Welke passage over de liefde zou beroemder zijn: Korintiërs 1 vers 13 of ‘Es ist was es ist, sagt die Liebe’? De laatste zin komt van dichter Heinrich Heine, de geestelijk vader van onder andere Die Lorelei. Als vertegenwoordiger van de Romantiek vermengt hij in zijn oeuvre bittere ernst met zwartgallige humor, mislukking met triomf, liefde voor kunst met maatschappijkritiek. Hij waarschuwt zelfs voor regimes die boeken verbranden, want zulke regimes zullen hetzelfde met mensen doen. Dat hij tijdens het Derde Rijk logischerwijs zélf onder ‘entartete Kunst’ viel, heeft zijn status allerminst bezoedeld. Eén van zijn vroegste prozawerken uit 1827, Ideen – das Buch Le Grand, kent eindelijk een Nederlandse vertaling van Ria van Hengel. In dit boek toont Heine zich de humorist én criticus van wie Duitsland zo veel houdt.
In Ideeën – het boek Le Grand vertelt Heine over zijn jeugd en eerste liefdes, zijn bewondering voor revolutionair Napoleon én een bijzondere trommelaar. Even beroemd als Oskar uit Die Blechtrommel van Günter Grass is deze monsieur Le Grand weliswaar niet, maar de drummende tamboer-majoor dicteert wel de cadans waarin Heine schrijft. Zo blijft de dichter Heine altijd aanwezig in de bij vlagen polemische, journalistieke teksten. Het verbaast overigens niet dat talloze schrijfsels van Heine postuum tot lied zijn omgetoverd. Uiteindelijk kiest de romanticus voor een leven (en levenseinde) in Parijs. De opmaat naar deze zelfgekozen emigratie klinkt al door in Ideeën – het boek Le Grand. Weggaan doet zeer, maar hoe zit dat met weten dat je ooit weg zult gaan?
Auteur: Heinrich Heine
Uitgeverij: Uitgeverij G.A. van Oorschot
Het volle leven
De ultieme inspiratiebron van Charles Bukowski heet John Fante (1909 – 1983). Dat belooft wat. Deze zoon van een Italiaanse immigrant maakt in de jaren ’30 furore met de boeken Wait until spring, Bandini en Ask the Dust. Aangezien Fante uitwijkt van Colorado naar Los Angeles, wordt één aantrekkelijk scenario bewaarheid: hij mag filmscripts gaan schrijven. Maar waar zijn eerste twee romans zeer geschikt zijn voor het witte doek, zit dat anders met de biografische roman Het volle leven, origineel Full of Life (1952). Het blijkt een romcom, zonder dat er echt iets te lachen valt. Niettemin wordt het boek een gigantisch commercieel succes. Zonder gêne kiest Fante voor de Amerikaanse droom van financiële onafhankelijkheid: “My business in life is to save myself. (…) I shall not dirty my hands trying to save the masses.” Scoren dus.
Deze lelijke waarheid, waarover Fante altijd eerlijk is geweest, verweeft hij in al zijn boeken. In het voorwoord van Het volle leven noemt Jaap Scholten John Fante de grootmeester van het verlangen. Inderdaad is verlangen de drijvende kracht achter de American Dream, waar Full of Life aan appelleert: nooit is het genoeg, altijd lonkt de belofte naar meer. Tegelijk laat Fantes carrière zien hoe gewoontjes en toevallig het leven van een schrijver in een stroomversnelling raakt. Pas als filmscenarist begint hij de successen te boeken die hem uit de armoede van zijn jeugd sleuren. Het volle leven is zo Amerikaans als wat: ene John krijgt vrouw en kind, maakt ruzie met zijn bemoeizuchtige Italiaanse ouders én worstelt zich omhoog in de arena van Los Angeles. Want net als nu, was het toen flink sappelen voor de broodschrijvers in Hollywood…
Auteur: John Fante
Uitgeverij: Uitgeverij Oevers
De amuletten van de liefde en van de wapenen – een trilogie
Kort na de Tweede Wereldoorlog verschijnen drie liefdesverhalen van Andreas Embirikos. Hij is Griekenlands beroemdste psychoanalyticus en surrealist. Argo of de Ballonvaart, Zemfyra of het Geheim van Pasiphaë en Beatrice of de Liefde van Buffalo Bill komen pas in 2012 als drieluik samen tot De amuletten van de liefde en van de wapenen. In deze trilogie verkent Embirikos de grens tussen lust en liefde en kiest hij voor een vrijzinnige ondertoon. Dit deed hij overigens al eerder in het erotische OMegas Anatolikos. Anders gezegd: niet voor niets kent het fenomeen ‘porneia’ zijn oorsprong in het oude Griekenland. Argo speelt zich af in Zuid-Amerika, Zemfyra in Parijs en Beatrice in de VS. De liefde komt voorbij in respectievelijk goede vs. slechte lust, relatietherapie en ware liefde.
