Dat er om de gedichten van Ted van Lieshout altijd wat te lachen valt, maar niet heus. Hij opent met een gedicht over het afscheid van zijn jongere broer. Droevigheid alom, maar dat laat de dichter niet lang duren. Vervolgens leest hij gedichten die hij bij een kledingstuk (een blouse, een sportbroek) schreef.
-
Hoe belangrijk kleren voor ons zijn
‘Haal mij van deze hanger.
Grijp mij uit deze kast.
Laat mij hier niet hangen.
Pak me beet. O, houd me vast.’
Gedichten over kleding. Wellicht niet het eerste onderwerp waaraan je denkt bij het bepalen van een thema voor een dichtbundel. Maar Ted van Lieshout besloot om het wél te doen met Ommouw me. Het is een bundel vol gedichten, in beeld en taal, waarin hij betekenis probeert te geven aan hoe belangrijk kleren voor ons zijn. En wij voor onze kleren.[…]
Ommouw me, gedichten en portretten van kleding en schoeisel, staat er beschreven als je het boek openslaat. Maar daarmee doet de auteur zichzelf én deze bundel tekort. Het is buitengewoon mooie poëzie die raakt, doet verwonderen en kan helen. Een bundel die je leest, koopt of cadeau krijgt, en de rest van je leven met je meedraagt.
Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.
-
Vederlichte verzen
Zijn jongensdroom om te kunnen vliegen heeft de in 2019 overleden Belgische kunstenaar Panamarenko nooit losgelaten. Heel zijn carrière lang bouwde hij machines met vleugels om die droom te verbeelden. Hij was niet de enige met zo’n droom. Verre van. Al eeuwenlang blijft de mens de vogels bewonderen om hun vliegkunsten. Ook dichters lijken begeesterd te zijn door de gevleugelden van het dierenrijk. Van vogels krijg je nooit genoeg is de waarachtige titel van een bloemlezing Nederlandstalige vogelpoëzie, samengesteld door Jan de Bas en Arie Bijl. Uit die honderdvijftig gedichten kan de lezer trachten achterhalen waarom de titel zo correct aanvoelt en waarom niet alleen dichters, maar mensen uit allerlei geledingen, gefascineerd blijven door vogels en soortgenoten.
Vogelvrij en verscheiden
Ook in deze anthologie vormt de verwondering het startschot om enkele verzen aan vogels te wijden. Een enkele observatie kan volstaan om een hele beeldenwereld en wirwar aan verlangens te ontsluiten. Soms is de wens om bijvoorbeeld een reiger te zijn ook vrij letterlijk te nemen, zoals in een naamloos gedicht van Ed Franck: ‘Eénbenig / spiegel ik me / in een zomerse plas / aan een blauwe reiger / wat weinig / veren voor een vogel / de armen te hoekig / voor sierlijke vleugels // Maar stilstaan / op één been / kan ik al.’ Maar de variatie in aanpak is enorm. Gaande van de puntige abstractie van Judith Herzberg ( ‘bijna nooit zie je een vogel in de lucht / zich bedenken / zwenken terug) tot de absurde humor van Jan Hanlo’s gedicht mus (‘Tsjielp, tsjielp, tsjtielp…’).
Niet enkel het taalregister maar ook de kwaliteit van de gedichten vertoont in deze bundel sterke schommelingen. Om te kunnen schommelen heb je uitmuntende uitschieters nodig en die zijn zeker aanwezig en bevatten een intense zeggingskracht. Die poëtische intensiteit ontstaat als de dichter zijn lezer vanuit een ordinaire waarneming weet mee te voeren naar een anders onbereikbare gedachte of onbekend gevoel. Zo oppert de dichteres Hanny Michaelis door het observeren van twee duiven die als ‘populaire vredessymbolen’ ‘menswaardig’ met elkaar zitten te vechten de volgende gedachte: ‘leerzaam tafereeltje voor wie / net als ik geneigd is / meer van dieren te houden / dan van de meeste mensen.’ En een opvliegende duif wekt bij Roland Jooris afstand op: ‘Eensklaps en wit / laat zij slechts / verte / in mij na.’
Alledaagse verzen
Soms blijft zo’n verdieping of bevraging van het vanzelfsprekende jammerlijk achterwege. De beelden verzanden in het alledaagse en ook de taal blijft braaf. In ‘tsjilp’ van Jaap Robben bevatten de verzen een aantal sentimentele strofes die niet verrassend genoeg geformuleerd zijn om echt te ontroeren: ‘voordat ik haar daar leg / hou ik haar stijve lijfje / dicht tegen me aan//.’ Dat is best een aardige en lieve strofe, maar meer ook niet. Wanneer eenvoudige taal de scherpte mankeert om een herkenbare situatie te ontstijgen, dan blijft het gedicht vastplakken aan het banale en wordt daarmee vleugellam. Dat is zeker het geval als je het vergelijkt met de spitsheid in ‘Eén zwaluw’ van Toon Tellegen: ‘Jij, / jij was een zwaluw, / De eerste zwaluw, // en je maakte zeven zomers / zonder één winter ertussenin. //’
Natuurlijk pretendeert zo’n thematische bloemlezing niet per se baanbrekende poëzie te bevatten en hangt veel af van wat de samenstellers beogen. In hun bondige maar goed toegelichte voorwoord beamen Jan de Bas en Arie Bijl hun hoop dat ‘deze bloemlezing u als lezer inspireert om van vogels en poëzie te genieten’. De verzen van Robben of het reigerverlangen in het gedicht van Ed Franck kunnen dankzij hun laagdrempeligheid inderdaad grote groepen mensen charmeren. En de kwaliteit is allesbehalve slecht. Maar eerder in het voorwoord verklaren de samenstellers dat ‘dichters proberen om in taal door te dringen tot emoties die nauwelijks of zeer gebrekkig in woorden zijn te vatten en het gedrag van de vogel kan de lezer in zijn eigen gedragsspiegel laten kijken.’ Dat doel wordt door de meerderheid van de gedichten in deze bundel dan weer amper behaald.
