• Sylvia Plath en de ‘Big Freeze’

    Sylvia Plath en de ‘Big Freeze’

    Het was februari 1963 dat Sylvia Plath in Londen het leven liet. Het was de koudste winter ooit in Engeland, de ‘Big Freeze’. Op 11 februari stak zij haar hoofd in de oven. Kort daarvoor bracht ze haar twee kinderen een beker warme melk op bed, iets te eten. Ze trok ze een warme trui aan, ging terug naar de keuken, waar ze haar leven beëindigde. In de zomer, voorafgaand aan haar daad, verliet haar man, Ted Hughes haar voor een ander. Alsof dat alles verklaren zou.

    Ik lees de brieven die Sylvia Plath aan haar moeder in Amerika schreef. Op 2 oktober 1956 schreef ze, ‘everyday, one has to earn the name of “writer” over again, with much wrestling’. Haar hele leven was een ‘wrestling’ om erkenning te krijgen voor haar schrijverschap. Haar moeder adviseerde haar in een van haar brieven steno te leren zodat ze in haar onderhoud zou kunnen voorzien. Plath schreef haar terug dat er niets anders voor haar op zat dan te accepteren dat haar dochter schrijfster was.  

    In haar laatste brief aan haar moeder (February 4, 1963) schreef ze: ‘I shall simple have to fight it out on my own over here… The children need me most right now, and so I shall try to go on for the next few years writing mornings, being with them afternoons and seeing friends or studying and reading evenings.’ Op 12 februari ontving haar moeder een telegram van Hughes, ‘Sylvia died yesterday’. Ze werd dertig jaar, haar roman The bell jar was net gepubliceerd. 

    In februari 1963 waren het IJsselmeer en de Waddenzee bevroren. Ik was zeven, ik wist niets van Sylvia Plath. Op een zaterdag gingen mijn zus en ik met de slee naar de groenteboer voor een zak aardappelen. In twintig minuten gleden we erheen. Op de terugweg kregen onze rubberen laarzen geen grip op de bevroren grond. Mijn zus trok uit alle macht, ik boog om de slee een duw te geven en viel voorover op het ijs. Het leek wel een slapstick uit Laurel en Hardy. We gierden het uit.  Tot het bloed uit mijn gescheurde bovenlip de sneeuw kleurde. De vrieskou bracht alles tot stilstand. 

    De schrijfster Fay Weldon (1931-2023) schreef in 2006 een stuk over Sylvia Plath voor  Vogue Magazine. Ze was bevriend met de vrouw waarvoor Ted Hughes haar verliet. Ze schreef: ‘En koud was het, tijdens de winter van 1963. Ik was acht maanden zwanger toen Sylvia pillen innam en haar hoofd in de oven stak. Ik woonde twee minuten lopen bij haar vandaan. Ze woonde met twee kleine kinderen in een huurflat. Het was een klein, ellendig en koud flatje. Misschien maakte het bord dat aan de gevel hing en dat iedereen duidelijk maakte dat W.B. Yeats er had gewoond, iets goed. Ik wist dat het slecht met haar ging. Ik had bij haar langs moeten gaan. Ik had naar Sylvia toe moeten gaan. Ik wist dat ze vanuit haar flatje het huis in Chalcot Square kon zien waar ze met Ted had gewoond.’

    In de wonderschone roman over een liefde, Jij zegt het vertelt een gefictionaliseerde Ted Hughes over zijn leven met Plath. ‘Onwetend van de ramp die zich op 23 Fitzroy had voltrokken en die op dat uur aan het licht kwam, bracht ik op de vroege maandagochtend van 11 februari 1963 mijn vriendin naar haar werk, reed naar huis, maakte de kachel aan, ging achter de schrijftafel zitten en schreef. Het was nog drie uur lang bedrieglijk stil totdat rond twaalven de telefoon met een schok ontwaakte en snerpend de sluier van mijn ontzettende argeloosheid verscheurde. Ik nam op om het schot te casseren van de vier verwoestende woorden die de rest van mijn leven zouden nagalmen: “Je vrouw is dood.”’
    In februari denk ik aan Sylvia Plath, aan bittere kou.



     

    vertaling tekst Fay Weldon: Rob van Essen
    Jij zegt het
    / Connie Palmen / Prometheus (2017)


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft wekelijks een boekencolumn.

