• Voorbij het officiële beeld

    Voorbij het officiële beeld

    Wie was Boni? Naar het antwoord op die vraag gaat Tessa Leuwsha op zoek in haar boek met dezelfde naam. In 1986 – toen Leuwsha een tiener was – drukt een vriend haar Anton de Koms Wij slaven van Suriname in handen. Het omslag stelt haar teleur, maar zodra ze het boek openslaat en een paar zinnen leest, is ze verkocht: ‘Onze ouders hadden ons stilzwijgend geleerd om onderwerpen als slavernij en kolonialisme in te slikken, bang voor een boemerangeffect: het opwekken van irritatie en mogelijk haat.’
    Leuwsha doet er twee weken over Wij slaven van Suriname te lezen: het is een eerste druk, uit 1934, het taalgebruik is gedateerd. Toch maakt het grote indruk op haar, vooral de beschrijving over Boni, de leider van de Marrons (een geuzennaam voor nazaten van gevluchte tot slaaf gemaakten) die zich dertig jaar lang verzette tegen de koloniale overheersing door Nederland. De kiem voor Boni was dus al vroeg gelegd! 

    Rebel en heilige

    Dat we in Nederland zo weinig over Boni weten is geen toeval, maar een voortzetting van ons koloniale verleden. Die voortzetting gaat niet alleen over de economische, sociale en emotionele gevolgen van onderdrukking, uitbuiting en slavernij, maar ook over geschiedschrijving, over wat Nederlanders erover weten en wat kinderen leren op school. Nederlandse kennis over Boni is afkomstig uit ‘officiële’ bronnen, zoals Leuwsha ze noemt, en gebaseerd op het beeld dat koloniale machthebbers van hem hadden: een rebel, een opstandeling. In Suriname echter, is er een tweede beeld van Boni, gebaseerd op overleveringen, voorouderlijke ervaringen, mythen en legenden: Boni als heilige, met bijzondere gaven. Leuwsha: ‘Tussen een weergave van Boni als rebel en heilige, tussen archief en vertelling, gaapt een groot gat. Ik wilde meer over zijn leven weten dan wat er in koloniale bronnen over hem bewaard is gebleven en waaruit dat eenzijdige beeld is ontstaan.’ 

    Ambitie en gelaagdheid

    Rebel of heilige, hoe breng je twee zulke verschillende beelden samen? Leuwsha gaat daarin niet alleen voortvarend te werk, ze weet het ook op zo’n manier te doen dat het resultaat geloofwaardig is. Haar keuze om zowel verslag te doen van Boni’s leven, – en niet te vergeten: dat van zijn moeder, die zichzelf uit slavernij heeft bevrijd, – als van haar eigen zoektocht naar zijn geschiedenis brengt gelaagdheid in het verhaal. Leuwsha maakt daarmee invoelbaar hoe belangrijk het is stil te staan bij de Nederlandse koloniale geschiedenis en vooral ook bij wie bepaalt welk beeld daarvan het ‘juiste’ is. Dit alles krijgt ze voor elkaar zonder dat ze het tot in den treure hoeft uit te leggen. De zoektocht met alles wat daarbij hoort spreekt voor zich. Misschien nog wel het meest aangrijpend daarbij zijn de stukken over Leuwsha’s broer Ewald, met wie het niet goed gaat. Boni’s leven is het gespreksonderwerp waarin ze elkaar het makkelijkst vinden.

    Wie was Boni? Leuwsha’s boek geeft antwoord op veel meer dan die ene vraag. Het gaat niet alleen over Boni’s leven maar ook over dat van zijn dappere en doortastende moeder, over de levens van tot slaaf gemaakten en over mensen die zichzelf bevrijden. Ze levert daarmee veel meer dan ze zich zegt te hebben voorgenomen: Boni vult niet alleen het gat tussen het beeld van hem als rebel of heilige, maar ook een gat in de koloniale geschiedenis.

     

     

  • Oogst week 14 – 2025

    Boni, in het spoor van een Surinaamse vrijheidsstrijder

    In Boni, in het spoor van een Surinaamse vrijheidsstrijder vertelt Tessa Leuwsha op basis van onderzoek en verbeeldingskracht over het leven van de Surinaamse held, Boni. En niet alleen over hem. Ze brengt ook zijn moeder tot leven, die zichzelf in 1730 uit de slavernij bevrijdde. Haar zoon groeide uit tot de leider van de Marrons, die zich meer dan dertig jaar lang verzetten tegen het Nederlandse koloniale bewind. Leuwsha raakte als tiener gefascineerd door Boni nadat ze over hem had gelezen in Anton de Koms Wij slaven van Suriname. Haar onderzoek naar Boni betreft niet alleen zijn heldhaftige strijd in de achttiende eeuw, maar ook de invloed van zijn nalatenschap op Leuwsha’s leven nu. 

