• Albertine Agnes, een bijzondere vrouw van haar tijd

    Albertine Agnes, een bijzondere vrouw van haar tijd

    ‘Den 3 may vrijdach ben ick eerst bij de princes Albertina te bedde gegaen’. Dit noteerde de Friese stadhouder Willem Frederik van Nassau-Dietz daags na zijn huwelijk met Albertine Agnes van Oranje Nassau in zijn dagboek. Het ging in dit huwelijk niet om liefde, maar om nageslacht. De dynastie moest voortbestaan. In het huwelijkscontract liet Willem Frederik vastleggen dat de ‘bruijloft ende copulatie’ meteen na de ondertekening van het huwelijkscontract zouden plaatsvinden.

    Wie is Albertine Agnes?

    Als vijfde dochter uit het huwelijk van stadhouder Frederik Hendrik met Amalia van Solms is Albertine Agnes politiek alleen van betekenis als mogelijke huwelijkspartner. De rol van vrouwen in het politieke leven was in de 17e eeuw marginaal. Alles draaide om de zoon, de erfopvolger, haar oudere broer, de toekomstige stadhouder Willem II. Voor de meeste mensen is Albertine Agnes dan ook een vrijwel onbekende vrouw. Het feit dat Sunny Jansen een biografie schrijft over Albertine Agnes prikkelt dan ook de nieuwsgierigheid, zeker omdat zij gepresenteerd wordt als de redder van Friesland in het Rampjaar 1672.

    Vorstelijke ambities

    Aan het eind van de Tachtigjarige Oorlog was de Republiek uitgegroeid tot een van de economisch machtigste staten van Europa. Frederik Hendrik en Amalia van Solms wilden dit ook uitstralen door zich koninklijke allures aan te meten, hoewel de Oranjes zich in status totaal niet konden meten met die van echte koningen. Zij putten zich uit in het bouwen van schitterende paleizen beschilderd door de grootste schilders van hun tijd. Het hof van Amalia van Solms werd gefrequenteerd door alle groten der aarde. Albertine Agnes groeide op in weelde en met het besef dat status en macht twee kanten zijn van dezelfde medaille. Haar moeder, Amalia van Solms, deed er alles aan om voor haar kinderen een aanzienlijke partij te vinden. Haar zoon Willem II liet zij trouwen met Mary Stuart, een dochter van de Engelse koning Karel I, maar toen de Friese stadhouder en familielid Willem Frederik zijn oog op Albertine Agnes liet vallen, hield Amalia de boot af. De Haagse en de Friese Oranjes waren met elkaar gebrouilleerd om politieke redenen. Bovendien vonden zij en Albertine Agnes Willem Frederik te oud, te saai en was zijn Friese hof te armoedig en te provinciaal. Uit zijn dagboeken weten wij dat Willem Frederik vasthoudend was en niet van plan zich gemakkelijk te laten afschepen. Pas jaren later, toen de politieke verhoudingen veranderd waren, stemde Amalia toch toe in het huwelijk. Zelf had Albertine Agnes hier weinig over te zeggen. Op 18 januari 1657 was het dan zover, de geboorte van een Friese troonopvolger, Hendrik Casimir II.

