralph wil daar voor eens en voor altijd een eind aan maken, maar voor hij daartoe kan komen, vindt hij de dood.

    Als Simon dan ook nog eens getuige is van de zelfmoord van een vrouw, die op de rails gaat staan, is alles in hem omgewoeld. Hij voelt zich schuldig: had hij de dood van Ralph en van de vrouw niet kunnen voorkomen?

    Gelukkig is er het meisje Regina, dat hem om hulp vraagt, omdat ze voor Nederlands een werkstuk moet maken over magisch realistische schrijvers. Het magisch realisme is De Jongh niet vreemd. Haar film One past two is een variant op De laatste trein van Johan Daisne en ook in De terugkeer van de wespendief neemt het verhaal een wending die boven de aardse logica uit gaat.

    Dat had De Jongh er niet zo dik bovenop hoeven te leggen. Met dat werkstuk krijgen we al een flinke por in de ribben en aan het eind van het boek houdt Simon ook nog eens het boek Magisch Realisme in de literatuur en schilderkunst in handen. Ook Nabokovs Lolita, overigens en dat is ronduit grappig: broeierig wordt het tussen Simon en Regina nergens.

    Ook zonder de duidelijke hints had de lezer wel begrepen dat er ‘iets’ met Regina is: aan het eind van een gesprek met Simon is ze plotseling verdwenen en ze is ook erg wijs voor haar leeftijd.

    De terugkeer van de wespendief is een troostrijk boek. Het gaat over de mogelijkheid om opnieuw te kiezen en opnieuw te beginnen. Zoals de wespendief -een havikachtige vogel-, die een nieuw leven begint als zijn partner niet terugkomt. Aan het verleden is niets te veranderen, maar je hoeft niet altijd de last van je verleden met je mee te sjouwen.

    Aan het eind van het boek draait Simon de deur van het boshuis op slot. Daarmee zet hij ook een punt achter de boekhandel. Hij voelt zich niet meer gebonden aan de belofte aan zijn vader.

    Het lijkt erop dat er, wat de boeken betreft, meer meespeelt. Als kind al verstopte Simon zich tussen de boeken op de dag dat zijn vriend Ralph omkwam, en het wegduiken in zijn vogelgids was misschien ook wel een manier om zich te onttrekken aan het dagelijkse leven.

    Ook de boeken in het boshuis voeden Simons escapisme. Door de boeken worden zijn herinneringen wakker geroepen. Dat zijn niet alleen maar prettige herinneringen, maar ze voeren hem wel weg van het heden, waarin het faillissement dreigt.

    Op het moment dat Simon het boshuis afsluit, sluit hij een ontsnappingsroute. Hij kijkt naar zijn vrouw en naar de toekomst die ze samen in gaan. Hij loopt niet meer voor het leven weg

    Aimée de Jongh heeft in de De terugkeer van de wespendief geen gebruik gemaakt van kleur: alle tekeningen zijn met inkt, in zwart-wit. Karakteristiek voor De Jongh is dat de ogen getekend zijn met ‘drijvende’ pupillen, zonder dat de iris getekend is.

    Een enkele keer is het perspectief niet helemaal gelukt: bij het een blik van bovenaf, worden personen soms wel erg kort en soms heeft De Jongh de ruimte vergroot (in een klaslokaal, in een auto) om wat beter uit de voeten kunnen.  Maar eigenlijk gaat het daar niet om.

    Alle nadruk ligt op de verhaallijn en De Jongh weet het verhaal goed te vertellen. Het kost je geen enkele moeite om je mee te laten slepen met het verhaal en je te identificeren met Simon. De helderheid die De Jongh altijd in haar tekeningen brengt, heeft ze ook in haar manier van vertellen. Die helderheid doet trouwens niets af aan de gelaagdheid van het verhaal. Na het lezen van deze beeldroman, blijven de wespendieven nog lang boven je cirkelen.