    Tessa Leuwsha (1967) is schrijver, documentairemaker en recensent. Ze heeft meerdere verhalenbundels en romans op haar naam staan en haar werk is genomineerd voor de Debutanten Prijs, De Vrouw & Kultuur Debuut Prijs, de Black Magic Woman Award en de De Inktaap Literatuurprijs. Naast boeken schrijft Leuwsha essays, artikelen en columns.

    Boni, in het spoor van een Surinaamse vrijheidsstrijder
    Auteur: Tessa Leuwsha
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De wereld in 48 stukken

    Wat een verhuizing al niet teweeg kan brengen. Toen Menno Hartman (1971) zijn spullen in verhuisdozen moest stoppen zat er niets anders op dan zijn wereldkaart van de muur te halen. Hij knipte deze in 48 stukken. Met het idee dat je iets pas echt leert kennen als je het opdeelt, schreef hij bij ieder ervan een beschouwing. Deze zijn nu gebundeld in zijn boek De wereld in 48 stukken en gaan over geologie, poëzie, biologie, kolonialisme en kunst. Over cartografie, ontdekkingsreizen en meer. Een aantal ervan verscheen in een eerdere vorm op de blog van Tirade.

    Menno Hartman (1971) is uitgever bij Uitgeverij van Oorschot. Hij studeerde eerst voor leraar Nederlands en deed daarna de studie moderne letterkunde. Naast zijn werk als uitgever schrijft hij poëzierecensies voor het tijdschrift Awater. Ook geeft hij twee maal per jaar gastcolleges voor de masterclass redacteur/editor van de Universiteit van Amsterdam en is hij voorzitter van de stichting Dichter des Vaderlands. Hij zat in de redactie van de tijdschriften Bunker Hill en Tirade en richtte in 2001 Literair Nederland op, waarbij hij nog steeds betrokken is.

    De wereld in 48 stukken
    Auteur: Menno Hartman
    Uitgeverij: Hollands Diep

    God gokt niet

    In Sarah Neutkens’ God gokt niet praat Lucky met God, zijn vader. Dat levert interessante gesprekken op, bijvoorbeeld als het gaat over de vraag waarom mensen in militair uniform niet gewoon een pak dragen. God: ‘Weet je waarom ze dat niet doen, een pak dragen? Omdat ze zeggen dat ze nog iets te strijden hebben. Omdat ze zichzelf graag zien vechten.’ In haar boek stelt Neutkens heersende instituten aan de kaak vanuit een positie onder de tafel waaromheen de wereldleiders en Lucky, hun host, zich hebben verzameld. Iedere wereldleider is eropuit een wit voetje bij hem te halen, hij is tenslotte de zoon van God, hun de toespraken volgen elkaar snel op. Maar wat gaat het gezelschap onder de tafel doen? Mogen we meer verwachten dan alleen stiekem meeluisteren?

    Sarah Neutkens (1998) laat zich niet graag vangen in een beschrijving. Ze werkt aan talloze dingen, zoals ze zelf op haar website zegt, van ‘boeken, composities, kunstwerken, theaterprojecten en politiek activisme tot schrijven als journalist, wandelen, vrienden zien en stenen rangschikken op haar keukentafel’. God gokt niet is haar derde roman. Met Blote Man won ze de Pieter Boddaert Prijs. Ook ontving ze nominaties voor de PrixFintroPrijs en de Libris Literatuur Prijs en stond ze op de longlist voor de Bronzen Uil. 

    God gokt niet
    Auteur: Sarah Neutkens
    Uitgeverij: Het Moet
  • De manier om je te verbinden met de geschiedenis

    De manier om je te verbinden met de geschiedenis

     


    Schrijfster en documentairemaakster Tessa Leuwsha (Amsterdam, 1967) debuteerde in 2005 met de roman De Parbo Blues, gebaseerd op haar vader die in de jaren zestig, ruim voor de onafhankelijkheid van Suriname, naar Nederland emigreerde. Hij trouwde met een Nederlandse vrouw, die later haar moeder werd. Sinds 1997 woont ze in Suriname en werkt als cultureel attaché voor de Nederlandse ambassade in Paramaribo. Naast romans, theater en non-fictiewerken, schrijft zij artikelen, columns en recenseerde voor De Ware Tijd Literair.


    Nadat ze haar eerste artikelen en verhalen had geschreven kreeg ze op haar vijfentwintigste de mogelijkheid een reisgids over Suriname te schrijven.
    Het Reishandboek Suriname verscheen in 1997 bij uitgeverij Elmar en beleefde sindsdien vele herziene herdrukken. Na haar debuutroman schreef Leuwsha nog twee romans en twee non-fictieboeken. Dit voorjaar verscheen De wilde vaart, over een tijd van plannen maken, financiële tegenslagen, over de doorwerking van het koloniale verleden in het dagelijks leven van Surinamers en de weg terug naar jezelf.


    Van haar eerste roman,
    De Parbo Blues, verscheen onlangs een vierde druk. Ook Fansi’s stilte over haar Surinaamse grootmoeder, beleefde vier drukken. Momenteel werkt Leuwsha als regisseur en scenarioschrijver aan een documentaire gebaseerd op dit boek. Met haar man, reisgids en kunstenaar Sirano Zalman werd ze net voor de pandemie de wereld stil legde, eigenaar van plantage Frederiksdorp in het Commewijne district in Suriname. Het beheer van deze plantage gaf indirect aanleiding tot het schrijven van De wilde vaart.


