• Mauk: Een reflectie op een leven vol waan(zin)

    Mauk: Een reflectie op een leven vol waan(zin)

    Jan Vantoortelbooms roman Mauk biedt een intieme kijk in het leven van Mauk die op zijn sterfbed aangeeft dat hij ‘dit wat men zo voldaan het leven noemt, had overgeslagen, als ik daartoe de kans had gekregen.’ Op dit sterfbed komen alle herinneringen samen en vormen een beeld van een getroebleerde jeugd en de naweeën hiervan in een volledig leven.

    Het verleden van Mauk ontvouwt zich op diens sterfbed in een reeks gedachten en herinneringen die zijn leven zijn geweest. Deze herinneringen lopen door elkaar heen en beslaan verschillende episodes: het heden waarin hij op zijn sterfbed wordt verzorgd door Jenny, de dochter van zijn vroegere geheime geliefde Carla. Daarnaast zijn er de angstige momenten uit zijn jeugd. Ze zijn getekend door de schaduw van zijn vader, een man die Mauk en diens moeder regelmatig fysiek mishandelt, met wonden en gebroken botten als gevolg. Deze momenten krijgen vorm in de fantasierijke context van de enige gemeenschappelijke factor die Mauk en zijn vader deelden: een fascinatie voor het Wilde Westen. En ten derde is er de periode waarin Mauk relatief gelukkig was, toen hij het huis van zijn nonkel Konrad opknapte en een bestaan voor zichzelf opbouwde als schrijver van brieven voor mensen in het dorp, en hij een geheime relatie had met zijn geliefde Carla.

    Zelfbescherming door dissociatie

    Mauk is een verhaal over zelfbescherming door dissociatie, een verkenning van hoe een geest kan vluchten naar een wereld van waan om aan de werkelijkheid te ontkomen. In de context van de verbeeldingsrijke wereld van het ‘Wilde Westen’, brengt Vantoortelboom de relaties tussen Mauk, zijn vader en zijn denkbeeldige, beschermende broer Henri samen. Het ‘recht van de sterkste’ dat in het ‘Westen’ geldt, weerspiegelt treffend Mauks dynamiek met zijn tirannieke vader, waarbij ‘Henri’ zich opwerpt als beschermer en rebel en deze zo het beeld wordt van Mauks innerlijke verzet en zijn zoektocht naar bevrijding. Dit ‘Westen’ wordt de arena waarin Mauks innerlijke demonen hun eigen toneel krijgen en waar de grens tussen realiteit en waan vervaagt.

    Henri wordt hierdoor niet alleen de personificatie van Mauks wil zich te verzetten, maar ook de katalysator van zijn dissociatie. Naarmate hij dieper in zijn zelfgecreëerde Westen duikt, verliest hij de grip op de realiteit en krijgt hij last van episodes die hij ‘dwalingen’ noemt. Bijvoorbeeld wanneer hij tijdens zo’n dwaling plotseling bij zijn tante Lora verschijnt. Tijdens dit bezoek wordt duidelijk dat Mauk ook als kind al episodes had waarbij hij de grip op de realiteit verloor en de woede van Henri het overnam. Mauks tante zegt: ‘Het spijt me zo dat ik je niet kon houden. Henri bedreigde mijn kinderen. Hij sloeg ze en schopte ze als ze ook maar iets te dicht bij hem kwamen.’

    Terugkerende thema’s door de tijd heen

    Vantoortelboom weeft de verhaallijn behendig door de verschillende tijdsperioden in Mauks leven, waardoor bepaalde relaties en oorzaken geïmpliceerd worden, maar nooit expliciet worden benoemd. Dit noopt de lezer om zelf de puzzelstukjes in elkaar te laten vallen en zo een beeld te vormen van hoe de gebeurtenissen hebben geleid tot het heden van Mauk op zijn sterfbed.

    Mauks worsteling met de realiteit wordt verder verdiept door zijn innige band met het huis van nonkel Konrad, en ook de band van Mauks moeder met nonkel Konrad is een terugkerend thema. Konrads huis fungeert als een tastbare getuige van Mauks verlangen naar herstel en wederopbouw, zowel van de fysieke omgeving als van zijn eigen innerlijke wereld. De metamorfose van het huis, van een vervallen ruïne tot een symbool voor standvastigheid, weerspiegelt Mauks zoektocht naar rust en een solide basis. Het huis vormt de wortels van Mauks volwassen bestaan en is de plek waar hij uiteindelijk ook zijn eigen verhaal op papier zet. Een verhaal dat hij bewaart in het bovenste hoekje van zijn boekenkast, gebonden in een zelfgemaakte kaft van berkenplankjes.

    Vantoortelbooms beeldende beschrijvingen zijn doorspekt met heldere, doeltreffende en soms verrassend poëtische zinnen, zoals: ‘De vredigheid die me nu alweer lang heeft verlaten, huisde in ons samenspel, de vrouw bij wie ik mijn verbeelding niet nodig had, bij wie ik kon bestaan in de vrijheid van alle donkerte.’
    Deze beschrijvingen sluiten volledig aan bij Mauks aanleg voor het schrijverschap. Zo ontstaat het vermoeden dat met het lezen van Mauk de lezer het verhaal uit het in berkenplanken gebonden boek in handen heeft.

    Verkenning van de verbeelding

    De grens tussen realiteit en verbeelding is in Mauk altijd duidelijk maar daarom niet minder immersief. Als lezer word je volledig meegenomen in de belevingswereld van Mauk, zelfs wanneer deze de realiteit overstijgt.

    Door deze schrijfwijze weet Vantoortelboom Mauks sobere bestaan kundig door te laten klinken in het vertelde maar ook in het onvertelde. Het verlangen naar menselijk contact sijpelt niet alleen door in Mauks ‘relatie’ met Henri, maar ook in het leven van zijn moeder en haar relatie met Konrad. Met het beschrijven van deze relaties snijdt Vantoortelboom thema’s als mishandeling, eenzaamheid, isolatie, compassie en vergeving aan en laat hij zien hoe gedragingen iemand voor het leven kunnen tekenen. Mauk is een boek dat fijn wegleest maar dat je niet makkelijk weglegt of vergeet.

     

  • Het zieligste verhaal ter wereld

    Het zieligste verhaal ter wereld

    Stargate van Ingvild H. Rishøi is een moderne hervertelling van het meisje met de zwavelstokjes. Het is een kerstverhaal dat zich afspeelt in Tøyen, een volksbuurt in Oslo waar Ronja en haar oudere zus Melissa wonen met hun vader. Met de kerstdagen voor de deur wil de tienjarige Ronja voor het eerst een echte kerstboom in huis, maar met een vader die drinkt is dat geen wens die makkelijk kan worden vervuld. Ronja, die haar vader op een voetstuk zet, is blij met elk moment dat ze met haar vader deelt. Met behulp van de conciërge van haar school bezorgt ze haar vader een baantje als kerstboomverkoper. De gedachte erachter: als kerstboomverkoper kan hij zich misschien een kerstboom voor bij hun thuis veroorloven. Met de gedachte dat hij dan vast medewerkerskorting krijgt, neemt Ronja’s vader de baan aan.

    Een paar dagen lang gaat het goed. Ronja en Melissa’s vader verkoopt kerstbomen, komt op tijd thuis en brengt boodschappen mee. Er wordt elke dag spaghetti gegeten, een luxe voor de meisjes. Maar dan begint hun vader weer te drinken als plotseling een van zijn drinkmaten voor de deur staat en hem meevraagt naar de kroeg. Het gaat al snel van kwaad tot erger en tot slot raakt hij zijn baan als kerstboomverkoper kwijt. De zestienjarige Melissa besluit dat het baantje in de familie moet blijven en ze spreekt met de kerstboomverkoper af om voor en na school te komen helpen.

    Een huisje waar ze veilig zijn

    Stargate wordt verteld door Ronja. Zij wordt voornamelijk verzorgd door Melissa. Op avonden dat hun vader van huis is en in een kroeg met de naam Stargate of Vrienden te vinden is, kruipen de zusjes bij elkaar in bed en vertellen ze elkaar geruststellende verhalen. Over een huisje in het bos waar ze veilig zullen zijn en waar een kerstboom staat.

    ‘”Dan gaan we naar de kamer en steken we de kaarsjes in de boom aan,” zei ze. “En ze geven prachtig licht.” “Ja,” zei ik. “Zoals in het meisje met de zwavelstokjes.” “Daar moet je niet aan denken,” zei Melissa. “Dat is het zieligste verhaal ter wereld.” “Maar herinner je je die boom niet?” vroeg ik. “Herinner je je die kerstboom niet als ze naar binnen kijkt?” “Ze ijlt van de koorts,” zei Melissa. “Denk aan iets anders. Want dat meisje gaat op het eind dood.” “Ze gaat niet dood,” zei ik. “Ze gaat naar haar oma.”‘

    De bovenstaande passage haalt niet alleen het verhaal van het meisje met de zwavelstokjes aan om aan te tonen dat Stargate hierop gebaseerd is, maar laat ook het verschil tussen de leeftijden van Ronja en Melissa zien. Melissa is al gekleurd door het leven met haar vader en de hardheid die hierbij komt kijken, terwijl ze Ronja hiertegen wil beschermen en haar kinderlijke onschuld wil bewaren.

