• De strijd tegen het fascisme, een getuigenis

    De strijd tegen het fascisme, een getuigenis

    In Spanje liet het fascisme al brutaal zien waar het op uit was, halverwege de jaren dertig van de 20e eeuw. De Spaanse burgeroorlog bleek een voorafschaduwing van wat er niet veel later te gebeuren stond in heel Europa. Boven alles was het echter een tragedie voor de Spanjaarden, die nog altijd doorwerkt. Arturo Barea maakte het mee en deed verslag, onder meer als radiostem in het belegerde Madrid, maar ook schrijvende. Een deel van zijn verhaal is nu voor het eerst in het Nederlands vertaald. De slag verschijnt binnen de reeks ‘Kritische Klassieken’ van Uitgeverij Schokland (vertaling: Roland Fagel).

    Meesters en slaven

    De eerste pakweg honderd pagina’s van De slag spelen zich af voordat het geweld losbreekt, en ze laten zien dat de mechanismen die daartoe leiden niet veranderd zijn. Barea komt zelf uit de gegoede middenklasse, hij werkt op een octrooibureau in de Spaanse hoofdstad. Beroepshalve ziet hij dat rijken en machtigen, waaronder internationale bedrijven, het recht naar hun hand zetten en zich met speels gemak meester maken van de hulpbronnen en arbeidskrachten van het land. Op een dag wordt hij uitgenodigd om het nieuwste model vliegtuig te bekijken van de Duitse fabrikant Junker, waarbij hem zonder terughoudendheid gedemonstreerd wordt hoe er eenvoudig bommen gemonteerd kunnen worden op een passagiersvliegtuig.

    Barea betrekt in deze tijd, wanneer alles aan de oppervlakte nog rustig is, met zijn gezin een zomerhuis in het dorpje Novés, niet ver van de hoofdstad. De plaatselijke notabelen verwelkomen hem als één van hen, totdat blijkt dat hij er linkse sympathieën op nahoudt en net zo lief omgaat met de boeren en arbeiders uit de streek. De situatie staat al snel op scherp. Gedwongen tot een keuze voegt Arturo Barea zich bij het arme deel van de bevolking, degenen die altijd onder de duim gehouden zijn door een handjevol landbezitters. Hij organiseert een politieke bijeenkomst in het dorp waarbij socialisten, communisten en anarchisten, normaliter meer verdeeld dan samen optrekkend, zich presenteren aan het volk.

    Ondertussen beschrijft Barea in De slag ook steeds de overkoepelende ontwikkelingen, vooral dan uit Madrid. Hoofdstukken hebben titels als ‘Brandstof’, ‘Vonk’ en ‘Vlam’ en deze aanloopfase is eigenlijk het beste deel van het boek. Wat hier beschreven wordt is veel meer dan alleen een persoonlijk ervaringsverhaal, het heeft algemene zeggingskracht omdat het de voedingsbodem laat zien voor oorlog. Rechtse en linkse krachten lijken wel in twee gescheiden werelden te leven. Ze willen elkaar niet begrijpen of tegemoetkomen. Propaganda, politieke obstructie, angsttactieken, het was allemaal aanwezig in het Spanje van 1935, broeiend op grote ongelijkheid in bestaanszekerheid en economische kansen.

    Oorlog als proeftuin

    De geschiedenis ontrolde zich: links, verenigd in het Volksfront, behaalde een ruime verkiezingsoverwinning maar voordat een stabiele regering was gevormd braken er in het land garnizoensopstanden uit. De burgeroorlog is dan een feit. Hoewel je over de benaming burgeroorlog kunt twisten. Hitler en Mussolini verleenden immers in alle openheid militaire steun aan de opstandige generaal Franco. Daartegenover kon de democratische Republiek slechts rekenen op een paar wapenleveranties uit Mexico, gevechtsvliegtuigen uit de Sovjet-Unie en de heroïsche Internationale Brigades. De rest van de wereld hield zich stil en hoopte dat alles vanzelf over zou gaan.