    Voor de presentatie van haar laatste boek
    was Tessa Leuwsha in Nederland en spraken wij elkaar bij de Ysbreeker aan de Weesperzijde. Onder meer over een onafhankelijk Suriname dat zijn kracht nog niet heeft gevonden, over bijgeloof, de boeken die ze schreef, de veerkracht van de mens en dekolonisatie.


    Schrijven vanuit Suriname

    Het was net na de binnenlandse oorlog dat Leuwsha in 1996 voor het eerst naar Suriname ging. Omdat het niet veilig was alleen te reizen, sloot ze zich aan bij een reisgroepje. Daarvoor had ze in Nederland een reportage gezien over Suriname waarin een Surinaamse bootsman, die als gids in deze reportage voorkwam, haar sympathie had. Dezelfde gids, Sirano Zalman was ook reisleider van het gezelschap waar zij zich bij had aangesloten. Tijdens die reis was er een klik tussen hen beiden. Terug in Nederland gingen er brieven over en weer en een half jaar later reisde ze voorgoed naar Suriname. ‘Die reisgids heb ik in Nederland afgemaakt, maar verder is ieder boek van mij vanuit Suriname ontstaan.’

    Eenmaal in Suriname werd ze geconfronteerd met een stuk geschiedenis waar ze niets van afwist. ‘De meeste van mijn tantes en ooms woonden allemaal in Nederland, maar hadden het nooit over Suriname. Het onderwerp slavernij was non-existent. Pas toen ik er woonde, begon ik mij dingen te herinneren van mijn Surinaamse grootmoeder uit de tijd dat ze bij ons in Amsterdam logeerde. En ik vroeg me af: “Wie was zij eigenlijk?” Ik wist niks van het land van mijn voorouders.’


    Het verhaal van de grootmoeder

    In de jaren zeventig, als Leuwsha een tiener is, komt de moeder van haar vader over uit Suriname om in Nederland aan haar ogen geholpen te worden. Het is een echte Surinaamse tropenvrouw, met een angisa, een doek, om haar hoofd, streng sprekend.
    ‘Ik had op die leeftijd wel wat vrienden die in het Surinaamse circuit zaten, maar ik was nooit in Suriname geweest. En daar kwam opeens een oma binnenlopen die de hele tropen met zich meebracht. Dat was toen vooral ongemakkelijk en raar, alles veranderde in huis. Mijn vader reageerde op een manier op zijn moeder die ik niet van hem kende. Toen ik later  in Suriname woonde, kwam die herinnering daaraan weer terug. Ik had haar weggezet als een merkwaardige oma die later bij een van haar andere kinderen in Nederland ging wonen tot ze in een bejaardentehuis terecht kwam.’

    Voor Leuwsha betekende haar oma haar enige directe band met Suriname. Ze werd nieuwsgierig naar haar leven en begon alles te lezen over de geschiedenis van Suriname. ‘Er ging een wereld voor me open. Als kind had ik me wel eens afgevraagd waarom Surinamers er allemaal zo verschillend uitzagen, alleen al de verschillende tinten aan huidskleur. Suriname is geschapen door meerdere etnische bevolkingsgroepen.’


    Schrijven vanuit Suriname

    In het begin schreef Leuwsha columns voor de weekkrant van Suriname (ook in de grote steden in Nederland te verkrijgen), onder de titel ‘Groetjes uit Suriname’, en artikelen voor tijdschrift  De Ware Tijd. Dan overlijdt haar vader vrij onverwachts.
    ‘Ik besefte dat met hem ook het verhaal van Surinamers die als economische vluchtelingen in de jaren zestig naar Nederland kwamen, wat ook een deel van mijn voorgeschiedenis is, zou verdwijnen. Toen ben ik De Parbo Blues gaan schrijven. Ik had al een klein kind en ik herinner me dat ik hem toen in de box heb gezet en begon te typen op een oude computer, zo’n grote kast. Ik was eigenlijk aldoor moe, door het werk dat ik deed en de zorg voor die kleine. Toen moest ik aan mijn oma denken, zij had negen kinderen en ik dacht, ‘Kom op zeg!’ En de eerste zin die ik typte was, ‘Oma is altijd moe.’ Die is er later wel uitgegaan, maar zo begon ik.Toen ik op driekwart was, dacht ik, “Wat wil ik hier eigenlijk mee?” Toen ontmoette ik de Surinaamse schrijfster Ellen Ombre, die stuurde een deel van mijn verhaal naar haar literair agent, Alice Toledo. Daarna werd ik uitgenodigd om over het manuscript te komen praten. Tilly Hermans, van uitgeverij Augustus wilde het uitgeven. In tweeëneenhalf jaar had ik een boek gepubliceerd. Fantastisch was dat.’