    Kerstcadeautjes

    Deze wisselwerking tussen de zussen zorgt voor een ontroerend effect. De cynische blik van Melissa werkt als een versterkende factor voor de onschuld van Ronja, die hoop en dromen koestert maar gelijktijdig zorgen heeft die een tienjarige niet hoort te hebben. Zoals wanneer hun vader laat op de avond zegt kerstcadeautjes te gaan kopen van een voorschot op zijn salaris en Melissa hem confronteert met haar vermoeden dat hij naar de kroeg gaat. Nadat Melissa de discussie verliest, ligt Ronja in bed te piekeren. Ergens voelt ze aan dat haar vader geen cadeaus is gaan kopen.

    ‘Ik had gewoon moeten zeggen maar we willen dit jaar geen cadeaus. Ik had naar Eriksen moeten gaan en moeten zeggen geef onze vader geen voorschot, ik had bij Aronsen moeten aankloppen en moeten zeggen kunt u op de portemonnee van onze vader passen? Maar dat had ik allemaal niet gedaan. Ik was met papa meegelopen naar de gang en had onnozel gevraagd ga je een cadeau kopen? Zal ik dan zeggen wat ik wil hebben?’

    De schrijfstijl van Stargate is simpel, passend bij het perspectief van een tienjarige. Met weinig woorden beschrijft Rishøi treffend hoe het alcoholisme van hun vader het leven van de twee zussen beïnvloedt. Als ook de omgeving zich zorgen begint te maken en buurman Aronsen op een gegeven moment aan Ronja vraagt of ze al ontbeten heeft antwoordt ze: ‘Ja. Maar dat is een tijdje geleden.’

    Herhalende elementen

    De omstandigheden worden langzaam maar zeker steeds erger. Het verkopen van de kerstbomen wordt alsmaar moeilijker voor Melissa omdat ze Ronja bij zich wil houden – Ronja helpt Melissa – en haar baas dat niet wil. Hun vader gaat steeds meer drinken en regelmatig vindt Ronja hem bewusteloos op de vloer in een plas urine. Op een gegeven moment wordt ze boos en confronteert ze hem met alle dingen die haar op dat moment te binnen schieten. Het stinkende appartement, het ontbreken van stofzuigerzakken en de karige inrichting. Wanneer ze alles tegen haar bewusteloze vader gezegd heeft, vertelt ze: ‘[…] moest ik huilen en ik schudde mijn hoofd, want op dat moment begreep ik alles. Ik begreep alles, maar er was niets aan te doen.’

    Door de slechte situatie en het ontbreken van zorg wordt Ronja ziek en Melissa, uitgeput van het sjouwen met de kerstbomen in de vrieskou, kan haar niet meer helpen en schijnt hetzelfde virus te hebben. Samen kruipen de meisjes onder een kerstboom om te schuilen voor een sneeuwstorm en ze denken aan de mooie verhalen die hun vader vroeger vertelde en die ze elkaar uiteindelijk zijn gaan vertellen. Het verhaal over het veilige huisje in het bos biedt de meisjes steun, totdat ze steeds dichter bij het moment komen waarop ze naar een betere plek kunnen gaan.

    Stargate is dankzij het eenvoudige taalgebruik en Ronja’s perspectief een prachtig maar schrijnend verhaal. Het laat een vertelkunst zien die de lezer bij de keel grijpt en niet meer laat gaan. De alternatieve invalshoek van de twee zusjes met een alcoholistische vader geeft een moderne draai aan het bekende verhaal van het meisje met de zwavelstokjes. Daarmee is Stargate een geweldige hervertelling van ‘het zieligste verhaal ter wereld’.

     

     

  • Een fysieke reis door een verhaal

    Een fysieke reis door een verhaal

    Waar we niet zijn van Lina Issa is een non-fictie verhaal met een fysieke beleving. Het is een zoektocht naar een thuis dat bekend maar onbereikbaar is en waarin de sensaties van het lichaam zo worden beschreven dat je als lezer meereist door de herinneringen van Lina aan haar geboorteland Libanon.

    Lina wordt als Libanese toegelaten tot een Nederlandse kunstopleiding. Hiervoor wordt haar een visum verstrekt, maar wanneer ze haar familie in Libanon wil bezoeken blijkt dat dit studentenvisum niet wordt verlengd en dat ze als ze Nederland verlaat, het land niet meer in mag. Het gemis van thuis brengt Lina op het idee om een ander in haar plaats te laten gaan: een Europeaan die niet gebonden is aan visa maar die vrij mag reizen en in elk land, waaronder Libanon, verwelkomd wordt. Via een advertentie vindt ze Aitana, een Spaanse vrouw die als stand-in afreist naar Libanon en daar Lina’s plaats probeert in te nemen. 

    Instructies

    Voordat Aitana op reis gaat, schrijft Lina haar instructies op in een notitieboek. Hierin beschrijft ze ook haar familie. Karaktertrekken van haar vader, de muziek waarnaar haar moeder luistert in de auto, de geur van het brood dat haar oma bakte. De instructies dienen als een soort script dat Aitana moet volgen. Het is haar taak om de ervaringen die Lina zich zo goed van thuis herinnert opnieuw te beleven. Dat levert echter ook de vraag op: in hoeverre is het mogelijk om iemand anders’ leven te leiden zonder het eigen kader hier invloed op te laten uitoefenen?
    Het blijkt voor Aitana onmogelijk om een exacte herbeleving van Lina’s ervaringen in Libanon waar te maken. Familieleden gedragen zich anders, spreken open over hun eigen ervaringen met Lina en ook kan Aitana haar eigen belevingswereld niet zomaar aan de kant zetten.

    Op het moment dat Aitana vertrekt, neemt het verhaal op sommige momenten de vorm van een gesprek aan. Hierin worden de instructies van Lina afgewisseld met Aitana’s ervaringen. Desalniettemin voeren Lina’s voorschriften en de uitgebreide beschrijving van haar herinneringen de boventoon in Waar we niet zijn. De lezer leest dezelfde instructies als Aitana en kan zich beter in Lina’s herinneringen inleven dan Aitana dat kan, omdat haar eigen ervaringen met Libanon in de weg zitten. Een perfecte reconstructie is niet mogelijk want, zo weet Lina al, ‘Het archief van de geest is niet statisch. Elke herinnering is een nieuwe reconstructie van wat er is gebeurd.’

    Fysieke belevingen

    De fysieke beleving van herinneringen speelt een aanzienlijke rol in Waar we niet zijn. Issa beschrijft de lichamelijke sensaties uitgebreid. Deze beschrijvingen maken het verhaal echter wollig, waardoor de rode draad verstrikt raakt in de verschillende en veelomvattende metaforen: ‘Delen van de tong worden weggespoeld of afgevlakt, andere delen worden verbrand. Veel delen dringen binnen en vinden een fijne porie om in te nestelen. Daar kunnen die delen zwanger worden; we kunnen er een beroep op doen zoals er een vertrouwde smaak op leggen, of een lied in onze moedertaal laten zingen. Dan gaan ze baren. En dan vinden we onszelf terug in de schoot van onze herinnering, realiseren we ons dat we alleen door op hun tepels te zuigen worden wie we zijn.’

    De beschrijvingen van geuren, geluiden en plaatsen en het fysieke aanraken van mensen en dingen worden versterkt door de toevoeging van fotokopieën uit het instructieboek, foto’s en krantenknipsels. Aitana’s aantekeningen zijn in het Spaans gemaakt en grotendeels onvertaald gebleven. In deze aantekeningen zoekt Lina naar herkenbaarheid en naar haar eigen ervaringen, maar de taalbarrière maakt een volledig begrip onmogelijk. Daarmee wordt ook in deze fragmenten duidelijk dat je nooit helemaal andermans ervaring kunt beleven. 

    Geromantiseerde herinneringen

    De toon en vertelwijze die Lina hanteert in Waar we niet zijn passen bij een sprookje. Door het benoemen van de kleinste details, van geuren tot handbewegingen, voelen de herinneringen geromantiseerd aan en lijkt van elke kleinigheid een bijzonderheid te worden gemaakt. Al deze details zijn van belang om bij te dragen aan het gevoel dat Aitana en Lina samen proberen te herscheppen. Een voorbeeld is een moment waarop Aitana met Lina’s moeder in de auto zit en naar muziek luistert. ‘Ze maakte lichte bewegingen met de palm van haar hand en deinde mee tijdens het rijden, ik zong mee, habibi, habibi…, zei Aitana.’

    Het heimwee dat in deze door Lina geënsceneerde en door Aitana uitgevoerde herinneringen klinkt, staat in contrast met de moeilijke jaren van oorlog, armoede en verdeeldheid die Libanon heeft gekend. Een beschrijving van een kleine bakker met de lekkerste ‘Manoeche’ volgt direct op de herinnering dat Issa’s vader werd gearresteerd door de sjiitische militie en vervolgens vijf jaar lang werd gevolgd en onder druk gezet vanwege de hervormingen die hij wilde doorvoeren op de school waar hij werkte. Hiermee laat de schrijfster indringend zien hoe alles, de romantische herinneringen maar ook die aan de oorlog en het gevaar, in één lichaam worden gedragen en samen één geheel vormen.

