• Vrijheid is ongrijpbaar als lucht en net zo onmisbaar

    Vrijheid is ongrijpbaar als lucht en net zo onmisbaar

    Dat de wereld zich uitgerekend tachtig jaar na het einde van WOII in een hachelijke situatie bevindt, is van een ironie die zelfs de Griekse goden niet hadden kunnen bedenken. De vrijheid die op 5 mei dit jaar gevierd wordt en die aanleiding was tot het samenstellen van Stip op de horizon, is daarmee allesbehalve eenduidig en eenvoudig geworden. Zoals de meeste abstracte begrippen laat vrijheid zich gemakkelijker omschrijven in negatieve dan in positieve zin door op te sommen wat het allemaal niet is. Daarvan hebben de meeste mensen desgevraagd redelijk snel een definitie klaar. De dichters in deze bundel zijn opmerkelijk lang van stof, en dan nog wordt er vaak geëindigd in iets vaags, een voorlopige conclusie, een werkhypothese, voor zolang het duurt.

    Wat het niet is

    Ongeacht de voorlopigheid zijn de omschrijvingen van vrijheid talrijk en veelkleurig. Voor de een is vrijheid het ontbreken van dwang, belemmering, gevangenschap; voor de ander is het vrij zijn van honger, armoede, tekort. Weer een ander verstaat vrijheid als ruimte om te zijn wie men wil zijn, niet beperkt of ingevuld door regels en verwachtingen waaraan moet worden voldaan. Soms is vrijheid simpelweg een dag waarop niets moet, zoals in ‘Zondag’ van Sophia Blyden. ‘(…) dagen waarop de boeken lonken in de kast, er tijd / is om gedichten te lezen, de wijnglazen van gister / nog op tafel … de lp-speler / overuren maakt en we dansen, de bank langzaam / verslijt, druppels op het dakraam, het enige wat ik / wil doen is niets( …)’

    Bibi Dumon Tak beschrijft vrijheid gezien door de ogen van een kalf. ‘(…) wij tweetenen / werden opnieuw bijeengedreven / en we voelden de wind in onze haren de zon / onderweg / de geur van gras die in onze neuzen drong / we knepen met onze ogen we strekten bij aankomst onze poten / voor de eerste keer / en waren voor heel even / uitbundig jong.’

    Die veelkleurige ideeën en invullingen vinden we terug in de gedichten van tachtig Nederlandstalige dichters. Om niet in de valkuil te trappen een orde van belangrijkheid te moeten aanbrengen – welke invalshoek heeft prioriteit, welke thematiek de meeste urgentie – is er alfabetisch gerangschikt. Juist dat doet de veelkleurigheid des te sterker uitkomen, omdat er geen chronologie of senioriteit is die de thematiek bepaalt: Tweede Wereldoorlog, de ‘vrije’ jaren zestig, de dichters die vanaf de jaren negentig in Nederland een veilig heenkomen zochten en hier een nieuw leven opbouwden.

    Hoe vrij is vrijheid eigenlijk

    Vanuit al die hoeken en windrichtingen worden ervaringen aangedragen die stuk voor stuk vertellen over wat vrijheid betekent zonder afbreuk te doen aan de beleving van een ander die, als een lichtstraal op een prisma, weer een ander aspect doet oplichten. Wie enigszins thuis is in de Nederlandse poëzie, herkent de unieke stijlkenmerken van deze of gene. Of de toon, de vorm, woordkeus, gedichten met een heldere cadans, of bijna als proza neergeschreven.

    Terecht merkt Stella Bergsma op dat gedichten over vrijheid tralies zijn voor dichters. ‘ieder jaar weer / rond dezelfde tijd / mag je je hok uit / metaforen smijtend / over het blad razen // ieder jaar de zinnen uit de dwangbuis / laten galopperen / zich te buiten buitelen / (…)’
    Want zo vrijblijvend en vanzelfsprekend is vrijheid niet als ze op gezette tijden en binnen strakke kaders moet worden bezongen. Als een dier dat even uit zijn hok mag. Het is niet iedereen gegeven om onder die druk werkelijk iets nieuws en geïnspireerds tot stand te brengen.