    In haar boeken speelt de geschiedenis van Suriname, de huidige stand van zaken in het land en familiebanden, een grote rol. Om de koloniale geschiedenis van Suriname in beeld te brengen maakt zij gebruik van haar eigen persoonlijke geschiedenis.
    ‘De combinatie fictie – non fictie vind ik een spannende combinatie, maar ook vrij logisch want in Suriname is er veel orale geschiedenis die wordt doorverteld. Of het verhaal geheel waar is of niet, is dan niet interessant meer. Het feit dat het van generatie op generatie is doorverteld, dat maakt dat het waar is. Ik vind geschiedenis pas interessant wanneer die persoonlijk is, dan komt het binnen. Het gebeurt nu wel meer dat geschiedenis vanuit personen verteld wordt, kijk maar naar musea. Het is de manier om je werkelijk te verbinden met de geschiedenis.’ 


    Op zoek naar de veerkracht van Suriname

    Vanaf het begin dat Leuwsha en haar man plantage Frederiksdorp willen uitbaten, worden ze gehinderd door pech. Een vriend (een van hun belangrijkste mede-aandeelhouders) overleed, de dochter van een werknemer werd ernstig ziek, het regenseizoen begon veel eerder en daar kwam ook nog de lockdown vanwege corona bij. Alsof de duvel ermee speelde.
    ‘Ik ben behoorlijk bijgelovig en was erg onder de indruk toen mijn oma, toen ze bij ons in Nederland was, ons huis zegende. Tegen Sirano had ik al gezegd dat we nooit een moment hebben genomen om stil te staan bij wat er hier allemaal gebeurd is. Het is binnen de Surinaamse cultuur gewoon dat je een pand of plek eerst inwijdt. Maar wij zijn eigenlijk gelijk begonnen met plannen maken en inrichten. Als ik er al aan dacht, dacht ik ook: “Ja maar, hoe doe je dat dan?” Moet het met een pater, een priester, dominee, Imam, Hindoestaan? 

    Ja, en toen werd ik op een nacht wakker en had over mijn oma gedroomd. Opeens dacht ik, wij moeten nu, op dit moment gaan inwijden. We hebben met een kalebas water uit de rivier geschept en zijn langs al die oude gebouwen uit de 18e eeuw gegaan en de gebouwen ingezegend en prevelden er in het Sranantongo teksten bij. Het voelde als een enorme bevrijding, dat stilstaan bij alles. Ondanks wat daar allemaal gebeurd is, is het ook een heel aangename plek. Dat was juist het verwarrende.’

    In De wilde vaart schrijft Leuwsha dat ze van het woord ‘slaaf’ onpasselijk wordt, maar ook het woord ‘tot slaafgemaakten’ niet correct vindt. ‘Slaafgemaakten is technisch een on-woord. Ik heb wel begrip voor wat ermee beoogd wordt te zeggen, dat je niet als zodanig geboren bent. Maar ook dat het niet je enige aspect van je identiteit is. Misschien kon je ook mooi zingen, of goed jagen, dansen. Dat ene woordje ‘slaaf’ beperkt je gelijk in je persoonlijkheid tot iemand die alleen maar opdrachten van anderen uitvoert, onder dwang. Maar ik vind wel dat ‘slaaf’ heel goed weergeeft wat er gebeurd is, je bent de slaaf van iemand. Tot slaafgemaakten klinkt daarvoor weer te afstandelijk. Als we tijdens een tocht op een plantage komen en we zien daar een suikerpers, dan denk je niet, “Oh, tot ‘slaafgemaakten’ hebben deze pers bediend.” Hier in de brandende zon was het gewoon slavenarbeid.’


    Op zoek naar de veerkracht

    Toen er geen inkomsten meer binnenkwamen en de rekeningen zich opstapelden, was het erop of eronder. ‘We konden bij de pakken neer gaan zitten of iets gaan ondernemen. Dat deden we door per boot de rivieren af te gaan en langs plantages te gaan. Ook voor onszelf, we wilden weer in verbinding komen met de natuur, mensen opzoeken om te weten hoe ze overeind zijn gebleven, waaruit hun veerkracht bestaat. ‘Op zoek naar de veerkracht van Suriname’ is ook de ondertitel van het boek geworden. Die veerkracht zit voor Leuwsha  in de creativiteit van de Surinamers, hun humor en hun grote zelfrelativeringsvermogen.
    ‘Waar het koloniale debat in Nederland hevige vormen aanneemt, is die in Suriname relatief klein. De mensen gaan door, en doorgaan vereist zoveel creativiteit dat er geen tijd is voor debat. Er moet vis gevangen worden, letterlijk en figuurlijk. Een intellectueel debat is ook een luxe, je moet er de tijd voor hebben. Onderwerpen als onderwijs, gezondheid heeft hier meer prioriteit dan het verleden te analyseren.’  

