• Fluo-troost bij scheidingen

    Fluo-troost bij scheidingen


    Als het bekroonde duo Westera-Weve de creatieve handen ineen slaat, weet je dat er iets bijzonders op stapel staat. Ze gooiden al eerder de wat meer voor de hand liggende thema’s uit de kinderboekenhoek opzij met Doodgewoon, een boek over, inderdaad, de dood, en met Aan de kant, ik ben je oma niet! waarin een serie bewoners van een zorgcentrum de revue passeert. Niet alleen in hun bejaarde en wat eigenaardige hoedanigheid, maar ook in hun kindzijn, waarin de kiem van die eigenaardigheid vaak al ontspruit. Het idee alleen al dat oma vroeger ook een klein meisje is geweest, is voor ieder kind natuurlijk al een gedachte-experiment van heb ik jou daar. Het zijn boeken die mooie nadenk-literatuur opleveren. Dat klinkt als zware kost, maar Westera verstaat als geen ander de kunst van het luchtig en komisch verweven van de existentiële met de juist alledaagse verwondering over die thema’s. Weve versterkt het geheel met haar krachtige en dynamische illustraties.

    Voorbije liefde

    Zo ook in Uit elkaar, een boek ingegeven door de verzuchting van een basisschoollerares dat ze op maandagmorgen altijd precies kon zien wie er gescheiden ouders had. Die kinderen waren doodop van de papa- of mamaweekenden waar álles uitgehaald moest worden. Dit soort worstelingen met nieuwe gezinssituaties na een echtscheiding vangt Bette Westera vanuit kinderperspectief treffend in haar ritmische verzen. Zoals de brief naar de onderwijsminister waarin ‘kinderen van twee vaders en twee moeders’ pleiten voor een maandje langer zomervakantie. Er moet immers zoveel in gepropt worden:

    Wij gaan twee keer op vakantie.
    Op zich een goed idee.
    Eerst met onze ene ouders,
    dan met onze andere mee.
    Maar dan blijft er weinig over
    om nog even thuis te zijn
    of bij oma te logeren,
    en dat vinden wij niet fijn.

    Praktische zelfhulprijm

    Die omgedraaide voordelen en van een andere kant bekeken nadelen vind je in het verfrissende boek overal terug. Dat maakt dat dit geen zielig boek is. ‘Uit elkaar’ is uitermate troostrijk en opbeurend. Warm en grappig. Zeker niet bedoeld als zelfhulpgids – Westera noemt het ‘gewoon gedichten’ – maar dat kinderen hier soms een praktisch handvat uit kunnen peuren zodat ze met iets rechtere rug de deur uitstappen, is niet uitgesloten. Pak alleen al de snedige antwoorden op foute vragen:

    Is je vader weggelopen? / Wat een vreselijke vent! / Valt ontzettend mee, ik vind / dat u veel vreselijker bent. /

    Of

    Ga je haar nu mama noemen? / Mama? Nee, dat denk ik niet. / Rosalinde vind ik mooier. / Maar ze heet gewoon Margriet. /

    Rechttoe rechtaan

    Grotere thema’s verpakken in ontnuchterende dagdagelijkse details is Westera wel vertrouwd. Verwacht van haar daarbij geen experimentele poëzie. Haar verzen zijn rechttoe rechtaan en doen aan de verraderlijke eenvoud van die van Annie M.G. Schmidt denken: Zijn eerste moeder heeft hij nooit gekend. / Ze heette Joyce, ze was opeens verdwenen. / En toen hij net aan Anja was gewend / werd papa weer verliefd. Toen kwam Irene.
    Niet overal loopt de melodie even soepel. Soms lijkt Westera verstrikt te raken in het verhaal dat in rijm moet worden geknoopt en verliezen de regels vaart of stokt de cadans. Maar vaker zijn ze meer dan raak. En alles uit het brede spectrum van voorbije liefdes en nieuwe mens- (of dier-)combinaties komt voorbij. Van vreemdgaan tot dementie en van een kleinkind met vier opa’s en vijf oma’s tot een meisje dat gepest wordt omdat ze de enige in de klas is met nog getrouwde ouders. Maar er is ook een gedropt koekoeksjong, en twee pinguïnmannen met een hevige eierwens.

