• Pure nostalgie

    Pure nostalgie

    In De vlinderkus beschrijft regisseur, presentator en eindredacteur Cees van Ede zijn jeugdherinnering aan France Gall, het tienermeisje dat met Poupée de cire, poupée de son in 1965 het Eurovisie Songfestival won. Het verhaal begint met een bezoek aan de begraafplaats Cimetière de Montmartre in Parijs waar France Gall in 2018 begraven is. Ze heeft een nogal detonerende graftombe, vindt Cees, waarin ze met haar man Michel Berger en dochter Pauline ligt. Op drie glasplaten staan hun handtekeningen gegraveerd. ‘Nog één keer deel je je handtekening uit.’ De auteur spreekt Gall in je-vorm toe alsof het een brief aan zijn toenmalige vakantieliefde betreft.

    In de volgende hoofdstukken beschrijft de volwassen Van Ede het verhaal in de derde persoon, zijn jeugdversie noemt hij Kees, wat hem de vrijheid geeft om de herinnering ruimer te interpreteren. Het is uiteindelijk fictie. Van Ede’s stijl is wat zakelijk, maar afgewisseld met een persoonlijke, soms licht ironische toon leest het vlot, al blijft de lezer enigszins op afstand.

    Kees groeide op in Utrecht, Kanaleneiland in aanbouw, in een groot katholiek gezin waar ook opoe nog bij inwoonde. Zijn enige troost was een citer van een van zijn tantes, maar al gauw wilde hij meer. Hij had een witte gitaar gezien in een etalage op de Steenweg. De citer diende als ruilmiddel en Kees was de koning te rijk met zijn gitaar. Dat het een jazzgitaar was, wist hij toen nog niet.

    Heeroom Piet

    Heeroom Piet was Curé de Campagne in Bourgondië. Behalve dorpspastoor was deze oom ook aalmoezenier van een groot kinderkoor, Les Passereaux de Auxerre. Samen met dat koor zouden de veertienjarige Kees, zijn broer en een neef met heeroom Piet naar Bretagne reizen om daar drie weken aan zee te kamperen in Saint-Lunaire, niet ver van Saint-Malo. Hun taak was om te assisteren bij het in het gareel houden van de koorknapen. ‘Het duurde nog negen maanden voordat ze zouden vertrekken, maar Kees kon er nu al bijna niet meer van slapen.’

    In het derde hoofdstuk geeft Van Ede een korte biografie van France Gall. Ze had een relatie met Julien Clerc, en Serge Gainsbourg schreef haar winnende songfestivalliedje Poupée de cire, poupée de son. Van Ede geeft de door hem zelf vertaalde songteksten erbij, die in het Nederlands tamelijk simpel lijken, maar zoals Cees verzucht: ‘Waarom klinkt alles in het Frans zoveel mooier.’
    France Gall had haar zinnen op de succesvolle Michel Berger gezet. Berger schreef onder andere voor Veronique Sanson en had een relatie met haar. Toen Sanson naar Amerika Stephen Stills achterna ging, stapte France Gall in haar plaats. Berger werd haar tekstschrijver, ze trouwde met hem, ze kregen een dochter en hij wist haar zeer succesvol te maken.

    Heeroom Piet haalde zijn drie neven, die hij Kwik, Kwek en Kwak noemde, in Utrecht op en ze reden naar Frankrijk en vervolgens naar Bretagne. Kees zat graag op het strand van Saint-Lunaire met zijn gitaar en zong Lonely Boy van Paul Anka. Een groepje Franse jongeren kwam naderbij en aangetrokken door zijn gitaar, verzamelden ze zich om hem heen. Onder hen bevond zich Isabelle Geneviève Marie Anne Gall. ‘Zeg maar Isabelle.’ Ze was met haar twee broers, nichtje en neven, en ze vonden de muziek mooi en Kees voelde zich vereerd in hun middelpunt. Hij zong zijn liedjes en begeleidde zichzelf op de gitaar. Isabelle, diep onder de indruk, wilde dat Kees haar gitaar leerde spelen. Hij wilde niets liever. ‘Toen hij was uitgezongen boog Isabelle zich naar hem toe en drukte haar voorhoofd tegen zijn slaap. Hij voelde de warmte van haar huid en hoorde haar snelle ademhaling. Kort na elkaar sloot en opende ze haar ogen, waardoor haar lange wimpers zacht zijn wang beroerden. Ze herhaalde het een keer, en nog eens. Kees zag en hoorde niets meer, hij voelde alleen haar fluwelen wimpers op zijn wang. Kon hij de tijd maar stilzetten, dacht hij, zodat dit moment nooit voorbij ging. Toen boog ze weer achterover, keek hem ernstig aan en zei: ”C’est un baiser de papillon.” Een vlinderkus.’ Ze spraken samen af, wandelden hand in hand over het strand, droomden samen over de toekomst, zonder dat er al iets van haar zangcarrière duidelijk was.

