• Meer, meer!!!

    Meer, meer!!!

    In ENZ. doet de filosoof Simon(e) van Saarloos verslag van haar bevindingen en gevoelens over de bekende ‘minder, minder!’- rechtszaak tegen Geert Wilders. De titel verwijst naar het verkiezingsprogramma van de PVV, dat, passend op één A-4tje, eindigt met ‘enz.’ ‘Als ik naar het proces ga kijken, snap ik het’, schrijft zij, al vermoedt zij tegelijkertijd dat ‘het’ niet bestaat. In haar verlangen spiegelt zij zich vooral aan Hannah Arendt, die een soortgelijk verlangen koesterde tijdens het proces tegen de ‘Schreibtischmörderer‘ Adolf Eichmann. In dit opzicht durft zij dus nogal grote schoenen aan te trekken.

    ‘Ik wil een huid, een stem die zegt dat het ook anders kan’
    Voorafgaand aan het echte proces ligt er het verzoek van de advocaat van Wilders, Geert-Jan Knoops, tot wraking van rechter Eliane van Rens. Haar vooringenomenheid zou blijken uit het feit dat zij, volgens Wilders, gekant is tegen het uitzetten van illegalen. Tijdens haar verweer ontkent zij deze aantijging en zegt zij illegalen wel degelijk te bestraffen ‘omdat de wet nu eenmaal is zoals ze is’, maar dat zij twijfelt aan de zin van de straf, namelijk vastzetting tot uitzetting, omdat daardoor het probleem, dat er geen land is waar zij heen kunnen, niet wordt opgelost.

    Ondanks haar sympathie voor Van Rens bespeurt Van Saarloos in deze opvatting toch ‘een vorm van overgave die zij nooit hoopt en wenst te kennen’. Hier raakt zij aan de kern van haar boek. Zij deelt de opvatting van advocaat Sluiter: ‘Dit is geen proces tegen de vrijheid van meningsuiting, maar een strafproces tegen het kwaad dat discriminatie heet.’ Het protocollaire, formele karakter van de rechtszitting waarin OM en advocaten elkaar bestrijden met dezelfde wapens in een kakofonie van jurisprudentie, rechtsfilosofische beschouwingen en zogenaamd objectieve statistische gegevens, kan, in haar ogen, nooit werkelijk leiden tot een juiste beoordeling van dat kwaad. Hoewel een onbevooroordeelde rechtsgang natuurlijk gebaat is bij formele procedures, is de gang van zaken, in haar ogen, los-gezongen van de maatschappelijke werkelijkheid. De vraag is natuurlijk in hoeverre het recht een middel kan zijn in de bestrijding van discriminatie. Hierin schuilt dan ook een verklaring voor het feit dat Van Saarloos, na veel aarzeling, uiteindelijk toch besloot het aangifteformulier tegen Geert Wilders niet te ondertekenen.

    Voortdurend botst Van Saarloos met het juridische karakter van de zaak. Zij wil ‘begrijpen’ net als Hannah Arendt dat wil. Aanvankelijk probeert zij, in haar streven ’te begrijpen’, zoveel mogelijk aantekeningen te maken tot zij de zinloosheid hiervan inziet: niemand doet dat aangezien de teksten later integraal publiek verkrijgbaar blijken te zijn. Iedereen lijkt zich te vervelen tijdens de rechtszitting, alsof dat zo hoort. Zij krijgt zin de orde te verstoren en dingen te gaan roepen, maar doet dat niet. In plaats daarvan krijgt zij een rood hoofd als haar mobiele telefoon per ongeluk afgaat tijdens de zitting. Zij voegt zich. Vervolgens bestudeert zij alle deelnemers aan het proces, advocaten, OM, journalisten, rechters en Wilders zelf natuurlijk, in de overtuiging dat al deze mensen invloed hebben op de uiteindelijke afloop van het proces. Wat zal er in hen omgaan? Wat zijn dat voor mensen? Dit projecteert zij ook op zichzelf. Zij neemt haar liefdesleven onder de loep, evenals haar lichamelijk welbevinden. Het gedrag van iemand wordt toch door al dit soort zaken bepaald? ‘Dit proces heeft behoefte aan een dringend lijf. ……………. Ik heb daar althans behoefte aan. …….. Ik wil een huid, een stem die zegt dat het ook anders kan.’ Dit vervat zij indringend in haar credo (blz. 213/214): ‘Vanaf dag één vrees ik vooral mijn eigen aanwezigheid in de zaal…………..’

