Een heel jaar lezen en wat je daar van bijblijft, welke scène komt nog wel eens bovendrijven, welke vertalingen vielen op. Literair Nederland kijkt terug op een jaar vol boeken, wat waren de beste boeken, poëzie, jeugdboeken, fictie en non-fictie die in 2023 verschenen of gelezen zijn.
Verder kijken – Esther Kinsky
Roman over een poging een leegstaande bioscoop in een Hongaars provinciestadje nieuw leven in te blazen. Citaat: ‘De bioscoop is een ruimte vol verwachtingen die zelden worden beschaamd, zelfs niet door een slechte film, want het parool is altijd: verder kijken, verder dan eerst, een horizon verkennen die er zonder het witte doek niet is.’ Prachtig.
His Natural Life – Marcus Clarke
Australische oerklassieker. Monumentale, 927 pagina’s dikke, oorspronkelijk als feuilleton gepubliceerde avonturenroman over het leven in de strafkolonie, in 1874 (volgend jaar dus 150 jaar geleden) voor het eerst in boekvorm verschenen en nooit integraal in het Nederlands vertaald. Meeslepend. (Hans Heesen)
Zogkoorts – A.F.Th. van der Heijden
Ik ontkom niet aan het net verschenen deel 13 van De Tandeloze Tijd, zijn grandioze reeks over leven in de breedte. Het is een vervolg op Stemvorken en met dezelfde hoofdpersonen.
Alkibiades – Ilja Leonhard Pfeijffer
Alkibiades moet genoemd worden. Er is al veel over geschreven en ik blijf het een geweldig boek vinden, zeker in de politieke constellatie waarin we ons nu bevinden. (Martenjan Poortinga)
De donkere kamer van Aly Freije en Anne-Marie van Buuren
Deze gedichtenbundel is een bijzondere samenwerking tussen dichter en fotograaf. Freije weet met symbolen en beelden een landschap op te roepen dat vol is van dreiging, verlies en rouw. Landschappen en de elementen van lucht en water zijn betekenisdragend in deze gedichten. Een spel van associëren en reageren op elkaars werk, een interactie van beeld en taal.
Het boek van de kinderen – A.S. Byatt
Een prachtig beeld van de decennia voor en na de wisseling van de 19e en de 20e eeuw door het wel en wee van diverse kunstenaarsfamilies te beschrijven, die met elkaar verbonden zijn.. Een groots werk van de onlangs overleden Byatt, niet zo bekend als haar ‘Obsessie’, maar zeker net zo goed. (Hettie Marzak)
Nirwana – Tommy Wieringa
Afgelopen herfst luisterde ik naar Nirwana van Tommy Wieringa, voorgelezen met zijn eigen welluidende stem. Wieringa schreef een rijke familiegeschiedenis met vele verhaallijnen die zo ongeveer een eeuw bestrijken en waarin de pater familias een uiterst dubieuze rol speelt in WOII. Wieringa presenteert zichzelf in het verhaal als een cameo, niet onverdeeld sympathiek, maar wel een boeiende toevoeging.
Het hart van de ever – Baltasar Porcel
Het hart van de everis de bijzondere familiegeschiedenis van de Catalaanse schrijver Porcel, dat zich deels op Mallorca afspeelt ten tijde van de Spaanse burgeroorlog. Er komen veel bijzondere personages voorbij die allemaal te maken hebben met de oom van de schrijver, een uiterst kleurrijk en controversieel figuur. Het boek werd vertaald en heruitgegeven door uitgeverij Nobelman. (Marjet Maks)
Ruitjesblues – Jan Beuving
Het zijn kleinkunstteksten die weliswaar bedoeld zijn voor het gehoor, maar ook op papier plezieren. Sterker nog, de teksten in Ruitjesblues worden na herlezing alsmaar beter in hun eenvoud. Hij ontroert, vermaakt en verrijkt. Prachtig! (Daan Lameijer)
Luister – Sacha Bronwasser De roman Luister van Sacha Bronwasser speelt tegen de achtergrond van de aanslagen in Parijs. De hoofdpersoon ‘moet luisteren, er is geen andere optie (…) om erger te voorkomen’, maar toch voorvoelt hij een aanslag die nog plaats moet vinden. ‘Het is gezien, het is verteld, en nu bestaat het’. Een prachtig vormgegeven en vertelde roman.
Een schitterend wit – Jon Fosse Een schitterende kleinood van Nobelprijswinnaar Jon Fosse. Een mooi opstapje om met diens stijl en thematiek kennis te maken, vertaald door Marianne Molenaar. Op het titelblad van dit boek wordt het omschreven als ‘een vertelling’, maar voor hetzelfde geld zou je het een gelijkenis, een parabel met Bijbelse reminiscenties kunnen noemen. Over levenden en doden. (Els van Swol)
Das Spinnennetz – Joseph Roth Ik las Das Spinnennetz als jubileumuitgave, vorig jaar opnieuw uitgebracht. Roth’s debuut stond in het najaar van 1923 als feuilleton in de Wiener Arbeiter-Zeitung. Nog vóór de Bierkellerputsch en derhalve griezelig profetisch. Toen ik het kocht in januari van dit jaar, kon niemand vermoeden dat het ook nog eens griezelig urgent en actueel zou worden.
De wintersoldaat – Daniël Mason
In De wintersoldaat wordt het verhaal van WOI nu eens niet vanuit ‘ons’ perspectief vertelt, maar gezien door de ogen van een jonge arts uit het Habsburgse Wenen. En wat blijkt: ook aan het oostelijk front nichts Neues. Vastgedraaide bureaucratie, haperende communicatie, incompetente leiding, en mensen die daartussen vermalen worden. Maar wat een verhaal, en wat prachtig geschreven! (Juul M. Williams)
Het lied van ooievaar en dromedaris –Anjet Daanje
Dit boek stijgt toch echt boven alle Nederlandse literatuur uit. Vorig jaar eraan begonnen, begin dit jaar uitgelezen. In de elf novellen weet zij hele werelden en steeds weer verrassende gebeurtenissen op te roepen. Voordat je bedenkt wat Daanjes volgende stap kan zijn heeft zij hem in een paar zinnen al gezet en ben je weer overdonderd door haar enorme verbeeldingskracht en inlevingsvermogen.
De eerste romantici en de uitvinding van het ik – Andrea Wulf Ademloos las ik dit jaar Rebelse genieën.. Grote denkers als Schelling, Fichte, de Schlegels, Goethe, Schiller, de Humboldts, Novalis en Hegel ontmoeten elkaar van 1794 tot 1806 in Jena, een kleine, vrije Duitse universiteitsstad. De leden van deze Jena-kring inspireren elkaar tot de ideeën die het begin van de Romantiek vormen. Wulf voert je mee naar hun gedachten, gedichten, gesprekken, hun grootse filosofieën en kleinzielige roddels. Haar taal laat je deelnemen aan hun leven. (Anky Mulders)
Scherven – Bret Easton Dit jaar las ik Scherven de nieuwste roman van Bret Easton Ellis die met zijn boeken Less than Zero, American Psycho en Glamorama mijn leven in de jaren tachtig en negentig kleur gaf. In Scherven wederom merkkleding, pittige seks, een lekkere soundtrack en natuurlijk een seriemoordenaar; opnieuw kleurrijke, Amerikaanse fictie.
In het huis van de dichter – Jan Brokken Bij lezing van dit boek uit 2008 voelde ik me een kenner van klassiek pianospel, gezeten op de eerste rang, precies zoals de schrijver zelf. Brokken herbeleeft zijn vriendschap met de briljante Youri Egorov (1954-1988), een op 22-jarige leeftijd gevluchte homoseksuele Russische concertpianist, geplaagd door schuld, angst en mateloosheid. Een smartelijk boek. (Jan Kloeze)
Met deze derde roman zet Douwesz de lezer aan het denken over alle mogelijke actuele en existentiële onderwerpen. De roman is het werk van een rebelse, wijze en evenwichtige geest die de wereld tot in detail wil leren kennen en voor de lezer openbaart in het mooiste proza dat momenteel in Nederland geschreven wordt.
De laatste witte man – Mohsin Hamid Hamid schreef met De laatste witte man een gedachtenexperiment dat verrast, uitdaagt, verrukt, vertedert en aan het lachen maakt. Hamid bevestigt met deze fantastische en utopische roman dat hij een van de belangrijke schrijvers van deze tijd is. Een tijd waarin toenemende polarisatie verhult dat we als mensen meer gemeen hebben dan we door opvoeding, frustratie, vervreemding en achterstelling willen en kunnen toegeven. (Michiel van Diggelen)
Zo worden jaren tijd – Cees Nooteboom Als poëzierecensent wil ik allereerst deze verzamelde gedichten van Cees Nooteboom noemen. Ze geven een compleet overzicht van zijn merendeels erudiete en veeleisende poëzie die door de jaren heen steeds persoonlijker is geworden. Nooteboom is gaandeweg dichter bij zichzelf gekomen. Zijn veelzijdige poëzie verdient het om meer gelezen te worden.
