• Een kano maken

    Een kano maken

    Vorige week werd me tijdens een boekenfeestje een boek toegestopt met de woorden, ‘Jij kunt wel wat poëzie hebben’. Ja, ja, haastte ik me te zeggen, als kreeg ik een borrel aangereikt waar ik hard aan toe was. Het was een boek van gewicht, Omeros van Derek Walcott. Ik keek ernaar alsof ik nog nooit zoiets gelezen of gezien had, en dat was ook zo. Omeros verscheen 1990 in Amerika waar de in Saint Lucia geboren Walcott woonde. Hij was een Nobelprijswinnaar (1992), voor hem gewonnen door Nadime Gordimer, na hem door Toni Morrison. Schrijvers die ik wel in hun tijd las. De jury noemde zijn werk in 1992, ‘een poëtisch oeuvre met grote helderheid, gedragen door een historische visie die uit een multicultureel engagement is voortgekomen.’ Omeros is een epos in vierenzestig verzen. Het boek opent met een ongelofelijke directheid. 

    ‘”Zo hakken wij, bij een zonsopgang, die kano’s om.”
     Philoctetes glimlacht voor de toeristen die zijn ziel willen
     vangen met hun camera’s. Als de wind het nieuws komt

     brengen bij de laurier-cannelles gaat hun blad trillen
     zodra de bijl van het zonlicht de ceders treft,
     omdat ze de bijlen in onze ogen konden zien.’

    Mijn geest gaat direct aan het vertalen, maakt beelden van wat er staat. Bij ‘de bijlen in hun ogen konden zien’ voel je angst. De boom wordt aangevallen en neemt daar – trillend van angst – notie van, ziet zijn ‘killer’ toeslaan. De houthakkers zijn moordenaars. Nadat ze geveld zijn, worden de holtes van de bomen uitgebrand om tot de vorm van kano’s te komen. Je ziet het ontstaan. Daar waar eerst de boom stond, is een gat in de grond. De simpele ambacht van het creëren van een boot, en dat wat achterblijft.

    ‘Hij zag het gat zich herstellen met het schuim van een
    wolk als stortzee. Toen zag hij de kleine zeezwaluw’

    Stop. Nu niet steeds vertalen van wat je leest. Het komt er altijd slechter vanaf, dan wat er staat. Walcott lezen brengt iets teweeg, een vibratie die doorklinkt, een overschrijden van de mate waarin iets begrepen kan worden. Door enkel te luisteren naar wat er verteld wordt, woord voor woord, regel voor regel, witregel en opnieuw regel voor regel, wordt er iets vloeibaar. Gaat het stromen. Je kende de schrijver van naam, maar het gewicht van zijn werk nog niet. Vooreerst ben ik zonder commentaar.

    ‘Een criticus die weigert te veroordelen is geen criticus; een criticus die alleen bewondert en waardeert, plaatst zich buiten de kritiek.’, lees ik in het kleine blauwe boekje, Over recenseren van T. van Deel. Dat er nog boeken zijn die je alles wat je daarvoor las doen vergeten. Niet oordelen, het enkel ondergaan is soms wat een boek van je vraagt. 

     

     

    Uit: Omeros / Derek Walcott / Vertaling: Jan Eijkelboom / De Arbeiderspers (1993)


    Inge Meijer is een pseudoniem, ontdekt wekelijks nieuwe boeken.

     

     

  • Deze schrijver

    Deze schrijver

    Bij gebrek aan ‘Boekenmendel’, uit het gelijknamige verhaal van Stefan Zweig over de joodse boekensjacheraar, een levend lexicon ten tijde van de Eerste Wereldoorlog, google ik naar informatie over Kees Verheul. Op wikipedia vond ik een tiental publicaties en vertalingen. En een recensie van T. van Deel over Villa Bermond, deel l van de romancyclus De Tutcheffs.