    Zo maakt Lina Issa van Waar we niet zijn een ontdekkingsreis naar zichzelf. Pas wanneer je een stap terug zet, zo concludeert ze, en jezelf laat vervangen door een ander, zie je de bouwstenen waaruit je bent opgebouwd en kun je jezelf echt leren kennen. Pas dan weet je wanneer iets voelt als ‘jou’. 

     

  • Kijkje in het feminisme van de negentiende eeuw

    Kijkje in het feminisme van de negentiende eeuw

    Charlotte Perkins Gilman (1860-1935) schreef fictie, poëzie en essays. Hierin staan maatschappelijke thema’s vaak centraal. In Het gele behang en andere verhalen zijn enkele van haar verhalen gebundeld en vertaald door Tjadine Stheeman. Zij heeft een uitstekende selectie gemaakt van de korte verhalen met Het gele behang als centraal punt. De keuze van Stheeman zorgt ervoor dat alle verhalen met elkaar in verband kunnen worden gebracht en dat de grote thema’s die Perkins Gilman hanteert direct duidelijk worden.

    Charlotte Perkins Gilman stond onder andere bekend als een utopische feminist. In haar verhalen werkt ze ideeën uit over hoe utopieën ontstaan wanneer leefgemeenschappen worden opgebouwd en geleid door vrouwen. Daarnaast onderzoekt ze in haar verhalen de verhouding tussen man en vrouw in het huwelijk en schuwt ze het uitvergroten, en met een flinke dosis sarcasme bespotten, van de onderdanige rol die de vrouw geacht werd aan te nemen niet. In totaal bestaat deze bundeling uit twaalf korte verhalen en een toelichting van Charlotte Perkins Gilman zelf op haar meest spraakmakende korte verhaal Het gele behang.  

    De opkomst van het feminisme

    Eind negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw stonden onder andere in het teken van de opkomst van het feminisme. De suffragettes streden voor gelijke rechten van de vrouw. De focus lag in die eerste golf voornamelijk op het verkrijgen van stemrecht. De roep om autonomie en onafhankelijkheid klinkt ook door in de verhalen van deze bundel. Hierin zijn een paar algemene thema’s aan te wijzen: aan een kant zijn de verhalen van Perkins Gilman sterke kritiek op de traditionele rolverdeling binnen het huwelijk. Hierin speelt de mentale gezondheid van de vrouw en de hiervoor aanbevolen behandelingen vaak een grote rol. De andere soort verhalen zijn die van een door vrouwen geregeerde utopie waarin de auteur omschrijft hoe mooi en functioneel het leven kan zijn als vrouwen aan de macht zijn. Ook duurzaamheid en zelfvoorzienendheid zijn onderwerpen die vaker terugkomen. 

    Het gele behang

    Met deze zienswijze neemt Perkins Gilman een voortrekkersrol in haar tijd in. Het is dan ook niet vreemd dat Het gele behang, toen het in 1891 werd gepubliceerd in het New England Magazine, op enige weerstand kon rekenen in zowel medische als literaire kringen. In het verhaal heeft een vrouw last van zenuwinzinkingen. Haar man is tevens haar dokter en heeft haar gedwongen tot een zogenaamde ‘rustkuur’. Dit houdt in dat de vrouw bijna vierentwintig uur per dag in één kamer doorbrengt met een bed dat is vastgeschroefd aan de vloer. Op een gegeven moment komen de muren letterlijk op haar af. 

    In een poging grip op zichzelf te krijgen en orde en regelmaat in haar dag te vinden, begint ze het gele behang in de kamer nauwkeurig te bestuderen. Ze gebruikt deze studie om zichzelf ervan te overtuigen dat ze nog steeds een normaal werkende geest heeft. ‘Bij daglicht valt er in een patroon als dit geen logica te ontdekken, het druist tegen alle regels in, en is daarom uiterst tergend voor een normaal werkende geest.’
    Maar zodra het nacht wordt en er schaduwen op de muur vallen, ziet ze het patroon van het behang veranderen in tralies waarachter ze een vrouw bespeurt. ‘Soms heb ik het idee dat er een heleboel vrouwen achter het behang zitten en soms maar één vrouw, die razendsnel rondkruipt waardoor het hele behang gaat golven.’

    Het behang wordt de gevangenis waar de vrouw zich in bevindt – en de vele vrouwen die dezelfde klachten hebben als zij. De rustkuur werkt juist averechts en de mentale gezondheid van de vrouw wordt gezien als iets wat je met rust kunt oplossen. Als deze aanpak lijkt te werken, wordt de conclusie getrokken dat je ‘eigenlijk niets mankeert’. Een slechte aanpak, zo vindt ook Perkins Gilman die de rustkuur zelf voorgeschreven kreeg na drie jaar worstelen met een zenuwaandoening. Aan de behandeling ging ze bijna onderdoor en ze besloot deze te laten varen en gewoon weer aan het werk te gaan, want, zo schrijft ze in de toelichting, ‘zonder werk is de mens een pauper en een parasiet’.

    Huisvrouwen

    De vrouw uit Het gele behang krijgt een vervolg in het verhaal Verweven. Hierin heeft de vrouw haar rol als huismoeder weer opgepakt en lijkt ze op een bijna manische manier haar plicht te vervullen door zichzelf steeds aan de taken van een goede huisvrouw te herinneren.
    Het overlopen van het ene verhaal in het andere is iets wat in deze bundel vaker voorkomt. Hoewel het thema van de huisvrouw geregeld aangehaald wordt, beschrijft Perkins Gilman dit ook wel met een flinke dosis humor, zoals in het verhaal Mevrouw Elder heeft een idee. Hierin maakt een huisvrouw zich langzaam maar zeker los van het juk van haar echtgenoot en diens ideeën en overtuigingen. Perkins Gilman gebruikt hier kleine zinnen die subtiele, voor iedereen herkenbare humor overbrengen. Zoals: ‘Hij ging weer zitten met het idee dat het onderwerp definitief, doeltreffend en deugdelijk was besproken. Daar dacht zij anders over.’ Uiteindelijk krijgt het verhaal een ‘eind goed, al goed’ oplossing waarmee Perkins Gilman laat zien dat het heus niet allemaal slecht hoeft af te lopen in een huwelijk, als je elkaar maar de ruimte geeft om de eigen persoonlijkheid te kunnen blijven ontwikkelen. 

    Actueel

    Ondanks dat deze korte verhalen geschreven werden in een periode die inmiddels meer dan honderd jaar achter ons ligt, zijn de onderwerpen die de schrijfster aanhaalt nog steeds verrassend actueel. Ook vandaag de dag zijn de relaties tussen man en vrouw een graag besproken onderwerp en is er steeds meer aandacht voor mentale gezondheid. De moderne, vlotte en scherpe schrijfstijl zorgt ervoor dat deze bundel leest als een moderne korte verhalenbundel.

     

  • Opgroeien tussen gedetineerden

    Opgroeien tussen gedetineerden

    Koloniekind – Opgroeien in het gevangenisdorp Veenhuizen is het nieuwste boek van Mariët Meester. In dit non-fictieverhaal vertelt ze over haar jeugd in het dorp Veenhuizen, waar inwoners ‘samenwoonden’ met de gevangenen die in verschillende gebouwen in het dorp hun straf uitzaten. Eerder schreef Meester zowel fictie als non-fictie boeken waarbij haar verleden in Veenhuizen vaak een bron van inspiratie was. 

    Als inwoner van Veenhuizen in de jaren ’60 en ’70 weet Mariët Meester zich nog veel details over het dorp en de gewoontes in het dorp te herinneren. Zo was het bijvoorbeeld heel normaal dat dorpelingen samen met gevangenen in de kerk zaten of dat gedetineerden in en rondom de gezinshuizen bezig waren met allerlei taken en klusjes als het wassen van de ramen of het bijhouden van de tuin. Op deze manier werkten de gevangenen nauw samen met de inwoners van Veenhuizen. Dit betekende echter ook dat een gezin alleen in het dorp mocht wonen als de man des huizes er een functie had. De meest logische rol was natuurlijk gevangenisbewaarder, maar omdat er hele families in Veenhuizen woonden, moesten er ook basisbehoeftes worden vervuld in de vorm van een supermarkt en educatie. Dit laatste was de reden dat het gezin Meester in Veenhuizen verbleef. De vader van Mariët was schoolhoofd van de basisschool en stond onder de leerlingen en dorpelingen bekend als meester Meester. 