Balts – Luuk Gruwez In deze bundel brengt Gruwez indringend in beeld van wat we ons bewust zijn, niet bewust kunnen zijn, en bewust zouden willen zijn van onszelf en/of van de ander. Hij lijkt zich daarin te verliezen, maar gelukkig is er dan zijn poëzie die ons de gelegenheid biedt aan de benauwenis van het vergankelijke te ontkomen. (Johan Reijmerink)
Arkadia – Sipko Melissen Een boek waarin het leven goed is. Ko, een dertienjarige jongen uit een warm nest vertelt over een onvergetelijke zomer uit zijn jeugdjaren, de jaren vijftig. Hij ontdekt zijn homoseksuele geaardheid, is daar iets van in de war, maar niet noemenswaardig. Grote zorgen heeft de jongen niet. Beetje braaf? Misschien, maar dat is ook weleens lekker! En daarbij,Arkadia is prachtig geschreven!
Drengr – Aron Dijkstra Een echte Viking is drengr, stoer, onverschrokken en dapper. De ouderloze Sigi is niet drengr, en hij denkt dat hij het nooit zal worden. Toch moet hij bewijzen dat hij het wel is, en hij krijgt een spannende opdracht. Drengr, is prachtig geschreven en geïllustreerd door Aron Dijkstra. Het is een spannende vertelling die elke lezer gekluisterd houdt. (Carolien Lohmeijer)
Jij zegt het – Connie Palmen Ik had het boek al jaren in huis, maar las het pas deze zomer. Palmen is volledig opgegaan in het leven van Ted Hughes, ex-man van Sylvia Plath waarvan gezegd werd dat hij, door haar te verlaten, haar aanzette tot zelfmoord. Palmen laat een kant van een huwelijk tussen twee gepassioneerde mensen zien die de creativiteit in beide schrijvers vernietigde. Dit boek deed me nadenken over de negatieve kracht van het huwelijk. Toen ik het uit had, dacht ik: ‘Dit had ik veel eerder gelezen willen hebben.’
Goudjakhals – Julien Ignacio
Zeer indrukwekkend boek. Een roman in verhalen over de strijd van de mens op zoek naar een menswaardig bestaan. Een reis langs verschillende levens, spelend in verschillende tijden. Scherp en goed geschreven. Berichten uit de werkelijkheid vormen de aanleiding. Indrukwekkend is het verhaal, ‘Nader tot jou’. Een door woede gedreven brief aan Gerard Reve als antwoord op zijn Nader tot u uit 1966. Ik moet er nog geregeld aan denken. (Ingrid van der Graaf)
Marente de Moor – De schoft
Over weinig onderwerpen wordt meer zwart-wit gedacht dan migratie. Ideaal materiaal dus voor een romanschrijver. De jonge, voornamelijk vrouwelijke bemanning van een vluchtelingenschip ontdekt dat de meevarende journalist – een oude, witte man – zich vroeger kritisch over migratie heeft uitgelaten. Is hij daarom meteen een schoft? Prachtig verweven met oude legendes over heilige vrouwen die zich in hetzelfde Middellandse Zeegebied afspelen.
Tomas Lieske – Niets dat hier hemelt
Tomas Lieske kan als geen ander sfeer oproepen. Ditmaal van een zompig moerasdorp in de jaren dertig dat wordt opgeschud door de komst van een welvarende familie. Vijf broers uit dit kinderrijke gezin vinden in het veen een ruiter op een paard. Rond dit sterke beeld bouwt Tomas Lieske in poëtische zinnen een magisch verhaal over macht en verdringing. (Mathijs van den Berg)
Niet geschikt voor publicatie – Gabrielle la Rose
Een prachtig indrukwekkende debuutromanvan de Amsterdamse schrijfster Gebrielle la Rose. Het boek beschrijft een rauw en heftig milieu, toch heb je als lezer vanaf het begin sympathie voor de hoofdpersoon-beroepscrimineel en wordt bovendien op een indrukwekkende manier tot zelfreflectie gedwongen.
Rugzwemmen – Marc ter Horst
Dit jeugdboek is een pas verschenen pareltje. Het is een actueel, rebels, humoristisch en prachtig geschreven boek over klimaat en corona, dood en depressiviteit en vooral volwassen worden, zelfstandig willen zijn, vriendschap en de wereld van een tienermeisje thuis en op school. Het betere jeugdboek dat ook voor volwassenen zeer lezenswaardig is. (Joke Aartsen)
Een kleine weldaad – Raymond Carver
Mijn twee beste boeken van 2023 zijn in zekere zin een ode aan twee vertalers. Sjaak Commandeur vertaalde alle tot dusver verschenen verhalen van Raymond Carver, maar voegde aan dat al indrukwekkende geheel nog zo’n 200 pagina’s toe. Zijn vertaling is zo scherp dat deze meesterlijke verhalen echt net zo goed zijn in het Nederlands als in het Amerikaans. Een boek om van te houden. Ik ben een liefhebber, en geheel bevooroordeeld want ik werk bij de uitgeverij waar dit boek uitkwam.
De minnaar – Marguerite Duras
Het tweede is vertaald door Kiki Coumans. Wanneer je je wel eens afvraagt wat de kracht van een roman nog kan zijn, dan moet je dit maar eens lezen. Een ongelofelijk sterk verhaal dat je volledig meesleurt. Maar ook hier is het opvallendst de vertaalprestatie. Ik denk niet dat ik eerder een roman las waar elke zin zo goed is, ritmisch, semantisch, syntactisch: de vertaling volledig in dienst van een zo waardig mogelijk in onze taal overbrengen van dit tijdloze meesterwerk. (Menno Hartman)
Voor Literair Nederland sprak Eric de Rooij met schrijver Sipko Melissen naar aanleiding van de verschijning van zijn zevende roman Arkadia.
We hebben afgesproken in Café Wildschut aan het Roelof Hartplein in Amsterdam-Zuid. Sipko Melissen (1941), fit, slank en jongensachtig, mist de uitstraling van een doorsnee tachtigjarige. Hij zit al aan een tafeltje als ik binnenkom. ‘Stipt op tijd zijn, is iets van mijn gereformeerde afkomst,’ zegt hij. We zullen ruim twee uur praten over schrijverschap, sensualiteit en erotiek, redden en gered worden, en natuurlijk over zijn nieuwste boek Arkadia: ‘Ik ben heel gevoelig voor idyllische situaties.’
Arkadia is je zevende roman. Hoe begin je meestal?
Ik begin met de hand, dan kan ik mijn tekst het best beoordelen, makkelijker schrappen. Iemand zei eens: wanneer ik schrijf, denkt mijn hand beter dan ik zelf. Zo is het ook. Als ik gelijk ga tikken vind ik het moeilijk om afstand tot de tekst te houden. Ik ga zitten en soms begin ik zonder dat ik weet waar ik met het verhaal naar toe wil. En soms zit ik er zo goed in, zoals in het verhaal waar ik nu mee bezig ben, dan heb ik zelfs op zinsniveau het verhaal van het volgende hoofdstuk in mijn hoofd.
Hoe ben je met Arkadia begonnen?
‘Een begin schreef ik al in 1974. Ik wilde schrijven over een idyllisch buitenverblijf waar twee families de zomer doorbrengen, twee gereformeerde families die net uit de oorlog zijn gekomen, geen geld hebben om royaal te leven en die samen de vakantie doorbrengen. In werkelijkheid zijn het twee of drie vakanties in Putten geweest die ik in Arkadia teruggebracht heb tot een. Ik ben wel gevoelig voor die herinnering, voor idyllische situaties, die sfeer van twee families samen, en dat je als jongen je eigen gang kon gaan. Er was een enorme tuin en daarachter een bos. Ik had alle vrijheid. Die dubbelheid past bij mij: ik wil graag ergens bij horen, maar ik wil ook aan de zijkant staan. Arkadia bleef ongeschreven, een ander verhaal drong telkens voor. Tot ik wist dat ik naast die idylle ook iets wilde vertellen over het gevoelsleven van een jongetje van veertien. Daarin zit het conflict van het verhaal, het is een innerlijk conflict rondom seksualiteit en sensualiteit, met het idyllisch landschap als decor.’
Er wordt in Arkadia geen chronologisch verhaal verteld.