    Ze zong over hem

    Na die vakantie bleven ze corresponderen, maar de pauzes tussen de brieven werden met het verstrijken der jaren groter. Ze zagen elkaar nog een enkele keer, de laatste keer in Bussum bij de opnames van de show van Johnny Kraaijkamp en Rijk de Gooijer, waar France Gall tussen de sketches optrad.
    In de epiloog is Cees weer op het kerkhof van Montmartre. Vol nostalgie blikt hij terug op dat wat eens was. In een interview leest hij dat ze wel degelijk een lied over hem gezongen heeft, haar favoriet, Christiansen. Cees had zichzelf er niet in herkend en constateert dat hij een liedje is geworden.
    Voor fans van France Gall is deze novelle echt een aanrader, maar ook zonder haar te kennen is het boek een hartverwarmend en herkenbaar relaas van een jeugd en een vakantieliefde.

    Cees van Ede schreef na een dichtbundel, een in memoriam voor Lodewijk de Boer en met De vlinderkus zijn eerste novelle. Verschenen bij uitgeverij Sunny Home, vernoemd naar het Leidse huis van Maarten en Eva Biesheuvel.

     

     

  • Familie vertellingen

    Familie vertellingen

    Net als Arnon Grunberg had ook jij een opklapbed. Met de komst van opa van moederskant in huis kwam een opklapbed mee. Toen opa op je vijftiende stierf, kreeg jij het opklapbed. Opa was een strenge man uit Groningen die als weduwnaar eerst inwoonde bij zijn zoon, juwelier in Assen. Op een gegeven moment zal hij gedacht hebben dat opa nu maar eens bij zijn dochter moest gaan wonen. Met zeven kinderen over vier slaapkamers verdeeld, kon hij er nog wel bij. Het opklapbed verdween geruisloos uit je leven toen je drie jaar later uit huis ging. Grunberg kon geen afstand doen van zijn opklapbed. Zelfs niet na zesenveertig jaar.

    De ouders van Grunberg sliepen het grootste deel van hun leven in een opklapbed. ‘Mijn moeder is zo ongeveer in haar opklapbed gestorven.’ Hoewel zijn moeder vanaf zijn derde tot ongeveer zijn tiende, toen hij slaapproblemen had, in de voorkamer naast zijn opklapbed op een stretcher sliep. ‘Haar eigen opklapbed werd dus niet meer naar beneden geklapt…’. Het opklapbed van zijn vader stond in de eetkamer. ‘Als hij rond een uur of half elf met een zucht zijn opklapbed naar beneden klapte en daarmee de eetkamer veranderde in een slaapkamer (…), leek hij opgelucht bij het idee dat hij door middel van slaap tijdelijk de wereld kon verlaten.’ Denkend aan zijn opklapbed, denkt Grunberg aan de huisschilder die oom Joop genoemd werd. Of zijn moeder een verhouding had met deze huisvriend, vraagt hij zich af. Hij herinnert zich hoe zijn vader ‘met enige regelmaat’ tegen zijn moeder zei dat ‘haar keuken Westerbork was’.