    Toch geeft dit thema een breed palet aan pennenvruchten te zien omdat elk vogeltje nu eenmaal zingt zoals het gebekt is. En omdat elk van de deelnemende dichters zingt vanuit een eigen culturele achtergrond en met een eigen geschiedenis, of dat nu de persoonlijke geschiedenis is, of geschiedenis zoals geleerd op school. Die is er hoe dan ook altijd.

    Herinnering aan vrijheid

    Opmerkelijk vaak gaat het over herinneringen. Een moeder die haar zoon niet wil belasten met de herinnering aan de dictatuur waaruit zij is gevlucht, om hem de kans te geven een nieuw leven te kunnen leven. Of omgekeerd, de herinnering aan vrijheid koesteren als een visioen, als een baken om op te koersen. En om het besef levend te houden hoe kostbaar die vrijheid is, en kwetsbaar ook. Noch de geschiedenis, noch de herinnering blijkt een gaaf, afgerond geheel, maar altijd rafelig, en pijnlijk onvoltooid. Zoals in ‘Aardse ochtend’ van Jan Backe.

    ‘Net zoals in het stilstaan, wat ik ben er nog betekent
    als één van hen, een onbekende getuige, een dader, overlever

    die toevallige waarheid, die op dezelfde manier bestond
    als die hele geschiedenis voordat ze geschiedenis werd.

    Zoals mededogers in gedachten, tegen de deur van een heldere nacht
    een aardse nacht, de mensen die zijn weggegooid, die ontbreken.

    Er is geen neutrale of heldere nacht, er is een aardse ochtend
    een afwezige ochtend, het verdriet van verdunde families.
    Kijken naar de mensen die er dan zijn, dan weer niet
    die in het verleden worden vrijgelaten

    die de omtrek van het slachtoffer moeten bewijzen
    de omtrek van het slachtoffer dat er niet had moeten zijn –

    en de sterren die er nog zijn, staan aan de hemel die er ooit was
    verlichten het speelgoed en de familiefoto op het dressoir

    dat er niet meer is in het huis dat er ooit was, een foto
    zonder zwaartekracht, de verwaaide zwarte rook en het puin

    van een huis zonder zwaartekracht, de stilte
    van de stad zonder stad, in een leegte die altijd al stilte was.’

    Een taak die nooit af is

    Reeds in de opzet van deze bundel gaat het om vrijheid tegenover de bezetting die eraan vooraf ging. Ergens in die reeks elkaar opvolgende gebeurtenissen zit het kantelpunt waar onvrijheid overgaat in vrijheid. Al die momenten van voor, tijdens en na dat kantelpunt worden door de diverse dichters op indringende wijze beschreven. Door Rosa Schogt bijvoorbeeld:

    ‘En na het verzet kwam daar de vrijheid aangelopen, maar / we aarzelden: was zij het echt? Zo hadden wij haar / niet bedacht, ze zou toch in een mooie jurk, / met blossen op haar wangen komen? We hadden het idee / van haar toch al die tijd gevoed, hoe kwam ze dan / zo mager en zo stil?’

    Eerst een ideaal, een verlangen dat aanzette tot verzet, nu een realiteit die moet worden vormgegeven want de steden liggen in puin. Er moet hersteld worden, aan materie èn aan mensen. Terecht merkt Anna Enquist op dat vrede makkelijker hanteerbaar en voorstelbaar is dan vrijheid. Vanwege de rust die vrede brengt; vanwege de strijd die vrijheid vraagt. Verantwoordelijkheid ook om die kwetsbare vrijheid te behoeden, om tot een consensus te komen over hoe en wat en vooral wie. Uiteindelijk gaat het om de ruimte die de ene mens bereid is aan de ander te geven, zoals Vrouwkje Tuinman beschrijft in ‘Opstelling’:

    ‘Het gaat tussen mensen die om zich heenkijken en degenen die
    alleen zichzelf zien.
    Dat laatste klinkt negatief, maar kan gunstig zijn: zij zijn het die
    hun vierkante meter steeds groter maken en de rest moet daarom
    opzij. …

    Tussen de hoge heren die de rest een beetje lopen te regeren, en
    de rest. En dan zijn er nog hen, hun, hullie die zich niet ophouden
    in de uitersten, maar ergens in de grijswaarden schuilen. …

    Je hebt degenen die kiezen, en degene die als laatste gekozen
    wordt, wat geen kiezen is, maar een verlies. Het gaat tussen mij en jou.’

     

     

  • Waarom we feminisme nog steeds nodig hebben

    Waarom we feminisme nog steeds nodig hebben

    ‘Wanneer worden vrouwen onvermijdelijk? Wanneer worden ze urgent?’ schreef auteur Stella Bergsma (1970) vier jaar geleden in De Volkskrant. Het antwoord op deze vragen geeft ze in het manifest Nouveau Fuck, een pleidooi voor een nieuwe stroming met diezelfde naam: ‘Dit manifest is bedoeld voor iedereen die geen zin heeft in de performance van een persoonlijkheid, het suffe script wil herschrijven. Voor iedereen die mens wil zijn in plaats van beeld. Iedereen die haar handtekening wil achterlaten. Kortom, dit manifest is bedoeld voor iedereen.’ 

    Stella Bergsma schrijft over vrouwen, omdat ze daar naar eigen zeggen het meeste vanaf weet, maar de thema’s die ze behandelt sluiten aan bij iedereen die zich buiten de norm bevindt. Door middel van de vijf ‘wezen’ geeft ze handvatten voor een ongeremder leven:  ‘wees slecht’, ‘wees woedend’, ‘wees onbeschaamd’, ‘wees onbescheiden’ en ‘wees gevaarlijk’. Voor een manifest met de titel Nouveau Fuck is de inhoud echter verrassend genuanceerd: de ‘wezen’ kunnen worden samengevat als  ‘wees jezelf’. Aan de hand van wetenschappelijk onderzoek en haar eigen ervaringen schetst Bergsma een wereld waarin (witte) mannen de macht hebben, maar dit manifest is geen aanval op deze mannen. Het is een aanval op de manier waarop de maatschappij in elkaar zit. Als vrouwen die macht zouden hebben, zou dat niet per se beter zijn.

    Bergsma kaart de problemen helder en zonder omwegen aan: ‘Uit een wereldwijd, zes jaar durend onderzoek blijkt dat kinderen vanaf hun tiende jaar gaan geloven in de stereotypen over hun geslacht. Tot hun zesde denken meisjes hetzelfde over zichzelf als jongetjes. Ze menen alles te kunnen en te mogen, maar eenmaal op schoolgaande leeftijd gaat het snel bergafwaarts.’ Een paar regels later: ‘Wisten jullie dat Mozart een briljant zusje had, Fuckers? Nee, dat dacht ik al. Dan weet je het nu.’

    De manier waarop Bergsma ons aanspreekt

    Het woord ‘Fuckers’ komt vaak voor, soms meerdere keren op één bladzijde, het is namelijk de manier waarop Bergsma de lezer aanspreekt. Dit past bij de woede waar ze voor pleit, maar je vraagt je af waarom het zo vaak moet terugkomen. Na een paar pagina’s is het schokeffect verdwenen en wordt het bijna komisch, wat niet strookt met de inhoud van Nouveau Fuck, dat een sterk betoog over ongelijkheid in de samenleving is. Het te vaak gebruiken van ‘Fuckers’ dreigt de boodschap uit te dragen dat we dit betoog niet serieus hoeven te nemen. En dat is jammer, want Bergsma zet precies uiteen waarom we feminisme vandaag de dag nog steeds nodig hebben.

