• Stefan Hertmans ontvangt Constantijn Huygens-prijs voor zijn hele oeuvre

    De Belgische schrijver Stefan Hertmans (1953) is sinds de publicatie van Oorlog en terpentijn (2013) een van de bekendste schrijvers van ons taalgebied geworden. Dit boek betekende voor hem een doorbraak bij het grote publiek. Maar ook daarvoor was de in Brussel wonende schrijver al een belangrijk schrijvers binnen het Nederlands taalgebied. Zijn vroege werk wordt
    gekenmerkt door een experimenteel karakter en hoewel zijn latere werk makkelijker leesbaar is, blijft het experimenteren met woord en beeld een belangrijk element in zijn werk. Hij debuteerde in 1981 dan ook met het experimentele prozaboek Ruimte. Daarna beoefende hij vrijwel alle genres die er mogelijk zijn binnen de literatuur. Hij schreef duizend bladzijden aan poëzie, zijn proza omvat romans, verhalen, een reisboek en essays. Voorts schreef hij theaterteksten en publiceerde hij monografieën over filosofie en beeldende kunst. In elk genre heeft hij boeken gepubliceerd die tot de hoogtepunten van de hedendaagse literatuur gerekend kunnen worden. In binnen- én buitenland is Hertmans een gewaardeerde stem in het publieke debat.

    Volgens de jury heeft ‘het publiek deze schrijver omarmd, in de buitenlandse pers gooit hij hoge ogen en ook in Nederland en Vlaanderen is de waardering voor zijn werk groot. De toekenning van de Huygens-prijs onderstreept deze brede erkenning en bekroont een veelzijdig en groots oeuvre’.

    De jury bestaat uit Aad Meinderts (voorzitter), Erica van Boven, Jeroen Dera, Arjen Fortuin, Sarah Vankersschaever, Sanne Parlevliet, Jan de Roder, Jeannette Smit en Carl De Strycker.
    Eerdere laureaten zijn: Nelleke Noordervliet (2018), Hans Tentije (2017), Atte Jongstra (2016) Adriaan van Dis (2015), Mensje van Keulen (2014) en Tom Lanoye (2013).

    De prijsuitreiking vindt plaats tijdens het Schrijversfeest, de afsluiting van Winternachten internationaal literatuur festival Den Haag op zondagmiddag 19 januari 2020. Aan de prijs is een bedrag van € 12.000 verbonden.

     

    Foto: Wikipedia

     

  • Tuin als romantische valkuil

    Tuin als romantische valkuil

    ‘Ik heb niets interessants te vertellen, maar dat went’. Het zelfverkozen isolement dat Vincent van Meenen (1989) in zijn novelle Tuin beschrijft, leidt bij de hoofdpersoon niet tot interessante bespiegelingen of inzichten. De ik-persoon mag dit dan gelaten accepteren, menig lezer zal dit niet doen.

    De naamloze hoofdpersoon bevindt zich in een ommuurde tuin aan de rand van een stad. Al op de eerste pagina meldt hij dat hij niet weet hoe lang hij zich daar al bevindt en dat hij de tuin alleen zal kunnen verlaten door haar (sic!) van zich af te schrijven, haar een stem te geven. Zijn verblijf is een zelfverklaarde daad van verzet. Er wordt slechts spaarzaam iets losgelaten over de tijd voorafgaand aan de tuin: hij heeft op een kantoor gewerkt, er waren demonen, vervreemding heeft hem hiernaartoe gedreven. Hoewel beschreven wordt hoe hij zich in leven houdt met wat hij in de vervallen serre aantreft, is van meet af aan duidelijk dat de tuin een allegorie betreft.

    Vervolgens begint de beschrijving van de tuin die stilistisch gezien enigszins doet denken aan de observaties van Stefan Hertmans ‘Hoe langer ik stilsta bij het verkleuren van de bladeren, hoe intenser de tinten op me inwerken. Geel van woestijnzand, oker en roodtinten die aan verroest ijzer doen denken. Een zacht wiegen alsof elke boom een slapende baby draagt.’
    Maar waar de landschappen van Hertmans bezield worden door het verleden, door een verhaal dat tergend langzaam uit de doeken wordt gedaan, blijft dat verhaal hier uit. Waar is het Van Meenen dan wel om te doen?