    ‘Het beleg van Madrid begon in de nacht van 7 november 1936 en eindigde twee jaar, vier maanden en drie weken later – tegelijk met de oorlog’. In tegenstelling tot een groot deel van de gegoede burgerij ontvlucht Arturo Barea de stad niet. Hij maakt mee hoe vakbonden en politieke organisaties erin slagen om, nauwelijks bewapend, Madrid te ontdoen van opstandige legereenheden. Huiveringwekkend zijn de zuiveringen die de plaatselijke anarchisten vervolgens op touw zetten (‘een ritje maken’ in het jargon), niet veel onderdoend voor wat Franco’s falangisten aanrichten elders in het land. De pacifistische Barea besluit zich ondertussen nuttig te maken als perscensor van de democratische Republiek in Madrid. Wanneer de officiële regering naar Valencia vlucht, blijft hij op zijn post en moet hij, improviserend, een censuurstrategie uitstippelen. Dit alles in een belegerde stad waar het aan vers voedsel net zozeer ontbreekt als aan centrale regie.

    Zonder rugdekking

    Omdat Arturo Barea zich niet aansluit bij één van de grote politieke facties (communisten, socialisten en anarchisten) ondervindt hij weinig steun en kan een onvoorzichtigheid grote gevolgen hebben. Meermaals komt hij in de problemen, eerst alleen en later met zijn levenspartner Ilsa Kulcsar, een Oostenrijkse die als vrijwilliger naar Madrid afgereisd is. Beiden stellen zich onafhankelijk op van de diverse ideologische doctrines en worden bijgevolg door iedereen gewantrouwd. In dit mijnenveld kan Arturo Barea alleen zeggen wat hij op zijn lever heeft als ‘de stem van Madrid’, een dagelijkse radio-uitzending waarin hij de wereld vertelt wat oorlog betekent voor gewone mensen.

    Door de bombardementen en de constante dreiging loopt Barea een vorm van shellshock op. Hij beschrijft het voorval van een onontplofte granaat waarin een briefje wordt aangetroffen, afkomstig van een Duitse arbeider die zijn solidariteit uitspreekt met het Spaanse volk: de projectielen die deze onbekende fabriceert zijn onschadelijk. Helaas ontploffen de meeste granaten wel en ook de werkplek van Ilsa en Arturo, de Telefónica, het hoogste gebouw van Madrid, is verre van veilig. Daarbij komen dan nog de machinaties van verschillende personen die de schrijver vijandig gezind zijn en een verstikkende bureaucratie, waardoor het uiteindelijk onmogelijk blijkt om in Spanje te blijven.

    Inzichten van een ooggetuige

    Arturo Barea vlucht samen met Ilsa Kulcsar naar Frankrijk, het land dat net als Groot-Brittannië weigert om de Spaanse Republiek te hulp te schieten of zelfs maar wapens te leveren, uit angst voor de toorn van Hitler en Mussolini, die wél ongestoord hun oorlogsmaterieel uittesten. Barea analyseert: ‘Spanje had slechts twee uitwegen: aan de ene kant de afgrijselijke hoop, zelfs nog gruwelijker dan wanhoop, dat er toch oorlog in Europa zou uitbreken, wat een van de andere landen zou dwingen tot interventie tegen Hitler-Duitsland. De andere uitweg was onszelf opofferen zodat andere landen tijd konden winnen om zich voor te bereiden. […] In beide gevallen dienden we de prijs te voldoen in ons eigen bloed, in de pasmunt van de barbaarse vernietiging van ons eigen grondgebied.’ Dit soort bespiegelingen duikt geregeld op. Arturo Barea had contacten in allerlei geledingen van de Spaanse samenleving en kan dus een gedegen beeld geven van wat er gebeurde. Ook met sommige priesters onderhield hij vriendschapsbanden (terwijl de katholieke kerk ondubbelzinnig verbonden was aan politiek rechts en aan Franco). Indringend fulmineert hij tegen de fascistische ‘doodgravers’ en ‘slavenmeesters’, representanten van een kaste die Spanje al eeuwenlang regeren, louter om hun eigen belangen te dienen. Tegelijk sluit hij ook zijn ogen niet voor de baantjesjagers die de communistische partijrangen domineren, of voor de schadelijke intriges en nutteloze papiermolen binnen de democratische regering. Hij maakt de geopolitieke onmacht van de Sovjet-Unie inzichtelijk, net zo goed als de funeste misrekening van de Westerse democratieën.