    Van goede leerling tot politiek zwaargewicht

    Willem Frederik had zich inmiddels goed ingewerkt en zich de finesses van de ingewikkelde Friese politiek eigen gemaakt. De invloed van de plattelandsadel, de grietenijen, was in Friesland veel groter dan in Holland. Landbezit legde een veel groter gewicht in de schaal dan de handel. Hij slaagde erin een heel netwerk op te bouwen van relaties bij de Friese adel en regenten. Zo wist hij niet alleen zijn opvolging veilig te stellen, maar ook steun van de adellijke heren los te krijgen in geval Albertine Agnes als voogd zou moeten optreden voor haar zoon. Als Willem Frederik zich in 1664 per ongeluk zelf dodelijk verwondt met een pistoolschot, komt Albertine Agnes er alleen voor te staan. Zij heeft haar tijd echter goed besteed en zich de werkwijze van haar man zaliger eigen gemaakt door zich in te werken in diens netwerk en daar haar eigen stempel op te drukken. Sunny Jansen slaagt er in de figuur van Albertine Agnes in de ontwikkeling van dit politieke steekspel tot leven te brengen. Zij laat zien hoe Albertine Agnes zich steeds meer ontpopt tot een gezaghebbende figuur in het Friese politieke krachtenveld en vecht voor de belangen van haar zoon. Dit doet zij door optimaal gebruik te maken van de formele en vooral de informele kant van haar voogdijschap en later haar regentschap. Jansen laat haar held steeds verder groeien en weet haar zelfs te promoveren tot een soort moeder van Friesland als zij erin slaagt in het Rampjaar 1672 de Münsterse bisschop ‘Bommen Berend’ met de staart tussen de benen te laten afdruipen. Albertine Agnes weet door daadkrachtig optreden en gesteund door de gereformeerde predikanten (Doelisten) die grote invloed hebben op het ‘gemene’ volk de inertie van de Friese regenten en de Friese adel om daadwerkelijk maatregelen te nemen ter verdediging van Friesland te breken. Toch levert zij zich niet helemaal uit aan de Doelisten. Zij weet dat zij in de toekomst de regenten en de adel weer nodig zal hebben om de belangen van de dynastie veilig te stellen.

    Meer dan alleen een biografie

    Sunny Jansen heeft haar boek gebaseerd op prachtig bronnenmateriaal en zij geeft een uitgebreide literaire verantwoording. Een aantrekkelijke kant van het boek ligt in het feit dat het Rampjaar nu eens niet belicht wordt vanuit het Hollandse perspectief zoals in het standaardwerk van Luc Panhuysen daarover, maar vanuit het Friese perspectief, waar niet alleen een andere tak van de Oranjes in het zadel zat, maar waar ook de politieke verhoudingen totaal anders waren. Het laat zien dat de Republiek meer was dan Holland alleen. Jansens keuze om dit te laten zien aan de hand van een biografie van Albertine Agnes is zonder meer geslaagd te noemen. Het maakt een taaie materie invoelbaar en levend. Jansen laat Albertine Agnes zien als een onvermoeibare en geraffineerde strijder voor de belangen van haar zoon en de dynastie. Haar drijfveren om op te komen voor de belangen van Friesland zijn vooral van dynastieke aard, niet nationaal. Jansen portretteert haar als een weliswaar sterke vrouw met grote capaciteiten, maar niet als een feminist avant la lettre. Albertine Agnes is een conservatieve vrouw en representant van de normen en waarden die passen bij de standenmaatschappij van de 17e eeuw.

     

     

  • Nederland komt uit het buitenland

    Nederland komt uit het buitenland

    Alarmerend nieuws in Nature, begin juni: Tussen 2012 en 2017 verloor de Antarctische ijskap zeven miljoen kilo ijs. Per seconde. Het smeltproces ging daarmee drie keer zo snel als in de twintig jaar ervoor. Dat heeft gevolgen voor de stromingen op oceanen en zeeën en de hoogte van de zeespiegel. Moeten we daar wakker van liggen?
    In het onlangs verschenen boek Rivierenland van Sunny Jansen (auteur) en Martin van Lokven (fotograaf) komt de Delftse emeritus hoogleraar Waterbouwkunde Han Vrijling aan het woord. Hij wijst er op dat voorspelde zeespiegelstijgingen niet kloppen met de niveaus die we in werkelijkheid zien. Ook de gemeten gevolgen van de klimaatverandering voor onze rivieren zijn niet zo groot als deskundigen graag vertellen. Zou Vrijling zijn geschrokken van het themanummer van Nature?