    In De wilde vaart schrijft ze, ‘Nederland mocht gedurende zijn overheersing een explosie van geweld hebben veroorzaakt, na de onafhankelijkheid van Suriname was een implosie gevolgd: een vernietiging van binnenuit. En net zoals het volk ooit met rood-wit-blauwe vlaggetjes leden van het Huis van oranje had onthaald, was het daarna van zijn gijzelnemer Desi Bouterse gaan houden. Surinamers leken massaal aan het Stockholmsyndroom te lijden: ze voelden sympathie voor hun geweldenaar (…).


    Jong en onervaren land

    Nadat Suriname in 1975 onafhankelijk werd verklaard, financierde Nederland dat met een afkoopsom, de zogenoemde verdragsmiddelen. De steun vanuit Nederland was dus zeer beperkt.
    ‘Het is een land met een turbulente geschiedenis, deels ook zelf veroorzaakt, in die zin dat het niet gelukt is kort na die tijd op eigen benen een hechte democratie te vormen. De ene helft van de bevolking wilde niet onafhankelijk worden, de andere helft wel. Het is er toen gewoon doorgedrukt in het parlement, met rampzalige gevolgen. Zo’n jong land kan zich niet bedruipen, er is geen infrastructuur en daarbij het feit dat het een volledig leeg geplukt land was. Zo’n dekolonisatie zou veel geleidelijker moeten gaan. Daar zou je tientallen jaren voor uit moeten trekken om af te bouwen en over te dragen. Het is een verplichting om na ruim driehonderd jaar kolonisatie een land te helpen opzetten.’

    Aandacht voor de trauma’s en de gevolgen van de dekolonisatie, is pas heel recent. “De Volkskrant heeft een serie van mensen die over die gevolgen praten, daar heb ik ook aan bijgedragen.’

    Vijfentwintig jaar woont Leuwsha nu in Suriname, ze is er groot gegroeid, haar kinderen zijn er geboren. Of je je er dan thuis voelt. ‘Ik was in Nederland niet een van de groep, en dat ben ik in Suriname ook niet. Ik ben een schrijver, ik observeer.’

     

    Foto: Sirano Zalman


     

     

     

     

     

    De wilde vaart / Tessa Leuwsha / 224 blz. / Uitgeverij Atlas Contact

     

     

  • Het leven op een koffieplantage in Suriname

    Het leven op een koffieplantage in Suriname

    Plantage Wildlust is de vierde roman van Tessa Leuwsha, die naast haar werk als schrijfster en documentairemaker ook cultureel attaché is bij de Nederlandse ambassade in Paramaribo. Ze beschrijft in deze roman hoe de jonge Oscar Brouwer en zijn vrouw Janna begin 20ste eeuw vanuit Middelburg naar Suriname gaan waar hij een baan krijgt als directeur van een koffieplantage. Voor hen beiden is deze verhuizing een bevrijding uit het stijve milieu en de strenge opvoeding in hun jeugd. Janna hoopt een gezin te starten en wil een schooltje beginnen bij de plantage, Oscar hoopt zich voor de Nederlandse Handel-Maatschappij die plantage Wildlust bezit te kunnen bewijzen als goede bestuurder van de onderneming.

    Leuwsha geeft een minutieuze beschrijving van de reis van het tweetal, hun ontvangst in de betere (uiteraard blanke) kringen van Paramaribo, hun aankomst op de plantage, hun kennismaking met het vervallen huis en de stugge Indiase huishoudster Alma. Ze vervolgt met een soms wel erg volledige beschrijving van de koffieteelt en de inrichting van de onderneming. Daar werken nu – de slavernij is een halve eeuw eerder afgeschaft –  vooral Indiase contractarbeiders, maar de zwarte opzichter Creebsburg drijft ze nog steeds als slaven. 

    Verlangens en raadselen

    In traag tempo begint de roman. Lukt het Oscar Brouwer de touwtjes in handen te krijgen in een onderneming waar mensen werken van wie hij de taal niet spreekt en waar een opzichter rondloopt die hem – de zoveelste blanke directeur – niet respecteert? Kan Janna een goede relatie opbouwen met huishoudster Alma, een gezin stichten en een schooltje beginnen? De beantwoording van die vragen zou best een goede roman kunnen opleveren. Op de één of andere manier lukt het Leuwsha niet haar personages tot leven te brengen. Oscar blijft de wat stijve hark die hij vanaf het begin al is, Janna blijft verlangen naar het eindelijk beginnen van het goede leven en het krijgen van een kind, huishoudster Alma blijft een raadsel, en van opzichter Creebsburg blijft de schrijfster herhalen hoe lelijk hij – getekend door acné – wel niet is en welke nare geuren hij met zich meedraagt. Drie van de honderden Indiase contractarbeiders krijgen een naam en een rolletje in het verhaal, de rest blijft een vage massa. Veel gebeurt er niet op zo’n plantage lijkt het in de eerste 150 pagina’s. 

