• Het Koplandsiaans minuscule is de kracht in deze bundel

    Het Koplandsiaans minuscule is de kracht in deze bundel

    De Vlaamse dichter Sylvie Marie brengt in haar nieuwste bundel Houdingen grote bewegingen van het gemoed terug naar uiterst kleine beschrijvingen. Met de zorgvuldigheid van een horlogemaker weet ze minimale woordconstructies samen te stellen die een wereld van verborgen drama ontsluiten. In het eerste deel ‘Toestanden’ wordt in drie gedichten de basis gelegd voor het verdere verloop. Een niet vrolijkstemmend vers dat begint met: ‘veel vaker dan ik wil, wacht ik op bloed, / slijt er dagen aan (…)’

    Of het tweede gedicht dat aanvangt met: ’terwijl we weer vrijen schuift een kleine, / bange rat onder de deken (…)’
    Het derde gedicht in het deel ‘Toestanden’ laat de huidige situatie zien: ‘los als vandaag liggen we / almaar vaker. lakens scheuren / langs de drift van onze continenten. (…)’

    In metaforische schetsen laat Sylvie Marie een somber beeld zien van een vrouw in een ongelukkige toestand. Vreemd genoeg wordt die somberte nergens echt tastbaar, omdat de dichter zo omfloerst mogelijk haar taal behandelt. Geen grote woorden, geen drang naar heftige conclusies, maar slechts lichte aanrakingen die de tragiek benoemen en die tegelijkertijd bedekken onder een deken van vloeiende regels. Dat maakt de zwaarte eerst draaglijk, gevangen in schoonheid, maar bij herlezing van de verzen komt zij steeds harder binnen.

    Het tweede deel ‘Houdingen’ is een uiteenzetting van de verschillende stadia waarin de vrouw zich bevindt. Haar wezen uit zich in een reeks gedichten over eenzaamheid, verlatenheid en het verlangen naar liefde. Met een treurig zelfbeeld als dieptepunt, waarmee ze zichzelf de maat neemt:

    ik kan dat niet, de vrouw uithangen,
    wijd en traag ben ik, was ik
    hout, dan had ik brede groeven, lomp
    val ik als omgehakt, ik kraak mijn takken stug.
    het is ook altijd winter hier. (…)

    Het drama wordt alleen maar groter als er over pillen gedicht gaat worden. Hier wordt de loodzware boodschap ook allereerst verpakt in prachtige zinnetjes die heel gedetailleerd beschrijven hoe zo’n proces in zijn werk gaat. De ernst van de zaak lijkt voor zichzelf te spreken, maar neemt aan het eind van het vers een wending als er iets te nadrukkelijk verwezen wordt naar een andere functie van de pillen:

    om kalm te blijven druk ik
    geconcentreerd de pillen uit een strip

    en meer nog dan het doel van die dingen,
    gaat het om het drukken, zorgvuldig,
    de beide duimen voorwaarts
    en de nagels tegen elkaar.

    dan het zilvervlies dat knapt,
    het plastic dat ineenstuikt
    als een bolle buik tenietgedaan met een veeg
    van tafel, brekend water, spanning die lost,
    de pil die in mijn palm valt, achteloos
    als een kinderhoofdje.

    Dood en nieuw leven, beiden door de dichter aangeraakt in een omhulsel van lastige relationele kwesties. Voor een hele bundel is dat iets teveel van het goede, maar Sylvie Marie komt ermee weg omdat haar sprankelende en precieze stijl het lezen tot een bijzonder avontuur maakt. De tragiek mag dan verpakt zijn in té opgelegde metaforen, zinnen als: ‘de nacht is een kofferbak, waarin ik klaarlicht liggen moet’ zijn kleine pareltjes waarin de subtiele alliteratie een groot effect teweegbrengt.

    In het laatste deel ‘Uitkomsten’ wordt in één gedicht de zogenaamde uitkomst van alle misère toegelicht. Hier blijft weinig te raden over: goed geschreven maar veel te expliciet verwijzend naar een goede afloop. Terwijl nog geprobeerd wordt de boodschap te verdoezelen, spreekt de verzuchting van de dichter boekdelen: ‘jij liet niets vallen,/ jij hebt iets neergezet.’
    Het dichterschap van Sylvie Marie is vooral af te lezen aan de kleinheid van haar verzen, waarbij ze soms de verbeelding te letterlijk laat plaatsvinden. Het haast Koplandsiaanse minuscule – tot in detail een grote beweging beschrijven en daar zo min mogelijk woorden aan vuil maken – is haar grote kracht. Dat wordt benadrukt door het beste gedicht uit deze bundel:

    we zouden kunnen gaan zitten
    in een koffiekopje.

    je weet wel,
    een klassiek,
    met schuine wanden,
    zodat we telkens naar elkaar toe schuiven.

    geen mok, dat niet.
    geen grote cilinder
    met platte bodem

    maar zo’n kleintje,
    bol.

    misschien dat we daarin
    moeten investeren:
    van alle kamers kopjes maken.