    Avontuurlijke tekenchaos

    Bij deze verrassende teksten weet Sylvia Weve haar (deels digitale) verfdoos wel te roeren. Ze krast vaders letterlijk weg en propt nieuwe halfzusjes (van nog net geen tachtig pond) in krappe kinderwagens. Naast ‘stemmig’ grijs en dunne zwart-wit pentekeningen stralen je hier en daar ferme streken fluo-roze en geel tegemoet. De energie spat letterlijk van deze avontuurlijke tekenchaos af. De kracht van die kleurzetting vindt wel zijn hoogtepunt in het ontroerende gedicht ‘Onzin’. Bij het schrijnende lag-het-aan-mij-schuldgevoel van een jongetje knalt Weve een kolossaal roze kruis over de verder diepgrijze spread. ‘Om de dooie dood niet!’, schijnt ze het bedeesde jochie onderaan de pagina een hart onder de riem te willen steken. Wie daar niet even van moet slikken, is een ijspegel.

    Zinderend ontwerp

    Dat de symbiose tussen schrijver en illustrator hier van één plus één drie maakt, wordt door de gedurfde vormgeving vanzelf vier. Of vijf. Alles ademt het uit elkaar-zijn. De op Japanse wijze (dubbelgevouwen maar niet losgesneden) gebonden pagina’s, uiteen gehaalde woorden die pas na omslaan verdergaan en een kussende bruid op de voorzijde die op het binnenblad juist een vluchtend bruidje lijkt. Alles is los en hoort toch nog bij elkaar. En het laatste binnenblad is diepdiep harterood. Want waar een scheiding is, was ooit toch liefde.

    ‘Uit elkaar is meer dan een kindergedichtenboek. Het is een gezinsboek, ook als je (nog) niet gescheiden bent. Want dat geeft helemaal niets.

     

     


    Literair Nederland is bezig met het opzetten van Jong Literair Nederland. Om alvast in de stemming te komen, zullen er de komende tijd ook recensies over kinder- en jeugdboeken op Literair Nederland verschijnen. Wij zijn op zoek naar recensenten. Ben je bekend in de kinderboekenwereld? Lees je kinderboeken en lijkt het je leuk ze te recenseren, laat het ons weten of stuur alvast een proefrecensie op!  mohana@literairnederland.nl of carolien@jong.literairnederland.nl

     

  • De werkelijkheid rondom moeders vertrek

    De werkelijkheid rondom moeders vertrek

    Terwijl Vallen is als vliegen nog overal geroemd wordt als welhaast het beste Nederlandse boek van 2019, zou men bijna vergeten dat ook De ochtend valt van Manon Uphoff herdrukt werd. Deze opvallende novelle die in 2013 werd bekroond met de Opzij-literatuurprijs verscheen eind 2019 in een nieuw jasje, mooi geïllustreerd met tekeningen van Sylvia Weve. Subtiele, suggestieve novelles zijn niet nieuw voor Uphoff. Ook met De vanger (2002) en De bastaard (2004) bekoorde ze haar lezers.
    De ochtend valt is een bijzonder korte novelle. In amper 62 bladzijden vertelt ze het verhaal van een ontwricht gezin ergens in de jaren zestig in Engeland.

    Suggestieve overheerst

    Ook hier is de suggestie vaak veel belangrijker dan wat er werkelijk geschreven staat. Alles wordt gezien vanuit het gezichtspunt van de tiener Michael, die vanaf het begin duidelijk maakt: ‘Wij zijn normale kinderen, in een normaal huis.’ Niets is minder waar. Centraal staat een ingrijpende gebeurtenis in het gezin. Op een avond is Michael getuige van de moord van zijn vader op zijn moeder. Althans dat ziet of denkt hij gezien te hebben. De volgende ochtend ligt op de keukentafel een eenvoudig briefje in het handschrift van zijn moeder: ‘Jongens, vergeef me, het spijt me, ik moet hier weg, zo kan het niet blijven.’  Vader houdt vol dat ‘Mah’ is weggegaan en dat ze wel zal terugkeren. Wat de waarheid is, blijft in het midden en is ook niet belangrijk voor het verhaal. Michael begint zich vragen te stellen over wat hij al dan niet gezien heeft, maar beseft dat de toekomst van het gezin op zijn schouders rust.