‘Het is een drieluik, waarin sprongen in de tijd worden gemaakt. Je krijgt als lezer niet een hele chronologische ontwikkelingsgang. De eerste sprong is al op bladzijde drie. Het verhaal opent alsof er een jongen uit de hemel is neergedaald. Die derde persoon wordt opeens een ik en dan laat je de fictie achter je.’
‘Woudsend’ heet het eerste deel van Arkadia, met een wondermooie passage waarin de ik-figuur een gesprek heeft met zijn vader.
‘Dat gesprek heeft bijna letterlijk plaatsgevonden. Alleen op een andere plek, in een andere tijd. Ik wilde het verhaal compact houden, door alles in dat ene weekend te laten plaatsvinden.’
Het is een liefdevol gesprek.
‘Mijn vader was een liefdevolle man. Gereformeerd, maar helemaal geen fanaat. Hij kwam steeds verder van de kerk af te staan. Het gereformeerde bleef wel in zijn levenshouding: je neemt het leven serieus, je gaat er niet slordig mee om. Ik kom uit een gezin van acht jongens en drie meisjes. Ik was de middelste. Boven mij had ik vijf broers, pittige knullen in hun puberteit. Zij zagen ook wel dat ik qua gedrag en belangstelling anders was. Ik werd wel een beetje gepest, maar ik ben niet gekneusd uit mijn jeugd gekomen. Mijn vader heeft de verschijning vanmijn debuutroman Jongemannen aan Zee niet meer meegemaakt. Dat is jammer. Maar hij wist dat hij voor mij een heel belangrijke man is geweest. Hij was dol op mijn partner, Rob. Mijn zusje Bep zegt altijd: “Hij was verliefd op Rob.”’
‘Rob en ik zijn verschillende keren met mijn ouders op vakantie geweest. Ik ontfermde me over mijn moeder, zodat mijn vader en Rob samen dingen konden ondernemen, dat vond mijn vader geweldig. Mijn moeder heeft mijn vader een hele tijd overleefd. Mentaal en fysiek een hele sterke vrouw. Toen ze negentig was, kwam ze nog met mijn zusje en haar man mee om in Italië bij ons kerstmis te vieren. Een week in een boerenhuis, met helemaal geen goede verwarming, het maakte haar geen bal uit. Van haar heb ik die sensuele verbinding met de werkelijkheid. Zij kon ook urenlang in de tuin staan en naar de polders kijken, alles in haar opnemend.’
Wat is die sensuele verbondenheid met de werkelijkheid?
‘Bij mij uit die sensuele verbondenheid zich in mijn vriendschappen. Ik heb in mijn leven een aantal intense vriendschappen gehad met jongens die, om die scheidslijn aan te houden, niet homoseksueel waren. Toch waren er wederzijdse warme gevoelens die verder niet seksueel waren, wel erotisch of sensueel. Je bent samen in een soort tussengebied. Ik was voor hen een heel toegewijde vriend, maar dat er ook iets extra’s speelde liet ik niet blijken. Ik was heel bedreven in het sublimeren. In Jongemannen aan zee komt na lange tijd een jeugdvriend terug, Andreas. In Arkadia heet hij Kees, trouwens. Met Kees had ik echt een mooie vriendschap. Maar zo’n vriendschap wordt verpest of vergiftigd door het feit dat je gaat liegen. Je vertelt je vriend niet het meest essentiële van jezelf. Terwijl de intimiteit om het te vertellen er wel is. Zo ontneem je de ander de kans een echte vriend te zijn.’
‘Je komt in een duister gebied als je als jongen gevoelens hebt voor andere jongens. In Arkadia haal ik Roeland Westwout (1937) aan, dat prachtige boek van Diet Kramer. Waarom is Roeland zo kwaad en slaat hij erop los als een klasgenoot hem uitscheldt voor oud wijf? Is het omdat die klasgenoot een kant in hem ziet waar hij zelf nog niet aan toe is? Een kant die wordt afgewezen? Jij deugt niet, je bent een nicht bijvoorbeeld. Roeland is anders dan de anderen. Het is goed om te weten dat de schrijfster getrouwd was, maar ook relaties had met vrouwen. Zij kon in die tijd slechts subtiel en niet expliciet vertellen wat er werkelijk bij Roeland speelde. Bij het lezen van Roeland Westwout weet de jonge Ko, de ik-figuur in Arkadia, intuïtief: ik heb dit ook. En hij vraagt zich af of je verliefd kunt worden op een jongen, een vraag die hij aan niemand kan stellen.’
Het tweede luik in Arkadia opent met de gedroogde blaadjes van een Gingko-boom en de herinnering aan Koen, een betekenisvolle ontmoeting.
‘Hoewel het een kortstondige ontmoeting is, komt Koen wel in aanmerking om verliefd op te worden. Koen lijkt in eerste instantie wat afstandelijk. Toch zet hij wel de eerste stap door Ko fysiek aan te raken. Eigenlijk staat Koen voor La Belle Dame sans Merci, of Reves Meedogenloze jongen. In Arkadia staat Koen voor die volmaakte jongen. Ik bedenk me dat nu pas, dat komt door jou. Ik vind jou wel een heel erg leuke jongen – heb het maar even gezegd tegen dat ding.’
We kijken beiden naar mijn Iphone die dit gesprek opneemt. ‘Dit is zo’n moment dat ik heel bewust ben van wat ik moet vertellen want straks is die band afgelopen.’
De band loop eeuwig door.
‘Konden ze dat maar over mij zeggen!’
Zou je dat willen, eeuwig leven?
‘Ik heb erover nagedacht. Dat schijnt vreselijk te zijn. De Italiaanse schrijver Cesare Pavese, schreef eens een boek waarin de Goden zich beklagen over hun onsterfelijkheid. Ze hunkeren naar sterfelijkheid, maar dat hebben zij niet. Ik hunker ook niet naar onsterfelijkheid. Intuïtief zeg ik: het is mooi zo. Als je eeuwig leeft zonder dat er iets verandert, is er ook niets aan. We leven bij gratie van vergaan. Dat is de deal. Je mag bestaan, maar je gaat wel langzaam richting afgrond.’
Het sluitstuk van Arkadia speelt zich af in Zeeland, de hoofdpersoon wordt van de verdrinkingsdood gered, heb jij dat meegemaakt?
‘In het slotdeel van Arkadia komt Eleanor Roosevelt op bezoek in Zeeland. De hoofdpersoon onttrekt zich aan de drukte en gaat samen met zijn vriendje Titus zwemmen. Hij verdrinkt bijna in die stroming en wordt dan door Titus uit het water gered. Het is mij overkomen. Een vriendschap waarbij de een de ander redt, spreekt me erg aan. Gered worden of een vriendje redden. Sowieso met z’n tweeën in een situatie zijn waarin de een de ander redt. Dat zoek ik in vriendschap. Het hoeft niet letterlijk uit het water te zijn. Om een concreet voorbeeld te geven. Naast ons kwam een jongeman wonen, ZZP-er, alleen. Het is een leuke jongen, hij is het redden waard. Bij mij ontstond al snel het gevoel dat ik voor hem iets belangrijks moest doen. Niet dat ik met een pan soep op de stoep sta, maar ik hield een oogje in het zeil, zeker tijdens de covid-periode. Ik weet dat ik mijn rol als redder overschat. Bij dat redden of gered worden is ook een erotische of sensuele kant, dat is het leuke ervan. Die erotische spanning merk ik ook vanuit die buurjongen. Niet dat hij het uit, maar ik voel het wel. Waarschijnlijk zat die jongen totaal niet op mij wachten. Of ik weet het wel zeker. Inmiddels heeft hij een vriendin, dus de urgentie om hem te redden is verdwenen.’
In Arkadia wordt het pastorale in de jeugd gevonden. In andere boeken zoals De Huidvan Michelangelo en Oud-Loosdrecht, wordt een Arkadia gevonden in Italië en in Griekenland.
‘Italië was mijn tweede thuis. We hebben bijna veertig jaar een boerderijtje gehad, niet ver van San Gimignano, Siena en Florence. Een paar jaar geleden zijn we daar weggegaan. Achteraf een goede beslissing. Rob en ik hebben er een meesterlijke tijd gehad. Ik schreef en hij vertaalde, een ideale combinatie. Vlakbij woonden goede Italiaanse vrienden. Italianen zijn zeer sociaal, makkelijk en gastvrij. Natuurlijk mis ik die tijd. Aan de andere kant, ik wil dat verleden niet cultiveren. “Oh, hadden we het nog maar”. Je moet ook het onvermijdelijke accepteren. Ik ben dankbaar voor de ervaringen die geweest zijn.’