     

  • Onopgeloste huiselijke zaken

    Onopgeloste huiselijke zaken

    In de bundel Altijd een raam van Sylvie Marie gebeurt alles binnenshuis. De bundel is opgesplitst in twee delen: Binnenskamers en Buitenshuis. Twee aparte gedichten fungeren als opening en slot. Maar zelfs in de gedichten van het deel Buitenshuis gebeurt alles binnen.

    De gedichten gaan voornamelijk over ik, jij en wij, maar de ik, jij en wij van de dichter kunnen ook net zo goed ik, jij en wij zelf zijn. Zo verbindt de dichter ons met haarzelf en betrekt ze de lezer bij haar huiselijke beslommeringen. De op het eerste gezicht persoonlijke gedichten graven diep in de ziel en leggen herkenbare gevoelens bloot. Terwijl ze het over een tafel, de slaapkamer, etensresten en tegels heeft, opent ze de ramen en neemt haar huis mee naar buiten. Jammer genoeg missen de gedichten zonneschijn en een frisse wind die de gedichten kleurt en laat groeien. Ze laat de wereld niet binnen in haar gedichten, want binnen is het vol van onopgeloste huiselijke zaken, zoals uit de meeste gedichten blijkt. Huiselijk of niet, ze raken wel en ze raken diep:

    welkom in onze flat
    dit huis heeft kelder noch zolder, niemand
    die naar boven of benden
    vlucht, we verzamelen

    ons aan tafel om er steevast
    te zitten, oog in oog, tand op tand.

    wat op het blad wacht, staat er om te verteren.

    en neen, er is geen hond
    om stiekem restjes aan te schuiven.

    Marie durft in haar poëzie de confrontatie met zichzelf aan te gaan en met de weemoed die in iedere regel huist, durft ze zichzelf uit te lachen, te troosten en weer verder te gaan:

    smaak
    in het begin waren we eindeloos
    op elkaar en onder
    in het donker een dag niet meer om het lijf
    dan het nemen en eten ervan.

    we dansten als stenen
    posturen op de rand van een kast, zo
    halsoverkop ons van geen val bewust.

    vandaag houden we ons kranig,
    als ik thuiskom van het werk
    en je bent er en hebt gekookt,
    dan zeg ik dat het lekker is.

    Sylvie Marie benoemt geen gevoelens in haar gedichten, ze beschrijft ze. Ze laat de lezer het verdriet, de pijn en teleurstelling tussen de woorden door meebeleven.  Maar de weemoed raakt niet diep, duurt niet lang. Ze is als een veertje dat je raakt en weer loslaat:
    en zeg niet dat zulke zaken naderhand beter worden / we zijn geen wijn, (blz.39).

    Omdat ze gemakkelijk om haar pijn lacht en er de spot mee drijft, wordt de pijn in haar gedichten speels en af en toe zelfs heel simpel: omdat je op tongen geen pleisters plakt / voor kussen op knieën een paard te groot bent, (blz. 20).

    Bijna alle gedichten in Altijd een raam zullen het goed doen tijdens een korte voordracht. De luisteraar kan er zijn eigen verhaal in herkennen. De helderheid en humor van de dichter zijn te waarderen. Maar wanneer meer gedichten achter elkaar gelezen worden, wordt het eentonig. De gedichten lijken dan opeens heel erg op elkaar en de herhaling van gevoelens doet de prachtige vondsten in de bundel tekort. Waar de intieme en huiselijke gevoelens tot herkenbaarheid oproepen, zorgen ze op een gegeven moment voor een herhaling van hetgeen al eerder is gezegd. Na telkens woorden als koffie, bed, huis, kamer, porselein, vader, daver, zolder en kelder tegen te zijn gekomen, is de koek op. De verrassing flitst weg en de lezer krijgt een gevoel van: dit heb ik al gehoord! Maar dat heeft de dichter vast niet zo bedoeld, zoals ze dat zelf mooi verwoordt: we kwamen niet verder dan de woorden van een dichter / die vast iets anders had willen zeggen (blz. 14).

    Sylvie Marie laat in deze bundel de ramen open, maar moet nog de durf tonen om weg te vliegen, het avontuur in, de wereld onder de loep nemen en zich niet opsluiten in binnenskamerse lotgevallen. Want een scherpe blik voor details, een sterke zelfspot en een speelse toon bezit ze zeker!

    ik wil daar iets over zeggen, maar je rent voortdurend weg.
    als ik je achterna ga, spelen regendruppels om het eerst vallen
    en heb je verbetenheid als een capuchon over je hoofd getrokken.

     

    Recensie door Nafiss Nia