    De keten klimaatverandering, zeespiegelstijging en de gevolgen van beide voor onze Nederlandse waterhuishouding is één van de onderwerpen in Rivierenland, waarbij duidelijk wordt dat heel verschillend gedacht kan worden over maatregelen om droge voeten te houden. Moeten we voorkomen dat we overstromingen krijgen door dijken te verhogen? Door rivierbeddingen te verdiepen of zelfs te verleggen? Door overloopgebieden te creëren? Laten we ons leiden door veiligheidsaspecten of door natuurbelangen? Het is één van de aardige aspecten van dit boek dat het die vragen niet alleen opwerpt maar de lezer ook stimuleert om er over na te denken.

    Fruitteelt
    Rivierenland. Nederland van Aa tot Waal (in de alfabetische opsomming komen na de Waal overigens nóg vijftien rivieren voor met als laatste Zwarte Water) schetst een breed spectrum van aan rivieren gelieerde verhalen: van het ontstaan ervan, veiligheid, natuur, scheepvaart, visvangst en dijkbeheer tot pleziervaart, oevervegetatie, handel enzovoort. Het boek is enigszins chronologisch opgebouwd, maar toch vooral thematisch. Jansen heeft gekozen voor korte afgeronde hoofdstukken in een journalistieke taal. Af en toe zijn ze gebaseerd op interviews met mensen uit de praktijk, zoals dijkgraven en wetenschappers, maar ook wandelaars langs de oevers. Van Lokven verzorgde er prachtige foto’s bij die er een prettig blader- en kijkboek van maken. De opzet werkt daaraan mee. De hoofdstukken staan vaak op zichzelf en er is niets op tegen om ze lukraak te lezen.

    Wie zich nooit verdiept heeft in de vraag wat voor aspecten allemaal aan rivieren verbonden zijn, wordt verrast door de keur aan onderwerpen die Jansen in 350 pagina’s voorschotelt, maar ook door de verrassende inzichten. Dat langs rivieren veel baksteenfabricage plaatsvond zal menigeen bekend zijn, maar dat er een verband is tussen fruitteelt en de rivieren: nooit geweten.

    Bloemlezing
    Anderzijds zullen sommige lezers onderwerpen missen. Waarom wel een interview met de maker van de Blue Road-map (een online routeplanner voor de binnenvaart in Nederland) en niets over het binnenvaartonderwijs? Waarom wel het gesprek met de wandelaars en niet de ervaringen van brug- of sluiswachters vóór die taken geautomatiseerd werden. Jansen realiseert zich dat niet iedereen in het boek tegenkomt wat hij er had willen vinden. In haar inleiding schrijft ze dat Rivierenland geen uitputtend overzicht is, maar eerder een bloemlezing. De verhalen zijn haar keuzes. En: ‘Dit boek streeft geen volledigheid na, het hoopt te inspireren en uit te nodigen om zelf op verkenning te gaan in het prachtige Nederland Rivierenland.’ Dat is inderdaad precies wat het doet.

    Auteur en fotograaf zij daarom vergeven dat historische overzichten soms wel eens kort door de bocht zijn, zoals de niet nader toegelichte bewering: ‘Uiteindelijk vochten de Romeinen meer tegen de rivieren dan tegen de Germanen’. En het merendeel van de illustraties is oogstrelend, maar niet elke lezer zal voor ogen hebben waar Herveld, Maurik, Meteren, Beusichem en Zoelmond liggen. Het zijn dorpen die onderliepen bij de grootste rivierramp die Nederland trof, in 1809. Bij dat soort beschrijvingen zouden detailkaarten verhelderend zijn geweest.

    Wie over die onvolkomenheden heen stapt met begrip voor de keuzes die auteur en fotograaf hebben moeten maken, houdt een boek in handen dat de ogen opent voor de enorme diversiteit van ons waterland, dat ooit ontstond op het sediment dat zo’n twaalf miljoen jaar geleden werd aangevoerd uit de toenmalige Scandinavische Eridanos. Napoleon dacht er volgens een (waarschijnlijk apocriefe) uitspraak ook zo over. Hij noemde Nederland een aanslibsel aan Frankrijk. Hoe dan ook concludeert Jansen: ‘Ons land komt dus eigenlijk uit het buitenland.’