     

     

     

     

  • De zomerboeken van Mathijs van den Berg

    De zomerboeken van Mathijs van den Berg

    Medewerkers van Literair Nederland en hun boeken die meegaan op vakantie of tijdens zomerse dagen in eigen tuin gelezen worden.

    Mathijs van den Berg leest deze zomer:

    Charles Baudelaire – Mijn hoofd is een zieke vulkaan
    Ted Hughes – Kraai
    Lucebert – Vaarwel achtergelaten gedichten
    Lieneke Frerichs – Nescio, Leven en werk van J.H.F. Grönloh
    Matthijs van Boxsel – De topografie van de Domheid

     

    ‘Baudelaire is het prototype van de gekwelde dichter. Zijn brieven zullen hierover hopelijk meer inzicht verschaffen. Verder vind ik Kiki Coumans een geweldige vertaler. Dichter Ted Hughes is als persoon omstreden en daarom extra interessant. In deze bundel opent hij de krochten van zijn ziel. De vondst vorig jaar van vroege gedichten van Lucebert was een sensatie. Ik ben benieuwd of ze dezelfde kwaliteit hebben als zijn hoofdwerk. Nescio is een van mijn lievelingsschrijvers. Ik verheug me op onbekende anekdotes en uitspraken. Door zijn unieke invalshoek biedt  ‘domgeer’ Matthijs van Boxsel in zijn werk een verrassende kijk op mens en maatschappij en prikkelt daarmee de geest.’

     

    Lees meer over Mathijs van den Berg

  • Laatste edities literaire tijdschriften 2017 – Parelduiker, Tirade en Terras

    De parelduiker 2017/5: Jan Cremer

    Niets zo goed voor de literatuur als ingesneeuwd te zijn of door andere ‘maatschappijontwrichtende’ weersomstandigheden het huis niet uit te kunnen. De droom wellicht van menig lezer, om dan eindelijk eens de boekenkast te inspecteren op ongelezen exemplaren, of, voor wie wil weten wat er zoal speelt op het literaire podium, de literaire bladen van a tot z te gaan lezen. Oh, heerlijke winterse dagen waarbij de wind om het huis giert en alleen de leeslamp verlichting brengt. En dat met de laatste edities uit 2017 van De Parelduiker, Tirade en Terras.


    Neerlandicus Johannes van Der Sluis (1981) schreef voor De Parelduiker een mooi stuk over de Utrechtse schrijver C.C.S. Crone (1914-1951). Mooi vooral omdat hij zijn enthousiasme over deze schrijver zo aanstekelijk onder woorden brengt. Van der Sluis is een Crone liefhebber en verschanste zich met zeven dozen nalatenschap van de schrijver die hem, net als Nescio, nooit meer heeft losgelaten. Dat er een C.C.S. Croneprijs bestaat, die in het leven is geroepen om het literair klimaat in de stad en de regio Utrecht tot bloei te brengen, moge bekend zijn.

    Dat het toekennen van literaire prijzen kan verworden tot een precaire aangelegenheid, lezen we in een bijdrage van letterkundige H.U. Jessurun d’Oliveira (1933). Vooral in tijden van een veranderende seksuele moraal zoals in de jaren zestig. Toenmalig jurylid van de Prozaprijs Amsterdam Jesserun d’Oliveira, droeg in 1967 Ik Jan Cremer Tweede deel voor als een van de kanshebbers. Deze nominatie bracht literair Nederland volop in beroering en er ontstond al snel een kamp voor en tegen.

    Vijftig jaar na dato doet d’Oliveira uit de doeken waar de vertegenwoordigers van de tegenpartij zich op beriepen en hoe aan Jan Cremer uiteindelijk toch die prijs werd toegekend. Het artikel is met aantrekkelijke documenten geïllustreerd, waaronder de afdruk van een brief waarmee een burger uit Almelo de burgemeester van Amsterdam oproept de prijs niet uit te reiken:

    U zoudt mij een bizonder genoegen doen indien U weigert een dergelijk sadistisch figuur een prijs uit te reiken, laat staan een hand te geven. 99,9% van de bevolking zal U daar dankbaar voor zijn!!

