• Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    IJzersterke thriller met echte mensen

    Het laatste boek van Stewart O’Nan met de wat curieuze titel Laatste avond in de Lobster vroeg om meer van deze schrijver te lezen. Zijn debuutroman Sneeuwengelen kent een soortgelijke ambiance: het is kersttijd, de periode om cadeautjes voor elkaar te kopen en buiten sneeuwt het, maar tegelijk bevinden we ons in een heel andere wereld; niet in die van een lobster restaurant in de staat New York, maar in de omgeving van Pittsburg, waar een jonge vrouw met een pistool om het leven wordt gebracht. De persoon wiens oren dat horen heet Arthur Parkinson, een weerspannige middelbare scholier, die met zijn fanfareorkest oefent voor een optreden in de pauze van een footballwedstrijd. Het meisje, Annie, is ooit oppas bij hen geweest in de tijd dat zijn ouders nog samen waren.

    Door het verhaal in stukjes en beetjes terug te vertellen, weet O’Nan spanning op te bouwen en vast te houden.

    Er komt veel menselijk leed in het boek voor. Vriend Glenn is door Annie buiten de deur gezet omdat hij zich weinig verantwoordelijk voelde voor de opvoeding van hun driejarige dochtertje Tara. Hij woont weer bij zijn ouders en kan het moeilijk verkroppen dat Annie een andere jongen heeft ‘opgeduikeld’, die overigens net zo min verantwoordelijkheid voor het kleine meisje op zich neemt.

    Het zijn ongunstige persoonlijke omstandigheden, die tenslotte tot de dood van Annie leiden. De lezer, die daarover in het eerste hoofdstuk is ingelicht, wordt door O’Nan bij de lurven gegrepen, overdonderd met sterke dialogen en rake typeringen zoals van Annie met haar driftbuien en Arthur met zijn softdruggebruik, gedetailleerde beschrijvingen zoals van banen van licht die een lege kamer verdelen of van Annie die voor de spiegel staat en zich na haar werk opmaakt voor een etentje met haar vroegere vriend Glenn.

    ‘Ze klemt een elastiek tussen haar tanden en trekt het haar met beide handen naar achteren, maar daarna laat ze het alle kanten op vallen. Glenn houdt ervan als ze het lang draagt.’

    De onzekerheid van Annie over een mogelijk vervolg van de relatie wordt door haar eenzame moeder aangewakkerd.

    Een mooie bijrol is weggelegd voor zus Astrid, die in Europa verblijft en door de telefoon haar broer Arthur trans-Atlantisch commentaar geeft op de weinig actieve rol die hij in het gezin vervult, hetgeen hem later door de psychiater uit zijn hoofd wordt gepraat.

    Ook de manier waarop het evangelische geloof wordt beschreven, waar Glenn zich in zijn wanhoop aan vast probeert te houden nadat alles hem naar zijn idee is afgenomen, is zeer overtuigend.

    De scènes en de perspectieven wisselen elkaar in snel tempo af, waardoor het idee ontstaat dat je naar een film zit te kijken. Die is inderdaad uitgebracht in 2007 en in Nederland als dvd in 2008. De kijker zal daarin een prachtig beeld zien waarin Glenn in de sneeuw een engel uitbeeldt en dat ik verkozen zou hebben boven de huidige omslag.

    Het beeld dat overblijft nadat de kruitdamp is opgetrokken, is dat van een puberale jongeman die het allemaal niet zo goed weet en die noch de dood van Tara en Annie, noch de diepe kloof tussen zijn ouders weet te plaatsen. Adembenemend zoals O’Nan ons dat overbrengt.