     

     

     

  • Wat is herinnering en wat is verbeelding  

    Wat is herinnering en wat is verbeelding  

    In Uitval van Fleur Bourgonje (1946) kijkt een schrijfster, van ergens achter in de zestig, terug op haar leven. Zij heeft net haar manuscript ingeleverd bij haar uitgever. Op het Museumplein moet ze zich vastgrijpen aan een lantaarnpaal. Haar rechterbeen wil haar gewicht niet langer dragen. Een lange dag in het ziekenhuis met talloze onderzoeken volgt. Plotseling is de schrijfster zich enorm bewust van haar lichamelijke verval. En ze realiseert zich dat dit haar perceptie op haar leven heeft veranderd. Ze kijkt me andere ogen naar haar net voltooide manuscript. Jaren werk zit er in het optekenen van haar levensverhaal. Maar is taal wel toereikend om haar leven te vangen en vast te leggen? Ze betrapt zich erop dat ze veel gebeurtenissen van haar leven veelal onbewust en soms bewust gekleurd heeft weergegeven. Ze herleest haar manuscript en fileert daarmee ook haar eigen verleden.

    ‘De ervaringen waarvan ik meende dat ze mij hadden gevormd, stonden nu op papier. De afzonderlijke delen van mijn leven had ik tot een geheel geschreven waardoor ze de kracht verloren me te kunnen achtervolgen om te schokken, in verwarring te brengen of te ontroeren. Ik had, dacht ik, een of meerdere knopen ontward en de rode draad zo achteloos mogelijk door het verhaal laten lopen, een verhaal dat ik na lang aarzelen de dag tevoren in een gesloten envelop in vreemde handen had gelegd.’

    In cursief zijn delen van het manuscript weergegeven. Opvallend is de afstandelijkheid waarmee de schrijfster verslag doet van haar leven. Ze is geboren in een boerendorp als een van de vijf kinderen van een smid. Haar wereld is klein en benauwend.
    ‘Het afgezonderd zijn had me leren vechten, veroveren en afzien – maar ook inzien. Het was een inzicht dat me had geholpen zo autonoom mogelijk te leven. Voor het eerst verving ik – vragenderwijs – het woord “leven” door het woord dat er lijnrecht tegenover stond.’
    Juist die beperking zorgt voor een enorme vrijheidsdrang en zo gauw ze de kans krijgt verkent de schrijfster de wereld. Ze woont langere tijd in het buitenland samen met haar kind.

    Los van de verhaallijnen (het manuscript en haar commentaren daarop) bevat het boek een diepere onderlaag, een filosofisch vraagstuk. Wat is herinnering? Wat is verbeelding? En wat is subjectieve ervaring? Hoeveel ontkent ze? En wat vertelt ze niet uit zelfbescherming?
    Feit is dat elke beleving van wat er gebeurt in een leven altijd gekleurd wordt door de omstandigheden en dus niet anders dan een momentopname kan zijn. En om zo’n momentopname vast te leggen in een boek vraagt om inzicht in het eigen leven, in het verleden, maar ook in taal. Hoe zijn herinneringen te vangen in woorden om ze eeuwigheidswaarde te geven?

    In deze korte roman maakt Fleur Bourgonje fijnzinnig duidelijk dat geheugen én taal beide hun beperkingen hebben. Daardoor is het vrijwel onmogelijk de waarheid te achterhalen. En zelfs als dit gelukt is, hoe kun je deze, nog steeds subjectieve waarheid, in woorden vangen? De schrijfster worstelt met dit vraagstuk op een indringende, filosofische manier die ook de lezer tot nadenken aanzet. Zodra haar rechterbeen het toelaat, haast de schrijfster zich naar haar uitgever. Ze haalt haar manuscript terug. Vernietigen kan ze het niet, veilig opbergen wel.