    Ontspoord gezin

    Na verloop van tijd begint de herinnering aan de gebeurtenis en aan de moeder te vervagen, bij iedereen van het gezin. Michael neemt de taken van zijn moeder over: wassen, koken, poetsen en de zorg voor zijn vader, broertje Glenn en zusje Natalee. Dan blijkt algauw dat het hier niet gaat om een doorsnee gezin. Het is een ontspoord gezin dat probeert het hoofd boven water te houden. De lezer ontdekt dat er heel wat speelde in het gezin, ook voor moeder ‘vertrok’.
    Mah was bezig de binnenkant van haar linkerarm te bewerken met een scheermesje, met lange verticale halen. Het was een bizar gezicht omdat ze het deed aan de ontbijttafel, tussen de broodjes en beschuitjes met aardbeienjam door.’
    Zelfverminking, zelfverloochening en verwaarlozing zijn prominent aanwezig in het gezin. Alles speelt zich af in de beklemmende sfeer van het huis. De lezer zit mee opgesloten in de bedompte, kille ruimte en krijgt een claustrofobisch gevoel. Die beklemming zit ook in het hoofd van Michael die samen met de rest van het gezin een eenzaam bestaan leidt. 

    Wrang gevoel

    Uphoff brengt heel subtiel verschillende thema’s aan. Die moeten aangevuld worden door de lezer zelf. Ze werkt met heel veel witregels, die niet alleen het gemis van de moeder suggereren, maar evenzeer ruimte bieden aan de lezer om na te denken en in te vullen. Uphoff blijft spaarzaam met informatie en doet een beroep op het inlevingsvermogen van de lezer. De harde realiteit van misbruik en incest wordt niet als dusdanig genoemd, maar is tussen de regels aanwezig. Daarnaast zoekt de lezer naar de waarheid achter het verhaal, de juiste toedracht van wat Michael zag. Voortdurend balancerend tussen fantasie en werkelijkheid die ook aanwezig is in het hoofd van Michael. De stijl van korte en suggestieve beelden werkt wonderwel. Er wordt vaak meer gezegd in wat niet beschreven wordt. Na lezing leg je deze krachtige novelle niet zomaar opzij. Wat blijft is een wrange mengeling van medelijden en hulpeloosheid, en een hoofd vol tegenstrijdige gedachten.

     

  • Omdenken in optima forma

    Omdenken in optima forma

    Roos van Rijswijk debuteerde in 2016 met de roman Onheilig, veelgeprezen en bekroond met de Anton Wachterprijs voor het beste debuut. Door de Volkskrant werd ze uitgeroepen tot ‘Talent van het jaar’.
    En dan is hier haar tweede boek: De olifant van de bovenbuurman. Schrijvers staan altijd voor de vuurproef met een tweede boek. Wie op een roman rekende of op een verhalenbundel, komt bedrogen uit. Hoewel, bedrogen? 

    Fantasie
    De olifant van de bovenbuurman is een, tja, wat is het eigenlijk? Een afrekening, leuk, toch stiekem een verhalenbundel, een verzameling cursiefjes, frustraties wegschrijven, therapeutisch? Het is het allemaal. Een buurvrouw komt er achter dat haar bovenbuurman met geheimzinnige en lawaaimakende zaken bezig is. Ze realiseert zich na een paar keer klagen dat klagen niet helpt en denkt om.

    Een ding is zeker: het is een geweldig boekje. Het illustreert hoe je van je nadeel een voordeel kunt maken, hoe je van je ergernis over en de overlast van een lawaaimakende bovenbuurman een bundel kunt maken waar de humor de boventoon voert en de fantasie de hoofdrol speelt.
    Een aantal voorbeelden van lawaai: de bovenbuurman neemt een olifant als huisdier die tapdanst en op een skippybal het huis doorgaat. De buurman heeft als hobby gaten boren in muur en vloeren en verwarmingsbuizen schuren. Hij leegt zakken met knikkers op het parket zodat hij niet meer hoeft te lopen. Als hij somber is vindt hij rust bij een cursus percussie in en om het huis. En zo gaat het maar door.

    Laagjes
    De bovenbuurman woont alleen en heeft al snel een olifant inwonen. En dan zijn er nog de los-vaste gasten. Eerst een kangoeroe: de olifant was zo eenzaam en pikte hem op bij een feest. Later komen er nog een bizon, een zeehond en een specht over de vloer om feest te vieren (en nog meer herrie te maken) en uiteindelijk verrast de buurman de olifant met een zeeleeuw, want de olifant vond het wat stilletjes worden zo alleen bij de buurman. Tussendoor begint buurman een Bed & Breakfast: er moet brood op de plank komen. Bovendien geeft het wat aanloop en heeft de olifant zo wat aanspraak. De eerste gasten zijn zes Britten, waardoor Van Rijswijk de grootste clichés over Britten een plek kan geven.
    Waanzin en Kolder, beide met hoofdletters. Wat ontzettend leuk.