De beelden die wel op het netvlies blijven kleven kunnen echter een prima kennismaking inluiden met een voor de lezer onbekende poëet. Enkele van de interessantste gedichten uit de bundel zijn dan ook al redelijk exemplarisch voor de stijl en taal van een auteur: de minimale abstractie van Roland Jooris of de absurditeit van Hanlo en net zoals in zijn romans behandelt Ted van Lieshout in ‘dag mus’ schuldgevoelens en daderschap: ‘Wij vonden een gewonde mus / en legden hem in een doos. / Anders was hij doodgegaan. // […] Het leven van zoiets kleins is te teer / voor mensenhanden. Hij wijst ons / met zijn pootjes als daders aan.’
‘Hebban olla uogala nestas hagunnan’
Al vanaf de bovenstaande en oudst bekende Nederlandse zin doorkruisen vogels allerhande de poëzie van de lage landen. Nog steeds hebben alle vogels nesten en nog steeds krijgen we nooit genoeg van deze dieren. Ook niet na het doorbladeren van deze bloemlezing. Pauwen, meeuwen, roerdompen, merels, meerkoeten, hoenen… Zo divers als het vogelrijk zich laat gelden, zo veelzijdig is de hedendaagse poëzie. Wie deze anthologie als vogelgids of een verzameling baanbrekende gedichten beschouwt, zal na een tijdje gefrustreerd raken. Misschien is deze lectuur als het vogelspotten zelf. Bladzijde na bladzijde zie je niets op de bladspiegel neerstrijken. Heb geduld en blijf geconcentreerd verder speuren en lezen. Want opeens komt er een magnifiek exemplaar aanvliegen, een uitmuntend gedicht. Volg zijn vlucht en ga op zoek naar meer van deze auteur. Treed in de vleugelslag van Panamarenko en vlieg de vogel of verzen achterna. Deze gevleugelde woorden zullen je meevoeren naar de hoogste boom, naar zijn nest en naar het kloppende hart van de poëzie.
-
Gedachten zijn vrij
In de onlangs verschenen Tirade staan alle bijdragen in het teken van ‘Verboden stemmen’, waarmee het reflecteert op de heersende angst- en cancelcultuur. Deze week nog stond er een interview met de Chinees Amerikaans Nederlandse schrijfster Jean Kwok in de Volkskrant. Zij vertelde dat haar boek, Girl in Translation /Bijna thuis uit 2010, in een schooldistrict in Pennsylvania op de zwarte lijst is terechtgekomen. In een jaar tijd zijn er in Republikeinse staten tientallen wetten aangenomen om scholen te beletten te praten over seks, gender, ras of slavernij, alle boeken die daarover reppen, worden weggehaald.
In haar voorwoord noemt Tirade redacteur en schrijver Anja Sicking enkele schrijvers die op Amerikaanse scholen verboden zijn. Schrijvers als Harper Lee, Margaret Atwood, J.D. Salinger en Toni Morrison. Onvoorstelbaar maar waar. Opmerkelijk in deze, schrijft Sicking, ‘dat vooral mensen die zich verder nooit publiekelijk druk maken over literatuur boeken willen verbieden’.Verdwijnende schrijver
In zijn bijdrage, ‘Langzaam verdwijn ik uit de tijd’, zoekt Ted van Lieshout naar een manier hoe zich te verhouden tot de huidige cancelcultuur. Zorgwekkend vindt hij dat van een schrijver verwacht wordt diverser en inclusiever te schrijven maar wel volgens ‘de normen en waarden die door de ouders en verzorgers van die kinderen worden voorgeschreven’. Zo wordt de maker, de schrijver ingeklemd tussen vrijheid enerzijds en beperkingen anderzijds. Lieshout schrijft, ‘Ik merk dat mijn ideaal, het autonoom kunstenaar voor kinderen zijn, onder vuur ligt en ik ervaar dat als verlammend.’ Hij is een maker van kunst ‘die schuurt en aan het denken zet’. Deze schrijver die kinderen wil laten zien dat ‘kunst maken, áltijd beter is dan kapot maken.’, lijkt zich erbij neer te leggen. Zijn laatste zin, ‘Ik moet een pas opzij zetten en verder hoef ik alleen maar te zorgen dat ik niet wegkwijn’, stemt triest. Alsof de vrije, blije schrijver Lieshout op het punt van verdwijnen staat. Komt daarmee de titel van het stuk weer in beeld.
Bedreigde schrijvers
PEN Nederland is een schrijversorganisatie die opkomt voor bedreigde schrijvers ‘omdat een vrije samenleving niet kan bestaan zonder vrijheid van meningsuiting en vrijheid van literaire expressie.’ De organisatie presenteert verschillende dichters die in hun vrijheid beperkt worden. Van de Oekraïense dichter en essayist Serhiy Zhadan vertaalde Nina Targan Mouravi het gedicht ‘Vluchtelingen’. Job Degenaar en Annmarie Sauer vertaalden ‘Je wacht op mij in ‘t stof, voor mijn vrouw, die elke dag wacht’, een gedicht van de Chinese mensenactivist en dichter Liu Xiaobo die in 2017 in gevangenschap overleed.
De Koerdische journalist en dichter Nedim Türfent werd op zesentwintigjarige leeftijd voor het publiceren van een video over de mishandeling van bouwvakkers door de militaire politie van mei 2016 tot november 2022 gevangengezet. Van hem een titelloos gedicht, geschreven in gevangenschap en vertaald door Sytske Sötemann. De eerste zes regels luiden, ‘laat je hart, de aarde, elixer toedienen / aan de aderen vruchtbaarheid schenken aan de grond / uit de bronnen achter de berg Kaf. // laat het ook de aalmoes zijn / van de geoogste gewassen / de zilveren sleutel van het leven.’
Schrijven uit verzet
De Russische Vera Pavlova, uitgeweken naar Canada, schreef honderden anti-oorlogsteksten die veelvuldig werden gedeeld op social media. Nina Targan Mouravi vertaalde het titelloze gedicht met een zeer persoonlijke geluid. ‘En we schrikken ons lam, begrijpend / onder welke herder we leven. / Mogen onze vulling bekijken / in de bloedkuip van angst en beven, / in het tweestromenland verkwijnen’.
