• Zomerlezen- España

    Aan de oever

    Op nummer drie in de lijst van populaire vakantiebestemmingen voor Nederlanders prijkt Spanje, na Frankrijk en Duitsland. Het is er nu toch veel te heet om iets anders te doen dan de schaduw op te zoeken met een goed boek, dus hierbij drie tips waarvoor u vast nog wel een plekje vindt in uw koffer, naast de zonnecrème.

    Kenners van de Spaanse literatuur weten dat Rafael Chirbes (1949-2015) niet de bekendste, maar misschien wel de grootste van zijn generatie was. Als u iets wilt begrijpen van het moderne Spanje, mag u hem niet missen. Misschien is het u wel eens opgevallen dat er sinds de instorting van de Spaanse vastgoedmarkt overal aan de Spaanse costa’s half afgewerkte bouwprojecten staan te verkommeren? Welkom in de wereld van Esteban, hoofdpersonage van Chirbes’ Aan de oever, die het geld van zijn vaders bescheiden meubelmakerij investeert in een bouwonderneming in de hoop mee te profiteren van de vastgoedhausse die aan de verwoestende crisis voorafging. Uiteindelijk wordt de meubelmakerij meegesleurd in de ondergang van Estebans vastgoedproject, staat het personeel op straat en kan hij de verpleegster die voor zijn dementerende vader zorgt, niet langer betalen. Chirbes geeft u een kijkje achter de schermen van de Spaanse bouw- en toerismesector, waar louche zakenlui, corrupte politici en andere onfrisse figuren rijk proberen te worden over de rug van de Spanjaarden onder aan de sociale ladder. Geef de ober die uw paella opdient straks dus maar een mooie fooi, want hij/zij moet rondkomen van een hongerloon.

     

    Aan de oever
    Auteur: Rafael Chirbes
    Uitgeverij: Meridiaan

    De nacht der tijden

    Een andere sterkhouder van de Spaanse letteren is de Andalusiër Antonio Muñoz Molina. Een van zijn mooiste boeken is ongetwijfeld De nacht der tijden, over een onmogelijke liefde tussen een Spaanse architect en een Amerikaanse schrijfster aan de vooravond van de Spaanse Burgeroorlog. Dat klinkt sentimenteel, maar niets is minder waar. Slechts weinigen verstaan de kunst om over liefde te schrijven zonder te vervallen in stereotypen of melodramatische clichés, maar Muñoz Molina draait zijn hand er niet voor om en toont met succes hoe lastig en tegelijkertijd hoe mooi el amor kan zijn.

    De nacht der tijden
    Auteur: Antonio Muñoz Molina
    Uitgeverij: De Geus

    Andalusisch logboek

    Over de derde Spanje-tip hebben ik nog even getwijfeld. Andrés Barba, die met Republiek van licht een verbluffende roman schreef, was zeker een goede kandidaat, maar het boek speelt eigenlijk meer in een fictieve Latijns-Amerikaanse stad. Bovendien stellen ik u graag voor aan een Vlaming die al jaren in Spanje woont: Stefan Brijs. Misschien kent u hem als romancier, maar zijn Andalusisch logboek is zeker niet te versmaden. Brijs woont in een afgelegen dorp in de bergen bij Málaga en beschrijft in zijn logboek over het leven aldaar, van de cultuur tot de mensen, maar ook de natuur. Wist u bijvoorbeeld dat er een dramatisch watertekort dreigt in Andalusië omdat de lokale boeren massaal zijn overgeschakeld op het telen van aardbeien en avocado’s? Vroeger verbouwden ze gewassen die minder moesten worden besproeid en beter waren bestand tegen de droogte. Reken daar nog bij dat de Spaanse costa’s in de zomer worden overspoeld door toeristen die de schaarse watervoorraad nog meer uitputten, en er dreigt echt een milieuramp. Geniet van uw vakantie, maar sta daar misschien toch even bij stil voordat u het zwembad induikt.