    Portret van de jaren ’60 en ‘70

    Door de ogen van het kind Mariët krijgen we een nauwkeurig beeld van de jaren ’60 en ’70 in Veenhuizen. Ze beschrijft tot in de kleinste details wat de gewoontes destijds waren, welke spelletjes de kinderen speelden, welke normen en waarden er golden en in hoeverre haar ouders daar van afweken. Zo was het gezin Meester een van de weinigen in het dorp die een auto hadden en daar eens per jaar mee op vakantie naar het buitenland gingen.
    In deze gedetailleerde beschrijvingen zit echter ook meteen de valkuil van Koloniekind. Alle details zouden moeten bijdragen aan het beeld dat de lezer krijgt van Meesters jeugd en van Veenhuizen, maar de auteur herinnert zich zo veel, dat het lijkt alsof ze geen keuze heeft kunnen maken tussen informatie die bijdraagt aan het verhaal en alle feitjes die voor haar zo gewoon zijn maar die voor de lezer zorgen voor een vertroebeling van haar verhaal. 

    Overwoekerd relaas

    Koloniekind vertelt namelijk niet alleen hoe het er in Veenhuizen aan toe ging in de jaren ’60 en ’70, het is een samenvatting van Meesters jeugd waarin ze zelf lijkt te genieten van alle herinneringen die ze aan deze periode en aan het dorp heeft. Daardoor raakt het relaas soms overwoekerd door allerlei onnodige details, zoals een uitgebreide beschrijving van de straatnamen en de plattegrond van Veenhuizen, die zo ver gaat dat zelfs de beschrijving van tuinschuurtjes aan bod komt zonder dat dit iets bijdraagt aan het verhaal. Een lezer die nog nooit een voet in Veenhuizen gezet heeft, zal weinig boodschap hebben aan deze details.

    Maar niet alleen de straatnamen krijgen een te grote rol in Koloniekind. Vaak voert Meester details op die van groot belang lijken. Een voorbeeld hiervan is haar gebroken arm in het begin van het boek. Wanneer de jonge Mariët huilend met een gebroken arm thuiskomt, hebben de ouders visite en reageren ze amper op hun dochter. Later in het boek vertelt Meester dat de visite erop aandrong dat Mariët naar het ziekenhuis werd gebracht. De manier waarop deze herinnering wordt gebracht insinueert dat er meer achter zit, dat de auteur er later nog eens op terugkomt of dat er nog een reflectie van de volwassene van nu op volgt. Die blijft echter uit. Zo zijn veel van de scènes die Meester beschrijft niet meer dan een anekdote die iemand je vertelt zonder dat er een meerwaarde uit te halen is. Het was misschien verstandiger geweest om het perspectief van de volwassen Mariët te gebruiken in plaats van het kindperspectief. Dan had ze met de kennis van nu kunnen reflecteren op haar jeugd en de gebeurtenissen in het dorp.

    Een ander voorbeeld van een te gedetailleerd beschreven scène is later in het boek, als Mariët naar de radio luistert: ‘Ik legde het briefje op de tafel terug en rekte me uit om de volumeknop van de radio te bereiken. Mijn nachtpon, een korte tot halverwege mijn bovenbenen, schoof omhoog. Nadat ik tevreden was over de geluidssterkte deed ik de grote lamp uit, zodat alleen het schemerlampje nog brandde waarvan de kap een jurk van mijn moeder was geweest, en nestelde me tegen een extra kussen.’ Dit ‘telling’ in plaats van ‘showing’ komt op meerdere plekken in het boek voor zonder dat het iets bijdraagt aan de beschreven scène. 

    De epiloog

    In de epiloog krijgen we te maken met de volwassen Mariët. Hierin werpt ze een blik op wat het wonen in Veenhuizen voor haar betekend heeft. Zo is ze zich ervan bewust wat voor een ander ritme er, ook nu nog, in het dorp heerst. Ze keert regelmatig terug en heeft aangevraagd er begraven te mogen worden. Ondanks dat ze in haar jeugd juist nieuwsgierig was naar de buitenwereld, komt ze als volwassene weer terug. Daarnaast heeft Veenhuizen als grote inspiratiebron gevormd voor meerdere van haar boeken, zoals Bokkezang en De eerste zonde.
    In de epiloog gaat ze in op wat er met haar dorpsgenoten in het latere leven gebeurd is. Dat is eigenlijk onnodig. De personen die Meester beschrijft vervullen namelijk alleen een functie als onderdeel van haar herinneringen. Het zijn geen mensen waar je als lezer een band mee opbouwt. De mededelingen over hun latere carrières en het aantal kinderen zijn oninteressant.

    Door alle overbodige bijzonderheden voelt Koloniekind als een boek met veel informatie zonder inhoud. Een bredere reflectie van een volwassen Meester op het dorp en op haar jeugd had voor meerwaarde kunnen zorgen. Maar de details over het bijzondere leven in Veenhuizen kunnen voor betrokkenen een bron van waardevolle informatie zijn. 

     

     

  • Het boek dat beter een kerstfilm had kunnen zijn

    Het boek dat beter een kerstfilm had kunnen zijn

    De uitspraak ‘het boek was beter dan de film’ is er een die menig boekliefhebber meermaals geuit zal hebben. In het geval van Jane Smiley’s Een winter in Parijs zal deze mening echter niet van toepassing zijn. Dit boek lijkt geschreven om bewerkt te worden tot kerstfilm dankzij dieren als hoofdpersonages, hun vriendschap met een kleine jongen en het zoete plot met een klassiek happy end.

    Peres is een Frans renpaard dat na een wedstrijd te hebben gewonnen op een onbewaakt moment besluit op avontuur te gaan. Het paard ziet altijd wel iets wat haar nieuwsgierigheid wekt en zodoende duurt het niet lang voordat de racebaan uit het zicht verdwijnt en Peres zich plotseling midden in Parijs bevindt. Daar ontmoet ze de zwerfhond Frida, die tot voor kort aan een straatmuzikant behoorde maar sinds diens dood rondzwerft door de stad. Frida kent het klappen van de zweep als eigenaarloos dier in Parijs en helpt Peres zich te verstoppen voor de mensen, terwijl ze er ook voor zorgt dat beide dieren genoeg te eten krijgen. Later in het verhaal voegen een eendenkoppel genaamd Sid en Nancy zich toe aan het gezelschap, en de raaf Raoul.

    Een perspectief op de mens

    De dieren hebben de hoofdrol in Een winter in Parijs. Ze hebben alle hun eigen karakter en staan allemaal model voor een archetype. Zo is de jonge merrie Peres de onschuldige van de groep die met onbevangen nieuwsgierigheid elk avontuur aangaat. Zij wordt beschermd en op het rechte pad gehouden door de zorgende Frida en beide dames ontvangen advies van de wijze en alwetende raaf. Het eendenkoppel Sid en Nancy snateren de hele dag door en scheppen een hoop onrust in het gezelschap, waarmee zij de rol van rebel vervullen. Hierover heeft de raaf Raoul, die in reïncarnatie gelooft, wel iets te zeggen: ‘En kijk naar Sid en Nancy. Verschrikkelijk bezorgd, zelfs voor wilde eenden. Ik vermoed dat zij in een vorig leven impulsief en roekeloos waren…’

    Dit is een leuke knipoog naar de popcultuur van de mensenwereld, waar de dieren vanzelfsprekend niets vanaf weten, waarnaar regelmatig wordt verwezen, zoals in dit geval naar roemruchte koppels als het punk-koppel Sid en Nancy of de net zo beroemde Bonnie en Clyde.
    De toevoeging van Sid en Nancy in het verhaal doet er eigenlijk niet veel toe. De eenden zijn namelijk erg op zichzelf en een voorbeeld van hoe de dialogen tussen de dieren – en de vele omschrijvingen van hun activiteiten – vaak weinig bijdragen aan het daadwerkelijke verhaal. Bijvoorbeeld in de volgende passage, waarin Frida Nancy opzoekt bij de vijver.

    ‘Ze zocht de treden op, liep naar beneden, rustte een poosje uit, maar bleef op haar hoede tot alles rustig was, en liep tenslotte weer naar boven, de straat in die langs de rivier liep. Niet lang daarna was ze terug bij de vijver. “Lieve hemel!” zei Nancy. “Je bent terug!” Frida zei: “Klopt. Hoe voel je je?” “Hoe denk je dat ik me voel? Wat een ellende allemaal. Het water is tot helemaal hier gestegen…” ze gebaarde met haar bek, “en ging toen weer omlaag. Het was een nachtmerrie. Maar ik kan Sid dit soort dingen proberen uit te leggen tot ik een ons weeg, hij gaat niet eens lúísteren, let op mijn woorden.” “Dat zal ik doen,” zei Frida.’

    Het perspectief van de dieren schept afstand tot de voor de lezer zo bekende wereld. De dieren zien de mensen, hun gedrag en hun spullen met andere ogen. Zo is een handtas een object dat de dieren fascineert en heeft vooral de raaf Raoul zijn eigen gedachten over de mens, bijvoorbeeld als de dieren een carrousel ontdekken in de stad en zich daarover verbazen: ‘Ik vermoed dat jullie dames er geen notie van hebben hoe veeleisend nakomelingen zijn. Ze moeten vermaakt worden, in het bijzonder die van mensen, die er jaren over lijken te doen voordat ze eindelijk in hun eigen onderhoud gaan voorzien, en wat moeten ze dan in de tussentijd doen? Wij aves bespreken dit mysterie dikwijls, de luiheid die endemisch is onder mensen, en dat ze niettemin gedijen…’

    Mensen als randpersonage

    Er komen ook mensen voor in het verhaal van de dieren, al fungeren deze voornamelijk als randpersonages die ervoor bedoeld zijn de dieren gevoed en verzorgd te houden. Een vriendelijke groenteverkoper kijkt er niet gek van op als hond Frida op eigen houtje boodschappen komt doen en de eigenaresse van een bakkerij staat ’s ochtends vroeg klaar met een bak haver voor Peres.
    Zo komt langzaam maar zeker ook het 9-jarige jongetje Étienne in beeld dat samen met zijn stokoude overgrootmoeder in een grote villa in het centrum van Parijs woont. Hier leidt hij een beschut en eenzaam bestaan. Hij gaat niet naar school, heeft geen vrienden en zijn enige bezigheden zijn het verzorgen van zijn blinde en dove overgrootmoeder en het lezen van boeken.