    Het fenomeen Wilders
    Om ’te begrijpen’ reist zij zelfs af naar Israël om een bezoek te brengen aan de kibboets Tomer waar Wilders ooit gewerkt heeft en tracht zij in zijn huid te kruipen door later, vermomd als Geert Wilders, met bodyguard en al naar het carnaval in Venlo te gaan, de geboortestad van Wilders. Het boek krijgt daardoor het karakter van een zeer persoonlijke zoektocht, niet alleen naar Geert Wilders en alles waarvoor hij staat, maar ook naar Simon(e) van Saarloos zelf. Als actief feministe is zij in diezelfde tijd, zowel als schrijver en als acteur, betrokken bij de geëngageerde theatervoorstelling Holy F waarmee zij door het land trekt. Deze activistische benadering speelt ook door in haar politieke en filosofische duiding van het fenomeen Wilders. Zo trekt zij een parallel met ontwikkelingen in het bedrijfsleven waarbij het steeds minder gaat om bedrijven die iets produceren, maar veel meer om bedrijven die niets produceren, maar alleen data verzamelen, zoals Google en Facebook. Zij bieden een platform waar niemand omheen kan en krijgen zo macht in de vorm van een monopolie. Zo zou ook Wilders een platform bieden voor iedereen die een vorm van maatschappelijk ongenoegen voelt en zo een politiek monopolie vormen. Het platform hoeft geen oplossingen aan te dragen en verantwoordelijkheid te nemen. Het verzamelt slechts stemmen en dus macht. Ook andere partijen kunnen uiteindelijk niet om dit platform heen. Dit geldt niet alleen voor politieke partijen, maar ook voor andere maatschappelijke groepen zoals de rechterlijke macht en de media.

    Dit soort analyses maken het boek buitengewoon interessant en is voor een ieder die de ontwikkelingen in de huidige samenleving wil ‘begrijpen’ aan absolute aanrader. In literaire zin biedt het genoeg stof voor het schrijven van een thrillerachtig politiek drama in de trant van Tom Wolfe en lijkt het als het ware te roepen om: ‘Meer, meer!!!!.

     

     

  • Pleidooi voor intellectuele vrijheid voor vrouwen

    Pleidooi voor intellectuele vrijheid voor vrouwen

    De eersteling van uitgeverij Chaos betreft een nieuwe vertaling van Virginia Woolfs A Room of One’s Own uit 1929 met als toegevoegde waarde een briefwisseling tussen Simon(e) van Saarloos en Gloria Wekker. Een jonge generatie feminisme en postkoloniaal denken als opstapje naar Woolfs bekendste feministische werk. Een gedurfde aftrap.

    De vertaling van Monique ter Berg, hier genaamd Een kamer voor jezelf, leest prettig, maar is niet heel erg opzienbarend. Eerlijk gezegd klinkt een vertaald essay van Virginia Woolf in het Nederlands nogal stijfjes. Maar je kunt een vertaler daar moeilijk de schuld van geven, want Woolfs stijl is er een van melodie en ritme die vastligt in het Engels. In vertaling doen Woolfs zorgvuldig gekozen woorden en uitgerekte zinnen denken aan de stem van Anna Blaman of Maria Dermoût. De vertaling laat Woolfs stem in haar waarde. De rebelse dochter uit Londen klinkt eerder als een rebellerende dame uit Wassenaar. Ook prima.

    Woolfs essay ligt voor een groot gedeelte vastgeklonken in het Engeland van het interbellum. De nasleep van de Eerste Wereldoorlog, de eerste feministische golf, het begin van de verbrokkeling van ‘the empire’, nieuwe ideeën over een socialistische maatschappij – het is niet expliciet aanwezig, maar het is wel de achtergrond waartegen Woolfs pleidooi is geschreven. Eindelijk mogen vrouwen kiezen, studeren en werken, en daarmee zichzelf ontwikkelen, maar waarom gebruiken ze die vrijheid dan niet? Woolfs analyse draait in concentrische cirkels rondom haar conclusie: vrouwen zitten te veel vast in denkpatronen die door mannen zijn geschapen. Tijd om daar uit te stappen!

    Woolf stelt iets voor waar ze ongenadig op is teruggepakt door de decennia heen: met een inkomen van vijfhonderd pond per jaar kan een vrouw een kamer huren om daar zelf na te denken, te schrijven, een taal te vinden voor haarzelf. Een ruimte voor intellectuele ontplooiing, een ruimte zonder mannen. Die vijfhonderd pond is Woolf altijd blijven achtervolgen, want Woolf heeft makkelijk praten. Zij heeft als jonge vrouw een leuke erfenis ontvangen van een tante uit de koloniën.  De meeste vrouwen uit haar tijd hebben geen mogelijkheden om vijfhonderd pond te verdienen in een jaar en dat ook nog eens te besteden aan alleen zichzelf.