    Er zitten nog wel wat laagjes in dit boekje: de olifant is erg gevoelig, maakt zich zorgen over haar gewicht en of iedereen haar wel aardig vindt. De buurman is ook gevoeliger dan je zou denken: hij houdt heel veel rekening met de olifant. Maar gek genoeg alleen met haar: de rest van de wereld, laat staan een onderbuur, bestaat niet. Een eigen universum dus. De maatschappij bestaat niet of in ieder geval: buurman houdt daar geen rekening mee. Hij leeft zijn eigen leven, vindt dat hij recht heeft op zijn autonomie en gaat gewoon door waar hij mee bezig is.Roos van Rijswijk heeft aangegeven dat ze wel met haar bovenbuurman contact heeft gehad, dat ze hem ook wel snapte, maar dat hij niet van plan was zijn manier van leven te veranderen.
    Wellicht is dit boekje dus ook te lezen als een schrijnend voorbeeld van verwarde mensen die hun plaats in de samenleving op hun eigen wijze invullen en geeft Van Rijswijk aan dat niet deze mensen zullen of moeten veranderen, maar de manier waarop wij er mee omgaan.

    Het boekje is prachtig geïllustreerd door Sylvia Weve.

  • De literaire tekening als commentaar op een tekst

    De literaire tekening als commentaar op een tekst

    Liever horen we onszelf van Renate Dorrestein is oorspronkelijk geschreven als ‘het luistergeschenk ter gelegenheid van de Week van het Luisterboek 2014’ . Mila, het hoofdpersonage van het verhaal, heeft een heel eigen stem. Ze biedt metaforen en combineert in fraaie taal het abstracte met het concrete, zodat er interessante beelden in de hoofden van de lezers ontstaan. Ze heeft het over ‘een enclave die nog altijd aan smokkelaars en algehele weerspannigheid herinnert’ (14), een varkensverblijf is ‘opgetrokken uit pure wilskracht en wat oude pallets’ (15), haar schoonmoeder omschrijft ze zo: ‘Het gespikkelde zonlicht trekt een stippellijntje om haar heen, zoals op de knipplaten van vroeger. Elk moment kan iemand haar uitknippen en zal ze wegwaaien op de wind’ (30). Mila spreekt van het smoren van een herinnering ‘onder de deken’ van een afleiding. (37), de tijd ‘is niet langer verkaveld’(40), haar verdwenen geliefde heeft ‘het postuur van een ondervoede student’ (57) en gedroogde paddenstoelen zijn ‘bleek en gerimpeld als de gezichtjes van stokoude dwergen’ (55). Wie dingen zo weet te verwoorden neemt de lezer voor zich in. Dorrestein slaagt er goed in om deze Mila tot leven te wekken, meer dan de herinnering aan haar spoorloos verdwenen vriend, van wie de zeilboot waarmee hij vertrokken was onbemand is teruggevonden. Deze jongen blijft een mysterie, een bewuste keuze van de schrijfster. Het verhaal speelt zich grotendeels af in het huis van de schoonmoeder van Mila, die weinig sympathie voor haar voelt, zoals Mila’s eigen ouders haar vriend eigenlijk te min vonden. De schoonmoeder lijkt zich neergelegd te hebben bij het gegeven dat haar zoon er niet meer is. Voor Mila geldt dit niet.