    Solidariteit over de grens

    Zo blijft De slag voortdurend variëren tussen persoonlijke belevenissen en het grotere verhaal van de antifascistische strijd. Dit laatste is het meest interessant, want voor privébesognes rondom een vroegere minnares zal niemand het boek oppakken. Arm en uitgeblust bevindt de schrijver zich in de slotalinea’s op de boot naar Engeland, waar hij zijn herinneringen zal uitwerken en publiceren. Niet in het Spaans maar in het Engels, vertaald door Ilsa Kulcsar. Tegen twee Franse arbeiders die hij onderweg tegenkomt spuwt Barea zijn gal: ‘Zijn jullie Fransen blind of hebben jullie de vrijheid al opgegeven?’. Het antwoord ligt in lijn met de Duitse fabriekswerker die briefjes aan zijn granaten toevoegde en geeft toch weer een sprank hoop: ‘O nee, wij vechten. De ánderen vechten niet. […], vertrek niet bitter uit Frankrijk. Wij strijden nog samen.’

  • Hoeders van El Hacho

    Hoeders van El Hacho

    De berg El Hacho maakt onderdeel uit van de Sierra de Grazalema, een bergketen in Andalusië in Zuid-Spanje. Het is een ruig gebied waar het zomers heel heet kan zijn en waar in het najaar veel regen valt. De dunbevolkte streek met amandel- en olijfboomgaarden ligt ten noorden van Malaga. Luis Carrasco situeert hier zijn debuutroman El Hacho die in 2018 in het Engels verscheen. Jona Hoek maakte voor Uitgeverij Koppernik een prima vertaling en gaf het de titel Het hellen van een leven mee. Anna Raspopova voorzag de roman van een mooi omslag met een gestileerde olijfboom.

    De korte roman beschrijft in zestien hoofdstukken hoe twee broers Curro en Jose-Marie (Marie) met de erfenis van hun voorouders omgaan: een olijfboomgaard tegen de helling van de berg El Hacho. Samen bewerken zij het land van hun ouders in de verzengende hitte van de zomerzon. Zij kunnen leven van de opbrengst van de boomgaard. Curro woont met zijn vrouw in het voorouderlijk huis en Jose-Marie in een dorpje verderop.
    Het boek opent met een herinnering van Curro aan het bezoek van een man uit Malaga, in het boek omschreven als de Malagueño, die bij de vader van de broers langskomt met een bod op de olijfboomgaard op El Hacho. In de woorden van de man: ‘De berg is voor ons meer waard in steen dat het u ooit aan vruchten zal opleveren.’ Maar de vader wijst het bod af.  ‘Zou u een slager vragen om zijn hakblok te verkopen, zei hij, of een timmerman zijn beitel en schaaf? Zonder die bomen ben ik alleen maar een man, en dat stelt niet veel voor.’ De vader vertelt dat hij nergens anders gelukkiger kan werken dan op zijn berg. En hij ‘zei hem niet terug te keren tenzij het was om samen een beker wijn te drinken en het niet over geld te hebben.’ Curro was toen nog klein; hij reikte ‘niet hoger dan de lusjes van zijn vaders riem’.

    In het begin van het boek zijn de broers samen aan het werk in de boomgaard. De omstandigheden zijn zwaar. Het heeft al lange tijd niet geregend en de zon brandt op de olijfbomen. De vruchten blijven klein en de wind waait het zand weg tussen de wortels van de bomen zodat ze dreigen om te vallen. Hun ouders zijn inmiddels overleden en begraven op El Hacho. Curro zorgt voor bloemen op hun graf. Hij herinnert zich de woorden van zijn vader: ‘dat het beter is een kaars aan te steken dan te klagen over het duister.’ Curro: ‘Ik weet dat jíj niet zou klagen. Daarom breng ik nog steeds de bloemen. Dit is mijn kaars.’
    Net als zijn vader voelt Curro zich sterk verbonden met zijn geboortegrond.  Zijn jongere broertje Jose-Marie heeft dat veel minder. Hij komt steeds minder vaak naar de boerderij om zijn broer te helpen. In het dorp zit hij in de kroeg en in het weekend werkt hij als taxichauffeur in Ronda.