    Dit laatste zorgt ervoor dat hij over een flinke dosis fantasie beschikt. Zijn motto lijkt te zijn: als het in een boek kan, kan het vast ook in de echte wereld. Deze gedachtegang leidt ertoe dat hij een voorzichtige vriendschap sluit met Peres en Frida en uiteindelijk Peres in huis haalt. De overgrootmoeder merkt de aanwezigheid van het paard niet op. Met de nieuwe aanwinst van dit ‘huisdier’ krijgt Étienne ook het gezelschap van de raaf en de hond erbij.

    De mensen die in het boek betrokken zijn bij het leven van de dieren delen een paar eigenschappen met hen, namelijk dat zij in wezen vriendelijke mensen zijn met een groot bewustzijn van hun omgeving en de veranderingen daarin. Daarmee lijkt de boodschap van het boek te zijn dat als je vriendelijk met de wereld om je heen omgaat, je beloond zult worden met een goed verhaal, zoals het oplossen van het mysterie van een paard in Parijs, met natuurlijk een goede afloop.

    Eind goed, al goed

    Als de overgrootmoeder van Étienne uiteindelijk sterft, werken de dieren en de mensen samen om voor Étienne een passend nieuw thuis te vinden. De speciale band die de jongen met het paard heeft opgebouwd werpt vruchten af. Hij lijkt een training als jockey te kunnen beginnen vanwege zijn natuurlijke aanleg voor paardrijden.

    Zo maakt Jane Smiley het verhaal rond met een klassiek eind goed, al goed, dat nog eens bevestigt dat dit boek het beter zou doen als kerstfilm. Er gebeurt namelijk verder weinig in Een winter in Parijs, buiten lange en vaak zinloze dialogen tussen de dieren of beschrijvingen van hun activiteiten. “Vriendelijkheid” is het thema waar dit verhaal op gestoeld is. Dit had echter meer kracht gehad wanneer de dieren ook blootgesteld zouden worden aan onvriendelijkheid en de harde wereld om zich heen. Omdat Smiley ervoor kiest alleen de zoete en zachte kant van het verhaal te vertellen, is Een winter in Parijs meer een kerstsprookje dat zich te lang rekt. Als geschreven verhaal voelt het daardoor langdradig, maar als kerstfilm voor het hele gezin zou dit een prima keuze zijn.

     

  • Een rond verhaal vanuit alle hoeken verteld

    Een rond verhaal vanuit alle hoeken verteld

    Een boer die in het Spaanse deel van de Pyreneeën sterft nadat hij is getroffen door een bliksemschicht, vormt het beginpunt van het verhaal dat zich ontvouwt in Ik zing en de berg danst. Een rond verhaal dat vanuit verschillende, vaak bijzondere, perspectieven wordt verteld. Het is een roman met een grote hang naar poëzie die eigenlijk voorgedragen en niet gelezen zou moeten worden.

    Ik zing en de berg danst is de tweede roman van Irene Solà (1990). Eerder verschenen de dichtbundel Bèstia en haar eerste roman Els dics. Met haar werk won ze verschillende prijzen. Ook Ik zing en de berg danst werd met prijzen bekroond, waaronder de European Prize for Literature. Dat Solà ook poëzie schrijft, is direct te merken in haar tweede roman. De pagina’s staan bol van de metaforen, zinnen die in eerste instantie gebouwd zijn op ritme en dan pas op inhoud en lange passages vol herhalingen. Het zorgt voor een dwingend en voortstuwend gevoel bij het lezen.

    Tragische gebeurtenissen

    Het ritme van de taal is ook precies hetgeen dat ervoor zorgt dat je door blijft lezen. Het verhaal zelf wordt namelijk op zo’n unieke manier benaderd dat het gefragmenteerd raakt. In het begin van Ik zing en de berg danst sterft een boer als hij wordt geraakt door de bliksem. Hij laat zijn vrouw Sío achter, zijn bejaarde vader Ton en zijn twee kinderen, Mia en Hilari. De kinderen zijn bevriend met het reuzenkind Jaume en trekken altijd met hem op. 

    Hier komt echter verandering in als Jaume, Hilari per ongeluk vermoordt bij het jagen. Jaume gaat de gevangenis in en Mia blijft alleen met haar zieke moeder Sío achter in hun huis in de bergen, wachtend op de dag dat Jaume vrijkomt. Maar na zijn vrijlating durft Jaume niet terug te keren. Zowel hij als Mia wordt altijd herinnerd aan Hilari en hoe met zijn dood alles uit elkaar viel. 

    Mythisch verhaal

    Het bovenstaande is een zeer geconcentreerde samenvatting van Ik zing en de berg danst. Hoewel de gebeurtenissen rond Mia, Hilari en Jaume de basis van de roman vormen, zijn die alles behalve de essentie van het verhaal. De essentie is het leven zelf, in alle opzichten. In de vertelling hiervan overlappen realiteit en fictie elkaar moeiteloos. Via allerlei perspectieven wordt er een steentje bijgedragen aan het verhaal van de drie kinderen. Van de reebok die niet stierf dankzij het jachtongeluk van Jaume en Hilari tot de bergen die het constante toneel vormen van het verhaal, van de paddenstoelen die in de natte aarde groeien tot de heksen die weg van de samenleving verscholen in grotten wonen: alles en iedereen krijgt een stem in Ik zing en de berg danst. In de Spaanse Pyreneeën leeft bij Solà namelijk alles en zijn de mythes van heksen en reuzen springlevend.

    Daarmee heeft deze roman een soort Droste-effect. In elke scène wordt er ingezoomd op één element dat weer het onderwerp wordt voor het volgende hoofdstuk. Het resulteert in hetzelfde effect als bij twee spiegels tegenover elkaar: het verhaal trekt zich oneindig breed uit maar kan ook in één keer samengevouwen worden tot een geheel. 

    Taal overschaduwt het verhaal

    De schoonheid van Ik zing en de berg danst komt pas echt tot uiting wanneer je een hoofdstuk voorleest. Pas dan hoor je ten volste hoe zorgvuldig alle woorden gekozen zijn waaruit de zinnen zijn opgebouwd, waarbij er ongetwijfeld ook credits naar vertaler Frans Oosterholt horen te gaan. Irene Solà heeft een unieke pen en weet met een grote verscheidenheid aan metaforen en herhalingen een kunstwerk te scheppen. 

    Daarin ligt echter ook het gevaar. Met vlagen overschaduwt de taal het verhaal dusdanig dat alleen de zinnen overheersen. In het enthousiasme van het ritme gaat soms de boodschap van hetgeen verteld wordt verloren. Een voorbeeld hiervan is het hoofdstuk ‘De beer’ waarin Solà bijzonder veel omschrijvingen gebruikt om de beweegredenen van de beer weer te geven. Dit zorgt er echter juist voor dat deze enigszins verloren gaan in het geweld van het hoofdstuk: ‘Alleen laffe beesten doden wat ze niet eten. Ik brul harder en harder, ik zie, achter in de vallei, het dorp. Beef, bange beesten. Kuddebeesten. Vijanden. Laffe en moordlustige kudde. Jullie kijken me doodsbang aan, boven op jullie kasteel, samengedromd. Jullie rennen heen en weer, stelletje kippen. Ik spring en brul en gooi een man op de grond als een schaap.’

    Dit soort golven van woorden zorgen ervoor dat je geen band opbouwt met Mia, Hilari en Jaume. Hun belevenissen dienen puur als kapstok voor alle perspectieven en invalshoeken van waaruit het verhaal wordt verteld. Hoewel de esthetische waarde van elk hoofdstuk te waarderen is, neemt het verhaal je niet bij de hand en sleurt het je niet mee. Je zult als lezer zelf hard moeten werken om alle puzzelstukjes in elkaar te laten passen. 

    Verrassende afwisseling

    Soms worden de hoofdstukken met een meer mythische insteek – vaak verteld vanuit een plant of een dier – afgewisseld met een hoofdstuk dat wordt verteld vanuit het perspectief van een mens. Deze hebben vaak een verfrissende toon waarin met humor wordt bijgedragen aan het verhaal. Zoals in het hoofdstuk ‘Het tafereel’, waarin een stadsbewoner het bergdorp opzoekt voor een ‘authentieke beleving’ maar kwaad wordt als alle winkels in het dorp dicht zijn vanwege de uitvaart van Hilari. Solà hanteert een sarcastische toon en weet hiermee scherp weer te geven hoe ver dit stadsmens van enige authenticiteit verwijderd is. 