Filosoof en schrijver Ken Mangroelal legt in zijn stuk ‘Van verbieden tot verbranden’ het boek Fahrenheit 451 van Ray Bradbury langs de lat van deze tijd. Het voelt van belang zoveel mogelijk regels waaruit de roep om een ommekeer klinkt, te citeren. Van Mangroelal deze, ‘De meeste verboden boeken hebben hun verbod overleefd en hebben zelfs de status van bestsellers verworven; ze worden alom gelezen, want de vrije geest laat zich niet censureren.’ Wat klinkt als een echo van het eeuwenoude lied, ‘Die Gedanken Sind Frei’.
Van dichteres Sasja Janssen het geweldige, qua omvang en inhoud, ‘Het gedicht en zijn Maximes‘, waaruit deze twee regels:
‘door zeggend te spreken: ze denken dat ik gek ben ik ben niet gek / een dichter is pas gek’.Thomas Heij schreef het essay ‘Pletters, propagandisten en Poesjkin’, over de nieuwe censuurwetten in Oekraïne waar door de oorlog steeds meer Russische stemmen verboden werden. Maar ‘het lijkt erop’, schrijft Heij, ‘dat de Oekraïense boekenmarkt en Oekraïense literatuur er qua aandacht en interesse op vooruit zijn gegaan.’
Marko van der Wal schreef namens de redactie van Tirade het stuk ‘Tweeduizend namen zijn niet genoeg’, dat betrekking heeft op de actie rondom doodsbedreigingen aan Pim Lammers, en of dat werkt of niet, en dat het enige dat helpt, is te blijven schrijven. Met, ‘Alleen door te schrijven en te publiceren kunnen we voor onze vrijheden gaan staan en ons solidair verklaren met het lot van Pim Lammers.’, sluit Van der Wal zijn pleidooi voor het vrije woord af. Verder zijn er bijdragen van de Russische schrijver Dmitri Bykov, Erik Rozing, Roelof ten Napel, Kerim Göçmen, Emma Ringelding en de illustraties zijn van Loes Faber.
Mooi is dat Tirade, voor wie goed leest en het echt wil weten, antwoord geeft op de vraag wat vrijheid van meningsuiting ten volste betekent. En ja, koop deze Tirade als je de vrijheid van het woord wilt onderzoeken, dichterbij wilt laten komen. -
Licht voor een hoofd vol kennis
Op deze plek mag af en toe wel eens aan bijzondere boeken worden herinnerd die vóór de geboorte van Jong Literair Nederland al het licht zagen. Dergelijke bijzondere boeken zijn Kleuren en Wat is kunst? Begin een eiland… van Ted van Lieshout. Het laatstgenoemde verscheen in 2020, werd genomineerd voor de Woutertje Pieterse Prijs 2021 en beleefde snel daarna zijn derde druk. Terecht want Van Lieshout slaagt erin om kinderen op een onontkoombare manier te laten ontdekken wat kunst is, hoe kunst werkt en wat kunst onderscheidt van het alledaagse. Maar ook waarom het alledaagse zelfs soms kunst kan worden. Veel hangt af van wat kunst doet met onze manier van kijken naar en beleven van de wereld om ons heen. Het kunstplatenboek Kleurenpubliceerde Van Lieshout al in 2019. Het vormt met Wat is kunst? een perfecte twee-eenheid. Beide boeken hebben een vergelijkbare opzet en fysieke uitvoering en versterken elkaar.
Lees verder op Jong Literair Nederland.
-
Van Lieshout houwt zich een weg naar het gebeente van gevoelige vraagstukken
Sommige thema’s als misbruik en aanranding lijken bij voorbaat geknipt voor thrillers, waarbij de lezer de pagina’s vingervlug wil omslaan. In Beitelaar hanteert Ted Van Lieshout echter een bedachtzamere aanpak. Hij is een literaire beeldhouwer die met zijn woorden netelige kwesties rond slachtofferschap en pedofilie tot het bot uithakt. Dat Van Lieshout secuur te werk gaat, betekent geenszins dat hij een omfloerste stijl hanteert. De eerste zin luidt al meteen: ‘mijn naam is Antonij’. Niet veel later blijkt Antonij zich tijdens zijn betoog rechtstreeks aan de lezer te richten, die maar het best ruimdenkend kan zijn aangezien hij vijftien is en op mannen valt. Ook qua setting neemt Antonij alle twijfels weg. Hij werkt als hulpje van de klusjesman op de begraafplaats van Vlashoven, het plattelandsdorp waar hij woont en waar niets is te beleven.
Ecologisch libido
Het is op die begraafplaats dat Antonij op een zaterdagochtend, voor openingstijd, een man opmerkt die letters in een grafsteen kerft. Antonij begint meteen wilde speculaties te maken over de status van deze beitelaar, want misschien is hij wel een aanrander of moordenaar. Met zijn vijftien jaren bestaan Antonij’s gedachten uit kinderlijke fantasie, heeft hij een idealistische dadendrang en het libido van een adolescent. Dat levert naast pleidooien voor een vegetarische en milieuvriendelijke levensstijl ook seksuele fantasieën op: ‘Ik kon mijn ogen haast niet van de beitelaar afhouden. Dat kwam doordat ik me de hele tijd afvroeg of ik echt seks wilde. Vanwege zijn gezicht dacht ik van wel, vanwege zijn kont dacht ik van niet’.
Later komt Antonij te weten dat de beitelaar Leo Gans heet, een oudere man die evenals hij zelf een zwaar verleden meetorst. Met de digitale nieuwsgierigheid van een puber komt Antonij er al vlug achter dat Leo vroeger door ene ‘Steve Mikay’ ten onrechte van aanranding is beschuldigd. Dat terwijl Antonij zelf meermaals onvrijwillig wordt bevredigd door Arie, de zoon van de kerkhofbeheerder. Het is op dit punt dat Van Lieshout erin slaagt om ons te confronteren met mogelijke vooroordelen door atypische gevoelens te accenturen. Zo stelt Antonij dat: ‘ik niet kan zeggen dat ik het erg vind, want hij verwacht niets terug en hij dringt zich nooit verder aan me op. En hij kan het ook best goed, moet ik eerlijk zeggen.’ Tja, daar gaat onze morele rechtvaardiging om Arie meteen aan de schandpaal te nagelen. Zulke uitingen brengen ons dichter bij de twee verwante hoofdvragen die Van Lieshout in Beitelaar stelt.