    Ook de ‘bekende schrijfster Maps Valk’, zo schrijft d’Oliveira, schreef een brief en keerde zich tegen Jan Cremer. Ondanks de protesten kreeg Cremer de prijs. Hoewel het bedrag van 4000 gulden linea recta naar de belasting ging, waar de schrijver nog een schuld had openstaan.

    Voor wie Maps Valk niet kent, kijk eens op dbnl.org waar enkele zeer lezenswaardige verhalen van haar staan, die tegelijk laten zien waarom zij het boek van Jan Cremer de prijs niet waardig vond. Evenwel een leuke bijvangst bij de grote namen die er in deze Parelduiker staan.

    Opvallend is dat Carmiggelt in verschillende bijdragen opduikt. In een van de dozen van C.C. Crone ontdekte Van der Sluis een ansicht van Carmiggelt aan de weduwe van Crone. In een stuk over Peter van Straten, wordt een tekening van Carmiggelts hoofd (2009) afgebeeld. En dan is er een bijdrage van Wim Hazeu over de ongemakkelijke verhouding die Carmiggelt onderhield met Lucebert; ‘Krokodillentranen van Carmiggelt, Of hoe hij Lucebert uitdaagde’. Zo kom je nog eens wat te weten.

    Jack van der Weide schreef een nieuwsgierig makend stuk over een vergeten schrijfster die bevriend was met de schilder Jan Veth en Lodewijk van Deyssel. Christine Boxman (1857-1924) publiceerde twee romans. Mede dankzij Clare Lennart die in 1934 haar eerste roman Stille wegen las, en haar bewondering daarover uitsprak, werd zij niet geheel vergeten.

    Ja mensen, lees, lees, lees De Parelduiker om je nieuwsgierigheid naar ons literair verleden te onderhouden.

    De parelduiker 2017/5: Jan Cremer
    Auteur: Hein Aalders
    Uitgeverij: Bas Lubberhuizen

    Tirade

    Tirade omhelst de vorm en zet de vent buiten de deur. Waarmee maar gezegd wordt dat er naar het werk gekeken wordt en niet naar de man/vrouw erachter, dit naar aanleiding van alle discussies in de media over hoe een romanfiguur beoordeeld mag worden. Veel vertaalde poëzie, o.a. enkele gedichten uit de bundel Crow van Ted Hughes en vluchtelingengedichten van Adnan Adil. Het blad opent met vier tienregelige gedichten met een verleidelijk binnenrijm van Emma Crebolder. Eenvoudige poëzie die een wereld aan handelingen, geuren en kleuren verraadt. En dat in steeds tien regels van hooguit zes woorden.

    Femke Baljet maakt haar debuut in de literatuur met het verhaal ‘Moederdag’. Een ijselijk sterk verhaal over een man die zich een leven verzint. Zich een zoon wenst, zo niet van zichzelf dan toch van een ander. Zeer onderkoeld geschreven en in veelzeggende zinnen: “Ik loop nu achter hem. Af en toe kijkt hij om zich heen maar nooit achterom, zijn magere benen houterig als de benen van Pinoccio.  Het begint koud te worden, hij heeft te weinig kleren aan.” Een verhaal waarin een onvermijdbare spanning schuilt.

    Verder verhalen van onder andere Jan van Mersbergen, Pieter Kranenborg en Oscar Spaans.
    Carel Peeters neemt in zijn ‘Kroniek van een roman’, Rob van Essens Winter in Amerika onder handen. Hij vindt het een levenloze roman: ‘(…) met een door niets verantwoord cynisme geschreven. Freewheelend.’ Boude uitspraken die evengoed er toe aanzetten deze roman te gaan lezen. Wat een mooi resultaat is van een interessante kroniek.

    Ted van Lieshout laat zich in de rubriek ‘De tirade van… ‘ uit over het afschaffen van kinderliteratuurprijzen. Gedurfd en eerlijk toont hij aan waar het ontbreken van onderscheidingen in de jeugdliteratuur toe leiden kan. “Wanneer er onder de kinderboekenschrijvers geen competitie meer bestaat zullen we veel van hetzelfde krijgen voorspelt Van Lieshout, en stomen we onze jeugdige lezers nooit klaar voor de ‘echte’ literatuur. Want: “… zo holt de leesvaardigheid van kinderen – en automatisch de volwassenen van de toekomst – achteruit.
    Ja, dan denk je wel verdorie, daar moet iets aan gedaan worden!