    Want ook de mensen hebben natuurlijk iets te vertellen in Ik zing en de berg danst. Solà geeft elk mens dat aan het woord komt, net als de planten en dieren, een eigen toon. Voor het perspectief van de bergen speelt ze zelfs met visuele aspecten en geeft ze onder andere met tekeningen het ontstaan van de Pyreneeën weer. Door deze bijzondere afwisseling blijf je je toch afvragen wat er in het volgende hoofdstuk gaat gebeuren. 

    Ik zing en de berg danst is een prachtige en poëtische vertelling over het leven, over ál het leven op het toneel van de Pyreneeën. Waar de dood in het verhaal komt, wordt ook direct ruimte gemaakt voor nieuw leven. Daarmee is het verhaal rond. De vele verschillende perspectieven zorgen voor een bijzonder en verrassend geheel over veelgebruikte onderwerpen zoals het leven en de dood. Hiermee heeft Solà een gedurfd risico genomen dat zeer succesvol heeft uitgepakt. 

     

     

  • Een verhaal in vogelvlucht

    Een verhaal in vogelvlucht

    In zijn nieuwe roman Dorp laat Gilles van der Loo (1973) de lezer kennismaken met Melchior. Hij is een eenzame man die de wereld om zich heen in een rap tempo heeft zien veranderen, maar zelf vasthoudt aan het verleden. Het dijkdorp waarin Melchior woont, is door de jaren heen langzaam maar zeker opgeslokt door Amsterdam. Waar het dorp eerst nog als een oase van rust tussen de weilanden lag, werd deze rust uiteindelijk verstoord door de aanleg van een grote weg. Hoewel dat voor de omgeving een moderne tijd inluidt, wordt Melchior door één gebeurtenis in het verleden gehouden, hoe zeer de wereld om hem heen ook verandert. 

    Daar komt echter verandering in wanneer op een dag plotseling een klein meisje in de regen in Melchiors moestuin staat. De jonge moeder van het kind vindt hij slapend bij een bushalte, omringd door heel haar hebben en houden. Hij besluit Sunny en haar dochter Adá onderdak te bieden in zijn schuurtje. Maar met de komst van nieuw en jong leven in zijn huis, wordt hij gedwongen zijn eigen jeugd onder ogen te zien. Tot dat moment heeft Melchior namelijk zoveel mogelijk geprobeerd de pijnlijke momenten uit zijn leven te ontwijken. Dit heeft ertoe geleid dat hij ook zichzelf van een afstandje is gaan zien en daarmee alleen nog de onbewogen versie kent die hij van zichzelf gemaakt heeft. De komst van Sunny en Adá werkt als een warm bad voor de gevoelsarme Melchior en langzaam maar zeker weekt hij los en komt zijn zachte kern tevoorschijn. 

    De visie van een vogel

    Wat direct opvalt in Dorp is het bijzondere perspectief waarvoor Gilles van der Loo kiest. Een groot deel van het verhaal wordt namelijk verteld door een ijsvogel die bevriend is geraakt met Melchior toen deze nog een klein jongetje was. Als een stem van rede en beschouwing volgt de vogel ‘zijn jongen’ terwijl Melchior ouder wordt, bepaalde keuzes maakt, verliefd wordt en al vroeg met verschillende vormen van verlies te maken krijgt.

    De vogel, in essentie een onschuldig en onpartijdig dier, werkt als tegenwicht voor de boze tiener die Melchior op een gegeven moment wordt. Het moment waarop de jongen zijn onschuld verliest, als hij door pesterijen een klasgenoot de dood in jaagt, is ook het moment waarop hij zijn vriend de ijsvogel niet meer ziet. Vervolgens wordt de ijsvogel gedwongen om met lede ogen aan te zien hoe Melchior steeds ongelukkiger wordt en de last van de dode klasgenoot met zich meedraagt, wat zijn hele leven beïnvloedt.

    Hoewel het perspectief van de vogel zeker bijdraagt aan de afstandelijke sfeer die Gilles van der Loo in Dorp creëert, is het ook een wat ongeloofwaardig perspectief. IJsvogels worden immers, met veel geluk en in ideale omstandigheden, maximaal twintig jaar oud. Deze ijsvogel krijgt het echter voor elkaar om op het randje van de dood te balanceren en vervolgens nog eens ruim veertig jaar te leven. Het is een aspect waar je als lezer niet te zeer bij stil moet staan. De manier waarop de ijsvogel Melchior in zijn wereld toelaat, is namelijk leuk gedaan. Zo noemt hij het bed van Melchior een nest, wordt hoofdhaar veren en zwangerschap het uitbroeden van een ei. Hierdoor wordt de vogel een brug tussen de mens en de natuur en misschien zelfs tussen schuld en onschuld.

    Rouw op afstand

    In de tijd dat zijn klasgenoot overleed kreeg Melchior een horloge dat hij nog steeds draagt. Het vormt dan ook een tastbare – en verhaaltechnisch gezien een weinig subtiele – herinnering aan het verleden. Het horloge staat voor alles wat Melchior niet los heeft kunnen laten. Dat hij het niet afdoet, is een van de kleine hints waaraan je als lezer moet afmeten hoe hij zich voelt. Uit het verhaal zelf kom je namelijk weinig te weten over de hoofdpersoon. Ook het perspectief van de ijsvogel draagt bij aan een noemenswaardige afstand en moeten Melchiors daden en acties de veranderingen in zijn gemoedstoestand of emotionele verwerkingsproces verklaren.

    Deze lacune helpt juist wel weer om binding te voelen met de jonge Sunny en haar dochter Adá, die het tegenovergestelde zijn van de chagrijnige Melchior. Ze zijn open, stellen vragen, vertellen prompt iets over hun interesses en verleden. Maar aangezien zij niet het focuspunt van dit verhaal zijn, valt de nadruk op een zekere leegte tussen de lezer en Melchior, wat het bijna onmogelijk maakt om volledig mee te leven met diens rouw en verwerkingsproces over alles wat mis is gegaan in zijn leven. Dat is jammer.

    Het verleden dat het heden beïnvloedt

    Door het verleden te verweven met het heden, zorgt Gilles van der Loo ervoor dat je begrijpt waarom Melchior zo afstandelijk en afgesloten is. Er worden scènes van vroeger beschreven door een personale verteller. Dankzij deze scènes, die bijvoorbeeld inzoomen op de relatie tussen Melchior en zijn overleden vrouw Ella, krijg je een gedetailleerder beeld van de situatie zonder te worden afgeleid door het perspectief van de ijsvogel. Deze momenten uit het verleden brengen je als lezer dichter bij Melchior als persoon. Vooral de momenten waarop hij Ella wil vertellen over de dood van zijn klasgenoot maar dit niet doet, zijn van groot belang om de uiteindelijke openhartigheid van Melchior richting Sunny te begrijpen. 

    Dorp is daarmee een roman die distantie creëert, zoals een rouwende dat misschien ook met (on)bekenden zou doen. Als lezer moet je toegang zien te vinden tot het personage van Melchior. Dat duurt even omdat je zelf op zoek moet naar mogelijke drijfveren en gedachtegangen achter de handelingen van Melchior. Voor wie het bijzondere ijsvogelperspectief en diens lange leven als een gegeven kan accepteren, is Dorp een mooie roman met een klein verhaal dat groot voelt dankzij de secure wisseling tussen heden en verleden.  

     

  • De zomerboeken van Stefanie Katzenbauer

    De zomerboeken van Stefanie Katzenbauer

    Medewerkers van Literair Nederland en hun boeken die meegaan op vakantie of tijdens zomerse dagen in eigen tuin gelezen worden. 

    Stefanie Katzenbauer gaat op vakantie en neemt mee:

    Elizabeth Kostova – Zwanenroof
    Stephen Fry – Mythos
    Hendrik Groen – Zolang er leven is
    Charlotte Mutsaers – Harnas van hansaplast

    In de zomer lees ik graag lichte boeken met een spannend verhaal, luchtige anekdotes of relatief dunne boeken omdat ik tijdens de zomervakantie ook een soort ‘leesvakantie’ heb: ik lees alleen dat waar ik niet te veel moeite voor hoef te doen.

    Van Elizabeth Kostova las ik eerder De Historicus waar ik enorm van genoten heb. Dit boek bracht me mijn ‘guilty pleasure’, namelijk historische avonturenboeken. Harnas van hansaplast kijkt me al lang verwijtend aan vanuit mijn boekenkast en deze zomer is de tijd gekomen om het boek te lezen waarover ik een paar jaar geleden een lezing van Charlotte Mutsaers bijwoonde.

    Mijn boekenkast is tot de nok gevuld, maar sinds kort heb ik ook een e-reader, iets wat onder sommige boekenliefhebbers een grote faux pas is. Hij is overigens ook een prachtige uitkomst voor hele dikke boeken, die soms zwaar of onhandig zijn om in handen te houden, zeker als je er een vakantie-ontbijtje bij neemt.