    De lezer plezier laten beleven aan poëtische observaties van natuurschoon als inspiratie voor scherpzinnige bespiegelingen over het leven? Dat valt tegen. Veel is banaal: kale bomen die vergeleken worden met het ‘verticale verlangen dat zich gewoonlijk ophoopt ter hoogte van de geslachtsdelen’, quasi-diepzinnig: ‘hoe langer iets al bestaat, hoe groter de kans dat het nog veel langer zal bestaan’, onbegrijpelijk: ‘de menselijke inzoombeweging is er een die alleen beperkingen blootlegt’ of potsierlijk: ‘Natte vingers zijn ideaal om mee door je haren te strijken of in je ogen te wrijven’. Als er  al eens een interessante observatie is, wordt die niet uitgewerkt. De hoofdpersoon stelt zichzelf liever vragen als ‘hoe hoog kan het gras groeien?’ en ‘hoeveel dagen kan ik hier doorbrengen zonder iemand te zien?’ en geeft zelf toe dat hij niet verder komt dan dat.

    Dit onvermogen van de hoofdpersoon – en dit is interessant – wordt expliciet in verband gebracht met de tekortkomingen van het verhaal. Hoofdpersoon en schrijver vallen samen in bespiegelingen over de tekst zelf: ‘Wie ben ik en door wiens mond spreek ik? Waar is het personage, waar is het conflict?’ De verteller zegt niet te willen verzanden in een narratief waarin hij niet gelooft. In plaats van een verhaal te vertellen, probeert hij de boel te begrijpen, verdedigt hij zichzelf tegen criticasters uit het verleden die hem verweten te veel van de hak op de tak te springen.

    De ommuurde tuin verbeeldt de – beperkingen van de- eigen binnenwereld die de auteur wil doorgronden en beschrijven. Met jezelf opgescheept zitten is geen feest, betoogde Sartre al in Walging waarin het ik van Antoine Roquentin bijna geheel uitdooft en een leeg bewustzijn dreigt over te blijven. Sartre besluit zijn roman met een positieve boodschap: Roquentin spreekt de hoop uit zichzelf te kunnen accepteren als hij een roman zal schrijven: alleen het niet bestaande kan het bestaande rechtvaardigen.

    Het is Van Meenen gegund zijn bestaan te rechtvaardigen. De geschetste paradox (door te schrijven ben je tot jezelf veroordeeld, het resultaat betekent de ontsnapping) is interessant, maar biedt de lezer geen plezierige ontsnapping aan zijn eigen bestaan. Van Meenen weet weliswaar bij tijd en wijle een mooie zin met een goede cadans op papier te zetten (De nacht gooit Japanse blauwe inkt over de tuin waarin ik mijn vingers doop), maar tegelijkertijd wekt zijn proza ergernis vanwege te weinig scherpzinnigheid, te veel pretentie (Aan het eind van de rit sterf ik, om herboren te worden in het bewustzijn van alle mensen) en een gebrek aan humor: de valkuilen van romantische literatuur.

     

  • VPRO Academie samen met Poetry International over de kracht en het genoegen van poëzie

    Een lekker lang filmpje over de 48ste editie van Poetry International. Samen met de VPRO Academie brengt Poetry International drie dichters en een poëzielezer in een programma over de kracht en het genoegen van poëzie. Jeroen van Kan in gesprek met Hannah van Bindbergen en bioloog en auteur Kees Moeliker. Met voordrachten van Van Binsbergen en Jan Wagner.  Stefan Hertmans houdt de keynote speech en brengt onder woorden wat poëzie voor hem vermag.  Geniet ervan!

