• Vijfde editie van 'Middag van het kinderboek' in september 2013

    Agenda

    In tegenstelling tot wat dit bericht waarschijnlijk bij velen oproept, is dit niet een ‘Middag’ voor lezers die van kinderboeken houden maar voor de schrijvers daarvan. De kinderboekenschrijvers dus. En deze Middag van het kinderboek vindt plaats op een ochtend en een middag van dezelfde dag, dus misschien dat het in de toekomst de Dag van het kinderboek gaat heten.

    Het thema van deze vijfde Middag van het Kinderboek heeft als thema  Tot het brood ons scheidt.

    Veranderingen in het boekenvak dwingen tot het herzien van relaties die voor eeuwig leken. Hoe trouw kun je blijven aan je uitgever als die in jouw ogen vreemdgaat met een andere schrijver? Hoe trouw kun je blijven aan de boekhandels als die een voor een de deuren sluiten? Hoe trouw kun je blijven aan de bibliotheek als die amper nog boeken van je in de collectie heeft? Hoe trouw kun je blijven aan de lezer als die je boek digitaal wil hebben, maar er geen cent voor over heeft? En waar is nog plaats voor artikelen over kinder- en jeugdboeken  en waar is ruimte voor de ontwikkeling van diezelfde kinder- en jeugdliteratuur? Daarover, en nog veel meer, gaat de vijfde Middag van het Kinderboek.

    Initiatiefnemer voor het organiseren van deze ‘Middag’ voor kinderboekenschrijvers is Ted van Lieshout.

    Tijdens de Middag van het Kinderboek’ zijn er ’s morgens workshops voor auteurs en illustratoren, waaronder voor het eerst een workshop met belastingtips voor illustratoren. ’s Middags zijn er lezingen rond het thema.

    I. v/d Graaf

     

    Middag van het kinderboek
    Waar: OBA, Oosterdokseiland  te Amsterdam
    Wanneer: 14 september 2013

     

  • Kinderliefde voor een meneer

    Kinderliefde voor een meneer

    Ted van Lieshout is een veelbekroond illustrator en schrijver van kinderboeken. Onlangs nog werd Driedelig paard bekroond met de Woutertje Pieterseprijs. Mijn meneer is zijn eerste roman voor volwassenen. Waar gebeurd, met een elfjarige hoofdpersoon die Ted heet en een meneer die seksuele gevoelens voor hem koestert. Het is even slikken, in deze tijd van handtastelijke pastoors, crèchemedewerkers en zwemleraren. Als het zedenalarm afgaat, zwijgt de literatuur. Of toch niet?

    Van Lieshout goot het boek in de vorm van een reeks brieven van de hoofdpersoon aan Maria (achternaam: Volvangenade). Daarmee creëert hij de nodige afstand tot zijn ik-van-toen en dwingt tegelijk de lezer om het verhaal te beleven vanuit het perspectief van de jonge Ted. Diens onschuldige blik en onbevangenheid voorkomen een al te makkelijk oordeel. Tweede wapen in de strijd is een kristalheldere directe stijl. De brieven van kleine Ted aan Maria staan bol van ijverig redeneerwerk: slim jongetje probeert aandoenlijk hardnekkig de ontredderende werkelijkheid binnen zijn denkraam te passen en de barsten in zijn wereldbeeld te dichten. Ted is een jongen zoals er meer te vinden zijn in de literatuur (van Jaapje en Kees de Jongen tot Anton Wachter): goede rapportcijfers, braaf, gevoelig, en liever alleen met tv of tekenpapier dan samen voetballen met andere jongens. Teds vader is overleden en zijn moeder is meer bezig met blonderen, bridge en de huurder van de voormalige echtelijke slaapkamer, dan met haar zoon. Die voelt zich onbegrepen in zijn fascinatie voor kunst, tekenen en kleien, en in zijn kinderlijke theologische bespiegelingen.