    Spaken in hetzelfde wiel

    Curro lijkt op zijn vader als het over geld gaat. Een herder uit de buurt laat zijn geiten in de olijfboomgaard grazen. En geeft Curro daar dan af en toe een kaasje voor. Broer Jose-Marie wil voor het laten grazen van de geiten geld vragen, maar Curro ziet daar het nut niet van in: ‘Waarom zijn geld aannemen om kaas te kopen als hij ons liever kaas geeft?’ De broers hebben verschillende opvattingen over de manier waarop de olijfboomgaard gerund moet worden. Curro knapt liever het oude pad in de boomgaard op dan dat hij geld leent om een tractor te kopen. Ook de oude netten waarmee de olijven onder de bomen worden opgevangen repareert hij ieder jaar weer in plaats van krediet aan te vragen om nieuwe te kopen. Het levert interessante gesprekken op tussen de twee broers, over geld en over de verschillende manieren waarop zij naar andere mensen kijken. Curro haalt graag aan wat hun papa zei als ze een beetje krap zaten: ‘Betaal als je het geld hebt en werk als je de tijd hebt.’ Ook al is Curro het niet eens met zijn broer, hij klopt hem liefkozend op zijn buik en zegt dat hij zijn verlangen naar een ander leven wel begrijpt.

    Keuzes maken

    Er komt een nieuw bod op de olijfboomgaard, maar Curro legt zijn broer uit waarom hij geen afstand kan doen van de familiegrond. Voor hem voelt het land als een verlengstuk van zijn eigen lichaam. Het land ‘in de steek laten zou betekenen dat ik mezelf in de steek liet.’
    Curro houdt van zijn broer en stemt ermee in dat zijn broer het bedrijf verlaat. ‘De erfenis houdt een verantwoordelijkheid in die je nooit begrepen hebt, maar dat neem ik je niet kwalijk. Ik heb een paar dagen gehad om hierover na te denken en als je het land niet wilt hebben om te bewerken, dan moet je gecompenseerd worden /…/.’

    Nu heeft Curro voor het eerst een schuld, maar de opbrengst van de olijfboomgaard hoeft hij niet meer met hem te delen. Zijn vrouw maakt van de konijnen die hij vangt handschoenen die verkocht kunnen worden aan toeristen in het dorp. Zo kiezen de broers allebei een eigen levenspad. Curro: ‘Een man kan zich niet echt vrij voelen totdat zijn leven is gevormd naar zijn eigen keuzes. Dat heeft Marie nu en hij zal er even gelukkig mee zijn. Mijn angst is dat de keuzes de verkeerde zijn. Voor hem.’ Curro is gelukkig met zijn eigen keuze: ‘Ik heb nooit meer gewild dan de gezondheid om met mijn olijfbomen in de weer te zijn met de zon in mijn nek en het gekwetter van de alpenkraaien in mijn oren. Geef me dat en de kans om met mijn geliefde een beker wijn te drinken op het terras terwijl we naar de sterren kijken en ik ben tevreden. Dat is pas rijkdom.’

    Hitte en regen

    Curro staat er alleen voor in de olijfboomgaard. Hij werkt op het land als de zon nog niet op is, ‘voordat de engel van leven en dood zich onverbiddelijk boven de vallei zou verheffen en de dunne bladeren zou verschroeien.’  Het wordt heter en heter en Curro verzucht over de brandende zon: ‘Eén dag zonder jou op mijn nek, kreng.’ De zon is bijna een personage in het boek geworden; een ‘meedogenloze gele bol’, ‘de grote woedende bol’, de ‘withete toorn van de zon’, de ‘zon scheen verbolgen.’ De olijfbomen en de vruchtjes lijden zwaar onder de hitte.

    Als het november is, komt er eindelijk de regen, in de vorm van een enorme onweersbui: ‘hij zag de oprukkende paarse en antracietgrijze leviathans zich verstrengelen en hun razernij uitbrullen /…/.’ De regen doet de oogst goed. De vruchtjes zwellen op en Curro kan gaan oogsten. De olijfboomgaard is veranderd in een modderpoel en Curro glijdt uit in de kletsnatte blubber. Bevend van ellende en woede schreeuwt Curro tegen El Hacho: ‘Wat wil je van me? Heb ik niet van je gehouden? Heb ik je niet beschermd toen ze je wilden afbreken?’ El Hacho antwoordt niet. Uiteindelijk klaart het op en Curro voelt de warmte van de zon op zijn nek en rug. Hij krabbelt overeind en gaat verder met het oogsten van de olijven.

    Het hellen van een leven is een verhaal over trouw aan familie en tradities, over gehechtheid aan geboortegrond en liefde voor de natuur; een verhaal over economische verandering, over wijsheid, maar bovenal over de liefde tussen twee broers. Carrasco heeft in een soepele stijl met originele beeldspraak een prachtige roman geschreven.