  • Verbindende literatuur

    Verbindende literatuur

    Dit jaar is het honderd jaar geleden dat het tijdschrift en de gelijknamige Nederlandse kunststroming De Stijl het levenslicht zag. Het tijdschrift had een enorme impact, die tot vandaag de dag en tot ver buiten onze landsgrenzen voerde. Met als onbetwist stijlicoon de Rietveldstoel van Gerrit Rietveld, een ietwat oncomfortabel ogende, oorspronkelijk ongeverfde houten stoel. Maar dat oncomfortabele was volgens Rietveld geen probleem: ‘Zitten is een werkwoord, als je moe bent ga je maar liggen.’ Een sales-pitch die potentiële kopers niet echt overtuigde; de verkoop van de stoel kwam pas op gang toen Rietveld zijn stoel in de primaire kleuren schilderde die hij had afgekeken van schilder Bart van der Leck. Kleuren die de stoel zouden verankeren in ons, nee, in het Europese culturele DNA. Het is dan ook logisch dat de vorig jaar overleden Pieter Steinz de Rietveldstoel heeft opgenomen in zijn illustere overzicht van ‘de kunst die ons continent bindt’. Samen met onder andere de klassieke Griekse vaas, gotische kathedraal, Déesse van Citroën en Ulysses van James Joyce. Allemaal Made in Europe, een inzicht dat volgens Steinz een welkom tegengif is voor de continentale verdeeldheid die zo alomtegenwoordig lijkt te zijn.

    Een prachtig tegengif dat ik graag tot me neem, ook al is die continentale binding niet nieuw voor mij. Zeker in literair opzicht, wat weer duidelijk bleek toen ik eind 2016 de balans opmaakte van mijn lezerij dat jaar. Ik had alleen Europese ,of beter gezegd West-Europese boeken gelezen, een enkel uitstapje naar het Oosten daargelaten. De tweeëntwintig boeken die ik had gelezen kwamen uit slechts zes landen: Duitsland, Engeland, Frankrijk, Italië, Nederland en Rusland. Blijkbaar hadden deze landen mij in 2016 alles te bieden wat mijn lezershart begeerde. Ik kon dan ook, om een oude stadsgenoot van me te parafraseren, eigenlijk maar tot één conclusie komen: ‘zoo ik ièts ben, ben ik een Europeaan’.

    Maar alhoewel ik in 2016 literair gezien verre van een globetrotter ben geweest verveelde ik me geen moment. Ik las soms een kleinood van nipt honderd pagina’s, maar ook uitschieters met een tienvoudige omvang. Waaronder prachtige boeken, over moeders (Nederland en Engeland), de Tweede Wereldoorlog (Frankrijk en Duistland), de ondoorgrondelijkheid én onvermijdelijkheid van een volksaard (Rusland en Italië), die diepe indruk op me maakten. Allemaal ‘Made in Europe’ dus.

    Toch knaagt het licht aan mij. Is die Europese eenkennigheid niet te beperkt? Moet ik niet weer eens voorzichtig over de grenzen van ons continent gaan kijken? Philip Roth misschien, of Gabriel García Márquez of Kobo Abe? Of misschien iets van een hedendaagse Amerikaanse, Afrikaanse of Aziatische auteur? Het zou mijn wereld vast verruimen. Maar als ik dan mijn ogen laat glijden over De bekeerlinge van Hertmans, dat ik nu aan het lezen ben, besef ik dat ik daar nog niet aan toe ben. Ik dompel me weer onder en geniet van een ongemakkelijke mengeling van kruistochten, pogroms en een verboden liefde. Het verhaal zelf is niet het mooiste dat ons continent heeft voortgebracht, maar de roman scoort daarbij wel hoge ogen. Europeser dan dit kan een boek bijna niet zijn.

     

  • Oogst week 4

    Vuurstapel

    In de boeken van de Roemeense, maar in Hongarije opgegroeide schrijver György Dragomán, nemen geweld, dreiging en machtswellust een prominente plek in. Zijn hoofdpersoon uit De witte koning uit 2008 is een elfjarige jongen wiens vader is opgehaald door de veiligheidsdienst, in zijn nieuwe roman Vuurstapel draait het om de dertienjarige Emma. Achtergrond is de nasleep van een bloedige revolutie die eindigt in de publieke terechtstelling van de voormalige dictator van het land.