In de film Afterlife mag iemand na zijn overlijden slechts één herinnering meenemen naar de hemel. Alle andere herinneringen raakt hij kwijt. Welke herinnering zou jij willen bewaren?
‘In De vierde mei komt een soortgelijke vraag voor. Ik kom dan uit bij het feest dat we in 1996 op onze boerderij in Italië gaven voor zo’n honderd mensen. Dat was zo bijzonder, zo spectaculair. We organiseerden dit met onze vrienden Hans en Piet. Op de eerste avond reden we in optocht met onze auto’s door het Italiaanse landschap, met aan de horizon die prachtige ondergaande zon, naar het restaurant in het dorp. Toen we uitstapten wachtte daar een boerenblaasorkest. Dat orkest begon zo aanstekelijk te spelen, dat iedereen spontaan begon te dansen. Dat was verpletterend, sprookjesachtig. Dat beeld durf ik wel mee te nemen als enige herinnering.’
En welk boek?
‘Als het daar saai is, zou ik een heel dik boek meenemen. Mocht het er toch opwindend zijn een heel dun boekje. Mijn eerste, intuïtieve reactie is om de Bijbel mee te nemen. Het is dik, divers, maar misschien een te gemakkelijke keuze. Ik hou van het werk van Gerard Reve. Op weg naar het Einde was een openbaring, die vrijmoedigheid, het opkomen voor jezelf zonder begrip te vragen of een compromis te sluiten. Baanbrekend. Maar ik kies voor een ander boek van Reve: Het boek Van Violet En Dood. Ik herlees het minstens een keer per jaar. Ik hou van de melancholieke toon, de heldere zinnen, de prachtige herinneringen. En mocht ik iets van mezelf mee mogen nemen, dan wordt het Plaatsbewijs. Het is een van de twee novelles in De Vendelzwaaier. Ik hou van verhalen met een duidelijk begin en een duidelijke afronding. Plaatsbewijs is zo’n verhaal.’
Arkadia
Sipko Melissen
224 blz.
ISBN 9789028231115
Uitgeverij Van Oorschot
Sipko Melissens nieuwste roman, Arkadia, heeft als ondertitel ‘Een drieluik’. Het pastorale karakter van de boektitel alleen al doet denken aan het drieluik De tuin der lusten van Jheronimus Bosch, vanwege zijn paradijselijke betekenis. Waar Bosch’ meesterwerk de zondaars waarschuwt voor een martelgang in het eeuwige vuur van de hel, houdt Melissen het gezellig en nostalgisch met een knetterend openhaardje in de huiskamer. Vrijwel nergens wringt het in zijn Gelderse Hof van Eden.
Hoofdpersoon Ko Melissen behandelt in omgekeerde chronologie drie van zijn jeugdherinneringen. In deel één bezoekt hij als volwassen student het Friese Woudsend, waar zijn gereformeerde ouders vakantie vieren. Daar zal hij zijn meer dan goede vriend Bor aan hen voorstellen. Deel twee, verreweg het langste hoofdstuk, gaat over de zomervakantie op het Veluwse landgoed Calcaria. Ko is dertien jaar, ontdekt de omgeving en wordt verliefd op botterik Koen. In het derde deel verdrinkt de negenjarige Ko bijna, wanneer hij vlakbij een stuwdam de zee induikt. Omdat first lady Eleanor Roosevelt Ko’s dorp in Zeeland bezoekt, is er geen toezicht bij het water. Het loopt allemaal maar net goed af. Dit is nauwelijks een spoiler, simpelweg omdat het Melissen niet om spanning te doen is.
In grote delen van Arkadia herstelt Nederland van de Tweede Wereldoorlog. De wederopbouw gaat gepaard met behoudzucht, gehoorzaamheid, religiositeit en een drang naar eendracht. Het reactionaire Biedermeiersfeertje past hier perfect bij. Biedermeier staat bekend als het belegen broertje van de Romantiek: er is liefde, maar geen allesverterende. De humor is lollig, zonder wrijving of melancholie. (Kerkelijke jongeren die catechisatie ‘kattenbak’ noemen.) De natuur schittert als creatie van God en haar gevaarlijkste wapenfeit is een regenbuitje. Gevoelens brengen de hoofdpersonen eventjes van hun stuk, waarna koekjes, een straaltje zon of geplukte cantharellen het evenwicht herstellen. Treffend portretteert Ko het calvinistische gezin waar hij deel van uitmaakt, dat precies uitbundig en vrolijk genoeg gaat slapen: ‘Het is een mooie dag geweest, daar is iedereen het over eens.’ Gelukkig maar.
Idyllisch, maar niet té
Toeval of niet, Arkadia is Melissens zevende boek. Daarmee lijkt het een rustpunt te markeren in zijn literaire Schepping. Anders gezegd: Arkadia strijkt elk conflict kreukloos glad, als braaf Biedermeier-product. Het is een boek voor de kostelijke, luie zondag. Er worden meer koekjes in gebakken dan in Heel Holland Bakt, net niet schurende grapjes gemaakt zoals vrome christenen plegen te doen en Ko’s seksuele ontbolstering blijft keurig binnen de lijntjes: ‘Bor wist dat angstwekkende heelal terug te brengen tot twee lichamen die in de plastische taal van het Oude Testament tot één vlees werden.’ Alles wat aanvankelijk vragen oproept, legt de schrijver uit. Zelfs de worsteling met het geloof komt tot een hoogtepunt via zoetigheid. Wel een mooie scène, overigens. Melissen schrijft met melasse.
Hij mikt op sfeer in Arkadia. De avond, sperziebonen, open velden, ze schemeren allemaal. De Friese meren ontvouwen zich voor Ko als een belofte op een mooie toekomst: ‘Overal waar hij kijkt is groen en blauw, groen van de weilanden, blauw van de lucht en het meer. Op het monotone geluid van de wind na is er stilte zo ver je kunt kijken.’ De Veluwse bospaden naar de hei vindt Ko ‘mooi en overweldigend, vooral als de zon door de bladeren gefilterd wordt, maar na een tijdje benauwen ze me.’ De treffendste sfeertekening komt uit de Zeeuwsche Courant, terugblikkend op het bezoek van Eleanor Roosevelt: ‘”En er was dat typische fijne Zeeuwse licht, dat zee en aarde daar samen produceren: grijs met blauw en donzig wit van wolken.’’ Zó zou ik het toen nooit gezegd kunnen hebben, maar zo heb ik het wel beleefd en gezien.’
Het is niet onuitgelegd gebleven
De zomerse loomheid doet de lezer geregeld wegdutten. Zelf nadenken hoeft hij niet, want iedere open plek wordt volledig ingevuld met alsof-vergelijkingen en met toelichtingen bij literaire verwijzingen. Wanneer Ko zijn geaardheid onthult, komt Gerard Reves Nader tot U maar liefst vijf keer voorbij. Zelfs het mysterie rondom de titel Arkadia verdampt jammerlijk. Tijdens Ko’s verblijf in de Veluwse villa Calcaria legt de vader van Koen, Ko’s vlam, de naam uit: ‘Calcaria omdat het woord lijkt op Arkadia. (…) Arkadia is een streek in Griekenland die door dichters en schilders wordt voorgesteld als land van onschuld en vrede. Nou jongens, jullie kunnen zelf zien hoe vredig het hier op Calcaria is, alsof we in het paradijs zijn.’ Over knipogen naar het paradijs gesproken: Koen steelt een tomaat uit de naburige moestuin, het enige gewas waar de kinderen absoluut vanaf moesten blijven!
Eén van Ko’s ontdekkingen in zijn relatie met Bor luidt dat ‘niet alles gezegd hoeft te worden om duidelijk te zijn’. Met dat besef is het ironisch hoe veel Melissenvertelt, in plaats van laat zien. Bovendien haalt hij grootheden aan als Nabokov, Homerus, Glück, Gorter, Shakespeare en Proust, waardoor de indruk ontstaat dat Arkadia groots en meeslepend zou moeten zijn. Natuurlijk is de Fransman een geschikte autoriteit om aan te refereren in dit nostalgische tripje naar een verloren tijd. Toch maken vooral klein geluk en subtiliteit Arkadia lief, gevoelig en relevant. Ko’s strenggelovige vader, bijvoorbeeld, vraagt na de coming out van zijn zoon onverwacht empathisch: ‘Ben je daardoor ooit ongelukkig geweest?’ Dan wil hij weten: ‘Heeft het je relatie met God verstoord?’ Bij het stellen van die vraag prikt hij zijn stukje appeltaart, in een perfecte driehoek uitgesneden, kapot. Prachtig.