    Andalusisch logboek
    Auteur: Stefan Brijs
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Logboek van een ziener

    Logboek van een ziener

    Waarom woon ik in Nederland?’, staat te lezen op de achterflap van een studie naar Noord-Europeanen die zich in Zuid-Europa vestigen. De tekst vervolgt: ‘Waarom niet op een boederijtje in Frankrijk, in een Spaanse molen, of op een Portugese quinta? Waarom blijf ik hangen in dit druilerige kikkerland met zijn verstikte wegen en zijn dolgedraaide bureaucratie? In het zuiden van Europa zijn er toch nog paradijzen in overvloed, met een aangenaam zonnige klimaat, waar vriendelijke mensen wonen die nog nooit van het woord “stress” hebben gehoord?’. Het onderzoek in kwestie – Voorbij de grens ligt het paradijs, door Mieke de Waal en Carel Braak – dateert van bijna vijfentwintig jaar geleden, maar heeft nog weinig aan actualiteit ingeboet. Het gebied rond de Middellandse Zee wordt bevolkt door vele honderdduizenden ‘klimaatvluchtelingen’ uit Engeland, Nederland, België, Duitsland en Scandinavië, op zoek naar het goede, gulle leven. Wat in de negentiende en een groot deel van de twintigste eeuw druppelsgewijs gebeurde, Lord Byron, Hans Christian Andersen, Gerald Brenan zijn er bekend door geworden, is inmiddels tot een massaal verschijnsel uitgegroeid. En na al die tijd heeft het paradijs schijnbaar nog weinig van zijn betovering verloren.

    In het zojuist verschenen Andalusisch logboek van de Vlaamse auteur Stefan Brijs vind je alle ingrediënten terug. De auteur heeft zich in de buurt van Malaga gevestigd en heeft over zijn verblijf ter plaatse aantekeningen gemaakt: het jaar 2016 passeert de revue, chronologisch, maand na maand. Aandacht voor de natuur, vogels vooral, het klimaat, de mensen. José, de klusjesman, bij voorbeeld: ‘Hij is kort van gestalte, lang van stof. Zoals veel Spanjaarden hangt hij tijdens het werk uren aan zijn mobiele telefoon. Problemen zijn er niet zozeer om op te lossen, hoofdzakelijk om vast te stellen’. We hebben het al dikwijls kunnen horen en het zal niemand verbazen dat José ‘hartelijk’ is en ‘graag lacht’. ‘Zijn rekeningen zijn bespottelijk laag, en dan nog aarzelt hij om het bedrag te noemen’. Van verworvenheden zoals we die kennen in het noorden, is in Andalusië geen sprake. De werkster van de schrijver heeft nog nooit één dag vakantie genomen. ‘De loodgieter, die hier laatst was, gaat eens per jaar enkele dagen naar zee met zijn gezin, de zee ligt bij hem om de hoek’. Maar niemand klaagt, zegt Brijs, niemand klinkt verzuurd, ‘het leven gaat voort, dag na dag, er wordt geroeid met de riemen die men heeft’.

    Toch gaat het Andalusisch logboek de stereotypen soms ook voorbij. Het helpt dat Brijs een voortreffelijk stylist is die, zoals ook veel andere Vlaamse auteurs, de taal met grote zorgvuldigheid behandelt. Hij beschrijft niet alleen wat hij ziet en hoort, hij probeert ook iets te begrijpen van het Andalusische bestaan in het algemeen en verdiept zich daartoe in de geschiedenis en in de Spaanse politieke verhoudingen op nationaal niveau: de verwikkelingen van de verkiezingen en de lotgevallen van Podemos, Isquierda Unida, PSOE, Ciudadanos en andere partijen worden op de voet gevolgd. Daarbij komt ook de staatsgreep van 23 februari 1981 uitvoerig ter sprake: de schoten die kolonel Tejero afvuurde in het Congres van Afgevaardigden. ‘De beelden daarvan beschouw ik als mijn vroegste herinneringen in full colour aan Spanje’, schrijft Brijs, ‘De opnames van de coup gingen de hele wereld rond. Ik zelf moet ze de volgende dag gezien hebben in het Vlaams journaal van halfacht ’s avonds, waarvan mijn vader een trouwe kijker was’. Anders dan de meeste zoekers naar het paradijs verdiept Brijs zich ook in de taal en probeert hij zich zo goed en zo kwaad als het gaat in het Spaans verstaanbaar te maken; helaas spreken Andalusiërs een moeilijk toegankelijk dialect. De postbode bij voorbeeld. ‘Soms probeer ik een gesprek met hem aan te knopen’, zegt de schrijver, ‘ook al versta ik hem niet. Hij spreekt Spaans uit een andere eeuw’.