Slachtofferschap bevragen
Wat als het slachtoffer zich niet misbruikt voelt of wat als de dader schuldig wil blijven terwijl naderhand bewezen wordt dat hij onschuldig is? Waar die eerste vraag betrekking heeft op het geval van Antonij, en Leo als dader wordt gezien maar zich slachtoffer voelt, daar haalt Van Lieshout er een derde verhaallijn bij om die tweede vraag omtrent het daderschap te behandelen. Het graf waar Leo op zit te beitelen is namelijk verbonden met een tragisch oorlogsverhaal dat de oorzaak vormt van zijn vaders latere zelfmoord. Ook Antonij’s verleden wordt gekenmerkt door een complexe relatie van misbruik door zijn opa. Door het opzetten van die familiale kluwens krijgen hun eigen problemen meer reliëf. Zo kunnen we ons afvragen of de losse handjes van Antonij’s opa, tezamen met het feit dat Antonij het als kind nooit als misbruik heeft ervaren, de oorzaak vormen voor zijn tolerantie tegenover Arie’s schijnbare wangedrag. Laat er geen twijfel over bestaan dat Beitelaar een ideeënroman is, waarbij taal en plot in dienst staan van de concepten die ze moeten uitdrukken.
Geloofwaardige personages
Des te meer is het een verdienste dat Antonij en Leo overkomen als geloofwaardige personages doordat Van Liehsout bijvoorbeeld Antonij’s kinderlijke en idealistische onbevangenheid kan verwoorden in grappige zinnetjes als ‘homo’s zijn een zegen voor het milieu.’ Daarbovenop verhoogt de parlando-stijl het realiteitsgehalte van de personages, al begint de banaliteit van woorden als ‘enfin’ na een tijdje te vervelen. Er zijn echter ook poëtischere passages voorhanden, zoals wanneer Antonij aan Leo vertelt over het leven onder de graven: ‘De wortels van bomen groeien gewoon tussen je ribben door en er kan een muis of mol in je schedel wonen.’ Zulke zinnetjes bevatten geen hoogstaande lyriek, maar bieden een welkome afwisseling met de grotendeels prozaïsche dialogen tussen Antonij en Leo.
Naast de dialogen zijn er ettelijke spanningselementen aanwezig, zoals wat Leo’s vader tijdens de oorlog heeft meegemaakt of de bestorming van het kerkhof door ongenode gasten die vermoeden dat Leo wat aan het uitspoken is met Antonij. Ze veroorzaken een lichte verhoging van de hartslag, maar ook hier blijven de vragen die Van Lieshout opwerpt interessanter dan de afloop. In de nasleep van hoe de vader van Leo aan zijn einde kwam, stelt Antonij dat ‘vaker dan wij vermoeden het doel juist is om slachtoffer te blijven. Niet omdat het zo fijn is om slachtoffer te zijn, maar omdat je weet wat je hebt als je slachtoffer bent. Je bent iets!’ En in een andere passage verwijt hij zijn moeder dat ‘ze hulp nodig had omdat ze de moeder van een misbruikt kind was en daar niet goed mee kon omgaan.’
Wanneer ben je slachtoffer
In tijden waar ‘trials by media’ en pedojagers als hardnekkige sedimenten vastkleven aan alle kwesties rond kindermisbruik, houwt Ted Van Lieshout in Beitelaar een weg naar het gebeente van die vraagstukken. Ondanks de aanwezigheid van thrillerelementen weerstaat hij de drang tot goedkoop effectbejag en maakt hij op pientere wijze gebruik van die zaken om Antonij’s en Leo’s verhaal te ondersteunen en te compliceren. Literair gezien bevat deze roman geen wervelend taalgebruik of spectaculair plot, al blijkt de compositie van het verhaal uitgekiender naarmate je vordert met lezen. Zeker wanneer de ‘u’ tot wie Antonij zich richt langzaam wegschuift van de lezer. Na het omslaan van de laatste pagina waren het echter niet deze aspecten die bleven hangen. Wat bleef nagonzen was de vraag: Wanneer ben je een slachtoffer en vooral: wie kan en mag dat bepalen?
-
Ted van Lieshout bekroond met zeldzaam toegekende literaire prijs
Onvermeld bleef nog dat tijdens de Uitmarkt, vorige week zondag in Amsterdam, bekend werd gemaakt dat het boek Ze gaan er met je neus vandoor (Uitgeverij Leopold) van Ted van Lieshout (1955) bekroond is met de Boekensleutel. De Boekensleutel is een jeugdliteratuurprijs die sinds 1979 en bij hoge uitzondering toegekend wordt aan een bijzonder kinderboek. En een bijzonder boek is het want de boeken die in aanmerking komen, moeten niet te vatten zijn in een genre, door de gebruikte techniek, de vormgeving of anderszins en opmerkelijke kwaliteit bezitten.
Dit jaar zat er één boek tussen alle gegadigden dat zich niet in een genre deed vangen en dat volgens de Griffel- en Penseeljury een boek is dat ‘qua techniek, vorm, inhoud én de combinatie hiervan een unieke plek in het Nederlandse kinderboekenlandschap opeist.’ In Ze gaan er met je neus vandoor wordt de lezer ‘meegenomen in het conflict tussen de zoekende zwarte letters en de rode letters die hun plaats opeisen in het boek en zich niet weg willen laten jagen.’ Daarbij worden de gedichten die erin staan ‘adembenemend mooi’ genoemd. Ze ‘versterken de zinloosheid van de oorlog en geven het vormexperiment een historische lading’. Kortom een ‘kunstwerk van taal’.
Tot nu toe is de Boekensleutel pas acht keer toegekend. De laatste keer was in 2012, voor het boek Het Dierelirium van professor Revillod (Uitgeverij De Harmonie) van de Spaanse makers Javier Sáez Castán en Miguel Murugarren, in een bewerking en vertaling van Professor E.I. Kipping (alias Kees van Kooten).