    Sneeuwengelen

    Auteur: Stewart O’Nan
    Vertaald door: Paul van der Lecq
    Verschenen bij: uitgeverij Cossee
    Prijs: € 19,90

  • Een smaakvol maal, opgediend onder het waakzaam oog van een gewetensvolle bedrijfsleider

    Een smaakvol maal, opgediend onder het waakzaam oog van een gewetensvolle bedrijfsleider

    Recensie door: Rein Swart

     

    Tijdens de laatste dag van een Lobster-restaurant, onderdeel van een keten en gelegen aan de oostkust van de Verenigde Staten niet ver van New York, volgen we bedrijfsleider Manny Deleon op de voet; vanaf het moment dat hij in een besneeuwde wereld als eerste met de auto aankomt bij zijn restaurant, in een uithoek van een winkelcentrum dichtbij de snelweg. In zijn auto steekt hij nog een hasjpijpje op, voordat hij het restaurant opent en zijn medewerkers verschijnen.

    ‘Het tijdstip is te vroeg en hij is te oud om stoned te zijn – zeker vijfendertig, een dubbele onderkin, een chocoladebruine huid, een weerbarstige sik en bakkebaarden – of misschien is het de stropdas die uit de toon valt als hij de aansteker boven de stalen kop van het pijpje houdt. Hij zou een effectenmakelaar kunnen zijn, of de verkoopmedewerker van een computerwinkel die koffiepauze houdt, als er niet door zijn opengeritste leren jasje een naamspeldje naar buiten zou piepen: MANNY, met daarboven een gegarneerde kreeft.’

    Vlak daarvoor is aan het vlaggetje, dat aan zijn binnenspiegel hangt, al duidelijk geworden dat Manny van Porto-Ricaanse afkomst is. Daarop duidt ook de abuelita die af en toe in het verhaal opduikt; pas na enige tijd werd mij duidelijk dat daarmee zijn grootmoeder werd bedoeld.

    De sfeer is melancholiek op deze laatste dag, vlak voor de kerst, in het restaurant, dat door het hoofdkantoor van de kaart is gehaald. De weersberichten voorspellen nog meer sneeuw, waardoor het onzeker is of er nog klanten zullen komen en Manny zal straks serveerster Jacquie missen, met wie hij een liefdesverhouding heeft gehad. Zijn gevoelens voor haar zijn veel sterker dan voor de zwangere Deena, met wie hij een lat-relatie heeft en voor wie hij nog een kerstcadeautje moet kopen, dat ware aandacht en liefde moet uitdrukken; in de lunchpauze gaat hij naar het winkelcentrum om iets voor haar te zoeken wat daar in de buurt komt.

    De verbroken relatie met Jacquie houdt Manny erg bezig. Als hij in het magazijn is, denkt hij eraan terug dat zij hem daar wel tien keer heeft gekust en zich tegen hem heeft aangedrukt, onder zijn halfgekscherende protest dat ze betrapt konden worden. ‘Een paar van de meest stoffige conservenblikken moeten daar waarschijnlijk nog getuige van zijn geweest; de cocktailconserven en de babymais.’

    Het keukenpersoneel, de mooie gastvrouw Kendra, de barman en de vrouwen die in de bediening werken worden levensecht geportretteerd. De laatste dag kent een aparte dynamiek met allerlei gevoelens die tot ontlading (kunnen) komen. Manny vraagt zich af hoe loyaal zijn medewerkers nog zijn. Hij houdt alles in de gaten, zoals de flessen met sterke drank die opvallend leeg zijn als hij terugkomt uit het winkelcentrum en de barman vertrokken is.

    De toon is ingehouden, de handelingen worden nauwkeurig beschreven met veel oog voor details. Klanten die moeilijk doen krijgen een kaartje waarop ze hun aanmerkingen kunnen invullen.

    Het verhaal staat in de tegenwoordige tijd, waardoor je je erbij waant; je beweegt je voort in de natte schoenen van de bedrijfsleider die plichtmatig de meest vervelende taken verricht.

    Er spreekt een machteloosheid uit, die wellicht samenhangt met de opdracht in het begin van het boek: ‘Voor mijn broer John en voor iedereen die de ploegendiensten draait waar niemand zin in heeft.’ Het lijkt me een schreeuw om lucht in een rigide arbeidssysteem, waar winst over de ruggen van (buitenlandse) werknemers wordt behaald. De onuitgesproken aanklacht ijlde nog een tijd na in mijn hoofd toen ik na een ontroerend en subtiel einde het boek weglegde. Stewart O’Nan smaakt naar meer.