    ‘Ik wilde het niet vernietigen, nee, ik zou het bewaren in dezelfde la als de fotoalbums van de beschreven jaren en de aandenkens die herinneringen en gevoelens belichaamden die ik was blijven koesteren. Wat en wie ik in het manuscript niet had kunnen, willen of durven noemen, verdienden in de schaduw te blijven, in de beschutting van het schemergebied tussen taal en zwijgen. Een volgend boek zou ik, nam ik me voor, niet vanuit de herinnerde werkelijkheid maar vanuit mijn verbeelding schrijven.’

     

     

  • Leestips voor de decembermaand – Sunny Jansen

    December-boekentips associeer ik met dikke boeken die je leest in een lekkere stoel voor de verwarming. Boeken die je opslokken en meenemen naar een andere wereld.

    Op de kaart van Simon Garfield is zo’n boek.
    Ik recenseerde het voor Literair Nederland in 2013, maar het is nog steeds één van mijn favorieten. Toegegeven, aanvankelijk had ik zo mijn twijfels: moet ik echt bijna 500 pagina’s over landkaarten lezen? Maar het bleek een geweldig boek: de geschiedenis van de mens aan de hand van kaarten. Op de kaart geeft niet alleen een historisch overzicht, de lezer wordt ook meegenomen op zeereizen naar onbekende oorden, naar landen met draken en naar bergketens die niet bestaan. Een ontdekkingsreis vanuit je comfortabele stoel.

    GodenslaapEen andere aanrader neemt je mee terug in de tijd, naar de Eerste Wereldoorlog. Godenslaap van Edwin Mortier is een meesterwerk. De Grote Oorlog wordt verteld aan de hand van het leven van een stervende oude vrouw. Mortier gebruikt sterke beelden: zoals hij een verwoest dorp beschrijft maakt dat je het dorp voor je ziet en de smeulende puinhopen ruikt. Zijn trage manier van vertellen is even wennen, maar prima geschikt voor lange decemberavonden.

     

    De groepMary McCarthy voert haar lezers in De groep terug naar het New York in de jaren dertig van de vorige eeuw. Negen jonge vrouwen zijn net afgestudeerd. Vol idealen en hoop beginnen ze aan hun leven. Ze vinden zich zelf ontzettend progressief, maar ze kunnen zich maar moeilijk van hun elitaire achtergrond los maken. Een inkijkje in ‘the American way of life‘. De groep is een portret van een generatie en vreemd genoeg is het boek nog steeds actueel.

     

    Het boek HenryIn 2012 won Hilary Mantel met Het boek Henry de Booker Prize. Na Wolf Hall is het het tweede deel in haar Tudortrilogie. Hoofdpersoon is de bekende en beruchte Hendrik VIII, die van al die vrouwen. In dit deel staat de val van Anna Boleyn, zijn tweede vrouw, centraal. Natuurlijk is het lot van Anna Boleyn, de moeder van de latere koningin Elisabeth I bekend, maar de opmaat naar haar onthoofding is intens beschreven. Het boek Henry geeft een prachtig inkijkje in de machtsstrijd aan het Tudorhof met de oppermachtige Oliver Cromwell, die zich terdege realiseert hoe afhankelijk zijn macht is van de grillen van Koning Henry VIII.

    door Sunny Jansen

  • Zonder rietpen verkommert de geest

    Zonder rietpen verkommert de geest

    Pim Wiersinga (1954) is vooral bekend als schrijfdocent. In toegankelijke boeken helpt hij beginnende schrijvers op weg. Onlangs verscheen zijn nieuwe roman Het paviljoen van de vergeten concubines. 