Dat Ted van Lieshout dit jaar de prijs krijgt uitgereikt, is de tweede keer dat een Nederlandstalige auteur hiervoor in aanmerking komt. In 1981 werd Ik heb geen naam (Uitgeverij Leopold) van Dagmar Hilarová en Miep Diekmann bekroond. Wat het winnen van deze prijs zeer bijzonder maakt. Van harte Ted van Lieshout!
-
Feestelijke afsluiting Poetry International met vier laureaten
De uitreiking van de eerste Grote Poëzieprijs (voorheen VSB Poëzieprijs) vond zondagavond plaats tijdens het slotprogramma ‘Prijs de poëzie!’ van Poetry International. Tijdens dit slotprogramma werden de winnaars van verschillende poëzieprijzen bekend gemaakt. Naast de Grote Poëzieprijs werd de C. Buddingh’-prijs, de School der Poëzie-Communityprijs en de Jongerenprijs van diezelfde school uitgereikt.
Dichteres Radna Fabias (1983), die met haar debuutbundel Habitus al drie prijzen heeft gewonnen – waaronder vorig jaar de C. Buddingh’-prijs – won de Grote Poëzieprijs 2019. Waarmee haar bundel de meest bekroonde dichtbundel in de Nederlandse poëziegeschiedenis geworden is. De Grote Poëzieprijs is in Nederland de grootste onderscheiding voor de beste dichtbundel van het jaar.
Volgens de jury dicht Radna Fabias ‘vitaal, ritmisch en klankrijk’ over de afkomst en status van een Antilliaanse zwarte migrant in Nederland. En is er sprake van ‘sterk aardse en lichamelijke poëzie’ ook maakt Fabias ‘het persoonlijke politiek en het politieke persoonlijk’. Fabias is de derde dichter op rij die met een debuutbundel de prijs wint. In 2017 won Hannah van Binsbergen met Kwaad gesternte en vorig jaar was het Joost Baars met zijn debuut Binnenplaats die de eer te beurt viel.
De jury van De Grote Poëzieprijs 2019 bestond uit Joost Baars, Yra van Dijk, Adriaan van Dis, Cindy Kerseborn en Maud Vanhauwaert. Andere genomineerden voor de Grote Poëzieprijs waren Maria Barnas met Nachtboot, Joost Decorte met Stalker, Roelof ten Napel met Het woedeboek, Willem Jan Otten met Genadeklap en Xavier Roelens met Onze kinderjaren.
Aan de prijs is een bedrag van 25.000 euro verbonden.C. Buddingh’-prijs
De prijs voor het beste debuur van het jaar, de C. Buddingh’-prijs, werd gewonnen door Roberta Petzoldt met haar bundel Vruchtwatervuurlinie. De jury sprak over ‘weergaloze gedichten en tijdloze regels’. En ook: ‘We kijken mee met een turende, glurende, loerende dichter, die naar eigen zeggen door het staren ontstaat, en die niet alleen haar eigen blik maar ook onze blik op scherp zet. (…) Als een omgekeerde beeldenstormer verbindt Roberta Petzoldt in Vruchtwatervuurlinie scheermesscherpe observaties, gebeurtenissen, personen, tijden, gedachten en thema’s op ingenieuze wijze met elkaar in een wereld vol absurde beelden die toch kloppen (…)’
De jury van de C. Buddingh’-prijs bestond uit Els Moors, Tsead Bruinja en Kila van der Starre. Overige genomineerden waren Obelisque van Obe Alkema, Dwaallichten van Gerda Blees en Het woedeboek van Roelof ten Napel. Aan de prijs is een bedrag van 12.000 euro verbonden.
School der Poëzie-Communityprijs en Jongerenprijs
De ‘School der Poëzie-Communityprijs ‘ ging naar Ted van Lieshout voor Ze gaan er met je neus vandoor. Roelof ten Napel kreeg de Jongerenprijs voor Het woedeboek dat ook genomineerd was voor De Grote Poëzieprijs én de C. Buddingh’-prijs. De jury bestond uit drie commissies van jongeren tussen de 14 en 25 jaar van de School der Poëzie.
-
Laatste edities literaire tijdschriften 2017 – Parelduiker, Tirade en Terras
De parelduiker 2017/5: Jan Cremer
Niets zo goed voor de literatuur als ingesneeuwd te zijn of door andere ‘maatschappijontwrichtende’ weersomstandigheden het huis niet uit te kunnen. De droom wellicht van menig lezer, om dan eindelijk eens de boekenkast te inspecteren op ongelezen exemplaren, of, voor wie wil weten wat er zoal speelt op het literaire podium, de literaire bladen van a tot z te gaan lezen. Oh, heerlijke winterse dagen waarbij de wind om het huis giert en alleen de leeslamp verlichting brengt. En dat met de laatste edities uit 2017 van De Parelduiker, Tirade en Terras.
Neerlandicus Johannes van Der Sluis (1981) schreef voor De Parelduiker een mooi stuk over de Utrechtse schrijver C.C.S. Crone (1914-1951). Mooi vooral omdat hij zijn enthousiasme over deze schrijver zo aanstekelijk onder woorden brengt. Van der Sluis is een Crone liefhebber en verschanste zich met zeven dozen nalatenschap van de schrijver die hem, net als Nescio, nooit meer heeft losgelaten. Dat er een C.C.S. Croneprijs bestaat, die in het leven is geroepen om het literair klimaat in de stad en de regio Utrecht tot bloei te brengen, moge bekend zijn.
Dat het toekennen van literaire prijzen kan verworden tot een precaire aangelegenheid, lezen we in een bijdrage van letterkundige H.U. Jessurun d’Oliveira (1933). Vooral in tijden van een veranderende seksuele moraal zoals in de jaren zestig. Toenmalig jurylid van de Prozaprijs Amsterdam Jesserun d’Oliveira, droeg in 1967 Ik Jan Cremer Tweede deel voor als een van de kanshebbers. Deze nominatie bracht literair Nederland volop in beroering en er ontstond al snel een kamp voor en tegen.