    Half zo erg
    Met een Mariabeeld in een kapelletje langs de weg voert Ted gespreken over zaken die hem kwellen: of zijn vader hem altijd kan zien vanaf zijn wolk (ook als hij binnen is), of hij het wel goed doet allemaal, wat moeder toch doet met haar bridgepartner met rode sokken (of is het toch de huurder?) en over alles wat hem overkomt met meneer. Die blijkt een gentleman-pedofiel: fris gewassen en chique gekleed bewoont hij met zijn meestal afwezige vrouw een villa, en verdient zijn geld als reclametekenaar. Hij wordt verliefd op Ted. Die komt hem tegen bij het kapelletje en als hij op zaterdagen de bakker helpt bij het bezorgen van brood. Stapsgewijs weet ‘meneer’ de jongen bij hem op bezoek te krijgen aan zich te laten wennen. Ze spelen met zijn modeltrein, bouwen aan een legokasteel, praten over geloof, vriendschap en liefde, en slaan aan het tekenen. Dat tekenen wordt al snel wederzijds portretteren ‘naar het naakt model’, en vanaf dat punt begint een reeks seksuele verkenningen waarbij ‘meneer’ stukje bij beetje Teds grenzen verlegt. Eén van de elementen in dat manipulatieproces is het douchen. Wat Ted ‘vies’ vindt – piemel aanraken, bijvoorbeeld – kan moeilijk vies zijn als het lichaamsdeel in kwestie net met veel zeep is gewassen. De klassieke oudheid (Ganymedes) en religie worden erbij gesleept om reflexmatige afwijzing om te buigen in twijfel en aanvaarding. Bijvoorbeeld zo:

    ‘Toen ik de garage binnen kwam trok meneer mij bijna meteen op de divan en begon kusjes in mijn nek te geven. Het liefst had ik er helemaal niets over gezegd, maar ik weet niet wat u ervan vindt, Maria. Daarom zei ik, toen hij zijn hand onder mijn hemd stak om te aaien: “het mag eigenlijk niet.” “Als je elkaar lief vindt mag alles,” zei meneer.

    “Volgens mij is het verboden.”
    “Van wie mag het niet? Van jou niet?”
    “Van niemand,” zei ik. “In ieder geval mag het niet van God.”
    “Onze god of andere goden?”
    Dat vond ik een vreselijk rare vraag.’

    Daarna vertelt ‘meneer’ uitgebreid over Mohammed en zijn 7-jaar oude bruidje Aisha. Ted is daar maar ten dele mee geholpen: ‘Ziet u wel, Maria? Als ik een meisje was geweest, was het maar half zo erg.’

    De verwikkelingen leiden bij Ted tot verwarring, maar ook tot trots – dat iemand hem zo belangrijk vindt. Eindelijk iemand die hem lief vindt, van hem houdt, en hem serieus neemt in zijn artistieke aspiraties en kinderlijke gedachtekronkels. Maar uiteindelijk wordt het Ted teveel. Hij ziet dat ook een klasgenootje bij meneer naar zijn modeltrein komt kijken. Er gaan geruchten over het lijk van een jongen in het bos, en een kinderlokker die dat gedaan zou hebben. En meneer gaat te ver door zich op Ted af te trekken. Die wordt daar heel boos over: ‘Echte vrienden doen zulke dingen niet. […] Dit had niets te maken met elkaar lief vinden, dit was gewoon ontzettend smerig gedoe.’ Ted gaat nog één keer terug naar meneer om te melden dat het nieuwe schooljaar begint en dat hij geen tijd meer heeft om langs te komen. En dat is het dan.

    Als liefde
    Wat in Mijn meneer zo helder wordt beschreven – een pedofiele relatie van één zomer lang – laat de lezer in verwarring achter. Hoe ging dat verder met die jongen, en met die man? Was het ineens voorbij, of was er een pijnlijke nasleep? Duidelijk wordt dat de ontvankelijkheid van Ted voor ‘meneer’ schuilt in dat wat hij mist bij zijn moeder, vrienden en familie: aandacht, begrip en bewondering. Duidelijk is dat ‘meneer’ geen vieze kinderlokker is, maar ook dat zelfs de pedante Ted geen verweer heeft tegen zijn manipulatietechnieken. En Maria laat het ook lelijk afweten als hij haar om een teken vraagt… Onduidelijk blijft wat de seksuele kant voor zielenknopen oplevert. Los van vragen naar de werkelijkheid achter het boek is er de vraag of de roman ‘als roman’ wel gediend is met dit abrupte einde. In een nawoord – waarin hij pedofiele relaties afwijst, overigens – licht Van Lieshout zijn auteurskeuze toe: ‘Het was een moeilijke beslissing om het verhaal te laten eindigen bij het afscheid. Ik heb dat gedaan omdat ik het zuiver wilde houden.’  Die zuiverheid, moet je concluderen, is geforceerd door een streep te trekken op een punt waarop de illusie van zuiverheid nog niet verstoord wordt. En er is wél een nawoord nodig om die keuze op buitenliteraire gronden te verantwoorden. Van Lieshout geeft twee redenen waarom hij  het zuiver wilde houden: ‘Het zou te makkelijk zijn om ongeluk dat ik later in mijn leven heb meegemaakt te wijten aan meneer; dan zou ik kiezen voor het lot van slachtoffer, en daar voel ik niets voor.’ En tot slot… ‘ik zag het zelf – ook al was dat misschien een misvatting van mij – als liefde.’ Het zou een goede ondertitel zijn voor dit bijzondere boek: verslag van een misvatting.