     

    Lees meer over Stefanie Katzenbauer

     

  • Mensen op zoek naar verbinding

    Mensen op zoek naar verbinding

    Mensen gaan relaties aan. Met zichzelf, anderen, dieren en voorwerpen. Soms zorgen deze relaties voor wringende situaties, onbegrip, ongemak en zelfreflectie. Wat zeggen die relaties nu eigenlijk over onszelf? Een modern verlangen is de nieuwe verhalenbundel van Hanna Bervoets. Een aantal van deze veertien verhalen uit de bundel verscheen in literaire tijdschriften en bijlages zoals Das Magazin, De Morgen en Vrij Nederland

    In Een modern verlangen worden menselijke verhoudingen en communicatie op verschillende manieren, in verschillende scenario’s onder de loep genomen. En dat doet Hanna Bervoets op een voortreffelijke manier met een altijd vernieuwende blik. 

    In deze bundel weet zij een groots verhaal te vertellen: dat van het menselijk verlangen naar contact. Dit verlangen beschrijft ze in verschillende settingen en tijden. Zo zijn er verhalen met een futuristische, maar niet ondenkbare inslag, maar ook gebeurtenissen ‘van vroeger’ met herkenbare situaties voor iedereen die vroeger bij buurmeisjes en -jongetjes ging spelen. 

    Verrassende perspectieven

    Soms speelt de auteur met het afwisselen van verschillende perspectieven. Zoals in Een koffiebar met een Duitse naam waarin het perspectief als een estafettestokje wordt doorgegeven en de alledaagse omstandigheden van de vertellers het raam vormen voor een bizar en duister verhaal. De verschillende blikken op dezelfde situatie zorgen ervoor dat de vaart erin blijft en dat de vertelling een prachtig einde kent waarbij alle puzzelstukjes in elkaar vallen. De lezer blijft vervolgens niet alleen achter met de spanning van het overkoepelende plot, maar heeft ook inzicht gekregen in de structuren van een buurtgemeenschap en in hoe de verschillende levens elkaar, plus de algehele situatie an sich beïnvloeden. 

    Emotionele scènes

    In het onderzoeken van de verschillende manieren waarop mensen met elkaar omgaan weet Bervoets niet alleen verrassende vormen van communicatie te gebruiken als leidraad voor het verhaal (zo wordt er in één verhaal uitsluitend via forum posts gecommuniceerd, of speelt de buurt-Whatsappgroep een grote rol), maar weet ze met de inhoud van deze communicatie precies de vinger op de zere plek te leggen. De emoties achter de woorden van de personages worden feilloos voelbaar dankzij de zorgvuldig opgezette scènes en slim uitgedachte dialogen. 

    Een kritiekpunt hierbij zou kunnen zijn dat de dialogen soms wat houterig, onnatuurlijk en te beladen aanvoelen. Dat is vooral het geval bij het verhaal Kerstmis in de ruimte III waarbij de personages op een dusdanig existentiële manier met elkaar praten dat je je afvraagt of ze van tevoren ingestudeerd hebben wat ze willen zeggen om extra gewicht aan hun woorden te geven. 

    Evenwichtige verhalen vullen elkaar aan

    Desalniettemin weegt dit kleine punt van kritiek niet op tegen het evenwicht tussen de drie verschillende delen van Kerstmis in de ruimte. De verhalen vullen elkaar aan in het gemeenschappelijke onderwerp van een ruimtereis maar zijn alle drie even verrassend. Ook hier geldt weer dat Bervoets kiest voor een bijzondere manier van vertellen. Zoals de briefvorm waarin Kerstmis in de ruimte I zich afspeelt of het verloop van tijd in Kerstmis in de ruimte III, dat van heden naar verleden verteld wordt waardoor men de personages steeds beter begrijpt. Dit verhaal leent zich er dan ook voor om twee keer gelezen te worden: een keer van voor tot achter zoals het bedoeld is en één keer van achteren naar voren zodat men de door Bervoets zorgvuldig opgebouwde band tussen de personages Anton en Frank nog meer waardeert. Hierdoor krijgen de verschillende aspecten van de vriendschap, die gebaseerd lijkt te zijn op het motto “door dik en dun”, nog meer impact.

    Sciencefiction in het alledaagse

    Een andere gemeenschappelijke deler in veel van deze verhalen is het futuristische of sciencefiction-achtige tintje. Zo deinst Bervoets er niet voor terug om veel voorkomende zaken en problemen als depressie, ziekte, rouw en verlies te plaatsen in een bevreemdende setting. Zoals in het verhaal De doos waarin een man zichzelf blootstelt aan gruwelijke pijn om zijn sombere gedachtes in een ander perspectief te kunnen plaatsen. Of zoals in het verhaal Dit is hoe vlierbessen ruiken waarbij de hoofdpersoon de ontmoeting met andere mensen naar believen aan en uit kan zetten. Deze vervreemdende elementen versterken de dingen die iedereen herkent en meemaakt in zijn of haar leven. Dat zorgt voor een andere manier van kijken; je blik wordt op het bijzondere in het alledaagse gericht. Deze eigenaardige situaties benadrukken de onderliggende en primaire emoties die we allemaal herkennen en ervaren, zoals onzekerheid, angst, pijn, woede enzovoort. Het zet de lezer aan het denken: hoe ver zou je bijvoorbeeld willen gaan om van je lijden verlost te worden zoals in De doos? En hoeveel recht op leven hebben chronisch zieken als het gaat om overleving zoals in Kerstmis in de ruimte III? Hoe zoek je naar nieuwe middelen van communicatie als je je zicht en gehoor verliest zoals een personage in Ganzen

    In alle veertien verhalen toont Hanna Bervoets het verlangen van de mens naar contact, naar verbinding. Het is knap hoe ze telkens in een korte tijd een wereld neerzet die dankzij de manier van vertellen, ondanks het sciencefictiongehalte, logisch voelt en waarin je als lezer de persoonlijke geschiedenis van een personage bijna denkt te kennen, ook al is deze onverteld. Daarmee laat elk verhaal de lezer voldaan achter zonder vragen over plot of personage. De enige vraag die wél opkomt is: hoe sterk is mijn eigen moderne verlangen naar verbinding?

     

  • Een interessante reis in een personagegedreven roman

    Een interessante reis in een personagegedreven roman

    Van Yolanda Entius (1961) verschenen eerder onder andere de romans Rakelings (2005) en Abdoel en Akil (2017). Entius studeerde geschiedenis, ging naar de toneelschool en werkte als actrice en regisseur. Haar nieuwste roman, getiteld Niet ik, speelt zich deels af op een toneelschool, waar hoofdpersoon Lena verliefd wordt op haar docent Dimitri. Niet ik is een boeiende personagegedreven roman over de zelfontwikkeling van een jonge vrouw.

    Lena studeert aan de toneelschool maar heeft moeite met het vinden van haar plek. Ze merkt dat ze zich voortdurend te zeer bewust is van zichzelf. Van een afstand analyseert ze de rol die ze inneemt op school en in haar sociale leven. Hierdoor lukt het haar nauwelijks een andere rol te spelen, terwijl dat toch juist is wat ze op de toneelschool hoort te doen. Wanneer ze bij een project begeleiding van docent Dimitri krijgt, wordt ze verliefd op hem. Deze verliefdheid confronteert haar extra met haar eigen gebreken.

    Heden en verleden als handleiding

    Lena vertelt als ‘ik’ haar eigen verhaal. De gebeurtenissen in haar leven die haar gemaakt hebben tot wie ze is, hangt de auteur kundig op aan haar verliefdheid op Dimitri. Rondom dit thema weet Lena namelijk belangrijke momenten uit haar jeugd te plaatsen, waardoor ze langzaam maar zeker bepaalde gedragingen en gedachten in perspectief kan plaatsen. Deze herinneringen beschrijft Lena in de derde persoon op een koele en afstandelijke manier.

    Het heden wordt afgewisseld met momenten uit het verleden en deze scènes zijn moeiteloos met elkaar verweven. Door de constante koppeling maakt Lena zichzelf indirect duidelijk hoe haar verleden haar acties en gevoelens in het heden beïnvloedt. Hierdoor is al vanaf het begin duidelijk dat er meer zit achter haar ogenschijnlijk onschuldige verliefdheid. Ze koppelt de gebeurtenissen uit haar heden en verleden aan elkaar, waaruit de impact van haar verliefdheid op haar latere leven blijkt: ‘En of het door de herinnering kwam, eerst aan mijn vader en later aan Dimitri, of aan die jurk, of gewoon door de verpletterende banaliteit van al die beweging om mij heen, die onaangedane bedrijvigheid; ik merkte dat ik stil begon te vallen. Ik stolde in de tijd.’

    De door Entius zorgvuldig gekozen plaatsen van de herinneringen in het verhaal dienen als een voorbode, een waarschuwing voor de lezer: let op, dit is belangrijk, klinkt het tussen de regels door. Samen vormen heden en verleden een handleiding voor het verklaren van Lena’s persoonlijkheid. Ook Lena zelf doet af en toe een duit in het zakje en maakt duidelijk dat de gebeurtenissen zich al voltrokken hebben, dat zij erop terugkijkt en meer inzicht heeft in de situatie dan ze had op het moment van de gebeurtenis zelf. ‘Spot, vuur, ironie, tederheid, het hing van mijn stemming af wat ik erin zag,’ nuanceert Lena de gevoelens van haar jeugdige zelf. 