Van Holocaust naar holle praat
Het kan haast niet anders of dit boek zal menigeen verwarmen. Als de hoogliteraire referenties buiten beschouwing worden gelaten, blijft een suikerzoet boek over. Melissen verwent en verdooft met lieflijke huiskamertaferelen en niet te veel gedoe. Eigenlijk voelt Arkadia als een fotoalbum vol vergeelde kiekjes, inclusief handgeschreven onderschriften. Nergens houdt een idylle beter stand dan in het onbetrouwbare geheugen. Het decor in Arkadia – Friesland, Gelderland en Zeeland – belichaamt voor velen het Nederland zoals het vroeger ‘echt was’. Men vergeet echter dat de jaren ’50 en ’60 vooral de nasleep van een nachtmerrie waren. Eén zin drukt eenvoudig de onttovering na de Holocaust uit: ‘Kale polders zijn niet geschikt voor sprookjes.’
In tegenstelling tot dat andere boek van Reve, De avonden, praat Ko’s familie vaak en openlijk over de Tweede Wereldoorlog. Zo vormt de razzia van Putten, vlakbij landgoed Calcaria gelegen, het dieptepunt in de Veluwse geschiedenis. Ruim zeshonderd jongemannen uit de streek werden afgevoerd richting Noord-Duitsland. Een dominee die bij de ouders van Ko op bezoek is, was bij de verzoeningsdienst in Ladelund, anno 1950. ‘Hij houdt de mensen in de kerk voor dat men niet moet blijven staan met verdriet en wraakgevoelens in het hart. (…) En hij wijst op het offer van Christus dat ons niet spreekt van wraak maar van liefde en trouw, voor ons en onze vijanden.’ Makkelijk praten, zou je zeggen. Het hele gezin raakt evenwel geëmotioneerd door deze christelijke genade. En zo zijn we terug bij het stichtelijke sentiment van Biedermeier, dat van de zwartste bladzijde van de vorige eeuw toch nog een bitterzoete ervaring maakt. Lekker, maar wel een beetje ongezond.
In Arkadia van Sipko Melissen ontdekken we in het eerste deel de Zeeuwse kinderjaren van de Amsterdamse student Ko. Toen hij 9 was moest hij daar met het gereformeerde onderwijzersgezin waarvan hij deel uitmaakte, afscheid nemen van zijn eerste vriendje op Tholen. Het tweede deel speelt zich af in Putten waar hij zich verdiept in de geschiedenis van die plaats waar in 1944 bijna alle mannen door de Duitsers werden afgevoerd als represaille voor een aanslag. In het laatste deel is Ko 25 jaar oud en op weg naar zijn ouders die in het Friese Koufurderigge in een vakantiehuisje verblijven. Hij wil bij hen zijn vriend Bor introduceren. ‘Hij ziet zijn vader en moeder in het zomerhuisje zitten, wachtend op hem en zijn verhalen, evenals zijn twee jongere broers en de drie zusjes. Maar wat kan hij vertellen? Dat Bor steeds bruiner en mooier werd en dat híj steeds bruiner en mooier werd en dat hij in zijn kleine zwembroek langs de vloedlijn danste. Of over de nachten dat hij wakker schrok en zich bewust was van de kosmische verlatenheid waardoor zij omringd waren? Moest hij, om de spanning te verhogen, vertellen dat zij tijdens die vakantie op Trevose Head technically voor levenslang in aanmerking kwamen? Toen ik op een zonnige ochtend in onze lievelingsbaai Bor aanhaalde en spontaan zoende, wees hij mij erop dat we officieel de kans liepen levenslang de bak in te gaan. Homoseksualiteit was in Engeland nog steeds illegaal, met buggery technisch strafbaar by imprisonment for life’.
Auteur: Sipko Melissen
Uitgeverij: Van Oorschot
Tanners erf
Meer dan een paar koeien en kippen en een klein stuk land heeft de Zwitserse boer Tanner niet. Hij is een eenvoudige man die zijn bedrijf aan de uitlopers van de Alpen leidt zoals zijn ouders dat al generaties lang deden.
De novelle begint in het voorjaar. Tanner wil zijn koeien Carmen, Fiona, Bella, Pama, Petra en Vreni de wei in laten. Er is iets met Vreni. Een van haar spenen is hard: ‘ze heeft een hard kwartier’. Hij vult de emmer met de melk uit de drie andere spenen en zet die voor aan de naamloze stier. Die laat hij nooit buiten; hij heeft zijn vader eens een oog uitgestoten. In de volgende scène zit Tanner aan de keukentafel bij zijn vrouw Marie. Hij heeft de stalgeur van zich af gewassen. Kauwend op zijn brood zegt hij tegen zijn vrouw:
‘Vreni heeft een hard kwartier.’
‘Ach jeetje!’
‘Het gaat goed met ‘r.’
‘Dan ga ik ‘r zo brood brengen.’
Tanner knikt, want Vreni is dol op brood. (…)
Tanner klemt de boterham tussen zijn tanden, scheurt hem af, klokt er een slok koffie achteraan.
‘Komt wel goed’, kauwt hij.
‘Moet ik Frankhauser bellen?’
Tanner schudt zijn hoofd (…) Marie blijft een tijdje zwijgend zitten, Tanner slurpt, ze houdt haar hoofd scheef. Wat zou er nu komen?
Maar er komt niks, ze recht haar nek en breit verder.
Later ontdekt Tanner twee enorme gaten, bodemloze putten, in zijn erf. Wat moet hij daarmee aan? Wat hebben ze hem te zeggen? Hij wil graag de juiste keuzes maken, maar maakt de verkeerde.
Auteur: Lukas Maisel
Uitgeverij: Atlas Contact
Strijd om de ziel. Het leven van P.C. Kuiper (1919-2002) in de psychiatrie
In 1988 werd psychiater Pieter Kuiper in Nederland op slag bekend met zijn onthullende boek Ver heen. Daarin schreef hij onverbloemd over zijn eigen depressie die uitliep op een psychose waarin hij zichzelf dood waande. Het boek werd, mede door een optreden van Kuiper in het boekenprogramma van Adriaan van Dis, ook door menigeen buiten zijn eigen vakgebied met ontroering gelezen en als troost ervaren. Nu is er de biografie van deze man, geschreven door Koen Hilberdink. Wat Kuiper in Ver heen (en bij Van Dis) niet vertelde was dat hij ook homoseksueel was en wat voor strijd hem dat in zijn leven opleverde. Hij schreef zelfs een boek Neurosenleer waarin hij homoseksualiteit als een aandoening beschreef. Het is onder andere dat persoonlijke gevecht van Kuiper dat Hilberdink beschrijft, onder meer aan de hand van diens dagboeken en brieven. Daaruit komt ook naar voren welke rol zijn vrouw Noortje, dochter van de theoloog Heiko Miskotte, en het geloof in dit verhaal hadden. Hilberdink schreef eerder biografiën van de dichters Paul Rodenko en Hans Lodeizen en van uitgever Johan Polak.
Wie verwacht dat in de nieuwe roman van Sipko Melissen (1941) weer gehunkerd zal worden naar onbereikbare mannen of jongens komt deels bedrogen uit. De hunkering is gebleven, maar de mannen zijn verdwenen. Met De vierde mei slaat Melissen een nieuwe weg in, al zijn er voldoende ingrediënten die zijn verhaal de vertrouwde kleur geven. Zo is er de geschiedenis van een manuscript. Een variant op dit thema zat ook in zijn vorige boek Oud-Loosdrecht en in Een kamer in Rome, waar het manuscript werd ingeruild voor een novelle van een mysterieuze schrijver. Bekend zijn de vele verwijzingen naar de (wereld)literatuur, waarin de leesvoorkeur van de auteur is terug te vinden, alsook homoseksualiteit blijft een thema. Dat laatste wordt verbeeld in een bijfiguur, omdat Melissen verrassend en voor het eerst in zijn oeuvre een vrouw tot hoofdpersoon heeft gemaakt.
Ze heet Altea DeWitt, vernoemd naar een kleine badplaats in Spanje, en woont en leeft in de bubbel van de Amsterdamse grachtengordel. ‘Het moet een bijzondere champagne zijn, dat is de enige eis die ik stel. Niet dat goedkope spul van vijftig euro.’ DeWitt draagt een Armani-pak. Het is ook wel met een zweem van ironie hoe Melissen zijn personage neerzet, een verkapt zelfportret zoals Hans Warren dat ooit deed in de novelle Indigo door zichzelf als een oudere schrijfster te portretteren. DeWitt heeft net als Melissen lesgegeven aan een Amsterdamse Hogeschool en is net als hij aan het einde van het jaar jarig. Dit zijn gniffelmomenten, meer niet.