    Het begon met Tirade die laatst op de deurmat viel, een vrij dunne, maar evengoed met een keur aan bijdragen die niet onderdoen voor een doos exquise bonbons (er is even niets anders bij de hand). Een prozastuk van Delphine Lecompte, ‘Frauke naast de composthoop’, brengt smaken van herkenning door de ‘chagrijnige vroedvrouw’, ‘blinde beiaardier’, ‘weergaloze bietenboer’, ingezet om Frauke, die Lecompte een nier wil aftroggelen, te weerstaan. Er is een prachtig essay van Sander Kollaards over De jaren van Virginia Woolf, dat ik natuurlijk zelf had willen schrijven. Ik las zijn ‘Woolfiaanse choreografie’.

    Wat vindt Kollaard van De jaren van Woolf? Hij vindt het samen met Mrs Dalloway, een paar essays het beste wat hij van Woolf las. In de autobiografie van Leonard Woolf las Kollaard dat hij De jaren geen goed boek vond, maar omdat het Woolf jaren had gekost het te schrijven en Leonard bang was dat ze eraan onderdoor zou gaan, liet hij zich lovend uit over het boek. ‘Zonder de lof van Leonard zou ze het boek denk ik hebben vernietigd en daarmee zichzelf’, schrijft Kollaard. Zijn mooiste oordeel over het boek is wat het spiegelt, ‘de afgronden die steeds weer opengaan tussen mensen, zonder dat ze het willen, (…) en waarin wat er was aan liefde, intimiteit, vriendschap, oprechtheid, (…) kennelijk gedoemd is te verdwijnen.’ Dan Kees Verheul (1940), schrijver, slavist, vertaler, essayist, ik kende hem niet. Zijn bijdrage, ‘De Tutcheffs’, ondertitel: ‘mensen zonder kinderen, notities voor een roman’, is een hernieuwd oppakken van de romancyclus die hij in 1992 begon en in 2006 moest laten liggen omdat hij kanker kreeg. Nadat hij genezen was, werd hij mantelzorger voor zijn man, Kees Smit die aan alzheimer leed.

    Over hun tweeënvijftig jaar samenleven schrijft Verheul, ‘Geen enkel boek, geen krantenartikel ging ter publicatie de deur uit voordat Kees de tekst gelezen en bekritiseerd had.’ Buiten dat hij zijn meelezer mist, is ook zijn schrijven zelf veranderd. Zijn woordkeus, het tempo van zijn zinnen. Er zit niets anders op, ‘mij schikken naar wat ik als tachtiger kan’. ‘Je est un autre – ik is een ander’, zou Verheul als devies boven zijn ‘Uiteindelijk wel of niet voltooide vierluik’ willen zetten. Denkend aan Rimbaud die in mei 1871 ‘deze subliem ongrammaticale zin bedacht’, nog maar zestien was. Waarna de tekst van deel lll begint, lees die tekst in Tirade 487.
    T. van Deel schreef in 1992, ‘Het autobiografische schrijven van Verheul heeft met Villa Bermond een imposante vernieuwing ondergaan. De intensiteit, waarmee hij ‘verzinsels’ (…) vermengd met de nauwkeurige herschepping van de eigen jeugd, maakt grote indruk.’ Inderdaad, grote indruk! Ik vond Kees Verheul in een literair tijdschrift, nu zijn boeken nog. Iemand?

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV.

  • In memoriam Tom van Deel (1945-2019)

    Deze week maakte uitgeverij Querido bekend dat literair criticus, essayist en dichter Tom van Deel, publicerend onder T. van Deel, op 12 augustus is overleden. Van Deel trad al vroeg toe tot het literaire leven. Geboren in Apeldoorn verhuisde hij voor zijn studie naar Amsterdam. Hij debuteerde op tweeëntwintig jarige leeftijd onder de pseudoniemen G. en Gerrit Vogel in het studentenblad Pharetra van de Vrije Universiteit. Twee jaar later verscheen zijn debuutbundel Strafwerk (1969) bij uitgeverij Querido, waar ook zijn laatste bundel Herfststijlloos (2016) verscheen. in 1974 was hij mede-oprichter van De Revisor, waarvan hij tot 1984 deel uitmaakte van de redactie.