    Het paviljoen van de vergeten concubines speelt zich af in het achttiende-eeuwse China. De vrouwelijke tolk Cao is verbannen naar het paviljoen van de vergeten concubines omdat de Britse gezant Macartney voor wie zij moest tolken weigerde om te knielen voor de keizer. Een onvergeeflijke inbreuk op de etiquette waarvoor Vrouwe Cao zwaar moet boeten. Cao schrijft brieven aan de keizer om haar hachelijke situatie onder zijn aandacht te brengen. Ze vraagt zich in haar eerste brief af hoe zij de Drakentroon kan dienen vanuit een kerker in de Verboden Stad en smeekt om schrijfgerei: ‘Zonder de rietpen verkommert de geest, zonder papier verdorren ideeën. De Majesteit zal dit wel weten: hij is immers zelf dichter!’ Ook verwijst ze fijntjes naar haar verwantschap aan de schrijver Cao Xueqin. En met zijn roman beginnen de problemen.

    Vrouwe Cao’s brieven zijn doorspekt met formaliteiten en beleefdheden. Tradities en etiquette maken de brieven moeilijk leesbaar. De hele roman is opgebouwd uit deze brieven, die soms officiële stukken of verordeningen van de keizer zijn. Dat maakt het taalgebruik in deze roman stroef. Toegegeven; dat past bij de sfeer die de roman uitademt en het past bij de tijd en de sociale klasse waarin het verhaal speelt, maar het maakt het lezen van dit boek hard werken en geen ontspannende ervaring.

    Vrouwe Cao is een complexe hoofdpersoon. Zij is verwant aan de overleden auteur Cao Xueqin (1715-1763), wiens meesterwerk Droom van de Rode Kamer net voor het eerst in druk is verschenen. Deze roman is zo populair dat het keizerlijke hof verontrust raakt. Onlusten bedreigen het corrupte en onderdrukkende regime. De oppercensor Heshen legt zijn functie neer en sluit zich aan bij de opstandelingen. De intellectuele Vrouwe Cao, in haar jongere jaren de minnares en leerlinge van Cao  Xueqin, wordt de personificatie van de opstand tegen de keizerlijke dynastie. Haar belezenheid en welbespraaktheid vormen een gevaar voor de heersende machthebbers. En dan heeft ze ook nog eens de ambitie een roman te schrijven in de geest van haar leermeester Cao Xueqin. Ze hoopt dat haar geliefde, de Nederlandse gezant Isaac Titsing haar benarde positie kan verlichten. Boven alles wil zij bij hem zijn, maar wanneer de keizer haar verordent met hem te trouwen weigert zij. Overigens is de Droom van de rode kamer echt verschenen en heeft Isaac Titsingh  echt bestaan.

    Niet alleen het taalgebruik maakt deze roman ingewikkeld, datzelfde geldt voor het ondoorzichtige machtsspel dat gespeeld wordt. De opperraadsheer Heshen straft Cao, tot ongenoegen van de keizer. In de onduidelijke situatie van sociale onrust in het keizerrijk wordt Heshen ter dood veroordeeld door de keizer die hem op het nippertje gratie verleend. Het blijft gissen waar de werkelijke macht ligt. De verhoudingen worden niet duidelijk, vooral omdat er in de brieven, de enige informatiebron voor de lezer,  flink gemanipuleerd wordt. Bovendien, waar ligt de waarheid? Tenslotte schrijft iedereen om zijn eigen doel te bereiken. Extra complex is het dat in dit machtsspel het perspectief continu verschuift.

    Al met al gebeurt er teveel tegelijkertijd in deze roman en dat is door het archaïsche taalgebruik, de vele tradities die beschreven worden en het subtiele machtsspel nauwelijks meer te volgen. Als Wiersinga een duidelijker thematische keuze had gemaakt, bijvoorbeeld de positie van een intellectuele vrouw in het 18e eeuwse China was dit de leesbaarheid ten goede gekomen.

     

  • Duivelse bedrieglijkheid

    Duivelse bedrieglijkheid

    Soms lees je een prachtig boek dat je met een ongemakkelijk gevoel achterlaat. Satanstango is zo’n boek. László Krasznahorkai (Hongarije, 1954) schreef zijn debuutroman Satanstango al in 1985. Op dat moment gebeurde er veel in Hongarije, zelfs datgene dat niemand had verwacht. Het land veranderde, het communistische regime van leider Kádár wankelde. Dat maakte veranderingen in de literatuur mogelijk. Boeken die eerder taboe waren, werden nu wel uitgegeven. Satanstango verscheen, en oogstte zelfs lovende kritieken. Al was ook dit boek nog deels ‘veilig’ metaforisch: het verhaal zou zich overal hebben kunnen afspelen, al is het duidelijk dat Hongarije de plaats van handeling is.