Vertaler Hero Hokwerda merkt op dat moderne Griekse literatuur allang niet meer hoofdzakelijk doordrenkt is met de mythologie uit de Klassieke Oudheid. Deze ontwikkeling dankt zij mede aan modernisten als Andreas Embirikos. Toch dringt de associatie met een zwaarwegende, eeuwenoude traditie zich op in De amuletten van de liefde en van de wapenen. Argo is de boot waarop Iason en de Argonauten koers zetten naar Het Gulden Vlies. Pasiphaë bevalt van de beroemde Minotaurus na gemeenschap met een witte stier. En Beatrice is de muze van niemand minder dan Dante Alighieri, de schrijver van De Goddelijke Komedie. Je zou haast denken dat er alleen over erotiek geschreven mag worden, zolang de grote namen een eervolle vermelding krijgen. Rode oortjes vallen niet op onder het schijnsel van een aureool.
Terwijl bijna iedereen Homeros kent of tenminste van zijn Ilias en Odyssee gehoord heeft, is de moderne Griekse literatuur voor de meeste lezers onontgonnen gebied. De dichter Konstantínos Kaváfis geniet enige bekendheid en vanwege Zorba de Griek doet de naam Nikos Kazantzakis ook nog wel een belletje rinkelen, maar dan houdt het voor velen op.
Hero Hokwerda probeert daar als vertaler al bijna veertig jaar verandering in te brengen. Sinds 1979 heeft hij meer dan vijftig Griekse schrijvers in Nederland geïntroduceerd. Recent verscheen Kapitein Michalis, zijn derde (her)vertaling van een roman van Nikos Kazantzakis.
Net als hun collega’s in de meeste West-Europese landen zijn Nederlandse uitgevers nooit uitzonderlijk geïnteresseerd geweest in de moderne Griekse literatuur. Terwijl die literatuur volgens vertaler Hero Hokwerda (1949) het ontdekken meer dan waard is. ‘Zij is mooi en zij heeft iets te zeggen.’
Leuren met literatuur
Hokwerda droeg veel van de titels die hij vertaalde zelf aan bij potentiële uitgevers. ‘Het is niet zo dat uitgevers bij mij op de stoep staan met boeken die ze vertaald willen hebben. Ik moet er zelf achteraan zitten en ermee leuren.’ Niet al zijn keuzes en aanbevelingen bleken bij uitgevers in de smaak te vallen: ‘Dode schrijvers verdwenen van de stapel, verhalenbundels waren niet in trek: er bleef al snel niets meer over.’
‘Of een uitgever zelf iets met Griekenland heeft, is vaak doorslaggevend. In de tijd dat Maarten Asscher directeur was bij uitgeverij Meulenhoff kostte het relatief weinig moeite om daar belangstelling te wekken voor een roman of voor verhalen.’ Toen Maarten Asscher vertrok, bleek Meulenhoff zelfs geen belangstelling meer te hebben voor de al voltooide vertaling van de novelle Gioconda van Nikos Kokantzis, waarvoor het contract al getekend was. Gioconda werd vervolgens de kern van een bloemlezing – Gioconda. De joden van Thessaloniki in de Griekse literatuur. Een bloemlezing – die in 2004 verscheen bij Ta Grammata, een uitgever die nadrukkelijk ‘het bevorderen van de kennis van en liefde voor de Griekse literatuur in het Nederlands taalgebied’ tot doel heeft. Hokwerda is als redactiesecretaris en vertaler nauw betrokken bij het fonds.
Grote Griekse thema’s
Hoewel Hero Hokwerda klassieke talen studeerde, heeft hij zich altijd gericht op het moderne Griekenland. Hij ziet het hedendaagse Griekenland niet als een uitloper van de klassieke oudheid en moderne schrijvers niet alleen maar als erfgenamen van Homeros, maar hij realiseert zich dat velen dat onderscheid tussen historische tijdperken niet maken en dat de Grieken zelf hoe dan ook een speciale band met de oudheid hebben, alleen al door de taal en doordat zij in hetzelfde gebied wonen.