    Van Deel schreef honderden kritieken als dagbladrecensent bij Trouw. Hij schreef graag en veel over schrijvers die hij liefhad en volgde, zoals Willem Brakman en Gerrit Krol. Waardoor hij wel eens het verwijt kreeg dat hij vriendjespolitiek bedreef, weer anderen waren van mening dat Van Deel over hen schreef uit kritische bewondering.
    Ook schreef hij voor de Protestantse Stichting tot Bevordering van het Bibliotheekwezen en de Lectuurvoorlichting in Nederland duizenden korte maar krachtige recensies. Voor deze leesbevorderende stichting maakte hij een boekje Over recenseren waarin hij onder meer stelde dat recensenten mensen zijn die beweren gekwalificeerd te zijn om te oordelen over de boekproduktie op speciale terreinen. ‘Ze overzien dat terrein, ze weten wat er is geschreven en kunnen het nieuwe zonder veel moeite bezien in het licht van wat hun al vertrouwd is.’

    In 1987 won hij met zijn bundel Achter de waterval de Jan Campert-prijs. Over zijn laatste bundel Herfsttijloos schreef  poëzierecensent Hettie Marzak onder meer, ‘ het zijn verstilde gedichten, niet over grote onderwerpen, maar die aan de hand van kleine dingen tot bezinning leiden.’  In 1988 verscheen een verzameling van zijn gedichten tot dan toe; Gedichten, 1969-1986.

    Daarnaast was Van Deel meer dan dertig jaar docent moderne Nederlandse letterkunde aan het Instituut voor Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam. Tot 2006 gaf hij colleges en was onder zijn studenten een zeer gewaardeerd docent. Hij wist studenten voor de literatuur en de literaire kritiek te winnen en maakte school onder een aantal critici als Guus Middag, Marjoleine de Vos, Peter de Boer, Robert Anker, Thomas Möhlmann, Jeroen Vullings, en Rob Schouten behoorden daartoe. Als criticus was hij al jaren niet meer te horen, in zijn gedichten klinkt hij nog, zoals in onderstaand gedicht, waarin iets gevonden wordt en in opperste nood aan zichzelf wordt teruggegeven: het leven.

    Gebeurtenis

    Op zoek naar een gebeurtenis
    genoeg voor dit gedicht
    kwam ik een koolmees tegen
    Ik bukte en bekeek hem
    van dichtbij wat nader
    en zag dat hij ging sterven
    Zijn oog liet mij dat weten
    Hij beefde in zijn veertjes
    en kon niet meer bewegen
    Iets in hem was fel bezig
    de overhand te nemen
    Ik heb hem daar gelaten
    boven de koude steen

    Uit, Boven de koude steen, 2007.

     

    Beeld via uitgeverij Querido / Ary Langbroek

     

  • Over kleine dingen die tot bezinning leiden

    Over kleine dingen die tot bezinning leiden

    Willem Wilmink schreef voor Kees Stip een spitsvondig gedicht dat begint met de regel: ‘Hoe kan een naam zijn dichter sturen!’, waarin hij het aloude ‘nomen est omen’ nieuw leven inblies door een aantal dichters te noemen wier naam een kenmerk van hun poëzie zou aanduiden (‘en geen ooit puntiger dan Stip!’). De dichter T. van Deel (1945) kreeg de versregel toebedeeld: ‘[…] Van Deel op de details gericht’ en daarmee gaf Wilmink inderdaad de kern aan van de poëzie van Van Deel.