    Emma’s ouders zijn dood, ze wordt door haar grootmoeder opgehaald uit het weeshuis en komt terecht in een dorp dat niets van haar en haar grootmoeder wil weten, en in een samenleving die met het verleden in het reine probeert te komen.

    Vuurstapel
    Auteur: György Dragomán
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Schuld

    Van dode mannen win je niet, het vorige boek van Walter van den Berg kreeg lovende kritieken van zowel pers als collega-schrijvers. Zijn nieuwe roman Schuld speelt zich af in de harde wereld van Amsterdam Nieuw-West. ‘Waar mannen hangen in snackbars, rijden in Nissan Sunny’s en lopen op badslippers – en hun vrouw slaan. De pientere Kevin maakt gejatte laptops schoon en verkoopbaar. Vieze filmpjes die hij hierbij vindt zet hij online en de vreemdgangers belt hij op. Om ze te laten zien dat het hun schuld is. Om maar met iemand te kunnen praten. Maar dan komt zijn vader, ex-charmezanger ‘Zingende Ron’, uit de bak. Sommige schulden worden nooit afgelost.’

    Schuld
    Auteur: Walter van den Berg
    Uitgeverij: Das Mag

    Een beeld van jou

    Stefan Hertmans is, zeker in Nederland, vooral bekend door het grote succes van Oorlog en terpetijn. Maar hij is bovenal dichter. Voor Een beeld van jou maakte Hertmans een keuze uit zijn liefdesgedichten. De uitgever schrijft: ’Je vindt er ‘verwensingen’ en ‘bezoekingen’, maar ook talrijke erotische aanrakingen, warme kaneelvingers en koele oestervingers; er is sprake van verlangen en warmte, maar ook van eenzaamheid en afscheid. Er zijn ‘warme klauwen’ en scherven, maar ook hagedissen die neus aan neus slapen. Een heel leven van liefde en passie ligt er beeldend in vervat.’

    Een beeld van jou
    Auteur: Stefan Hertmans
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Mensenwerk

    ‘De kisten met geïdentificeerden voor wie een dienst is gehouden zijn netjes gegroupeerd bij de deur, en onder het grote raam liggen, elk onder een witte doek, de lichamen van tweeëndertig mensen voor wie nog geen familieleden zijn gekomen om ze in een kist te leggen. Naast ieder hoofdeinde staat rustig een kaars te flakkeren in een leeg flesje.’

    Het gaat hier om de slachtoffers van een bloedbad dat plaatsvond in 1980 in Zuid-Korea en dat jarenlang verzwegen werd. Maar de doden om wie niet gerouwd mocht worden bepalen nog steeds het leven van de overlevenden, die uiteindelijk in opstand komen tegen het regime. Met gevaar voor eigen leven.

    Mensenwerk is een realistische roman. Eerder verscheen van de Koreaanse schrijfster Han Kang De vegetariër.

    Mensenwerk
    Auteur: Han Kang
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar
  • Poëziegeschenk Stefan Hertmans tijdens poëzieweek

    Poëziegeschenk Stefan Hertmans tijdens poëzieweek

    Tijdens de Poëzieweek van do. 28 januari tot en met wo. 3 februari ontvangt u het Poëziegeschenk cadeau van de deelnemende boekhandels in Vlaanderen en Nederland bij besteding van ten minste € 12,50 aan poëzie. Het geschenk, Neem en lees, is dit jaar geschreven door Stefan Hertmans.

    In Neem en lees neemt Hertmans de lezer mee langs allerlei vormen van herinnering. Zich iets herinneren is voor Hertmans niet alleen privé, het heeft ook te maken met de beelden waarvan een samenleving leeft: gebeurtenissen, kunstwerken, boeken. In deze gloedvolle gedichten wisselen intieme en maatschappelijke herinneringen elkaar dan ook af — van de eerste verliefde blik tot en met gedachten aan bootvluchtelingen.