    Naast het bekende glazen plafond en salarisongelijkheid geeft ze alledaagse voorbeelden om problemen mee aan te kaarten. Zo koppelt ze het feit dat mannen graag wijdbeens in het openbaar vervoer zitten aan zich groot maken, een plaats in de wereld innemen. Dit terwijl vrouwen, die in het openbaar vervoer vaak met hun benen over elkaar zitten, zichzelf binnen de maatschappij kleiner moeten maken en bescheidener moeten zijn: ‘Dit zijn ongeschreven wetten, die pas opvallen als je ze overtreedt.’       

    Lachen en dronken worden

    Naast de vijf ‘wezen’ geeft Bergsma ook praktische tips voor ‘een hemels dwars leven’, zoals meer lachen, nergens bij horen, dronken worden en met verve falen. Hoewel deze adviezen oppervlakkig klinken, bevatten ze verrassend veel inhoud, bijvoorbeeld in dit citaat over dronken worden. ‘Verlies jezelf. Verliezen betekent: je niets aantrekken van de meningen van anderen en vooral die van jezelf. (…) Dronkenschap is een van de vele manieren om die stem tot stilte te manen.’ 

    Deze innerlijke criticus komt ook terug in het indrukwekkendste gedeelte van dit manifest, waarin Bergsma een ‘anti-selfie’ maakt: twee-en-halve pagina lang somt ze haar angsten en verlangens op, haar paradoxale gedachten, boosheid en lelijkheid, zo rauw en zo mooi dat je de blik niet kunt afwenden: ‘Het meest moederlijke wat ik ooit gedaan heb voor mijn kind, is het niet krijgen.’ Ze daagt de lezer uit om ook een ongefilterde tirade te schrijven en die naar haar te mailen, daarvoor geeft ze haar e-mailadres.

    Kwetsbaarheid tot kracht maken

    De stroming Nouveau Fuck heeft zeven stellingen. Enkele ervan zijn: niet klagen maar constateren, op taal letten en scherp zijn op de inhoud in plaats van op de persoon. Dat is precies wat Bergsma in dit manifest doet en dat maakt de tekst toegankelijk en redelijk. Feministen worden er regelmatig van beschuldigd mannenhaters te zijn, maar Bergsma bewijst dat deze twee woorden weinig met elkaar te maken hebben. In een passage over ‘hufters’ klaagt Bergsma niet dat mannen hufters zijn, ze vraagt zich juist af: ‘Waarom zouden alleen mannen hufters mogen zijn?’

    De oplossing voor een wereld waarin mannen en vrouwen gelijk zijn ligt bij deels vrouwen zelf, zoals  blijkt uit de vijf ‘wezen’. Bergsma gebruikt wetenschap, betogen, ideeën, stellingen, leestips, kijktips en luistertips om vrouwen een oplossing te bieden. Zo raadt ze bijvoorbeeld het korte verhaal The Lottery van Shirley Jackson aan en het nummer ‘Mama was een klootzak’ van Roxeanne Hazes. Ook heeft Bergsma een lijst met ‘voorbeeldfuckers’ in het manifest opgenomen, waarin ze onder meer David Bowie, Marie Curie, Ada Lovelace, Sylvia Plath en Oscar Wilde noemt. 

    Nergens wordt de verteltoon dwingend: iedereen die dit leest zal zichzelf ergens in dit manifest kunnen herkennen en er iets nuttigs uithalen. Bergsma schrijft overtuigend, goed onderbouwd en urgent. Ze pleit voor menselijkheid, een universeel thema, en dat kracht en kwetsbaarheid moeten worden gevierd in plaats van dat we ons ervoor schamen. Iedereen zou Nouveau Fuck moeten lezen, dit betoog zou je blik op de maatschappij voor altijd kunnen veranderen.