Paniek
Belangrijker is dat hij DeWitt laat overkomen wat hem zelf ooit is overkomen, zo bleek uit een interview in Het Parool. DeWitt vindt een oude foto terug en denkt: wie is die knappe jongen die naast me staat? Het is Oliver, de man met wie ze haar leven zou gaan delen. ‘De foto was als een steen door het raam waar een briefje omheen was gewikkeld met de tekst: je was niet bij je eigen leven.’ Die foto en het conflict dat zij en haar man de avond daarvoor hadden over een manuscript van een jonge auteur – zij wil dat het gepubliceerd wordt, hij niet – vormen de opmaat tot een kleine existentiële crisis bij DeWitt. Wat is de zin van mijn leven, vraagt ze zich af. Ze denkt aan het gesprek dat ze ooit had met haar jong overleden jeugdvriendin Riekje: je staat bij de hemelpoort, en op welke grond heb je recht tot toegang? DeWitt had niets in kunnen brengen en nu, op deze vierde mei, slaat de paniek zo toe, dat ze besluit de gewone dagelijkse sleur te doorbreken en door Amsterdam te gaan zwerven, langs de plekken die in haar leven van belang zijn geweest, om antwoorden op haar vragen te vinden.
Zo volgt de lezer DeWitt het gehele boek op die vierde mei in Amsterdam, een trip down memory lane, om ’s avonds te eindigen bij de twee minuten stilte op de Dam. Een soms pijnlijke reis met herinneringen aan een seksuele escapade op Terschelling en het tekort schieten in haar vriendschap met Riekje, kleine tragiek in een gewoon leven.
De boeken
Haar eerste stop is het Amstelveld. Deze bekende plek in Amsterdam staat ook op het weinig onderscheidende omslag – de zwakste schakel in (of van) deze roman. Het Leidseplein (Americain) volgt, de Bosboom Touissantstraat, de De Clercqstraat, dan met de tram naar Centraal Station, de pont naar Noord, weer terug, de Hartenstraat. Elke plek is zwanger aan herinneringen. Is het Melissen zelf die een reis door zijn leven maakt, dat toch ook grotendeels zich afspeelt in Amsterdam? Als lezer van zijn werk kun je je bijna niet aan die indruk onttrekken. Niet alleen de herkenningspunten in de stad lijken dit te bevestigen, maar misschien nog wel meer de overpeinzingen die DeWitt heeft bij de boeken die haar in haar leven hebben gevormd. De Beatrijs-legende komt voorbij (gesneden koek voor de docent Nederlands die Melissen was), Coetzee, Jacobson, Tsjechov, de dagboeken van Victor Klemperer, Kafka’s parabel van de Poortwachter (toch ook een soort hemelpoort) en Carrolls Alice in Wonderland, met de deels geparafraseerde dialoog tussen Alice en de Cheshire Cat. Als Alice vraagt welke weg ze moet nemen en de kat op zijn beurt haar vraagt waar ze naar toe wil, antwoordt ze: ‘O, dat maakt niet uit.’ ‘Dan maakt het ook niet uit welke kant je op gaat,’ zegt de kat snedig. ‘Als ik maar ergens kom,’ vult Alice aan. ‘Oh, dat zal je zeker lukken,’ zegt de kat, ‘als je maar lang genoeg doorloopt.’ Over levenspaden gesproken!
Troost
Er gebeurt in De vierde mei niet veel. Prettig weinig, zelfs. Maar saai is het nooit en larmoyant wordt het zeker niet. Leg je zijn debuut Jonge mannen aan zee uit 1997 naast De vierde mei dan zie je dat de zinnen meer ritme hebben, vloeiender zijn geworden. Dat is misschien wel het geheim van de nieuwe Melissen. Omdat het allemaal zo eenvoudig en uit de mouw geschud lijkt, herken je bij nauwgezet lezen de stilist, de ervaren auteur. Met mooie observaties, zoals de volgende:
‘Ze volgde de pont op weg naar het ndsm-terrein. Er viel haar iets bijzonders op. Er was een opmerkelijk verschil tussen voor- en achterplecht. Op de overvolle voorplecht stond iedereen, met of zonder fiets, strak voor zich uit te kijken, onbeweeglijk als een terracottaleger, klaar om aan wal te gaan zodra de klep neer werd gelaten. Op de achterplecht was het minder druk. Er werd alle kanten op gekeken, heen en weer gelopen, en men was met elkaar in gesprek alsof het een receptie was.’
Er is wel een plot – uiteindelijk weet DeWitt wat haar toegang gaat verlenen bij de hemelpoort. De lezer krijgt ook de epiloog voorgeschoteld van de nog uit te brengen roman over een aanslag tijdens de Dodenherdenking. Maar uiteindelijk is dat allemaal van minder belang in De vierde mei, waar het, om met K.P. Kavafis te spreken, vooral gaat om de reis en niet de bestemming. En Melissen, kenner van de hunkering, tussen de regels aan de lezer de vraag stelt: en jij, ben jij bij je eigen leven?
Bijna iedereen in de boeken die ik bij me heb is onderweg. Sipko Melissen begeeft zich naar Norderney, nadat hij eerst in Venetië en Merano geprobeerd heeft Franz Kafka zo dicht op de huid te zitten, dat hij zich voor kan stellen hoe het geweest is om Franz Kafka te zijn. Gerda Dendooven stuurt twee naamloze personages, een vrouw en een man, met onbekende bestemming weg uit het leven dat ze leiden in de hoop dat ze elders rust vinden. Een psychiater die verdacht veel op António Lobo Antunes lijkt, laat tijdens een rit van de Algarve naar Lissabon zijn gedachten de vrije loop en belandt zo in zijn turbulente verleden. Alleen de man die zich verschanst heeft in een tuin verplaatst zich nauwelijks, al koestert hij een diepe wens die tuin – waar hij in een mum van tijd een zee van kan maken – te verlaten.
Zelf zit ik inmiddels aan een tafeltje met uitzicht op een zuidelijke zee. Een meisje met rood haar en een streng knoflook om haar nek kijkt mij aan. Hoe, dat weet ik niet precies. Degene aan wie het tafeltje toebehoort waaraan ik zit te werken, associeerde haar blik ooit met onschuld en dapperheid. Ook dat meisje heeft overigens een hele reis achter de rug. Eerst maakte ze een grote sprong westwaarts. Daarna zakte ze af naar het zuiden.
Mijn zitten is maar schijn: zonder dat iemand het ziet, spring ik van hot naar her. Door de tijd en door de ruimte. Ik orden het verleden van iemand die op haar beurt structuur aanbracht in het geschiedenis van twee anderen om vervolgens een roman te schrijven op basis van die geleende levens.
Ik struin rond in hun echte levens, en in dat van de schrijfster voor, tijdens en na het schrijven van het boek. Wie mij ziet zitten, gelooft niet dat ik in amper een uur tijd het Duitse dorpje aandoe waar de vrouw die model stond voor een van de protagonisten in haar jeugd verschrikkelijk vernederd werd; me suf zoek naar de datum waarop de eerste zinnen op papier gezet werden – de schrijfster schreef toen nog met de hand – en tijdens een Frankfurter Buchmesse getuige ben van de avant-première van de roman die pas een paar weken later officieel ten doop zal worden gehouden.
Het is vandaag de vijfde dag dat ik volstrekt niet vrijblijvend surf tussen toen, nu, hier en daar. De tegenwoordige tijd begint te dringen. Aan het eind van de week moet het materiaal overzichtelijk in mapjes zitten. Bovendien heb ik zin om zelf weer wat te schrijven. Ik wil literaire verbanden leggen tussen Fresh Up en Tabac en het over Kafka hebben. Kafka van wie we dankzij een fabulerende Nicole Krauss weten dat hij na 1924 nog lang en gelukkig leefde als tuinman in Palestina. Kafka die Sipko Melissen het hoofd op hol brengt.
De dingen beginnen danig door elkaar te lopen. Het is tijd om naar huis te gaan. Laat het meisje met de rode vlechten en de streng knoflook maar een tijdje op iemand anders neerkijken.
Ik ging op reis en nam mee:
Tabac – Gerda Dendooven Reis naar het einde – António Lobo Antunes Tuin – Vincent van Meenen Kafka op Norderney: essays – Sipko Melissen
Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.