    Beeld dat de tekst becommentarieert
    Thema van het verhaal is het omgaan met verlies en onzekerheid, maar het is vooral de stijl die deze vertelling aantrekkelijk maakt. Dat geldt niet alleen voor de bewoordingen, maar ook voor het beeld. Het boek is voorzien van illustraties van Sylvia Weve die ooit onder meer een Gouden Penseel won. Op het eerste gezicht lijkt het uitbrengen van dit verhaal met illustraties ingegeven door overwegingen van de uitgever (zoals een andere uitgever Dorresteins boek met schrijftips, Het geheim van de schrijver, ooit een pakkende titel meegaf, terwijl in dat bewuste boek veel onthuld wordt, maar natuurlijk niet het geheim van de schrijver). Deze overwegingen zou men zo kunnen verwoorden: het gaat om het oplossen van de kwestie hoe een kort verhaal (korter nog dan een novelle, die al niet veel worden gepubliceerd) toch apart uitgegeven kan worden als enigszins substantieel boek. Maar schijn bedriegt. De tekeningen van Weve voegen daadwerkelijk iets toe. Ze zijn, gezien de achtergrond van het ontstaan van het verhaal als luisterboek, achteraf gemaakt, niet in wisselwerking met Dorrestein tijdens haar scheppingsproces. Ze zijn dus eerder een commentaar op de tekst, dan dat er sprake is van samenwerking om tot een Gesamtkunstwerk te komen. Liever horen we onszelf maakt deel uit van een serie van door Weve geïllustreerde boeken van Querido (van Annejet van der Zijl, Hella Haasse en Rascha Peper), waarmee de uitgeverij lijkt te willen aangeven dat niet alleen schrijvers maar ook tekenaars werken aan een samenhangend oeuvre.

    ‘Literaire tekeningen’
    Volgens kunsthistorica Saskia de Bodt wordt tegenwoordig ‘volwassen literatuur niet of nauwelijks geïllustreerd’, hetgeen eigenlijk opmerkelijk is omdat we in een beeldcultuur leven. Wel zien we hedendaagse graphic novels voor volwassenen met een literair gehalte en nog altijd veel prentenboeken voor de allerjongsten, vaak ook met een literaire connotatie. Maar het literaire boek met afbeeldingen voor volwassenen is niet erg wijdverspreid.

    Het cultuurproduct van Dorrestein en Weve is geen prentenboek voor volwassenen, en ook geen tekststrip, genre ‘Bommelsaga’. Het is moeilijk een genre te definiëren waartoe Liever horen we onszelf wel zou behoren. De tekeningen van Weve zijn eigen. Ze zijn in kleur wat opmerkelijk is, omdat men kleur misschien met een kinderboek zou associëren. Maar de afbeeldingen zijn duidelijk geen snoep voor het oog, als in een creatie van Disney. De lezer wordt erdoor uitgedaagd, het wordt hem niet makkelijk gemaakt. Het gaat om prenten die ‘literaire tekeningen’ genoemd kunnen worden. Ze plaatsen het boek niet in een context van vermaak, maar zorgen ervoor dat men de interpretatie van Weve van de tekst van Dorrestein actief onderzoekt. Literaire tekeningen zijn kunstzinnige prenten met een narratieve achtergrond.

    Een aanzet tot kritische reflectie
    Critici van het geïllustreerde boek (en ook van de strip) stellen vaak dat de beleving van de lezer te zeer gestuurd wordt, zodat het plaatje dat deze zelf in zijn of haar hoofd zou moeten vormen al bij voorbaat vernietigd wordt. Met andere woorden: de beelden sturen de ervaring al te zeer, zonder veel fantasievolle eigen inbreng van de lezer. Dat is in dit boek echter niet het geval. Men wordt er juist toe aangezet te reflecteren op het ontstaan van een project als dit: de unheimische, expressionistische prenten van Weve sturen misschien de ervaring, maar dus ook de kritische reflectie: haar commentaar op de tekst maakt deze rijker. De literaire tekening voedt de geest van de lezer die met Liever horen we onszelf twee zaken krijgt voor de prijs van een. De eigen fantasie en de noodzaak tot bespiegeling wordt er eerder door gestimuleerd dan beperkt. De lezer wordt niet vermaakt, maar uitgedaagd, er wordt een sfeer geschapen die de tekst van een uitroepteken voorziet. En een boek dat zinnen bevat als: ‘het licht op de veranda lijkt groen, alsof de zon in een wijnfles is gezakt’ (13) is sowieso al de moeite waard.

     

  • ‘Een luchtig sprookje’

    ‘Een luchtig sprookje’

    Misschien hebt u dat ook wel, dat u na een zware roman of een ander veeleisend boek even iets lichters wilt lezen, zoals je de dag na een overdadig diner eigenlijk alleen maar trek hebt in een salade. In zo’n geval komt Waterscheerling, een postuum uitgegeven verhaal van de in 2013 overleden Rascha Peper, als geroepen. Echt nieuw is dit verhaal niet, want het verscheen al in de verhalenbundel Een Siciliaanse lekkernij (2014), maar het kan nog steeds bekoren.