Vijftig jaar na dato doet d’Oliveira uit de doeken waar de vertegenwoordigers van de tegenpartij zich op beriepen en hoe aan Jan Cremer uiteindelijk toch die prijs werd toegekend. Het artikel is met aantrekkelijke documenten geïllustreerd, waaronder de afdruk van een brief waarmee een burger uit Almelo de burgemeester van Amsterdam oproept de prijs niet uit te reiken:
“U zoudt mij een bizonder genoegen doen indien U weigert een dergelijk sadistisch figuur een prijs uit te reiken, laat staan een hand te geven. 99,9% van de bevolking zal U daar dankbaar voor zijn!!”
Ook de ‘bekende schrijfster Maps Valk’, zo schrijft d’Oliveira, schreef een brief en keerde zich tegen Jan Cremer. Ondanks de protesten kreeg Cremer de prijs. Hoewel het bedrag van 4000 gulden linea recta naar de belasting ging, waar de schrijver nog een schuld had openstaan.
Voor wie Maps Valk niet kent, kijk eens op dbnl.org waar enkele zeer lezenswaardige verhalen van haar staan, die tegelijk laten zien waarom zij het boek van Jan Cremer de prijs niet waardig vond. Evenwel een leuke bijvangst bij de grote namen die er in deze Parelduiker staan.
Opvallend is dat Carmiggelt in verschillende bijdragen opduikt. In een van de dozen van C.C. Crone ontdekte Van der Sluis een ansicht van Carmiggelt aan de weduwe van Crone. In een stuk over Peter van Straten, wordt een tekening van Carmiggelts hoofd (2009) afgebeeld. En dan is er een bijdrage van Wim Hazeu over de ongemakkelijke verhouding die Carmiggelt onderhield met Lucebert; ‘Krokodillentranen van Carmiggelt, Of hoe hij Lucebert uitdaagde’. Zo kom je nog eens wat te weten.
Jack van der Weide schreef een nieuwsgierig makend stuk over een vergeten schrijfster die bevriend was met de schilder Jan Veth en Lodewijk van Deyssel. Christine Boxman (1857-1924) publiceerde twee romans. Mede dankzij Clare Lennart die in 1934 haar eerste roman Stille wegen las, en haar bewondering daarover uitsprak, werd zij niet geheel vergeten.
Ja mensen, lees, lees, lees De Parelduiker om je nieuwsgierigheid naar ons literair verleden te onderhouden.
Auteur: Hein AaldersUitgeverij: Bas LubberhuizenTirade
Tirade omhelst de vorm en zet de vent buiten de deur. Waarmee maar gezegd wordt dat er naar het werk gekeken wordt en niet naar de man/vrouw erachter, dit naar aanleiding van alle discussies in de media over hoe een romanfiguur beoordeeld mag worden. Veel vertaalde poëzie, o.a. enkele gedichten uit de bundel Crow van Ted Hughes en vluchtelingengedichten van Adnan Adil. Het blad opent met vier tienregelige gedichten met een verleidelijk binnenrijm van Emma Crebolder. Eenvoudige poëzie die een wereld aan handelingen, geuren en kleuren verraadt. En dat in steeds tien regels van hooguit zes woorden.
Femke Baljet maakt haar debuut in de literatuur met het verhaal ‘Moederdag’. Een ijselijk sterk verhaal over een man die zich een leven verzint. Zich een zoon wenst, zo niet van zichzelf dan toch van een ander. Zeer onderkoeld geschreven en in veelzeggende zinnen: “Ik loop nu achter hem. Af en toe kijkt hij om zich heen maar nooit achterom, zijn magere benen houterig als de benen van Pinoccio. Het begint koud te worden, hij heeft te weinig kleren aan.” Een verhaal waarin een onvermijdbare spanning schuilt.
Verder verhalen van onder andere Jan van Mersbergen, Pieter Kranenborg en Oscar Spaans.
Carel Peeters neemt in zijn ‘Kroniek van een roman’, Rob van Essens Winter in Amerika onder handen. Hij vindt het een levenloze roman: ‘(…) met een door niets verantwoord cynisme geschreven. Freewheelend.’ Boude uitspraken die evengoed er toe aanzetten deze roman te gaan lezen. Wat een mooi resultaat is van een interessante kroniek.Ted van Lieshout laat zich in de rubriek ‘De tirade van… ‘ uit over het afschaffen van kinderliteratuurprijzen. Gedurfd en eerlijk toont hij aan waar het ontbreken van onderscheidingen in de jeugdliteratuur toe leiden kan. “Wanneer er onder de kinderboekenschrijvers geen competitie meer bestaat zullen we veel van hetzelfde krijgen voorspelt Van Lieshout, en stomen we onze jeugdige lezers nooit klaar voor de ‘echte’ literatuur. Want: “… zo holt de leesvaardigheid van kinderen – en automatisch de volwassenen van de toekomst – achteruit.”
Ja, dan denk je wel verdorie, daar moet iets aan gedaan worden!Auteur: Onder redactie van Daan van Doesborgh, Anja Sicking en Marko van der WalUitgeverij: Uitgeverij Van OorschotTERRAS #13 China
Chinese literatuur is een van de oudste literaire tradities ter wereld en gaat duizenden jaren terug. Het is nog maar sinds kort dat Chinees proza en poëzie steeds meer binnen het bereik van de Nederlandse lezers komt. Deels heeft dit mogelijk te maken met het feit dat de gebruiken en omgangsvormen in China volkomen vreemd zijn voor de westerse lezer. En natuurlijk speelde de Chinese censuur een grote rol, daardoor werd er maar weinig vertaald. Gelukkig zijn er op dit moment veel vertalers uit het Chinees, zo laat Sylvia Marijnissen – zelf vertaalster uit het Chinees en recensent van Chinese literatuur – in deze editie zien. Veel proza, poëzie en essays uit China, Hongkong, Taiwan en de VS.