    Tirade
    Auteur: Onder redactie van Daan van Doesborgh, Anja Sicking en Marko van der Wal
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    TERRAS #13 China

    Chinese literatuur is een van de oudste literaire tradities ter wereld en gaat duizenden jaren terug. Het is nog maar sinds kort dat Chinees proza en poëzie steeds meer binnen het bereik van de Nederlandse lezers komt. Deels heeft dit mogelijk te maken met het feit dat de gebruiken en omgangsvormen in China volkomen vreemd zijn voor de westerse lezer. En natuurlijk speelde de Chinese censuur een grote rol, daardoor werd er maar weinig vertaald. Gelukkig zijn er op dit moment veel vertalers uit het Chinees, zo laat Sylvia Marijnissen – zelf vertaalster uit het Chinees en recensent van Chinese literatuur – in deze editie zien. Veel proza, poëzie en essays uit China, Hongkong, Taiwan en de VS.
    Marijnissen nodigde enkele vertalers uit om hun favoriete passages uit de Chinese literatuur te vertalen. Dat levert een boeiende verzameling literatuur op die een mooi zicht geeft op het China van nu. Met onder meer een vertaling door Daan Bronkhorst van enkele gedichten van Liu Xia, (weduwe van Liu Xiaobo, de mensenrechtenactivist en winnaar Nobelprijs voor de Vrede, in 2017 in gevangenschap overleden). Liu Xia schrijft toegankelijke poëzie, hier en daar teder en licht, hoewel haar omstandigheden benauwend zijn. Zoals in het gedicht: ‘Ingesloten – voor Xiaobo’.

    Zodra je op de trein stapte / ging ik zitten wachten bij de telefoon, / vol angst. Er zijn dingen / waaraan ik niet ontkom / je verdween plotseling / en liet me je schaduw die / bleef hangen.

    Verder in het nummer: Drie door Laurens Vancrevel vertaalde gedichten van Breyten Breytenbach en een essay van schrijver en vertaler Piet Meeuse, ‘Over het nut van fictie – Twee theorieën over het vertellen van verhalen’. Een boeiend stuk waarin Meeuse stelt dat fictie ons helpt te overleven: ‘Fictie komt tegemoet aan (…) het zoeken naar oplossingen voor ingewikkelde problemen. Daardoor wordt ons gedrag flexibeler en zijn we beter in staat toekomstige problemen op te lossen.’

    Terras lezen is als reizen over de wereld, naar ongekende gebieden waarbij je de verassingen van andere culturen ervaart. En dat alles vanonder de schemerlamp.

    Wie meer wil lezen over vertaalde Chinese literatuur: kijk eens op de website van Sylvia Marijnissen.

    TERRAS #13 China
    Auteur: Onder gastredactie van Silvia Marijnissen
    Uitgeverij: Stichting iwosyg
  • Het vogelconcert

    Het vogelconcert

    Een van de bijschriften bij een schilderij van Melchior de Hondecoeter – op de tentoonstelling Hollandse meesters uit Boedapest in het Haarlemse Frans Halsmuseum – bracht Het vogelconcert van deze schilder uit de Gouden Eeuw in mijn herinnering. Een uil, wiens bril van de neus is gevallen, zit met één poot dirigerend boven op een stuk bladmuziek. Allerlei vogels om hem heen tjilpen en fluiten dat het een lieve lust is. Of krassen, want de meeste zijn kraaiachtigen, of stoten ‘kukeleku’ uit. Een beetje de geluiden die Max Porter omschrijft in een kort hoofdstukje over de naar Crow, van Ted Hughes gemodelleerde vogel in zijn debuut Verdriet is het ding met veren. Crow in vertaling van Saskia van der Lingen:

    Kop naar de grond, waggel, scharrel.
        Kop naar de grond, fladder op, dwarrel.
        Kijk op. ‘ALARM. HARDE, SCHORRE EN
            VERONTWAARDIGHDE KRASGELUIDEN’
            (Vogelgids van Europa, blz. 330).
    Kop naar de grond, kroonkurk, krabbel.