Hokwerda is kieskeurig als het gaat om de boeken die hij vertaalt: ‘Ik wil boeken vertalen die iets over Griekenland zeggen. Die inzicht geven in hoe Grieken hun land en hun verleden beleven, én hoe ze omgaan met de uitdagingen van de tegenwoordige tijd.’
Dat betekent dat hij bijna automatisch uitkomt bij romans en verhalen over onderwerpen die een belangrijke rol spelen in de recente Griekse geschiedenis: de beide wereldoorlogen, de ‘Grote Catastrofe’ in 1922, toen de Turken Izmir veroverden en de Griekse bevolking de stad en Turkije moest verlaten, en de Griekse Burgeroorlog (1946-1949).
Hoewel er in zijn ogen geen Grote Griekse Roman verschenen is over één van deze onderwerpen – ‘misschien zitten ze daarvoor te vast in hun verleden’ – zou Hokwerda graag Η ζωή εν τάφω (‘Leven in het graf’) van Stratis Myrivilis (1890-1969) vertalen. ‘Je kunt die roman zien als de Griekse equivalent van Im Westen nichts Neues van Erich Maria Remarque. Het gaat over de loopgravenoorlog op de Balkan.’
Ook Το Κιβώτιο (‘De kist’) van Aris Alexandrou (1922-1978) verdient het om vertaald te worden. ‘In deze roman krijgt tijdens de Burgeroorlog een groep partizanen de opdracht een kist met iets belangrijks van a naar b te verslepen. Aan het eind van hun “overlevingstocht” blijkt de kist leeg. Het is een existentialistische roman. De vrijdenker Alexandrou beperkt zich niet tot een eenzijdig beeld van de burgeroorlog.’
Of die vertalingen er komen, hangt ook weer af van de bereidheid van een uitgever om een financieel risico te nemen, want ‘eigenlijk kan het publiceren van vertaalde Griekse literatuur niet uit’.
Dat de Griekse overheid het vertalen van Griekse literatuur niet langer financieel ondersteunt, speelt daarbij een rol. ‘Het wachten is nog steeds op de herstart van wat je het “Grieks letterenfonds” zou kunnen noemen.
Eerste integrale vertalingen Kazantzakis’ drieluik
Voor het idee om drie romans van Nikos Kazantzakis (1883-1957) opnieuw te vertalen, vond Hero Hokwerda in Koen van Gulik van Wereldbibliotheek – daar verscheen in het verleden al werk van Kazantzakis – een geïnteresseerd uitgever. Van Gulik kende Kazantzakis uit de boekenkast van zijn ouders.
Het recent verschenen Kapitein Michalis (Vrijheid of dood) (1955, vertaling 2018) vormt samen met Leven en wandel van Zorbás de Griek (1946, vertaling 2015) en Christus wordt weer gekruisigd (1952, vertaling 2016) een drieluik. In tegenstelling tot vroeger werk van Kazantzakis gaan deze romans over ‘echte, levende mensen en niet langer in de eerste plaats over abstracte ideeën’.
De drie romans werden eerder – door verschillende vertalers voor verschillende uitgeverijen – vertaald in het Nederlands, maar Hero Hokwerda is de eerste die Βίος και Πολιτεία του Αλέξη Ζορμπά, Ο Χριστός Ξανασταυρώνεται en Ο Καπετάν Μιχάλης rechtstreeks op basis van de definitieve, integrale tekst uit het Grieks vertaalde.
Dat het werk van Kazantzakis aanvankelijk via een omweg de Nederlandse lezer bereikte, lag niet alleen aan het feit dat er – ook toen, in de jaren vijftig en zestig – maar weinig Nederlandse vertalers het Nieuwgrieks machtig waren. ‘Zeventig jaar geleden werd er toegewerkt naar de toekenning van de Nobelprijs voor Literatuur aan Nikos Kazantzakis. Kazantzakis werkte daar graag aan mee. Hij vond het eigenlijk niet meer dan terecht dat hij die Nobelprijs zou krijgen.