    Stefan Hertmans (1951) publiceerde romans, verhalen, essays en gedichten. Tot Hertmans’ meest succesvolle prozaboeken behoren Oorlog en terpentijn (2013; bekroond met de AKO Literatuurprijs 2014, Gouden Uil Publieksprijs, De Prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor Proza; nominaties Libris Literatuurprijs en Premio Strega Europea) en Naar Merelbeke (1994, nominatie Libris Literatuur Prijs), de reisverhalenbundel Steden (1998, nominatie Generale Bankprijs), de verhalenbundel Gestolde wolken (1988, Multatuliprijs) en de roman in verhalen Als op de eerste dag (2001, F. Bordewijk-prijs). Zijn laatste essaybundel De Mobilisatie van Arcadia (2011) beleefde vele herdrukken.

    26 januari:          Antwerpen – uitreiking Herman de Coninckprijs
    27 januari:          Purmerend – Muziek voor de overtocht
    28 januari:          Groningen – Daar komen de Vlamingen van SLAG/Poëziemarathon
    29 januari:          Utrecht (NK Poetry Slam) – TivoliVredenburg
    30 januari:          Poëzieweek Rotterdam in De Waalse Kerk – Poetry International
    31 januari:          Maastricht – Centre Céramique
    2 februari:          Nijmeegs poëziefeest – De Mariënburg

    Onder het motto Jaren die druppelend versmelten staat de Poëzieweek in 2016 in het thema van herinneringen.

    Herinneringen voeren ons terug naar een ver of nabij verleden, maar leiden ze ons soms ook niet om de tuin? Herinneringen kunnen ons op een roze wolk parkeren, maar kunnen ons evenzeer laten verdwalen in de minder aangename momenten van ons verleden. Poëzie is het genre bij uitstek om het verleden in woorden om te zetten, te bezingen, te bekritiseren, kortom, te herinneren.

     

  • Pittige leestochten

    Pittige leestochten

    Recensie door Heleen Rippen

    De zwart-wit foto op de nieuwste essaybundel van Stefan Hertmans deed mij in eerste instantie denken aan een gemoedelijk Toscaans familiediner onder oude olijfbomen. Dat beeld moest ik direct bijstellen toen ik rechts op de foto zag dat naast de grootste boom een ineengezakte mensfiguur ligt en naast deze een serie mensen op rij lijkt te zijn neergeschoten. Het opwaaiende stof veroorzaakt door de ineengestorte lichamen, is nog niet neergedaald. Een verschrikkelijk landschap dus. De foto komt uit het Bundesarchief van Koblenz zag ik later.

    Arcadia is een bergachtige streek in het centrum van de Griekse Peloponnesos, maar sinds mensenheugenis is het ook een product van de literaire verbeelding, een utopie. De Romeinse dichter Vergilius beschrijft Arcadia als een veilig, herderlijk oord, een onbedorven geluksland. Bij de dichter Ovidius, in zijn Metamorphosen, is Arcadia een ambivalente, door tragedie geplaagde plek, waar verkrachtingen plaatsvinden en waar men elkaar bedriegt. Hemel en heerlijkheid kunnen in een oogwenk veranderen in een schrijnende puinhoop van angst en paniek. Arcadia is voortaan een plaats waar het hooguit tijdelijk volmaakt is.
    Renaissanceschilders tonen Arcadia als groenig heuvellandschap met herders of een koerend paartje waarbij ergens op de achtergrond ook een schedel ligt te wachten. Het kan wel fijn zijn, maar alles is eindig.
    Weer een aantal eeuwen later zorgt het groeiend kritisch bewustzijn ervoor dat de mens zichzelf verdrijft uit het renaissancistische Arcadia. De moderne mens komt te laat voor Arcadia schrijft de Duitse dichter Hölderlin rond 1800. Hertmans schreef een proefschrift over deze dichter.