    Ingrijpende gebeurtenis wordt genegeerd

    Maar dan is er de middag waarin Janna een – deels mislukt – picknick-feest heeft georganiseerd voor gasten uit Paramaribo en na afloop wat rondloopt. Ze ziet opzichter Creebsburg die erg zijn best heeft gedaan bij de voedselbereiding en voor haar en Oscar nog twee volle borden klaar heeft staan. En dan geschiedt dit:

    ‘Haar vingers beroerden de zijne. De aanraking kwam volstrekt onverwacht, zijn huid voelde droog als schuurpapier. Diep in haar ontwaakte iets. De opzichter leek die verandering in haar te bespeuren, hij hield zijn hoofd wat opzij. Zijn adem ruiste luid. Hij nam het ene bord van haar terug, zette beide maaltijden weg en tilde haar met één beweging op tafel. Zijn reuk van tabak, zwavel en aarde drong zich aan haar op. Het droge van zijn handen schuurde ook over haar dijen, haar picknickjurk raakte verfrommeld. Ze steunde op haar ellebogen, voelde het ruwe hout. Hij leunde over haar heen, zijn geur kwam nog dichterbij en ook zijn getekende gezicht. Hij bewoog zich soepel, lenig. Het duurde kort, lang. Toen ze onder hem vandaan schoof, schikte ze haar jurk en streek haarlokken achter haar oren. Hun blik kruiste elkaar. Leeg.’

    Uit niets in het verhaal is af te lezen of Janna als gevolg van deze ontmoeting misschien – je weet maar nooit – boze of juist warme gevoelens heeft ontwikkeld ten opzichte van de opzichter. Wel blijkt ze enige tijd later zwanger te zijn. Maar of ze zich er ongerust over maakt dat het kind misschien niet van Oscar is, wordt niet gemeld. Het leven en de roman gaan na dat vreemde moment weer een tijdlang z’n gangetje.

    Vlam in de pan

    Dan, alsof iemand tegen de schrijfster heeft gezegd ‘wanneer gebeurt er nou weer eens wat?’ slaat ineens de vlam in de pan. De over het algemeen humane Oscar heeft – om redenen die niet uitgelegd worden – een Indiase jonge arbeider nogal straf behandeld en die pleegt zelfmoord. Dat brengt de Indiase contractarbeiders tot muiterij en bijna wordt Oscar vermoord. Even later wordt de plantage in brand gezet, verdwijnt Creebsburg met de Noorderzon en wordt Oscar teruggeroepen naar Nederland, wegens gebrek aan succes.

    Te midden van deze gebeurtenissen brengt Janna een kind ter wereld dat niet blank is en vervolgens zonder enige omhaal van woorden wordt weggegeven aan huishoudster Alma. Want die wilde ook wel een kind. Daarna gaat het echtpaar tamelijk onbekommerd weer de boot op, terug naar Nederland. En laat de lezer ontredderd achter. Die had graag iets meer willen weten over de reden van het direct afstaan van dat gekleurde kind, de gevoelens die zo’n gebeurtenis achterlaat en het gevolg dat dat heeft voor een huwelijk. Plantage Wildlust geeft de lezer een goed beeld van het reilen en zeilen van een koffieplantage in Suriname aan het begin van de 20ste eeuw. Maar een  overtuigende beschrijving van de mensen op die plantage is Tessa Leuwsha helaas niet gelukt.

     

     

  • Een ontroerend boek

    Een ontroerend boek

    ‘Ma ontving nooit post! De brief zag er formeel uit.´To miss Francelyne Cummings, afzender Sarah Cummings.´ Ma legde hem met een trillende hand op de keukentafel. Albert brandde van nieuwsgierigheid. De brief bleef twee dagen ongeopend op tafel liggen, toen was ie weg. Albert vroeg moesje ernaar. “Ik heb hem teruggebracht naar het postkantoor”, zei ze. “Waarom?’” Vroeg Albert. Moesje bromde: “M’n moeder wou me niet, nu is het te laat.” ‘

    Fancelyne Evelyne Cummings, Fansi, was de dochter van Sarah Cummings, een blanke vrouw, en een onbekende zwarte man.  Ze werd in 1905 in het noordwesten van Suriname geboren, in Nickery, een plaatsje waar ooit, ten tijde van de slavernij, het plantageleven bloeide, maar waarvan in Fansi’s tijd al weinig meer over was. Zij groeide op bij pleegouders en heeft haar eigen moeder nooit gekend. Zij had alleen een foto van haar. Dat zij een blanke moeder had, bleef voor haar kinderen lange tijd een goed bewaard geheim. Toen zij daar achter kwamen was de verbijstering groot. Fansi was ongetrouwd en kreeg negen kinderen uit verschillende relaties. Het gezin leefde in de jaren dertig in Paramaribo in armoedige omstandigheden, dicht op elkaar. Fansi had, als wasvrouw voor de blanken, weinig opleiding en stond er eigenlijk helemaal alleen voor. Om de armoede te ontvluchten, vertrokken bijna al haar kinderen in de jaren zestig naar Nederland. In 1970 vertrekt ook Fansi naar Nederland waar zij tot haar dood in 1979 is blijven wonen.