Literair criticus Carel Peeters (1944) schrijft tweewekelijks een literaire kroniek voor Vrij Nederland online. Op papier doet hij, na jaren de Republiek der Letteren te hebben gediend, niet meer mee sinds het blad de oplage zag teruglopen. Gelukkig schrijft hij nog vijf keer per jaar de Kroniek van de roman voor Tirade. Een tijdschrift waarmee je iets in handen hebt en dat bij het openslaan de geur van vers papier en drukinkt verspreidt. Geen pagina’s weg klikken maar er doorheen bladerend, naar de bedoelde Kroniek. In deze nieuwe editie doorgrondt Peeters de roman Wil van Jeroen Olyslaegers. Waarbij als eerste de Vlaamse taal van Louis Paul Boon en Hugo Claus wordt geduid als ‘bedacht authentiek’. En dat Olyslaegers een milde variant van Boon beoefent in zijn romanpersonage die uit verschillende personages bestaat. Een personage dat een ’tweezak’ wordt genoemd omdat hij in oorlogstijd evengoed heult met de vijand als met het verzet. Peeters noemt Olyslaegers roman een snijdende roman om de ‘hoge mate van onverstoorbare neutraliteit die Olyslaegers de oude Wilfried laat betrachten.’ In zijn kronieken kom je van die belangwekkende inzichten tegen waar geen andere criticus het over heeft.
Verder naar achteren, naar het podium van De tirade van…. Deze keer betreden door romanschrijver en redactielid van Tirade, Anja Sicking. Een tirade over een neiging tot een tirade die maar geen tirade wil worden. De ontvangst op een camping in Italië door een Nederlands echtpaar, Toon en Eefje. Man in een knaloranje korte broek die haar met haar vriendin en kinderen, met ‘zijn vakantievierende handen’ in zijn zij staat op te wachten. Waarna hij en zijn vrouw zich zo voorkomend en behulpzaam opstelden dat het haar woede wekt. Waarvoor ze zich dan weer schaamt. Want ze was toch niet zo iemand ‘die een ander zomaar op z’n gezicht wil timmeren alleen omdat het me niet aanstaat?’ Schaamtevolle situaties rijgen zich aaneen en bieden genoeg momenten om de tenenkrommende vragen en voorstellen van het echtpaar, met een tirade te beantwoorden. Herkenbaar, juist daar waar gezwegen wordt.
Sipko Melissen, schrijver van de romans Een kamer in Rome en Oud Loosdrecht, werkt aan een essaybundel over Franz Kafka. In zijn essay Kafka in Merano gebruikt hij o.a. artikelen en essays van W.F. Hermans die geschreven zijn naar aanleiding van een bezoek aan Merano waar hij op zoek was naar verhalen over schrijvers die daar gekuurd hebben of aan tbc waren overleden. Dat Hermans geen sporen van Kafka tegenkwam, die ooit in Merano drie maanden als tuberculose patiënt verbleef, heeft volgens Melissen te maken met het feit dat Hermans daar was op het moment dat er nog geen gedenktekens e.d. geplaatst waren. Mooi samen komt de veronderstelling dat Kafka een zoon heeft gehad (die op kinderleeftijd zou zij overleden) en dat Hermans een meisje in Merano zag dat voor hem een reïncarnatie van Kafka is. Waarbij Melissen zich afvraagt of er niet enig nageslacht van Kafka zou kunnen rondlopen.
Joost Baars vertaalde de Verschrikkelijke sonnetten van de experimentele en religieuze Britse dichter Gerard Manley Hopkins (1844-1889). In een mooie inleiding tot de sonnetten schrijft Baars over de geloofscrisis waarin Hopkins verkeerde toen hij deze sonnetten schreef. Zes sonnetten die zich niet gemakkelijk laten verklaren maar wel een sterk innerlijke worsteling tonen.
Sander Kollaard, schrijver van verhalen en de roman Stadium IV vertaalde het verhaal The Death of the Moth, van Virginia Woolf. Verheugend dat er van Woolf een niet eerder vertaald verhaal gepubliceerd wordt. In een inleiding schrijft Kollaard hoe Woolf tot dit verhaal kwam naar aanleiding van een brief van haar zus Vanessa. De inleiding van Kollaard en het verhaal van Woolf, eindigen met vrijwel dezelfde zin: Het ligt stilletjes op de vensterbank, heel netjes, heel bescheiden. ‘O yes, he seemed to say, death is stronger than I am.’ Oh ja, leek het te zeggen, de dood is steker dan ik.
Misschien gaat hij vanzelf van Anneke van Wolfswinkel vertelt in eenvoudig maar sterk beeldend taalgebruik het verhaal van een oude man en zijn stervende hond. ‘De oude man graaft een kuil. Op het erf, aan de rand van het weitje waar hij elke ochtend even staat (…).’ Die hond wil hij uit zijn lijden verlossen maar telkens wanneer hij zijn vinger om de trekker legt beweegt de hond en wordt het vonnis uitgesteld. ‘Sterven in je slaap is een vorm van genade, maar een hond afmaken in zijn slaap is een laffe, liefdeloze daad.’ Een knap en verstild verhaal.
Verder werk van onder meer Idwer de la Parra (poëzie), Roos van Rijswijk (redactioneel), Walter Tevis (proza vertaald door Anna Visser), Lia Tilon (proza). De illustraties, waaronder de cover afbeelding, zijn van JurgenWinkler.
Tirade kun je kopen bij de betere boekhandel of neem een abonnement.
Jaarlijks vijf nummers; € 50,00 (studenten € 35,00)
Kijk ook op Tirade.nu.
Door een van de grote ramen kijkt Wijnand naar binnen bij de kunstenaarssociëteit Arti et Amicitiae. Hij ziet bekenden, vrienden en ook zijn uitgever is aanwezig. Het duurt niet lang voor hij doorheeft dat dit de nieuwjaarsreceptie is van uitgeverij Ypsilon. Zijn uitgeverij. Hij heeft hier kennelijk geen uitnodiging voor ontvangen.
Wijnand heeft op dit punt in zijn leven al drie romans op zijn naam staan en met elke publicatie loopt het aantal lezers terug. Hij is een man van middelbare leeftijd die zijn baan bij de gemeente heeft opgezegd om zich volledig te geven aan het schrijverschap. En nu voelt hij zich afgeschreven. Eerder al raadde zijn uitgever hem aan eens iets anders te proberen dan boeken over ‘gemankeerde erotische vriendschappen’.
Dit is echter een onderwerp waar Wijnand zelf ervaringsdeskundige in is. Al vanaf de middelbare school is hij bevriend met Abe. Samen brengen ze hun tijd door met zwemmen, roeien en zeilen. Tijdens hun lange wandelingen, die vaak eindigen bij het Kleine Wasmeer op een omgevallen boom, praten zij over de filosofie. Beiden weten ze dat Wijnand meer voor Abe voelt dan alleen deze platonische vriendschap, maar ondanks de vele gesprekken die ze voeren, blijft dit onbesproken.
Aan Abe vertelt Wijnand over het gesprek met zijn redacteur en wat dat zou betekenen voor het bijna voltooide Oud-Loosdrecht, waar al anderhalf jaar werk in zit.. Dan komt Abe met het idee voor het boek Een tragedie in de Achterhoek. Het boek is gebaseerd op de relatie tussen Wijnand en zijn partner Erik. Samen met Abe, die fungeert als redacteur, gaat Wijnand de uitdaging aan om te beginnen aan een nieuw boek. De gesprekken tijdens hun lange wandelingen gaan vanaf nu over de vorderingen van het nieuwe boek.
Toch blijft Oud Loosdrecht door zijn hoofd spoken. Dat is het boek dat hij echt wil schrijven. Het gaat over twee mannen, Abel en Wiland, hun vriendschap, hun filosofische gesprekken en de onderliggende spanningen tussen de twee.
Het verhaal dat zich in Oud-Loosdrecht langzaam ontvouwt, wordt niet in chronologische volgorde verteld. In het boek zijn drie soorten hoofdstukken te onderscheiden. Er zijn hoofdstukken die gaan over de avond waarop Wijnand erachter komt dat hij niet is uitgenodigd voor de nieuwjaarsreceptie. Na deze ontdekking blijft Wijnand verslagen op de stoep staan. Hij is die avond door Abe gevraagd voor een spaghettata di mezzanotte, een middernachtelijk spaghettifeest, maar het duurt nog wel even voor het zo ver is. Deze hoofdstukken nemen je mee op een toer door stad, naar de plekken die Wijnand bezoekt en de mensen die hij ontmoet om maar niet naar huis te hoeven.
Dan zijn er de hoofdstukken die gaan over het moment waarop Wijnand gehoord heeft dat hij niet verder mag met zijn nieuwe boek Oud Loosdrecht ten gunste van een nieuw boek met een nieuw thema. Wijnand gaat een denkbeeldig gesprek aan met twee vrouwen op een terras over zijn roman. Dit denkbeeldige gesprek geeft veel prijs over zijn motieven om het boek te schrijven.