    Losbreken

    Het ontbreken van een veilige basis, een thuisfront waarop ze kan terugvallen, de zoektocht naar een solide voorbeeldrol, de constante worsteling met zichzelf, haar zelfreflectie en het ontbreken van zelfvertrouwen waardoor ze constant op zoek is naar goedkeuring van anderen, zorgen ervoor dat Lena nooit volledig tot haar recht komt als actrice. De korte momenten dat dit wel lukt zijn de momenten waarop ze al haar remmingen vergeet, loslaat en er gewoon is. ‘Ik begreep wel hoe weinig ervoor nodig is om een gekooid dier op te jutten en te tergen. […] simpelweg dat iemand op het moment suprême niet thuis geeft, kan al voldoende zijn: het lont in een kruitvat. En dan, nog voor je met je ogen hebt geknipperd, drijft de razernij je naar het randje van de redelijkheid. Je valt, of nog beter: springt in een roes. Je doet wat je, vind je nu, al die tijd al had moeten doen. Eenmaal bevrijd slaat de draak zijn vleugels uit, mept met zijn staart tegen de verwachtingen waaraan hij niet kan voldoen, spuugt naar de man die hem klein hield, poept op de regels, trapt op wat hem lief is of wás […] en brult tegen zijn schaduw dat ‘we’ ‘ze’ eens alle hoeken van de kamer laten zien!’     

    Lena kan afstand nemen van de gebeurtenissen in haar leven door ze te vertellen. Heden en verleden treffen elkaar wederom op het einde waarin Entius alle losse eindjes mooi oppakt en samenbindt. Maar eigenlijk doet ze dit al zo goed door de hele roman heen dat het zonde is dat ze er op het einde voor kiest om Lena minutieus uit de doeken te laten doen hoe haar verliefdheid op Dimitri verweven is met het beeld dat zij van mannen heeft, en de daaropvolgende teleurstelling in mannen die haar vader al vanaf het prilste begin teweeg heeft gebracht. Het clichébeeld van een weggegooide (tastbare) herinnering in de vorm van een brief, doet concluderen dat de reis die Lena doormaakt in Niet ik interessanter is dan de ontknoping.

     

  • Verdieping op het werk van Ingeborg Bachmann

    Verdieping op het werk van Ingeborg Bachmann

    Het boek Kriegstagebuch met dagboekfragmenten van – en brieven aan – de Oostenrijkse Ingeborg Bachmann (1926-1973) verscheen in 2010 in Duitsland. Nu is er een Nederlandse vertaling. Machteld Bokhove heeft niet alleen uitstekend vertaalwerk verricht maar levert tevens een interessant commentaar op het nawoord van de oorspronkelijke Duitse samensteller van het boek,  Hans Höller. Oorlogsdagboek – met brieven van Jack Hamesh laat zien hoe de werkelijkheid en Bachmanns persoonlijke ervaringen invloed hebben uitgeoefend op haar literatuur en poëzie. Ook voor lezers die het werk van Bachmann niet kennen, is dit een interessant boek dat niet alleen diepere betekenis geeft aan haar werk, maar ook een inkijk in het leven van een Oostenrijkse tiener die opgroeit onder het naziregime. 

    Rebellie

    In de dagboekfragmenten beschrijft Ingeborg haar leven in de laatste periode van de oorlog, waarbij ze door laat schemeren dat ze op haar eigen manier rebelleert tegen het naziregime dat haar dwingt zich aan te sluiten bij een zogenaamde ‘Kweekschool’ en waarbij ze van de leiding (die ze spottend ‘heren opvoeders’ noemt) loopgraven moet graven. Ondanks dat er nog bommen vallen beschrijft ze hoe ze buiten op een stoeltje in de zon Das Stundenbuch van Rilke leest. Het volgende moment bevinden we ons kort na de oorlog, wanneer Ingeborg kennis maakt met Jack Hamesh als ze haar persoonsbewijs moet opvragen bij de Field Security Section. Er ontstaat een relatie tussen hen.

    Hamesh is van Joodse afkomst en ook hier geeft Ingeborg blijk van een rebellerende houding naar haar omgeving. Ze zegt tegen haar moeder ‘dat ik tien keer door Vellach en door Hermagor met hem op en neer ga lopen, en als iedereen dan op zijn kop gaat staan, dan juist’. De verliefdheid tussen de twee maakt duidelijk indruk op zowel Ingeborg als Jack. Ingeborg beschrijft het als de mooiste zomer van haar leven en ook Jack spreekt in zijn latere brieven zijn verlangen uit om weer bij haar te zijn. Na zijn vertrek naar Palestina stuurt hij haar nog lang brieven waarin hij haar zijn liefde verklaart en de wens uitspreekt om bij haar en haar familie te zijn.

    Leven en werk

    Tijdens haar studie focuste Bachmann zich vooral op filosofie en psychologie en promoveerde uiteindelijk met een proefschrift over Martin Heidegger. Haar carrière als dichter en schrijfster kwam van de grond toen zij haar eigen poëzie voordroeg op een bijeenkomst van Gruppe 47, een collectief van schrijvers en dichters ter bevordering van de naoorlogse Duitstalige literatuur. Het is dan ook niet vreemd dat Bachmann uiteindelijk een van de meest invloedrijke schrijfsters uit de naoorlogse periode werd.
    Haar werk bestond voornamelijk uit poëzie en korte verhalen waarvan haar poëziebundel
    Die gestundete Zeit bekend werd om de grimmige en pessimistische passages.

    Bachmann schreef daarnaast één roman: Malina. Haar werk onderzoekt voor een groot deel de machtsverhouding tussen mannen en vrouwen, hoe mannen hun invloed op vrouwen uitoefenen en de vrouwelijke identiteitsproblematiek die hierdoor ontstaat. Ook in Oorlogsdagboek komt dit thema naar voren en zien we de aanzet voor een scène die later in Malina menig lezer zal beklemmen. In dit dagboek noemt Bachmann namelijk kort haar vader, die nazi-officier was, aan het front had gevochten en na de bevrijding in een gevangenkamp verbleef. Over deze scène, en de rol die haar vader uiteindelijk in Malina krijgt toebedeeld, spreekt samensteller Hans Höller in zijn nawoord positief.

    Het nawoord van Hans Höller

    Hans Höller plaatst de dagboekfragmenten en brieven van Hamesh in het perspectief van Bachmanns latere werk, waarbij hij ook de over haar leven bekende feiten betrekt. Hij legt continu verbanden tussen het dagboek en het werk en voorziet daardoor zowel de dagboekfragmenten als het overige werk van meer context. De nabespreking had wellicht beter als voorbespreking kunnen dienen, gezien deze als het ware de inleiding is op de korte en schaarse dagboekfragmenten. Want uiteindelijk beslaan deze dagboekfragmenten slechts een fractie van het boek. Het grootste deel bestaat uit de brieven van Jack Hamesh en de gedetailleerde bespreking van Höller. Daardoor is dit boek meer een eenzijdige briefroman dan een echt dagboek. 

    De publicatie van Kriegstagebuch had een positief bijeffect. De identiteit van Jack is altijd onbekend gebleven, totdat de uitgave van de dagboekfragmenten daar verandering in bracht. Een enthousiaste medewerkster van de Oostenrijkse nationale bibliotheek is naar aanleiding van het boek een persoonlijke zoektocht begonnen en heeft Hamesh’ gaan en staan weten te reconstrueren, ondanks zijn veelvuldig veranderen van naam, tot aan zijn nog levende zonen. Deze zijn inmiddels in contact gebracht met de jongere broer van Bachmann waardoor zij een kant van hun vader leerden kennen die tot dan toe onbekend was. 

    Toevoeging van Machteld Bokhove

    Hoewel Höller duidelijk blij is met de gelegenheid de intertekstualiteit tussen de dagboekfragmenten, de brieven en het werk van Bachmann te onderzoeken, voegt Machteld Bokhove er een kritische noot aan toe. Zij bespreekt onder andere de slachtofferrol die Bachmann in haar werk aanneemt en die volgens Bokhove niet zomaar bejubeld en voor waar aangenomen kan worden. Tenslotte wordt de oorsprong van Bachmanns lijden gekoppeld aan een periode waarin veel mensen erger en meer geleden hebben dan Bachmann zelf.
    Bokhove schrijft: ‘Al in 2000 schreef de Duitse essayiste Sabina Kienlechner […] dat als Bachmann haar persoonlijke leed koppelt aan “de grote gaskamer” dit een belediging is van de echte slachtoffers en een misplaatste “legitimatie van haar traumatische gevoelswereld”.’
    Bokhove besluit haar kanttekeningen met de opmerking dat Bachmann evenwel vervlochten blijft met de Tweede Wereldoorlog. Dat dit statement beaamd kan worden blijkt uit de vele aanknopingspunten die Höller heeft weten te vinden tussen de dagboekfragmenten en het latere werk van Bachmann.