    Want er is geen andere dichter die zo op kleine dingen let als hij: een steentje, een vogelveer, een vlinder, om die vervolgens tot onderwerp te maken in een gedicht. De natuur speelt een grote rol in het werk van Van Deel: niet het grote geheel, maar de kleine, ogenschijnlijk betekenisloze dingen krijgen betekenis in zijn gedichten. Het is geen poëzie voor de achteloze voorbijganger, maar juist voor de aandachtige beschouwer, die evenals de dichter zelf bereid is om wat langer stil te blijven staan bij wat hij op zijn weg vindt.

    De bundel Herfsttijloos is prachtig vormgegeven: op de voorkant lijken Japanse schrifttekens te zijn aangebracht, maar zijn in werkelijkheid schetsmatige bloemen; herfsttijlozen die de bundel hun naam geven. De meestal korte gedichten staan als haiku’s of oosterse kwatrijnen hoog op de pagina, wat rust en ruimte biedt en tot overdenking aanzet. Ze zijn gepaard wat thematiek betreft: op twee pagina’s worden twee gedichten tegenover elkaar gezet die over hetzelfde onderwerp gaan: stenen, een diorama, tulpen.

    Zes gedichten uit de bundel zijn al eerder gepubliceerd. Van Deel debuteerde in 1969 met de bundel ‘Strafwerk’ en ‘Herfsttijloos’ is zijn achtste bundel. Hij schreef veel recensies en essays, waaruit zijn liefde voor beeldende kunst spreekt, hij stelde bloemlezingen samen en was lid van het vertaalteam van de Nieuwe Bijbelvertaling, maar met het schrijven van gedichten gaat hij spaarzaam om: zijn voorlaatste bundel Boven de koude steen dateert van 2007.

    De titel ‘Herfsttijloos‘ slaat natuurlijk op de bloem met de Latijnse naam Colchicum autumnale, die een beetje op de krokus lijkt. De plant heeft een omgekeerde cyclus: hij bloeit in de herfst, maar de bladeren en vruchten komen pas in het voorjaar te voorschijn en het zaad wordt gevormd in de winter. In de plantensymboliek staat de herfsttijloos daarom voor ouderdom en wedergeboorte; zo zou Medea herfsttijloos gebruikt hebben in de verjongingsdrank voor de vader van Jason, Aeson, die hem veertig jaar jonger maakte. In laatste instantie kan de titel van de bundel ook nog als een bijvoeglijk naamwoord gezien worden; een mooie symboliek voor een dichter die op oudere leeftijd met een nieuwe bundel komt.

    Het motto van de bundel is de laatste strofe van Plompenblad, een gedicht van Jacob Winkler Prins (1849-1907). Winkler Prins was een dichter en beeldend kunstenaar wiens grootste liefhebberij het kweken van bloemen en planten was. De liefde voor de natuur hebben beide dichters gemeen, evenals het herkennen van de symboliek in de natuur.

    Al in het openingsgedicht Vervlogen blijkt de aandacht van Van Deel voor de kleine dingen: het gedicht gaat niet alleen over een vlinder, maar zelfs de schaduw van die vlinder wordt door de dichter waargenomen en daardoor kan hij de volgende vergelijking maken: ‘zo beeldt het leven zich in duister af / tegen het licht; onwetend wat het / voorstelt vervliegt het tot gedicht.’

    Dat Van Deel goed kan kijken is een sine qua non voor zijn gedichten, maar bovendien weet hij zijn observaties om te zetten in verrassende vergelijkingen die niet zo voor de hand lijken te liggen bij het onderwerp van zijn schouwen. Zo noemt hij de herfsttijlozen godinnen: ‘godinnen rijzen zomaar / naakt en bladloos uit hun bloemschelp op’, terwijl hij eerder al vaststelde: ‘Ze rekken loom zich uit hun bollen uit’. De bloei van deze bloemen wordt vergeleken met een nest vol vogels dat ‘de snavels luid en levenswijd onstuitbaar houdt gesperd.’ Het woord ‘levenswijd’, dat in geen enkel woordenboek kan worden opgezocht, geeft een extra dimensie aan deze toch al zo mooie en onverwachte beschrijving.