    Grunberg spreekt van een magische jeugd: ‘De huisschilder werd behandeld als een familielid. Eetkamers veranderden ‘s avonds in slaapkamers en ik klampte mij vast aan mijn slaapstoornissen, want zolang ik die had zou mijn moeder naast mij blijven liggen.’ Vorig jaar was het moment gekomen dat het opklapbed een obstakel werd. Het dreigde met het oud vuil te worden meegegeven. ‘Een niet geheel ontgonnen stuk van het verleden bij het grof vuil zetten. Dat moest voorkomen worden.’ Hij besloot het te verkopen zodat er altijd de gelegenheid bestond het oude opklapbed nog eens te bezoeken, ‘om er naar te kijken.’ Dat wat eens dierbaar was, moet ten koste van alles benaderbaar blijven.

    Het opklapbed werd op een veiling voor vijfduizend euro verkocht. De koper kreeg het opklapbed en een certificaat van echtheid. Een deel van de afspraak was dat de koper als personage zou worden opgevoerd in De geschiedenis van mijn opklapbed, ‘het enige fictieve element in dit verhaal’. De naam mocht de koper zelf bedenken. Nu denk je dat de koper de naam Joop gekozen heeft. Dat huisschilder oom Joop een mooi toegevoegd element in deze geschiedenis is.

     

     

    Klaas Gubbels werkte vier weken onafgebroken aan het schilderij van het opklapbed. Een lastige opdracht liet Gubbels ergens weten. Het is een prachtig gebonden uitgave geworden met afbeeldingen die tot in detail de structuur van het schilderij weergeven. De in korte teksten beschreven slaapgewoonten rond de opklapbedden van de familie Grunberg spreken tot je verbeelding. Zodanig dat je de gedachte toelaat er zelf een aan te schaffen, sites bezoekt waar een opklapbed ‘klapbed, kastbed of muurbed’ wordt genoemd. Maar je prefereert ‘opklapbed’.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, altijd op zoek naar een goed verhaal.

     

  • Oogst week 43 – 2021

    De scheurkalender is een genre op zich. Het woord ‘genre’ impliceert bovendien dat je een goede of een slechte kunt krijgen, en dat is ook zo. De ene hoort thuis in de kast, de andere op het toilet. Je hebt schijtlollige bundels van Moppentoppers, quotes jattende snuisterijvelletjes van Happinez en natuurlijk stichtelijke kalenders van christelijken huize. Tussen 1972 en 1986 maakten Van Kooten & De Bie de Bescheurkalender. Hun niveau heeft eigenlijk niemand meer geëvenaard, met uitzondering van makers die gewoon hun eigen weg bewandelden: Maarten van Rossem, Quest of de Poëziekalender van Plint. Maar de F*ck-it list (‘grappig’, want het tegenovergestelde van Bucket List)? ‘Mijn middelvinger is gek op iedereen.’ … doortrekken maar.

    Uitgeverij Sunny Home komt nu met een wel heel verrassende kalender aangescheurd, getiteld DNA Arnon. Aangezien Grunberg naast een ontzagwekkend literair oeuvre ook al duizenden voetnoten in De Volkskrant op zijn naam heeft staan, staat buiten kijf dat hij voor 365 dagen eveneens iets boeiends optekent. Uit allerlei romans, essays, opiniestukken en toespraken van zijn hand heeft DNA Arnon wijsheden, overdenkingen en zinsneden geselecteerd. 

    Wat de aanprijzing betreft, zetten de grote boekhandels hoog in: de lezers zullen het mysterie achter Grunberg ontdekken met slechts één ferme rits per dag. Zelf vermoed ik vooral dat het werk een mooie vingerafdruk, of – zo u wil – een DNA-blauwdruk van Grunbergs werk biedt: provocatief, geestig, absurd, scherpzinnig en intelligent. En vergeet je op een Blauwe Maandag een keer de juiste datum weg te rissen? Wees niet getreurd. Literatuur is soms net als eten: een nachtje laten sudderen en de volgende dag waardeer je het des te meer.