    Tessa Leuwsha werd in 1967 in Amsterdam geboren. Zij is de kleindochter van Fansi. Leuwsha volgt de omgekeerde route. Zij gaat in 1995 haar vriend achterna naar Suriname, sticht een gezin en besluit zich er definitief te vestigen. In Fansi´s tijd was Suriname nog een kolonie van Nederland, nu is het een onafhankelijk land.

    Tessa Leuwsha raakt steeds meer gebiologeerd door de vraag hoe Fansi het allemaal heeft gerooid. Wie was haar oma eigenlijk? Haar vader heeft haar nooit veel verteld, evenmin als haar ooms en tantes, die zij overigens zelden zag. Hoe kon een gezin dat in Suriname zo op een kluitje had geleefd in Nederland zo uiteen zijn gevallen? Zij besloot op zoek te gaan naar haar Surinaamse wortels door haar ooms en tantes te interviewen.

    Boeiende gesprekken

    Deze interviews leveren de structuur van het boek. Fansi had negen kinderen. Dit betekent negen gesprekken vervat in negen hoofdstukken. Elk interview wordt gevolgd door één of twee wat meer beschouwende hoofdstukjes, waarin Leuwsha reflecteert op de voortgang van haar onderzoek en de nieuw te nemen stappen. Zij begint de reeks met haar oudste oom Albert in Suriname en eindigt met haar jongste tante Mildred in Nederland. Het levert negen prachtige portretjes op van heel verschillende mensen met een gemeenschappelijke band, Fansi. Ontluisterend, maar ontroerend tegelijk is bijvoorbeeld het verhaal van Albert die met zijn vrouw een bezoek aan zijn moeder komt brengen in Nederland en ´s-avonds in het donker de weg kwijt raakt en langs de kant van de weg stopt om met een zaklantaarntje de kaart te bestuderen. ‘Een verblindend licht, een portier zwaait open, iemand hield een pistool in de aanslag. “Politie, uitstappen! Handen op het dak en benen spreiden!…………” Albert was maar wat blij weer naar Suriname te kunnen terugkeren.’ Daarnaast levert het een reis door de tijd op, van Albert, die nog dicht bij het leven van Fansi in Suriname staat en van Mildred, vergroeid met het leven in Nederland, maar ook door de geschiedenis van Suriname, van Nederlandse kolonie tot onafhankelijk land. Hoewel een echt inzicht in de persoon van Fansi nooit verkregen kan worden door enig historisch onderzoek, krijgen we toch steeds meer zicht op de wereld van Fansi en dus op Fansi zelf.

    Hartverscheurende ontdekkingen

    In het hoofdstuk ‘Huize Cummings’ blijkt Leuwsha feitelijk te zijn vastgelopen in haar onderzoek. Hoewel het duidelijk is dat er in het leven van Fansi nog sporen zijn achtergebleven van de slavernij, blijft het moeilijk die ook aan de hand van documenten echt zichtbaar te maken. Maar dan komt het toeval haar te hulp in de vorm van een mailtje van een nazaat van Fansi’s pleegfamilie. Plotseling komt zij veel meer te weten over de rol die de slavernij heeft gespeeld, vooral in het leven van de pleegmoeder van Fansi, maar waarschijnlijk ook in dat van Fansi zelf. Dit zorgt voor een versterking van de spanningsboog in het boek en levert onverwachte inkijkjes op in het leven van Fansi en haar pleegmoeder. Zo wordt steeds duidelijker waarom Sarah Cummings haar dochter meteen na de geboorte waarschijnlijk heeft afgestaan. De pleegmoeder blijkt nog geruime tijd slavin te zijn geweest. Daardoor komt zij gedurende het onderzoek wat meer in het brandpunt van de belangstelling te staan.

    Ook de speurtocht zelf die Tessa Leuwsha onderneemt langs allerlei archieven is boeiend om te volgen en brengt ons in contact met stukjes Suriname en Guyana buiten Paramaribo. Het maakt duidelijk wat voor diepe wonden de slavernij heeft geslagen, ook nog in de volgende generaties. Fansi vertelde nooit iets over het verleden en ook haar kinderen praten er eigenlijk nooit over. Als Tessa Leuwsha haar ooms en tantes benadert met de vraag of zij hen mag interviewen over dat verleden, zijn zij dan ook verrast en vaak in eerste instantie wat afhoudend. Als echter het moment van het interview is aangebroken, blijken zij er graag over te praten.

    Tessa Leuwsha heeft een prachtig boek geschreven vol liefdevolle portretjes van gewone mensen. De goed geconcipieerde structuur van het boek maakt het spannend en zorgt ervoor dat de lezer haar zoektocht geboeid blijft volgen. Haar betrokkenheid bij het onderwerp zuigt de lezer mee in de bizarre en vaak ontroerende restanten van het slavernijverleden die doorwerken in het individuele leven van de mensen. Prachtig zijn bijvoorbeeld de foto’s waarop Fansi alleen en samen met haar pleegzus staat afgebeeld met een traditioneel gevouwen hoofddoek op. Niet zozeer omdat buitenissige foto’s altijd leuk zijn, maar vooral omdat Tessa Leuwsha in haar boek schrijft dat deze hoofddoeken in de tijd van de slavernij op verschillende manieren gevouwen werden om bepaalde boodschappen aan elkaar duidelijk te maken. Zij mochten immers niet met elkaar praten tijdens het werk. Dit maakt de foto’s ontroerend.