Marijnissen nodigde enkele vertalers uit om hun favoriete passages uit de Chinese literatuur te vertalen. Dat levert een boeiende verzameling literatuur op die een mooi zicht geeft op het China van nu. Met onder meer een vertaling door Daan Bronkhorst van enkele gedichten van Liu Xia, (weduwe van Liu Xiaobo, de mensenrechtenactivist en winnaar Nobelprijs voor de Vrede, in 2017 in gevangenschap overleden). Liu Xia schrijft toegankelijke poëzie, hier en daar teder en licht, hoewel haar omstandigheden benauwend zijn. Zoals in het gedicht: ‘Ingesloten – voor Xiaobo’.
Zodra je op de trein stapte / ging ik zitten wachten bij de telefoon, / vol angst. Er zijn dingen / waaraan ik niet ontkom / je verdween plotseling / en liet me je schaduw die / bleef hangen.Verder in het nummer: Drie door Laurens Vancrevel vertaalde gedichten van Breyten Breytenbach en een essay van schrijver en vertaler Piet Meeuse, ‘Over het nut van fictie – Twee theorieën over het vertellen van verhalen’. Een boeiend stuk waarin Meeuse stelt dat fictie ons helpt te overleven: ‘Fictie komt tegemoet aan (…) het zoeken naar oplossingen voor ingewikkelde problemen. Daardoor wordt ons gedrag flexibeler en zijn we beter in staat toekomstige problemen op te lossen.’
Terras lezen is als reizen over de wereld, naar ongekende gebieden waarbij je de verassingen van andere culturen ervaart. En dat alles vanonder de schemerlamp.
Wie meer wil lezen over vertaalde Chinese literatuur: kijk eens op de website van Sylvia Marijnissen.
Auteur: Onder gastredactie van Silvia MarijnissenUitgeverij: Stichting iwosygAdnan Adil, Breyten Breytenbach, C.C. Crone, Carel Peeters, Christine Boxman, Clare Lennart, De Parelduiker, Debutant, Emma Crebolder, Femke Baljet, H.U. Jessurun d’Oliveira, Hein Aalders, Jack van der Weide, Jan Cremer, Johannes van der Sluis, Kluger Hans, Lodewijk van Deyssel, Maps Valk, Peter van Straaten, Piet Meeuse, Pieter Kranenborg, Rob van Essen, Sylvia Marijnissen, Ted Hughes, Ted van Lieshout, Terras, Tirade, Wim Hazeu -
Grillig en toch betrouwbaar
‘Be patient,’ las mijn man ergens. Hij vond het zo’n goede uitspraak dat hij hem graag met me wilde delen – en dat doet hij nog steeds, te pas en te onpas. Ondertussen lig ik volkomen onverwachts vier dagen in een ziekenhuisbed een beetje patiënt te wezen. Van het een op het andere moment volgt er een operatie, de dubbelzinnigheid van die twee enkele woorden gaat ondanks de overvloed aan opiaten niet aan me voorbij.
Patiënt zijn is iets wat je moet leren. Daarom lees ik niet alleen veel – Pijn van Sytze van der Zee, Mijn heldere afgrond van Christian Wiman – maar mocht ik ook maandenlang, als onderdeel van het bijzondere project ‘Grillig en toch Betrouwbaar’, heel veel luisteren. Tijdens focusgroepen met jonge chronisch gehandicapten onderzochten we gezamenlijk waar de uitdagingen liggen op dit gebied. Hoe blijf je trouw aan jezelf en je beperkingen, maar zorg je er ook voor dat je een betrouwbare vriend(in)/klasgenoot/collega of teamspeler bent voor je omgeving? Waar zitten de gaten, hoe vullen we die op?
Voor de schrijvende mens is luisteren een groot goed. En nu, mijn taak binnen het project zit erop, word ik zelf met vragen geconfronteerd. Ben ik vandaag, op dit moment en op deze bank met deze deken en de Italiaanse adoptiekat spinnend in haar mandje naast me, Marijn de schrijvende mens of Marijn de patiënt? Hoe verschillen die twee – en werkt dat? Wat patiënt-zijn betreft, vrees ik, blijf ik een eeuwige eindexamenkandidaat. Ik neem nog een pil en probeer wat te lezen. Al snel val ik in slaap.Moeheid is een mantel die ik, net als fysieke pijn, altijd draag: de ene dag is hij wat zwaarder dan de ander, hij valt niet iedereen op, maar hem afleggen is geen optie. Nu zit hij erg strak om mijn hals geknoopt, zo strak zelfs dat ik op zoek moet naar ademruimte, ik moet lucht happen. En zoals altijd vind ik zuurstof in woorden.
‘Om pijn
te schrijven
heb je
weinig woorden nodig,’ schreef Jan Arends. Ik kreeg die woorden op een kaart en denk er steeds over na. Als er iets is waar ik veel woorden voor nodig heb is het wel voor pijn, zoals ik veel woorden nodig heb om aan te geven dat ik me nu alleen maar kan opkrullen – net als dat diertje naast me – en in mijn mandje moet wachten tot het voorbij is.
In ‘Hoe diep’ vraagt Ted van Lieshout zich af:‘Stel dat ik door een ongeval
mijn lichaam niet meer voelen zal,
aai jij dat lichaam dan nog wel?
Of stopt de liefde bliksemsnel?’Mijn man brengt een kopje thee, kriebelt in mijn nek, is zo lief dat het bijna te veel is – en dus precies genoeg. ‘Be patient,’ zegt hij weer. Vooruit dan maar. Ik zorg het beste voor mezelf als ik de zorg uit handen geef. Of, zoals M. – nog geen twintig en deelneemster aan een focusgroep – zegt: ‘Gotta love the lichamen.’ Zet dat maar op mijn tegeltje.
-
Frankfurter Buchmesse dag 3
De dag waarop ‘verbinding’ zichtbaar en voelbaar werd en Nescio, door tijd en ruimte heen, van zich liet horen en Reinder Storm verrast werd door een Chinese jongedame die hem in het Engels een gedicht van Ted van Lieshout voorlas over de Noordzee.