    Satanstango speelt zich af op een naamloze, onherbergzame plaats, die ‘de kolonie’ wordt genoemd. Een toekomst is er niet, hoop evenmin sinds de landbouw ten onder ging. Armoede, leegte en uitzichtloosheid overheersen. Net als haat,wantrouwen en drankzucht. Een fijne plek is de kolonie niet. Het handje vol achtergeblevenen, de enigen die niet naar de stad trokken, weet dat hun situatie uitzichtloos is en dat redding onmogelijk is. Toch laten ze zich inpalmen door Irimiás en zijn helper Petrina. Misschien toch, tegen beter weten in, uit hoop op een beter leven? De kolonisten, al is dat eigenlijk niet echt de juiste naam voor het hulpeloze groepje ‘slaven zonder meester’, hebben slechts achternamen, zoals Kráner en Futaki. Anderen worden gekarakteriseerd door hun beroep zoals ‘de dokter’. De groepsdynamiek in de kolonie is fascinerend, net als de interactie tussen Irimiás en Petrina. ‘Luister makker, jij bent mijn leermeester, mijn redder, de nagel aan mijn doodskist en mijn moordenaar,’ is Petrina’s reactie als Irimiás hem vertelt dat ze teruggaan naar de kolonie. Wat er in het verleden gebeurd is, wordt niet duidelijk. Waarom ze verdwenen en doodgewaand werden, laat Krasznahorkai in het midden. Wel is meteen duidelijk dat hun terugkeer de ingeslapen kolonie in beweging brengt. Zoals vaak in deze roman duurt het even voor het voor de lezer duidelijk wordt wat er gebeurt of waar de scène over gaat. Dat leidt tot desoriëntatie en onrust, vooral over het centrale onderwerp van het boek: de terugkomst van Irimiàs. Heel lang blijft het onduidelijk: hebben de kolonisten te maken met de verlosser of met de duivel?

    Omdat Krasznahorkai een wisselend perspectief hanteert, krijgt de lezer een divers beeld van het leven in de kolonie. Het perspectief wisselt niet alleen tussen de personages, soms is er ook een alwetende verteller. De perspectiefwisselingen en de vaak erg lange zinnen vragen flink wat concentratie van de lezer, maar die krijgt er wel iets voor terug: een zeer indringend beeld van het leven in de kolonie. Vooral de scènes vanuit het perspectief van de manipulerende Irimás zijn meeslepend, met name zijn toespraak vol duivelse bedriegelijkheid. Maar dan blijkt ineens dat alles anders is dan het lijkt en het verhaal begint opnieuw.

    Zoals gezegd, uitzichtloosheid en troosteloosheid voeren de boventoon. Maar vreemd genoeg verheft de auteur door zijn prachtige manier van schrijven armoede bijna tot schoonheid.
    Armoede is een thema dat regelmatig terugkomt in Krasznahorkai’s werk. Het tekende zijn kindertijd en in zijn werk romantiseert hij het bijna. Zoals hij op de achterflap zegt: ‘Het grootste verlies is het verlies van armoede, het vermogen om prachtige liederen te zingen als we arm zijn. Nu kennen we alleen nog maar mensen die geen geld hebben.’

    Het verwondert dat de Nederlandse vertaling van Satanstango zo lang op zich heeft laten wachten. Al bij het verschijnen in Hongarije kreeg het lovende kritieken en in 1994 werd het boek verfilmd tot een maar liefst 7,5 uur durende zwart-wit film die al snel een cultstatus bereikte. Maar nu is het dan eindelijk zover: de Nederlandse vertaling van een boek dat binnenkomt, maar niet vrolijk maakt.