    De aandacht van Brijs wordt veelvuldig opgeslokt door allerlei soorten vogels, maar hij heeft tijd over voor de geschiedenis en de kunst, de Joodse, Moorse, Franse overheersingen die in Andalusië hun sporen hebben achtergelaten en het werk van schilders als Francisco de Zurbarán van wie allerlei onbekend werk in de streek te vinden is. Toch is zijn analyse van de actuele economische situatie in zijn gebied het hoogtepunt van zijn logboek: de wederwaardigheden van de Costa Tropical. Halverwege de vorige eeuw groeide er niets in de streek, maar door vooral Duitse landbouwkundige steunprogramma’s werd bij het kustdorp Algarrobo een proefstation opgezet waar de mogelijkheden werden onderzocht voor de exploitatie van exotische gewassen. Het grote succesnummer was de aardbei, gevolgd door de tomaat, paprika, mango, avocado, stervrucht. De streek heeft een metamorfose ondergaan en is in grote delen omgetoverd tot een ‘plastic oceaan’: eindeloze hectaren tuinbouw onder plastic zeil. De kleine boeren zijn verdwenen en vervangen door kapitaalsintensieve grootbedrijven, de grond wordt met de dag meer uitgeput. Zoals Brijs vaststelt: ‘Voor de productie van één kilo avocado’s is gemiddeld driehonderd liter water nodig – tien keer meer dan de productie van één kilo tomaten – één hectare avocadobomen slorpt per jaar zes miljoen liter op’. Met het logboek van Brijs in de hand kijk je twee kanten op: hoe het was en hoe het gaat worden. De schrijver laat je zien dat het paradijs misschien een stuk minder paradijselijk is dan velen nog steeds denken.

  • Recensie door: Geesje Nijland

    Recensie door: Geesje Nijland

    ‘Iedereen kijkt naar je uit,’ adverteert ons vaderlandse postbedrijf om postbezorgers te werven. Dat het ook anders kan zijn, wordt op pijnlijke wijze duidelijk gemaakt in het nieuwe boek van Stefan Brijs, Post voor mevrouw Bromley. De postbode brengt namelijk niet alleen maar goed nieuws…

    Na het enorme succes van De engelenmaker is het verschijnen van een nieuwe roman van de hand van Stefan Brijs iets om naar uit te kijken. Het is natuurlijk altijd moeilijk na een dergelijk succes de draad weer op te pikken en op eenzelfde niveau te presteren. Inspiratie vond hij in een Britse documentaire over de Eerste Wereldoorlog, waarin hij een militair de uitgaande post zag censureren. Dit beeld raakte hem en het leidde tot deze lijvige roman.

    Het eerste deel van de roman neemt de lezer mee naar  het Londen aan het begin van de 20e eeuw, waar de hoofdpersoon, John, opgroeit bij zijn vader, die postbode is. Zijn moeder is in het kraambed overleden; als baby is hij gezoogd door mevrouw Bromley en hij houdt contact met haar en haar gezin, sterker nog, haar zoon Martin is gedurende zijn kinderjaren z’n beste vriend.

    Wanneer de jongens opgroeien, gaat Martin echter steeds meer lijken op zijn agressieve vader en er ontstaat verwijdering tussen de jongens. Wanneer de Eerste Wereldoorlog uitbreekt, komen de verschillen tussen de jongens pijnlijk duidelijk aan het licht. Bij Martin, en vele andere Londenaren, leidt de aankondiging van de oorlog tot enorm enthousiasme: ze zullen die Duitsers wel eens even een lesje leren. Martin wil niets liever dan in dienst gaan en meevechten. John daarentegen is een gevoelige jongen, opgegroeid tussen de boeken die zijn vader verzamelde. Hij leest graag en wil gaan studeren. De oorlog boezemt hem angst in en, gesteund door mensen als zijn vader, mevrouw Bromley en een vriend aan de universiteit, weigert hij in dienst te gaan ondanks de enorme druk van de buitenwereld, waaronder hij evengoed wel gebukt gaat. Hoewel de hedendaagse lezer ‘met de kennis van nu’ in het algemeen alleen maar begrip en sympathie zal voelen voor de weigering van John om in dienst te gaan, lukt het toch niet helemaal om de gewetensnood van John in het eerste deel geloofwaardig en invoelbaar op de lezer over te brengen. Hij ontloopt de druk die er op hem wordt uitgeoefend en heeft niet echt verweer.