    Het gedicht Vuursteen is een voorbeeld van een gedicht met een diepere laag die de lezer kan aanboren onder de oppervlakte:

    ‘Ze zei ik ben gewoon materie
    pak me op en neem me mee
    onderzoek mijn samenstelling
    heb ik de schijn tegen ik ben
    kleurrijker dan je denkt
    je zult je veel moeten afvragen
    misschien zelfs een stuk van mij
    afslaan om pas in het breukvlak
    mijn binnenste te lezen.’

    Op het eerste gezicht lijkt het alsof het de vuursteen is die het woord heeft genomen, maar waarom heeft de dichter dan de vrouwelijke vorm gekozen? Zoals voor bijna al deze gedichten geldt, is de versregel ‘je zult je veel moeten afvragen’ de sleutel tot het begrijpen van de elementaire beelden. In zijn schijnbare eenvoud staat dit gedicht model voor alle andere gedichten in deze bundel.

    Bij een aantal gedichten staat achter in de bundel vermeld dat ze geschreven zijn bij een schilderij of bij een tekening, of dat het gedicht is afgebeeld op een muur. Zolang die schilderijen of die muur niet zijn afgebeeld in de bundel, werpt die informatie geen nieuw licht op het gedicht zelf. Anders is het met de gedichten waarbij Van Deel aangeeft waar ze naar verwijzen, zoals de tweelinggedichten Ruth en Vasthi, waarvan Van Deel de plaatsen in de Bijbel aangeeft. Omdat vooral het gedicht Ruth precies vertelt wat er in de Bijbel staat – Ruth gaat aren lezen op het veld van Boaz, met wie zij later huwt –  is de verwijzing niet direct noodzakelijk, maar om het gedicht Vasthi te begrijpen is het goed om te kunnen lezen dat Vasthi de eerste vrouw was van koning Ahasveros. Zij wilde niet op het feest komen om haar schoonheid te laten zien, zoals de koning wenste. Deze was daarover zeer ontstemd. In bijbelse bewoordingen zegt Van Deel: ‘en hij ontnam de kroon haar’.  Koning Ahasveros trouwde later met Esther, die in de Bijbel haar eigen boek kreeg. Met deze kennis krijgen de derde en vierde strofe haast een humoristisch tintje:

    ‘Of Esther die hij liefkreeg
    gewillig zich liet showen
    meldt de historie niet

    Ook niet het lot van Vasthi
    schoonste der koninginnen
    en meest onnaakte vrouw’

    In het gedicht Het pottenfeest vertelt een scheve pot waarom hij zich afzijdig houdt van de dans waar de andere potten allemaal aan meedoen: ‘Misschien dat ’s Makers handen om mij trilden.’ Uit een aantekening van Van Deel achter in de bundel wordt duidelijk dat het een citaat is uit de Rubaiyat van Omar Khayyam, maar hij verzuimt te vermelden dat de titel van het laatste gedicht, Het kind dat wij waren, de titel is van een van de bekendste en meest geliefde gedichten van E. du Perron, te vinden in vrijwel elke bloemlezing. Van Deel veronderstelt derhalve een grote mate van belezenheid bij zijn lezers: er wordt ook een meer dan algemene kennis verwacht bij de gedichten Ikaros en bij Hortus, Conclusus en bij de openingsregel ‘Ik mis de spondee van je hakken / naast me lopend over straat’.

    De gedichten geven zich niet altijd op het eerste gezicht prijs, maar wie nog eens leest, ziet dat er veel meer staat dan zo op het eerste oog gedacht was. De bundel vraagt aandacht en bereidheid tot overdenking, het zijn verstilde gedichten, niet over grote onderwerpen, maar die aan de hand van kleine dingen tot bezinning leiden.