     

    Uitgeverij: Sunny Home

    Nederlandse mannen van middelbare leeftijd lijken een flinke scheut Frankrijk nodig te hebben om in melancholie te kunnen verzinken. Philip Freriks’ bloedtype is Merlot; Matthijs van Nieuwkerk adoreert Charles Aznavour; Youp van ’t Hek oreert over de périphérique; Ivo Niehe spreekt beter Frans dan de gemiddelde Parijzenaar; Wim Sonneveld ontleent zijn lijflied Het dorp aan La montagne van Jean Ferrat. Daar komt nu een Vlaamse francofiel bij die geen pseudoniem behoeft: Jo Komkommer. In De opkomst en ondergang van de Citroën Berlingo wordt de oude, vertrouwde romantische weemoed gevierd, maar nergens is het boek te serieus: wij, mensen kloten maar wat aan, zo luidt de boodschap. Daarop vormt de hoofdpersoon in dit verhaal geen uitzondering.

    België is nu niet bepaald de omgeving die je associeert met ‘Il dolce far niente’ in een oranje avondzon. ‘Niksig en onnuttig voortstrompelen in de drassige klei’ komt al meer in de buurt. Dat is dan ook precies wat onze hoofdpersoon doet: lanterfanten tot hij erbij neervalt. Akkoord, hij werkt sporadisch als afwasser, behaalt per ongeluk na meerdere pogingen zijn rijbewijs en rijdt in Montenegro zijn Franse Citroën Berlingo aan gort. In feite leeft hij als een kind dat al zijn ervaringen ongefilterd absorbeert. Dit prachtige boek is daarvan het resultaat. 

    ‘Ik was een kind en wist niet beter / dan dat het nooit voorbij zou gaan’ zong Sonneveld. Jo Komkommer heeft slechts zijn openingszin nodig om jeugdige onwetendheid bondiger en empathischer te verwoorden: ‘Als kind duurt het leven geruststellend lang.’ Het boek is opgetrokken uit 26 kortere verhalen. Toch vertoont het genoeg samenhang en hangt er een zweem van Vlaamse tevergeefsheid overheen: dit mag een door diknekkige Hollanders bedacht, hardnekkig cliché zijn, maar Komkommer doet De helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst nog eens dunnetjes over. Nooit echter verloochent hij zijn eigen stijl en dat is zijn grootste prestatie. Chapeau!

     

    Auteur: Jo Komkommer
    Uitgeverij: Manteau

    De leeservaring wordt intenser, naarmate de lezer zich sterker identificeert met personages of onderwerpen. Een werk moet, voordat het beklijft of een indruk achterlaat, met andere woorden, resoneren via herkenning. Daarom is de titel Echo van de Vlaams-Afroamerikaanse schrijfster Neske Beks zo doeltreffend gekozen. In deze essaybundel betoogt zij onder meer dat een wit narratief in een wit curriculum van een dominant witte mannenwereld ertoe heeft geleid dat de Zwarte vrouw (hoofdletter is bewust) zich dubbel in de marge bevindt: zij is én geen man én zij is niet wit. 

    Echo is Beks’ krachttoer, zij het níét om witheid, mannelijkheid en wat beide concepten inhouden aan te vallen. De Zwarte vrouwen verleent zij de kracht en het narratief dat hen uit de schaduw van minderwaardigheid en onzichtbaarheid sleurt. Volgens de uitgeverij poogt Echo een brug te slaan tussen zwart en wit. Ook deze op het eerste gezicht wat uitgekauwde metafoor werkt kneitergoed: een brug slaan lukt normaliter pas met twee aan elkaar (op zijn minst gedeeltelijk) gelijke overzijden – dan moet die gelijkheid natuurlijk wel eerst bereikt worden. 

    Waar de activistische, ‘wokey’-hoek nogal eens ten laste wordt gelegd dat deze alles wat man en wit is, kapot wil maken, verheft Beks slechts hen die te lang niet zijn gehoord. Zij haalt teksten aan van Amanda Gorman, Toni Morrisson, Gloria Wekker en Maya Angelou. Bovendien verruilt zij schaamte voor trots en verschaft zij elke zwarte vrouw de diepgewortelde overtuiging dat ze vertegenwoordiging verdient. Echo zal daardoor niet alleen bij zwarte vrouwen nagalmen.

     

    Uitgeverij: Querido