Met name Max Tau, een Duits-Noorse literair agent, spande zich in om het werk van Kazantzakis in allerlei West-Europese talen vertaald te krijgen. Daartoe stelde Kazantzakis vaak nog voorlopige versies van zijn romans beschikbaar. Die nog niet definitieve teksten werden in het Duits vertaald, en daaruit weer in het Engels en Zweeds, en via die vertalingen in het Nederlands.’
Wie die eerste vertalingen van H. Edinga, André Noorbeek, H.C.M. Edelman vergelijkt met die van Hokwerda zal de nodige verschillen opmerken. Die zijn niet alleen maar terug te voeren op het via-via vertalen en de inzichten en gekozen oplossingen van de diverse vertalers – Hokwerda: ‘met name de Zweedse vertaler heeft het nodige toegevoegd en weggelaten’, maar dus ook met de nog onvoltooide staat waarin de romans die vertalers bereikte.
De tale Kazantzakis’
Nikos Kazantzakis behoort tot de toonaangevende schrijvers van Griekenland, maar de houding van het Griekse (lezers)publiek is ambivalent. ‘Hij wordt veel vereerd, voor sommigen is hij zelfs een goeroe, maar moderne Grieken kunnen ook moeite hebben met de toeristische en folkloristische sporen die het gevolg zijn van het succes van Zorba de Griek, de film van Michael Cacoyannis met Anthony Quinn als Alexis Zorbas. Al Kazantzakis kan er natuurlijk niets aan doen dat al die taverna’s voor toeristen “Zorbas” heten. En in de roman zit zoveel meer dan in de film.’
Een vanuit literair oogpunt belangrijker bezwaar dat tegen Nikos Kazantzakis ingebracht wordt, is zijn taal. Kazantzakis gebruikte de Kretenzische variant van de dimotikí, de op de spreektaal geënte versie van het Grieks. ‘In de vertaling is dat makkelijk. Dan hoef je je niet aan zijn Kretenzisch gebonden te voelen. Ik vertaal zijn Kretenzisch in gewoon Nederlands, maar Grieken zitten wel vast aan de taal van Kazantzakis.
Die taal was in zijn tijd modern, en was ook zeker als modern bedoeld, maar intussen is het voor veel Grieken een heel ouderwets, gedateerd taalgebruik, dat ook niet altijd even goed meer begrepen wordt.’
Hero Hokwerda heeft geen moment overwogen om te zoeken naar een Nederlandse equivalent van Kazantzakis’ Kretenzisch. Zijn stijl bleef hij vanzelfsprekend wel trouw: ‘Kazantzakis schrijft heel levendig, heel direct, en rauw ook soms. Dat moet natuurlijk wel overgebracht worden.’
Dichter en denker
Hoewel Nikos Kazantzakis zeker in Nederland vooral bekend is als schrijver van romans, zag hij zichzelf in de eerst plaats als dichter en als denker. ‘De romans heeft hij maar een beetje als bijzaak beschouwd. Door het schrijven van romans bevrijdde hij zich als het ware van zichzelf. Dan was hij op vakantie uit zijn “hogere bevlogenheid”. Dan hoefde hij niets van zichzelf.’
‘Gelukkig maar, want hij heeft een paar heel mooie romans geschreven, denk ik dan’, laat Hero Hokwerda erop volgen. Want het werk dat Kazantzakis zelf als de kern van zijn oeuvre beschouwde – zijn toneelstukken en zijn poëzie, waaronder zijn opus magnum: Οδύσεια (1938), een episch gedicht in 33.333 verzen bedoeld als vervolg op dé Oydysee van Homeros – is aan Hokwerda niet besteed.
‘Het ging hem bij de Οδύσεια ook om het werk als poëzie, maar het was vooral een kapstok om zijn ideeën aan op te hangen. Het is me in meerdere opzichten te groot. Het gaat niet alleen om het aantal bladzijden en het aantal regels. Het is mij te hoog bevlogen. Het is te veel. Daar ben ik te nuchter voor, ben ik bang.’
De Kretenzer Kazantzakis
‘Nikos Kazantzakis zag zichzelf als Kretenzer én als wereldburger. Hij reisde veel, vestigde zich her en der, maar het Kretenzische heeft hij nooit losgelaten, ook in zijn werk niet. Het historische verhaal van “Zorbas” speelt op de Peloponnesos, maar dat heeft hij getransponeerd naar Kreta. Christus wordt weer gekruisigd speelt in Klein-Azië, maar is toch ook heel Kretenzisch, en in Kapitein Michalis keert hij terug naar het Kreta van zijn jeugd.