    De enige waardige houding is het omarmen van ‘das Offene’: ‘Openheid voor het komende, het omwentelende, maar net zo goed voor de nooit terugkerende en toch sluimerend aanwezige antieke, dionysische en apollinische krachten in ons’.
    Een belangrijke functie van literatuur is, zo volgt Hertmans Hölderlin, dat ze het eeuwig voortbewegende leven als belangrijkste thema heeft. ‘Dat moet haar in staat stellen zich te handhaven in een wereld die voor haar geen wereldstichtende plek meer lijkt te hebben. Ze stroomt zonder reden en zonder bedding en is niet te stoppen, ook al blijkt ze haar centrale plek in het leven van veel hedendaagse mensen verloren te hebben’.
    Wat is de literaire utopie, of algemener: de imaginaire verbeelding vandaag de dag nog waard? Deze centrale vraag naar het Arcadisch motief echoot in bijna alle veertien essays van Hertmans terwijl hij met lenige en straffe passen door de geschiedenis heenbanjert.

    In het openingsessay getiteld ‘De gevoelloze emotie’ noemt Hertmans onze tijd een hysterische tijd, waarin niets ontsnapt aan de totale mobilisering van onze gevoelens. ‘Commotie is de norm en intensiteit de vorm’, stelt hij. Dagelijks worden we door de media, met name door de kijkbuis, in een emotionele dwangbuis geduwd die bol staat van klonen en kopieën van Hollywood-films. Maar waar is het oneindige scala aan emotionele nuances uit de wereld van Proust gebleven? vraagt hij zich af.
    Tegelijkertijd is onze tijd ook een kille tijd, omdat ‘die hoog oplaaiende emoties hand in hand gaan met een verbluffend gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef voor onze eigen daden en bitter weinig invoelingsvermogen met hen die werkelijk ons mededogen nodig hebben’.
    Deze emotionele tweespalt is zo verontrustend omdat we maar één stap verwijderd zijn van wat Holocaustpornografie of –kitsch wordt genoemd. Die vat Hertmans samen als ‘de besmuikte lust die beleefd wordt aan een steeds weer opgeklopt medeleven dat nergens meer op slaat, behalve narcistische tranen bij de zichzelf steeds weer als politiek correct beschouwende mens, die zijn illegaal in het land verblijvende buren met droge ogen kan zien oppakken op de dag dat hij zit te grienen voor de treurbuis’. Een opgefokte, labiele en verontrustende tijd van leven dus.

    Meestal valt het stil nadat dergelijke cultuurkritiek verwoord is. Maar het mooie van Hertmans is dat hij zijn lezers bekogelt met voorbeelden van schrijvers en kunstenaars die alternatieve routes bewandelen en veel breder en doorleefder scala aan emoties oproepen. Zo schrijft hij een roerend essay over W.G. Sebald, die het verleden als heden laat beleven, met het herinneren als pijnlijke arbeid. Sebald noemde dit ‘restitutie’; via ontheemde romanpersonages laat hij de Tweede Wereldoorlog en de rouw waar nooit een eind aan komt, op macabere wijze navoelen. Daarom ook een essay over de Franse schrijver Michel Houellebecq, die ons via zijn romanpersonages laat merken dat de mensensoort ontgoocheld is en erop achteruit gaat omdat waarden als intimiteit, emotie en sociale intelligentie vervangen raken door verwend consumentengedrag, botte onverschilligheid en al of niet geveinsd onvermogen. ‘Wat Houellebecqs werk zo bijzonder maakt, is dat het verdwijnen van de impact van de seksuele daad in zijn boeken zelf gepaard gaat met een haarscherpe analyse van de malaise die dat teweegbrengt in het leven: uitgeblustheid, ongerichte empathieën, sentimentele uitbarstingen bij het zien van een detail’.