     

  • Gouden Lijst naar 'Allemaal willen we de hemel' van Els Beerten

    De jongerenliteratuurprijs die in het leven is geroepen nadat de Gouden Zoen werd stopgezet, de Gouden Lijst, is gewonnen door Allemaal willen we de hemel van Els Beerten (Querido). De prijs werd afgelopen zaterdag uitgereikt.

    De drie genomineerden op de shortlist, naast Beerten Voor jou tien anderen van Mirjam Oldenhave en Cynthia van Eck en De gelukvinder van Edward van de Vendel en Anoush Elman (beide titels komen uit de Slash-reeks), zijn alledrie uitgaven van Querido. Allemaal willen we de hemel maakte uiteindelijke de meeste indruk op de jury.

    Volgens juryvoorzitter Bies van Ede is Allemaal willen we de hemel ‘spannend, ontroerend en maakt inzichtelijk dat het leven niet zo simpel in elkaar steekt: iedereen moet keuzes maken die voor hem of haar onvermijdelijk zijn en de uitkomst is onzeker. De plot is onvoorspelbaar, het verhaal kantelt en inzichten verschuiven zodat er een nieuw licht op de daden en motieven van de karakters wordt geworpen. Het wemelt van de mooie zinnen en rake observaties.’

    De Gouden Lijst werd geïnitieerd door Ted van Lieshout en Hans Hagen en uitgereikt op de Middag van het Kinderboek die zij ook organiseerden. De Lijst is een reactie op het stopzetten van de Gouden Zoen door de CPNB, de enige jeugdliteratuurprijs in Nederland. Of de Gouden Lijst een vervolg krijgt is nog niet bekend.

    De jury bestond uit kinderboekenauteurs Bies van Ede, Femke Dekker, Marjolijn Hof, Tine Mortier en Tjibbe Veldkamp. (Bron: VE, (c) Boekblad)

  • Poëziecircus van Ted van Lieshout

    Vlak voor de Kinderboekenweek lag Kwam dat zien! Kwam dat zien! in de winkel samengesteld door Ted van Lieshout. Een boekachtig tijdschrift met bijna honderd bladzijden gewijd aan poëzie voor jong en oud. Querido’s poëziespektakel 1 staat eronder, want het is de bedoeling dat dit een jaarlijks terugkerend fenomeen wordt.
    Als je eenmaal begint met bladeren, dan houd je niet meer op. Van Lieshout heeft ervoor gekozen om een vrolijk en aanstekelijk boek te maken en alhoewel er in een enkel gedicht wel wat leed te vinden is, maakt de bundel je vooral vrolijk, ook al omdat de illustraties van de pagina’s afspatten.
    Op sommige pagina’s komen dichters aan het woord over de manier waarop ze hun gedichten maken en hoe ze gedichten lezen. ‘Wat moet je doen als een gedicht niet begrijpt?’ staat er dan. ‘Schrijf het gedicht over,’ is een tip van Koos Meinderts. Leendert Witvliet raadt aan om een gedicht van buiten te leren en Kees Spiering zegt: ‘Zoek een andere dichter. Er zijn er genoeg.’
    En misschien is dat wel de grootste verdienste van Van Lieshout: hij laat zien hoe rijk de poëzie is, hoeveel dichters er zijn, ook voor jongeren. Nu het thema van de Kinderboekenweek juist over poëzie gaat, komt dit tijdschrift als geroepen, want zoveel jeugdpoëzie komt er niet meer uit. Zelfs in kinderboekhandels moet ik er vaak tevergeefs naar zoeken.
    Net als Komrij in zijn bloemlezing van jeugdpoëzie neemt Van Lieshout ook dichters op die doorgaans voor volwassenen schrijven: Tsead Bruinja, Joost Zwagerman en Peter Holvoet-Hanssen bijvoorbeeld. Ook Gerbrand Bakker is in deze bundel terug te vinden met gedichten die hij eerder in het grotemensentijdschrift Tzum publiceerde. De grenzen vervagen dan ook tussen volwassen poëzie, jeugdpoëzie en gedichten voor kinderen en dat lijkt me een goed teken. Ik heb tot slot nog drie wensen:
    1 een bibliografie waarin je kunt zien of het gedicht eerder is gepubliceerd en zo ja, waar dan?
    2 de volgende keer het blad in full-colour.
    3 een hogere verschijningsfrequentie: elk half jaar moet toch ook kunnen?

    Coen Peppelenbos

    Ted van Lieshout (samensteller) – Kwam dat zien! Kwam dat zien! Querido, Amsterdam, 96 blz. €14,95.