        Kop naar de grond, afvoerput, zwabber.
        Hij zou een hoop van me kunnen leren.
        Daarom ben ik hier.

    De uil bij De Hondecoeter staat – verwijzend naar Aesopus De uil en de vogels – voor de wijze die waarschuwt voor de gevaren van mistletoe, die lijm produceert, en vlas, waar vangnetten van  gemaakt worden. Allebei niet fijn voor een vogel. Maar ze luisteren niet.
    Het is gissen welke melodie de schilder heeft afgebeeld. Ook een boekje als Music in paintings of the Low Countries in the 16th and 17th centuries van mijn oud-docent Pieter Fischer geeft geen uitsluitsel. Pieter Goderie vermoedde naar aanleiding van een tentoonstelling van het schilderij in museum Sypesteyn (2012), dat de melodie links wel eens een Gregoriaanse melodie zou kunnen zijn, en die aan de rechterkant wellicht een strijdlied ‘of gewoon een schunnig lied.’

    Dat brengt mij bij de schrijfster Zadie Smith, die de huidige burgers, de vogels zeg maar, eens met een complex muziekstuk vergeleek, complexer dan bij de meester uit de Gouden Eeuw. Een dirigent, de uil zeg maar, kan besluiten een bepaalde melodische lijn uit te laten komen en een andere meer op de achtergrond te houden. Het probleem is alleen dat melodieën die aan strijdliederen of schunnige liedjes doen denken, nu de boventoon voeren. Degene die zich een fijnere melodie weten te herinneren (bijvoorbeeld een Gregoriaanse, zoals links op het doek van De Hondecoeter), zou volgens Smith moeten proberen deze te spelen of te zingen en andere vogels aansporen om mee te doen.

    Een wijze les. Op z’n minst even wijs als die van Aesopus.

     

     

  • Ik wil nooit vergeven worden – Ted Hughes

    Gesignaleerd

    Bij de Arbeiderspers is onlangs een nieuw deel in de serie Privé Domein verschenen. Het betreft Ik wil nooit vergeven worden van Ted Hughes.

    De uitgeverij meldt over dit boek: ‘Ted Hughes is een van de grootste Britse dichters van na de oorlog. Zijn veelzijdige productie en gloedvolle voordracht stimuleerden generaties lezers. Daarnaast zou Hughes vooral bekend worden als ‘de man van’ de legendarische dichteres Sylvia Plath. Haar zelfmoord, kort nadat hij haar verlaten had, wierp een schaduw over zijn leven.

    Hughes zag het schrijven van brieven als een ‘uitmuntende training voor een gesprek met de wereld’. Deze bloemlezing biedt een selectie uit de duizenden brieven die hij schreef in een periode van vijftig jaar. Ze tonen Ted Hughes in al zijn hoedanigheden: als dichter, minnaar, echtgenoot en vader, als goede vriend en vertrouweling, als nuchtere Engelsman met een fascinatie voor mythologie en het bovennatuurlijke, als liefhebber van de jacht, de visserij en het buitenleven, en als een man voor wie de literatuur een magisch middel was om de werkelijkheid zo intens mogelijk te ervaren.

    De vele brieven aan Sylvia Plath bieden een unieke blik op Hughes’ relatie met haar. Ook zijn er brieven aan Assia Wevill, de moeder van zijn derde kind, die zich net als Plath van het leven zou beroven. Dit boek schetst een gedetailleerd zelfportret van een complexe, zoekende, gepassioneerde en buitengewoon creatieve persoonlijkheid, die de uitdagingen van zijn veelbewogen leven steeds met open vizier is aangegaan.’

     

    Ik wil nooit vergeven worden

    Auteur: Ted Hughes
    Vertaald door: Nelleke van Maaren
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
    Aantal pagina’s: 504
    Prijs: € 45,-

  • Sylvia Plath (1932-1963) – Een leven in gedichten

    De in Amerika geboren schrijfster Sylvia Plath (1932 – 1963)  woonde afwisselend in Amerika en Engeland. Ze overleed in 1963 in Londen. Hoewel zij een groot deel van haar leven schreef, werd het meeste van haar werk pas na haar dood gepubliceerd. In het jaar 1940, toen haar vader Otto Plath, de van oorsprong Duitse hoogleraar zoölogie, overleed, schreef zij haar eerste gedicht. Gedurende haar volwassen leven leed ze aan een ernstige vorm van depressie. Tijdens haar studie aan het prestigieuze Smith College schreef ze meer dan vierhonderd gedichten die onregelmatig in Amerikaanse tijdschriften verschenen en waarmee ze enig succes oogstte.