Tot slot zijn er nog de hoofdstukken die delen moeten voorstellen uit de romans die Wijnand aan het schrijven is. Namelijk Oud-Loosdrecht en Een tragedie in de Achterhoek. Deze hoofdstukken lijken in eerste instantie slechts een voorproefje van die boeken maar ze leveren belangrijke achtergrondinformatie voor de rest van het verhaal. Zo wordt uit deze delen duidelijk waarom Erik, de vriend van Wijnand, zijn koffers heeft gepakt en richting India is vertrokken. Ook krijg je een beter inzicht in de relatie tussen Abe en Wijnand. (En daardoor over het boek wat je nu echt aan het lezen bent).
Het boek zit knap in elkaar. Sipko Melissen roept eerst vragen op die zichzelf later beantwoorden. De eerste keer dat in het boek de titel Oud-Loosdrecht wordt genoemd, vraag je je natuurlijk meteen af hoe dat boek zich verhoudt tot het gelijknamige boek dat je nu aan het lezen bent. Gaat het hier om hetzelfde boek? En is het verhaal dat verteld wordt in Een tragedie in de Achterhoek ook wat er echt gebeurd is tussen Wijnand en Erik?
Hoewel het boek vragen oproept en daardoor uitnodigt om verder te lezen, verliest het verhaal aan het einde zijn aantrekkingskracht. De vele filosofische verwijzingen worden er een beetje te veel en het gebrek aan ontwikkeling in het hoofdverhaal zorgt voor een minder boeiend stuk in het boek. Ook het einde van het boek is niet de apotheose die je zou verwachten. Na flink wat drank komt het op de spaghetta di mezzanotte eindelijk tot een confrontatie tussen Wijnand en Abe. Na al die jaren spreken/ruzieën ze eindelijk over hun onderlinge relatie, maar deze woordenwisseling is minimaal. Nog voor het laatste woord gezegd is, lijken de twee alweer op dezelfde voet weer verder te gaan. ‘Als een pantomimespeler had ik loopbewegingen gemaakt zonder een stap vooruit te komen.’ Zo voelt het verloop van het boek ook.
Al met al is het zeker een mooi boek. Ondanks het plot, dat hier en daar een beetje dunnetjes is, maakt de opbouw en het filosofische karakter van het boek veel goed.
Een kamer in Rome lijkt een bildungsroman pur sang. Dromerige jongeman met ‘leeservaring maar nauwelijks levenservaring’ gaat na verbroken relatie op reis via virtuele roman, literaire grootheden en Italiaanse wegen, op zoek naar de zingeving van zijn bestaan.
Daniël van Duren, student literatuur wetenschap wordt na een half jaar samenwonen, verlaten door zijn vriendin. Op de valreep ontvangt hij van haar moeder de (virtuele) novelle Een tuin in Toscane, geschreven door Alle Waterink. Het zal geen toeval zijn dat hij op dat moment werkt aan een referaat over de virtuele roman (een roman in een roman die niet in fysieke vorm bestaat). Vooral Nabokovs The Real Life of Sebastian Knight houdt hem bezig.
De novelle Een tuin in Toscane leest hij meerdere keren om de betekenis van het daar weer in ondergebrachte virtuele verhaal te achterhalen. Van de schrijver is alleen bekend dat hij in Italië woont. Daniël maakt zich op daarheen te vertrekken in de hoop Alle Waterink te vinden en hem te bewegen tot een herdruk, waarvan hij dan het voorwoord wil bezorgen. Dromeriger kan haast niet en gekleed in Armani spijkerbroek met in zijn rugzak een biografie van de Engelse dichter John Keats (die genoemd wordt in de virtuele novelle) en diens complete werk en een vers gekocht Moleskine boekje, reist hij af naar Italië.
Voor twee weken (de tijdsspanne waarin de roman zich verder ontvouwt), betrekt Daniël een appartement in een middeleeuws stadje in Toscane. Hij maakt kennis met verschillende mensen die de auteur Alle Waterink gekend hebben. Te beginnen bij Andrea, eigenaar van de enige boekwinkel in het stadje. Hij verwijst Daniël door naar zijn jeugdvriend Federico, die in nauw contact staat met Alle Waterink. Met behulp van Federico vindt er een ontmoeting plaats tussen Daniël en de, zo blijkt, terminaal zieke Alle Waterink.
Melissen toont zich beslist thuis in de literaire wereld, maar een teveel vertoon van die kennis werkt storend. De stigmatiserende beeldvorming die hij gebruikt, is dwingend. Zoals de ‘Armani’ spijkerbroek die Daniël draagt en het ‘Armanipak’ dat de verhuurder van het appartement in Toscane juist ‘niet’ draagt. En wanneer Daniël in zijn Toscaanse appartement de virtuele novelle (te vaak als ‘het boekje waar alles mee begonnen was’ betitelt) midden op de keukentafel legt, moet de lezer dit als volgt zien: ‘Het was een mooi gezicht in plaats van borden en pannen, boeken en papieren op een keukentafel’. Maar een lezer laat zich niet dwingen, die wil meegevoerd worden. En dat lukt Melissen maar amper, buiten de couleur locale beschrijvingen, krijgt hij je als lezer niet echt mee. Het altijd terugkerende Moleskineboekje lijkt alleen een aanleiding om Hemingway en Chatwin als literaire boegbeelden in deze roman te laten figureren. Zij gingen volgens de tekst op de wikkel van het notitieboekje en door de auteur geciteerd: ‘nooit zonder een dergelijk boekje op stap’.
Dit alles geeft de indruk dat de auteur de lezer flink onderschat. En ondertussen vraagt Daniël zich af: ‘Beantwoordde ik aan het beeld van een schrijver?’
Aldus een bildungsroman, waarin niet gezocht wordt naar de waarheid in het leven maar naar de schrijver in zichzelf. Een zoektocht waar met moeite vat op te krijgen is door de detaillistische schrijfstijl die doet vermoeden dat er meer in het verhaal zit dan bij eerste lezing naar voren komt maar niet echt los wil komen. Jeroen Brouwers ‘Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt’ speelt daarbij stevig door het hoofd. Er vinden vele ontmoetingen plaats maar Daniël verbindt zich met niemand. Hij vermijdt de jeugd in het Toscaanse stadje, ontvlucht Federico wanneer deze toenadering tot hem zoekt en aan het bed van Alle Waterink weet hij geen woord te zeggen en doen veelbelovende zinnen als: ‘Ergens in dit landschap woonde de schilder die niet wist dat ik naar hem op weg was’, pathetisch aan.
De ontmoeting met Alle Waterink is een anticlimax; hij is niet de schrijver van de novelle en wie dat wel is, blijkt niet langer van belang te zijn. De opdracht die Daniël zich aan het begin van zijn onderneming stelt: ‘Het verslag in mijn rode Moleskineboekje zou een detective worden. Op de eerste pagina werd niet een lijk gevonden, maar een novelle die nergens geregistreerd stond, (…). Ik ging de man opsporen die hier verantwoordelijk voor was’, geeft de indruk dat er een daadkrachtige zoektocht op touw wordt gezet maar niets blijkt minder waar.
Maar de verrassing zit in het staartje. Wanneer Daniël zijn zoektocht afsluit met een bezoek aan Rome om een vriend uit Nederland te ontmoeten, gebeurt er in iets meer dan een halve pagina meer met Daniël dan in heel het voorgaande. Met terugwerkende kracht komt het verhaal in beweging. De suggestie wordt gewekt dat het boek niet het boek is dat je denkt gelezen te hebben. Dat boek zal nog geschreven worden door Titus, alias Daniël van Duren. Want Daniël overweegt te verdwijnen. ‘Onder andere namen verder gaan. Altijd vijfentwintig blijven.’ De leeftijd waarop Dorian Hope, personage uit het tweede deel van de novelle Een tuin in Toscane, verdwenen was. En niet te vergeten Keats, die in Rome stierf.
Zoals in Nabokovs The Real Life of Sebastian Knight, waarin twee romanpersonages, uit de roman en de virtuele roman, één worden. Met deze, in een mooie passage beschreven wens van Daniël om op te gaan in een verhaalpersonage, lijkt het boek te worden gered en is het tevens een uitnodiging om de roman nogmaals te lezen. Zoals ook Daniël de virtuele novelle meerdere malen herlezen heeft om de intenties van de novelle te bevatten, wordt erop aangestuurd dat dit ook gebeurt met Een kamer in Rome. Maar daartoe is het vlakke karakter van Daniël net niet uitnodigend genoeg.