    Wanneer aan het eind van het eerste deel de zaken echter in een stroomversnelling raken en hij schokkende informatie in handen krijgt, besluit hij alsnog zich aan te melden: hij heeft niets meer te verliezen.

    Ademt het eerste deel nog treurigheid, troosteloosheid en armoede, in het tweede deel van de roman wordt de lezer op harde wijze de realiteit van de oorlog ingetrokken. Wat in het eerste deel alleen nog indirect duidelijk werd aan de hand van krantenberichten en post, wordt in deel twee op confronterende wijze gepresenteerd. De romantiek van oorlog en heldendom bestaat niet. Oorlog is ellende, dood en verderf. Helden verliezen de moed, oog in oog met de verschrikkingen van het slagveld. John probeert zich zo goed en kwaad mogelijk staande te houden. Hij treedt min of meer in de voetsporen van zijn vader, want hij krijgt onder andere de taak de post te verspreiden onder de soldaten. Dit levert  hem een voorkeurspositie op. Immers: post van het thuisfront is een lichtpunt in het door treurigheid omgeven leven van de soldaten. Het biedt hen afleiding en troost om te weten dat thuis het ‘normale leven’ van alledag gewoon doorgaat en dat er aan hen gedacht wordt, dat ze gemist worden. Maar hij ervaart nu aan den lijve dat de boodschap die de postbode brengt niet altijd een prettige is.

    Zo zwak en egocentrisch als John overkomt in het eerste deel van de roman, zo sterk is hij in het tweede deel. Hij heeft een missie, een zoektocht naar waarheid, misschien moet je zelfs zeggen: naar zingeving. Maar oorlog lijkt per definitie zinloos en zij die hun leven geven zijn heel ver verwijderd geraakt van de droom van heldendom waarmee ze ooit ten strijde trokken.

    Oorlog is echter ook een toestand waarin façades wegvallen en de mens zijn ware karakter toont. Niet voor niets vormen oorlogssituaties vaak het decor voor fictie. Waar voor ons Nederlanders de Tweede Wereldoorlog generaties lang diepe sporen heeft getrokken in ons nationale bewustzijn, daar heeft de Eerste Wereldoorlog voor België een vergelijkbare impact gehad. Het is dan ook niet meer dan logisch dat Brijs deze periode kiest als achtergrond voor zijn verhaal. Opvallend is echter dat hij niet heeft gekozen voor een Belgisch verhaal: de hoofdpersoon is een Engelsman en het eerste deel van de roman speelt in Londen. Pas in het tweede deel komen we, via Frankrijk, in België, waar dan echter wel de beslissende gebeurtenissen zich afspelen.

    Is het nieuw, wat Brijs de lezer vertelt? Nee, dat niet. De agressieve wijze waarop jonge mannen naar het front gelokt werden, de druk van de omgeving, de hooggespannen verwachtingen, het is geen nieuws. En natuurlijk zijn de verschrikkingen van de loopgravenoorlog, die in de Eerste Wereldoorlog werd uitgevochten algemeen bekend, evenals de wanhoop en het verdriet van de strijders en de achterblijvers. Het is verteld in films, documentaires en boeken. Maar dat betekent niet dat de roman van Brijs dus niet de moeite waard is. Integendeel. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het weliswaar geen meesterwerk is; daarvoor komt  het verhaal te stroef op gang en is het eerste deel soms wat te langdradig. Desondanks lukt het Brijs naarmate het verhaal vordert, steeds beter de lezer in zijn greep te krijgen. Hij maakt met zijn verhaal duidelijk hoe soms een individu het verschil kan maken door betrokkenheid en interesse in mensen te tonen. Door mededogen en medeleven. Door waar mogelijk mensen zoveel mogelijk verdriet te besparen of ten minste het leed te verzachten. Maar wat uiteindelijk overblijft, is het gevoel van machteloosheid en zinloosheid. De levens van veelbelovende, idealistische jongens gaan verloren; families blijven vertwijfeld achter. Nee, nieuw is de boodschap niet. Maar de manier waarop Brijs het verhaal vertelt, is zonder meer onderhoudend en aangrijpend.

    Post voor mevrouw Bromley

    Stefan Brijs
    Verschenen bij: uitgeverij Atlas (okt. 2011)
    Aantal pagina’s: 512
    Prijs: € 24,95 (gebonden)