    Toen ze in 1950 aan het Smith College begon deed ze haar eerste zelfmoordpoging. Later schreef ze daarover in de roman The Bell Jar (De glazen stolp 1963), die ze uitgaf onder het pseudoniem ‘Victoria Lucas’. Na haar zelfmoordpoging werd Plath korte tijd opgenomen in een psychiatrische inrichting. In 1955 studeerde ze cum laude af en ontving een beurs voor Cambridge. Ook aan deze universiteit schreef ze gedichten die in de studentenkrant Varsity werden geplaatst.

    De poëzie van Plath heeft een macabere kant en is emotioneel zeer geladen. Woede, afgunst, wraaklust, passie en een sterk doodsverlangen spreekt uit haar gedichten. De vroege dood van haar vader heeft een groot deel van haar leven bepaalt. In het gedicht Daddy schildert ze haar vader af als een verrader. Het is een zwartgallig gedicht waarin ze haar vader een nazi noemt en zichzelf voor joods uitgeeft.

    Sylvia Plath deed driemaal een zelfmoordpoging waarover ze het gedicht Lady Lazerus schreef. Daarin maakt ze van het sterven en wederop staan een kunst.

    ‘I have done it again.
    One year in every ten
    I manage it -‘

    (…)

    And I a smiling woman.
    I am only thirty.
    And like the cat

    I have nine times to die
    This is Number Three.
    What a trash
    To annihilate each decade.’

    In Cambridge ontmoette ze de Engelse dichter Ted Hughes, met wie ze in 1956 trouwt. Ze wonen afwisselend in Amerika, waar Plath lesgeeft, en Engeland. Robert Lowell, die ze van lezingen in Boston kent, zou later van grote invloed op haar werk zijn.

    Haar eerste dichtbundel, The Colossus, kwam in 1960 in Engeland uit. In februari 1961 kreeg ze een miskraam, waar ze in een aantal gedichten naar verwees. Na de geboorte van hun eerste kind Frieda, leefde het paar bijna twee jaar gescheiden. Plath keerde terug naar Londen. Ze huurde een appartement waar ook William Butler Yeats ooit woonde en niet veel later werd de scheiding tussen Hughes en Plath een feit. In de strenge winter van 1962/1963 werd Plath ziek. Op 11 februari 1963 zette ze eten en een glas melk voor haar twee kinderen neer waarna ze haar hoofd in de oven stak en zichzelf vergaste. Twee jaar na haar dood verscheen de poëziebundel Ariel, die ze in een maand tijd geschreven had en waarmee ze een van de meest gevierde dichteressen ter wereld werd. Sylvia Plath werd begraven op het kerkhof van Heptonstall in West Yorkshire.

     

    Bibliografie
    Poëzie
    The Colossus (1960)
    Ariel (1965)
    Crossing the Water (1971)
    Winter Trees (1972)
    The Collected Poems (1981)

    Proza
    The Bell Jar (De glazen stolp) (1963), onder pseudoniem  Victoria Lucas
    Letters Home (1975), geschreven aan en samengesteld door haar moeder
    Johnny Panic and the Bible of Dreams (1977)
    The Journals of Sylvia Plath (1982)
    The Magic Mirror (1989)
    The Unabridged Journals of Sylvia Plath (2000), Plaths eindscriptie aan Smith College samengesteld door Karen V. Kukil

    Kinderboeken
    The Bed Book (1976)
    The It-Doesn’t-Matter-Suit (1996)
    Collected Children’s Stories (2001)
    Mrs. Cherry’s Kitchen (2001)

    Over Sylvia Plath
    The Death and Life of Sylvia Plath (1991), Ronald Hayman
    De film Sylvia (regie Christine Jeffs, 2003) schetst een beeld van de problematische verhouding van het dichtersechtpaar;
    De Amerikaanse singer-songwriter Ryan Adams schreef het nummer Sylvia Plath dat verscheen op zijn album Gold.