Zelf zei hij dat alles wat hij schreef doortrokken is van de “Kretenzische blik”. Hij gaat daarbij terug naar de Minoërs, naar de stier-springende jongelingen op een muurschildering in Knossos. Zoals die jongens met de stier spelen, wat toch tamelijk gevaarlijk is, zo gaat de Kretenzer met de dood om: die ziet hij met open ogen tegemoet.’
Het is de houding die Kapitein Michalis kenmerkt, die moet kiezen tussen vrijheid en dood, een houding die ook Alexis Zorbas en sommige personages uit Christus wordt weer gekruisigd niet vreemd is.
Op de motieven van kapitein Michalis is het een en ander af te dingen. ‘Kapitein Michalis wordt meestal gezien als vrijheidsstrijder, maar het is wel een rare vrijheidsstrijder. Kreta lijkt hem niet zoveel te kunnen schelen, het gaat hem eigenlijk meer om zichzelf. Eigenlijk heeft kapitein Michalis de Kretenzische zaak verraden. Er zijn anderen, waaronder Polyxingis, op wie kapitein Michalis neerkeek, die kraniger aan de zaak van Kreta vasthielden.’
‘Kazantzakis was zelf ook een vat vol tegenstrijdigheden. Hij wilde eigenlijk dolgraag een man van actie zijn, maar zijn actie was het schrijven. Hij heeft moeite gehad zich daarmee te verzoenen. Eigenlijk is Leven en wandel van Zorbás de Griek zijn verzoening met die tweeslachtigheid. De personages Alexis Zorbas en “de schrijver” vertegenwoordigen de twee kanten van zijn persoonlijkheid.’
Vrijzinnige denkbeelden
Dat het graf van Nikos Kazantzakis zich in Iraklion op een bastion bevindt dat stamt uit de Venetiaanse tijd en niet op een kerkhof is het gevolg van een controverse met de Grieks-Orthodoxe kerk, die de denkbeelden van de schrijver hekelde. Inmiddels is hij min of meer gerehabiliteerd, en werd hij ter gelegenheid van zijn zestigste sterfdag op verschillende manieren geëerd, ook van kerkelijke kant.
Kazantzakis had zijn eigen kijk op religie en wereld. ‘Er zijn mensen die geneigd zijn om hem als atheïst te bestempelen, maar dat is mijn ogen onzin. Hij was op een vrijzinnige wijze orthodox. Kazantzakis verwierp het idee van een persoonlijke God en het idee van opstanding uit de dood en een leven in een hiernamaals.
Op basis van zijn eigen inzichten probeerde hij een godsdienst te ontwerpen, en hij heeft het ideaal gehad om, toen hij in 1914 naar de berg Athos ging, ook daadwerkelijk een nieuwe godsdienst te stichten. Dat zou ongetwijfeld een moderne godsdienst zijn geweest, zonder persoonlijke God en hiernamaals. Het hele leven speelde zich volgens Kazantzakis op aarde af.’
‘De vrijzinnige manier waarop Nikos Kazantzakis omgaat met het godsbegrip en het lijden en de dood – onderwerpen waar iedereen mee kan zitten of in elk geval mee te maken kan krijgen – is nog steeds actueel. Zijn worsteling met deze algemeen menselijke onderwerpen zou ook tegenwoordig veel mensen moeten kunnen aanspreken. Bovendien richtte Kazantzakis zich niet alleen op de verlossing van het individu. Hij had ook uitgesproken ideeën over het “verlossen” van de samenleving. Zoals de mens als individu door alle mislukking, nederlaag en dood heen zich telkens weer moet oprichten op de weg naar het hogere doel, dat is de strijd voor de weg omhoog, zo moet ook de samenleving dat; ook daar is elke mislukking tegelijk een nieuw begin op de eindeloze weg omhoog.’
Voor Hero Hokwerda zit het vertalen van het werk van Kazantzakis er na Kapitein Michalis (Vrijheid of dood) voorlopig op. Zijn volgende vertaling is overigens al zo goed als klaar: Hitlers geheime dagboek van Charis Vlavianós. ‘De roman speelt in 1923, 1924 als de putsch mislukt is, Hitler in de gevangenis zit en zijn proces uitbuit om er weer helemaal bovenop te komen.’
De roman zal in 2019 verschijnen, hoogstwaarschijnlijk bij Ta Grammata.