Door Reinder Storm
“Außer dem Mann, der die Sarphatistraat für den schönsten Ort in Europa hielt, habe ich nie jemanden gekannt, der wunderlicher war als der Schnorrer.” Deze Duitse vertaling van een overbekende Nederlandse zin maakt hier op de Buchmesse in Frankfurt warme gevoelens los. Dat is wat we willen delen – liefde voor onze lievelingsliteratuur. De uitvreter is dus nu beschikbaar voor Duitse lezers. Dat schept een band, dat ‘verbindt’.
Verbindingen aangaan, samenwerken, afspraken maken, zaken doen, praten – welke vorm het ook heeft: dit is wat er op deze uiterst levendige Buchmesse voortdurend gebeurt. Niet voor niets heet de actuele Vlaams-Nederlandse tentoonstelling over de verbinding (!) tussen sociale media en 15de eeuwse boeken Conn3ct (zie http://conn3ct.media/nl).Mensen staan in de rij om even in aanraking te komen met een bewonderde illustrator (en handtekeningen te scoren!). Karl May is al meer dan 100 jaar dood maar in de stand van Karl May Verlag, kan men auteurs ontmoeten. De Duitse Wild West schrijver heeft blijkbaar opvolgers gekregen. Ook Harry Mulisch ontbreekt niet: Joost de Vries ontmoet hem in de vorm van een ’tribute’.
Op de achtergrond klinkt een vraaggesprek tussen Marc Schaevers en Arnon Grunberg. Veel mensen zitten of staan geamuseerd en aandachtig te luisteren. In levendig contact met twee auteurs uit twee buurlanden. Dat verbindt.En terwijl ik dit schrijf gebeurt het volgende: Een Chinese jongedame komt naar mij toe, knielt naast de stoel waarop ik zit en biedt aan een gedicht voor te lezen. Natuurlijk zeg ik ja! Ze heet Lan Ting en leest mij in Frankfurt een gedicht voor in het Engels van Ted van Lieshout. Een gedicht over de Noordzee.
De schrijver van ‘De uitvreter’ noemde zich Nescio: ik weet het niet. Ik weet het ook niet – maar ik voel mij zeer verbonden.
-
Twee Nederlanders op de shortlist Hans Chr. Andersenprijs 2016
Ted van Lieshout en Marit Törnqvist staan op de shortlist van wat ook wel de Nobelprijs voor jeugdliteratuur wordt genoemd. Van Lieshout stond ook voor de Hans Chr. Andersenprijs 2014 al op de shortlist. Het is de hoogste eer die je als kinderboekenmaker kunt ontvangen. In 1988 ging deze bekroning naar Annie M.G. Schmidt en in 2004 naar Max Velthuijs.
Ted van Lieshout (1955) heeft gestudeerd aan de Rietveld Academie. Sinds 1986 schrijft en illustreert hij proza (fictie en boeken over kunst) en poëzie voor kinderen. Hij schrijft toneelscenario’s, (muziek)theaterstukken en liedjes voor bekende televisieprogramma’s, zoals Het Klokhuis en Sesamstraat. Een bijzonder autobiografisch tweeluik vormen de dichtbundel Zeer kleine liefde (1999) en zijn eerste roman voor volwassenen, Mijn meneer (2012). Hierin vertelt hij vanuit het perspectief van zijn jongere ik over de relatie die hij als jongen had met een pedofiel. In 2009 ontving hij de Theo Thijssenprijs voor zijn gehele oeuvre. Een jaar later kreeg hij als eerste de Willem Wilmink-prijs, de prijs voor het beste kinderlied. En in 2012 mocht hij de Woutertje Pieterse Prijs en een Zilveren Griffel in ontvangst nemen voor zijn blokgedichten in Driedelig paard. Van Lieshout onderscheidt zich van veel andere auteurs door de veelzijdigheid van zijn oeuvre, de dialoog tussen woord en beeld en zijn originele en beeldende stijl.
Marit Törnqvist (1964) volgde de opleiding tot illustrator aan de Rietveld Academie, met Carl Hollander en Thé Tjong-Khing als docenten. Dit jaar viert zij haar 25-jarig jubileum als illustratrice (én auteur). Zij illustreerde veel boeken van Astrid Lindgren. In 1995 verscheen haar eerste zelfgeschreven (en geïllustreerde) boek, Klein verhaal over liefde, dat met een Zilveren Griffel bekroond werd. Bijna 10 jaar later volgden Bellen blazen in Burundi en Wat niemand had verwacht. Ook werkte zij samen met onder anderen haar moeder Rita Törnqvist-Verschuur, Annie Makkink (Helden op sokken) en Hans en Monique Hagen (Jij bent de liefste) Sjoerd Kuyper (Ik blijf altijd bij je) en Toon Tellegen (Pikkuhenki). Voor dit laatste boek ontving ze het Gouden Penseel 2006. In januari 2013 verscheen bij uitgeverij Querido het prentenboek, Groter dan een droom, dat ze maakte met de Vlaamse auteur Jef Aerts. Törnqvist is een van de meest talentrijke illustratoren van dit moment, die ook internationaal veel erkenning krijgt.
Ted van Lieshout staat op de shortlist voor auteurs samen met Cao Wenxuan (China), Louis Jensen (Denemarken), Mirjam Pressler (Duitsland) en Lois Lowry (USA).
Marit Törnqvist: staat op de shortlist voor illustratoren samen met Rotraut Susanne Berner (Duitsland), Pejman Rahimizadeh (Iran), Alessandro Sanna (Italië) en Suzy Lee (Korea).
De winnaars van de Hans Chr. Andersenprijzen 2016 worden bekendgemaakt tijdens de kinderboekbeurs in Bologna (op maandag 4 april tussen 14.30 en 15.00 uur).







Dichteres Radna Fabias (1983), die met haar debuutbundel Habitus al drie prijzen heeft gewonnen – waaronder vorig jaar de C. Buddingh’-prijs – won de Grote Poëzieprijs 2019. Waarmee haar bundel de meest bekroonde dichtbundel in de Nederlandse poëziegeschiedenis geworden is. De Grote Poëzieprijs is in Nederland de grootste onderscheiding voor de beste dichtbundel van het jaar.
De prijs voor het beste debuur van het jaar, de C. Buddingh’-prijs, werd gewonnen door Roberta Petzoldt met haar bundel 