    Plaats van handeling van dit sprookje voor volwassenen is een Veluws dorp in de jaren vijftig. Het gezin van Wisselwachter Tienverloren woont daar in een huisje met een diepe, geheimzinnige waterput. Uit voorzorg heeft vader een eikenhouten deksel laten maken waarop een zware steen rust. Zijn eigenzinnige dochter Stella, een nakomertje dat niet veel gemeen lijkt te hebben met haar robuuste, blonde broers of plompe ouders, is van jongs af aan gefascineerd door de put, maar de kinderen krijgen vaak genoeg te horen dat ze uit de buurt moeten blijven.

    Als de kinderen groter worden, schijnt het gevaar van de waterput te zijn geweken. Ook Stella is inmiddels geen klein meisje meer. Jongens interesseren haar weinig, maar ze brengt wel veel tijd door met Pirre, die astronomie studeert. Stella kan met haar complexloze natuur echter op weinig begrip rekenen van haar vader, zeker als hij haar in haar blootje aantreft in het bos: ‘De aanblik van haar naaktheid had de vader een schok gegeven. Niet alleen doordat ze daar zo uitdagend zat met haar zeventien jaren, maar ook omdat ze zo mooi en fragiel was, met haar witte billen op haar voeten en haar kleine meisjesborsten naar de zon geheven. Hij had zijn dochter al jaren niet meer naakt gezien en was haast pijnlijk getroffen door haar schoonheid. Niettemin had hij haar ’s avonds bars tot de orde geroepen over haar gedrag.’

    En dan slaat het noodlot toe, de conflictueuze vader-dochterverhouding triggert Stella’s verdwijning: ‘Kort na haar achttiende verjaardag was Stella op een ochtend verdwenen. Het houten deksel en de steen lagen op de grond naast de put.’ Een grote verrassing is dat niet voor de lezer, want doordat de aandacht haast voortdurend op de waterput wordt gevestigd, weet die wel wat er gaat gebeuren. Hermans zei het al: er mag geen mus van het dak vallen, zonder dat het een gevolg heeft, en voor hem was er Tsjechov: ‘Als er in het derde bedrijf een geweer afgaat, tone men in het eerste een geweer.’ Alleen is het voor de verhaaltechniek dan wel beter om die mus niet al te nadrukkelijk naar beneden te laten donderen en bij voorkeur te laten opduiken op een moment dat de lezer eigenlijk al vergeten was dat het beestje op dat dak zat…

    Stella blijft spoorloos. Pirre mist zijn geliefde en waagt zich in de waterput om haar te zoeken: ‘Afdalend hoorde hij zijn eigen gejaagde ademhaling en het doodse schuren van zijn rug en schouders langs de putwand; de doffe geluiden die zijn voeten maakten bij het stoten tegen de stenen leken direct door het binnenste der aarde verzwolgen te worden.’ Hij volgt haar met andere woorden naar de onderwereld, voor wie de parallel wil trekken met de mythe van Orpheus en Eurydice of het sprookje van vrouw Holle. Dat blijkt een onderwaterwereld te zijn: ‘Toen er een groepje blikkerende vissen uit de boom schoot, merkte hij dat het geen wind was die de takken beroerde, maar een stroming. Hij was onder water.’ Hoe de zoektocht naar Stella daar afloopt, zullen we niet onthullen, maar de hereniging met zijn geliefde is een groots moment: ‘Toen ze moe werd en uithijgde naast zijn struik, zag hij haar roze geworden wangen van opzij, haar ogen met door het water knipperende wimpers, haar blote armen met een armbandje van bloedkoralen om de rechterpols, de welving van haar borsten in het truitje, en hij rilde van begeerte.’ Daarna rest natuurlijk nog het lastigste deel van de reis: de terugkeer naar de bovenwereld…

    Dit sprookje voor volwassenen moet het hebben van de stijl, waarmee Pepers voorliefde voor ongebruikelijke woorden en neologismen naar voren komt (najaden, koptelefoonvlechten, …). Uit een naschrift blijkt dat dit verhaal is geïnspireerd door een interview met filmmaker Alex van Warmderdam, die een scène in zijn hoofd had met een personage dat in het water valt en op de bodem een huisje in een onderwaterwereld aantreft. Die scène bleek te duur te zijn om te verfilmen. Dat technische of financiële beperkingen nooit een belemmering vormen, is natuurlijk een mooi voordeel voor schrijvers waar regisseurs alleen van kunnen dromen. En vandaar dit charmante, op één idee gebaseerde verhaal. Maar soms hoeft het echt niet meer te zijn.