    Daarom een essay over de op zijn eigen genot gerichte emancipatiestrijd van Michel Onfray versus de aan gekte grenzende onzekerheid van een verliefde Roland Barthes.
    In het essay ‘ Een eeuwige mobilhome’, voorziet Hertmans de woorden samenleving en gemeenschap van een diepteboring en laat voelen waar ‘m de schoen bij het samenleven vandaag de dag wringt.
    Met humor schrijft hij over de verscheurdheid van België, zowel aan de Waalse als aan de Vlaamse kant. Vlaams radicalen wensen bijvoorbeeld een onafhankelijk, rijk, voorspoedig en ééntalig Vlaanderen, met Brussel erbij (waar slechts 7%  Nederlandstaligen wonen!); een soort Zwitserland aan de Noordzee. Het is de populistische leugen van een gemobiliseerd fictief Arcadia volgens Hertmans. Men bulkt van het ressentiment tegen een wereld die globaliseert en negeert de Latijnse en Germaanse elementen die typisch zijn voor de Belgische identiteit.
    Terug naar de schilderkunst: over de schilder Gianbattista Tiepolo, ‘de illusionist van het illusionisme’, schrijft Hertmans zo aanstekelijk dat je direct naar Würzburg wilt afreizen om het gedroomde Arcadia, de overvol geschilderde luchtruimen met de vier continenten geregeerd door Apollo, te gaan bewonderen.

    In het hart van zijn boek, vast niet toevallig, introduceert Hertmans de term ‘locus amoenus’. Die locus amoenus, letterlijk lieflijke plek, wordt in de literatuur beschreven als een Arcadisch binnentuintje, een lusthof. In de sterk hiërarchisch georganiseerde 12e eeuwse samenleving  kwam een cultus tot bloei waarin de hoofse liefde, vaak figurerend rondom ‘La Belle Dame sans Merci’, werd bezongen. In de taal en gedichten van Provençaalse troubadours klinkt hun verhouding tot het hof door. ‘Courtois’ betekent ‘omgang hebbend met het hof’. De troubadours, met als bekendste vertegenwoordiger Arnaut Daniel de Riberac, beschrijven deze binnentuin door middel van dubbelzinnige toespelingen. Omdat La Dame onbereikbaar is, verheerlijken zij haar, maar maken ook grappen over haar ‘tuintje’. De elkaar beconcurrerende troubadours lijken op baltsende pauwen of staartrennende honden.

    In de hoofse liefde(staal) gaan het verhevene en het banale hand in hand en draait het vooral om het verlangen òm het verlangen. Rond 1960 houdt de pychoanalyticus Jacques Lacan colleges over deze troubadours, hun lyriek en het erotisch verlangen. Dat verlangen is eigenlijk een hoop gedoe om bijna niets. Alles draait om ‘un trou’, een leegte. Maar dat is juist de sublieme waarheid van de alle kunst, stelt Hertmans. Deze waarheid is de locus amoenus, de fantasie, de droomplek die tegengesteld is aan vervulling of realisatie.
    Het laatste essay is aangrijpend zonder larmoyant te worden. Het gaat over Hertmans zelf en zijn inzet als schrijver. Schrijven als een vorm van het uitstellen van de dood. ‘Welke dood? De dood die door het vergeten tot stand komt, door het verwaarlozen van het noemen van namen en het vertellen van de verhalen die uitleg verschaffen over de moeilijkheid om het menselijke leven te leven.’

    Hertmans onderschat zijn lezers niet. Hier en daar wordt je leestocht verstoord door struikelblokwoorden als apostasie, tellurisch en emanatie. Waarom staat hier niet gewoon geloofsafvalligheid, aards en uitstorting?  Maar de essays zijn bovenal leerzaam en ze staan bol van het denk- en schrijfplezier. In feite doet Hertmans hetzelfde als wat Sebald, Houellebecq en alle andere door hem bewonderde schrijvers en kunstenaars doen: Restitueren, recyclen, de dingen laten voelen en zien zoals ze zijn.

    Hertmans is een geestdriftige herder en iedereen weet dat die in onze tijd zeldzaam zijn.