     

     

  • Oogst week 40

    Een Surinaamse roman, een reis door Iran, een kleine roman in beperkte oplage en een debuutroman.

    Door Ingrid van der Graaf

    De Nederlandse literatuur kent weinig schrijvers met een Surinaamse achtergrond die over Suriname en zijn bewoners schrijven, Astrid Roemer en Clark Accord daargelaten. De in Amsterdam geboren schrijver Tessa Leuwsha (1967), van Surinaams/Nederlandse afkomst, verhuisde in 1996 naar Suriname en publiceerde eerder al twee romans die zich daar afspelen. Ze is een gedreven schrijver van verhalen die autobiografische aspecten bezitten. Fansi’s stilte gaat over haar oma Fansi, die in 1971 nogal onverwacht naar Nederland kwam. Een vrouw uit de tropen die maar niet kon wennen aan het leven in Nederland en die in alle talen zweeg over haar achtergrond. Leuwsha is op zoek gegaan naar het verhaal van haar grootmoeder en haar ooms en tantes die deels in Paramaribo en Nederland wonen. Met Fansi’s stilte haalt zij haar grootmoeder, kind van een Engelse zendelingsdochter en een zwarte man dichterbij waarmee ze tegelijkertijd een indrukwekkend tijdsbeeld van Suriname weergeeft. Uitgegeven bij Atlas/Contact, 224 blz. € 19,99.

    iran_reeuwijk_135x210Eerder schreef Alexander Reeuwijk (1975) Darwin, Wallace en de anderen. Evolutie volgens Redmond O’Hanlon, waarin hij op levendige wijze de evolutietheorie beschrijft. Met Achter de sluier het land toont Reeuwijk de lezers Iran in al zijn facetten. Als het land van dichters, ayatollahs, sjahs en met de mooiste islamitische architectuur ter wereld, maar ook dat het een land van mysteriën is. Toch is het één van de belangrijkste landen in het hart van het Midden-Oosten, prominent op de oude handelsroutes en heeft het een eeuwenoude bewogen geschiedenis. Reeuwijk reisde meerdere malen van Istanbul naar Teheran en verder naar onder andere Isfahan, Shiraz, Persepolis en Yazd. Hij maakte er vrienden, sprak er met mullahs en probeerde het land te doorgronden en de bevolking te begrijpen. Verschenen bij uitgeverij De kleine uil, 200 blz., € 16,50.

    zeewee-200x300Toen uitgever Marc Vleugels van Studio 3005 Zeewee in de ‘schitterende’ vertaling van Mirjam de Veth gelezen had, wilde hij het boek meteen herlezen. Hij noemt het een poëtisch pareltje in het oeuvre van Marie Darrieussecq.  Bijna alle romans van Darrieussecq verschenen reeds in vertaling (bij Meulenhoff en De Arbeiderspers).  Zeewee is het verhaal van een verdwijning. Een jonge vrouw haalt na schooltijd haar dochtertje op bij haar moeder. Ze rijdt niet naar huis maar naar de zee in het zuiden. Ze neemt haar intrek in een flat in een badplaats die veel weg heeft van Biarritz buiten het seizoen. Dan kan aan de grens tussen water en land het fantastische het leven binnendringen. Het perspectief wisselt voortdurend tussen de personages. Op een manier  als het af- en aan rollen van de zee die zwelt en krimpt, buldert en stil is. Zeewee is een eenmalige editie van 700 exemplaren in offset/boekdruk op gevergeerd papier en te koop bij de betere boekhandel of rechtstreeks te bestellen bij www.studio3005.nl. 112 blz.,€20,–.

    thumbnailKrijn Peter Hesselink (1976) was vertaler (o.a. Breyten Breytenbach) en debuteerde in 2008 met de dichtbundel Als geen ander, waarna nog drie bundels volgden. In zijn debuutroman Moederziel weet hij met ingetogen stijl de gevolgen van een gemankeerde jeugd invoelbaar te maken waarbij hij behendig switcht tussen heden en verleden, waan en werkelijkheid. Jonathan, de hoofdpersoon, zit op de brink van het Drentse dorp waar hij vakantie viert. Als daar een oudere dame aan komt schuifelen, is er iets in haar verschijning dat hem intrigeert. Plotseling ziet hij het: het is zijn verloren gewaande moeder. Een eeuwigheid geleden stond het ouderlijk huis ineens vol dozen en liet zij hem en zijn vader in de steek. Nu zal alles op zijn plaats vallen, als hij maar de moed kan opbrengen om haar aan te spreken en mee te nemen naar het huisje waar hij zijn vader en zijn vriendin die nacht heeft achtergelaten.