    De introducerende brieven van Saarloos en Wekker voegen minder toe dan ze op het eerste gezicht lijken te doen. Saarloos’ brief aan Wekker werkt vooral claustrofobisch met haar beschrijvingen van ruimtes, en soms zelfs van ruimtes in ruimtes. In haar brief stapt ze over van ruimte naar ruimte, wat ze lijkt te willen onderstrepen met de claim ‘Ik ben een danser’. Haar brief zou over Een kamer voor jezelf moeten gaan, maar ze lijkt eerdere de begrenzende functie van kamers te willen onderzoeken. Woolfs werk wordt hier en daar aangestipt, maar het gaat vooral over Simon(e) van Saarloos.

    Gloria Wekkers brief gaat eerst nog over haar eigen ervaring van het hebben van een eigen kamer, die min of meer in het verlengde ligt van hoe Saarloos het ervaart. Maar dan legt Wekker als snel de vinger op de zere, economische plek in Woolfs essay. Die erfenis van Woolf is geld dat in India is verdiend – een (post)koloniale nalatenschap die Woolf niet vermeldt als zodanig.
    Op basis van wat Woolf ergens anders in Een kamer voor jezelf zegt over zwarte vrouwen kan Wekker niet anders dan concluderen dat Woolf zoals veel andere schrijvers haar ogen sluit voor koloniale uitsluiting en onderdrukking. Een kamer voor jezelf is in hoge mate een wit essay.

    Woolfs minder verhulde antisemitische trekjes hebben al eerder aandacht gekregen. Doris Lessing, die in 2005 de introductie schreef voor de verzameling korte essays Carlyle’s House was er al snel klaar mee. Een van de verhalen, met de onthullende titel Jews, noemt ze een ‘unpleasant piece of writing’. Maar hier wordt het ook interessant. Virginia Woolf was samen met haar man en vrienden ook geïnteresseerd in socialisme, waren antifascistisch en uiteindelijk stond het echtpaar Woolf ook op een zwarte lijst van de nazi’s. Daarom schrijft Lessing ook: ‘It is always instructive to see what earthly crudities a writer has refined into balance – into maturity.’

    Wekker en Saarloos zijn meer geïnteresseerd in hun eigen positie en leeservaring dan in Virginia Woolf en beschouwen Een kamer voor jezelf als een op zichzelf staand moment. Dat past ook in de huidige debatten rondom canonisering en geschiedenis. Het is echter ronduit jammer dat Wekker haar brief afsluit met: ‘En laten we ervoor zorgen dat onze analyses omvattender en complexer zijn dan die van Virginia Woolf konden zijn.’ Het is niet de meest motiverende slotzin. Na Wekkers brief wordt de lezer in ieder geval gedwongen om zich (opnieuw) te positioneren ten opzichte van deze feministische klassieker.

    Virginia Woolf was een gecompliceerde schrijfster die zelf soms twijfelde over elk woord dat ze schreef, omdat ze ook geloofde in de kracht van het woord. Ze hield hartstochtelijk van discussie en daagde graag uit. ‘Er zullen leugens van mijn lippen vloeien, maar misschien gaan ze gepaard met enige waarheid; het is aan u om die waarheid op te sporen en te beslissen of ze het bewaren waard is. Zo niet, dan gooit u de hele boel maar in de prullenmand en vergeet het verder’ schrijft Virginia Woolf gedurfd in het begin van haar essay. Na bijna een eeuw is dat nog steeds een van de moedigste uitnodigingen om te gaan lezen.

     

  • Oogst week 12

    Zabor

    Met Moussa of de dood van een Arabier maakte Kamel Daoud in 2015 een daverend debuut in de literatuur. De roman borduurt voort op De vreemdeling van Albert Camus door zijn broer Haroen te laten reflecteren op de in zijn ogen zinloze dood van de naamloos gebleven Arabier.
    Daoud, van origine journalist, voelde zich gedwongen voor de literatuur te kiezen nadat hij vanwege opiniërende stukken over de aard van de islam voor islamofoob werd uitgemaakt en van koloniaal paternalisme beschuldigd.

    In zijn tweede roman Zabor bekent Kamel Daoud zich thematisch opnieuw tot de literatuur. Dit keer laat hij zijn personage Zabor, een jonge Algerijnse halfwees, boeken lezen en via die boeken toegang krijgen tot het leven. Hij laat hem ook schrijven, en al schrijvende is Zabor in staat de dood een loer te draaien. Een gave die van pas komt als hij aan het sterfbed van zijn vader zit. Zijn vader die hem verstoten heeft.

    Volgens de islam is de Zabor een van de heilige boeken die vóór de Koran zijn geopenbaard. Het wordt vaak gelijkgesteld met de Psalmen

    Zabor
    Auteur: Kamel Daoud
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Aardbei en chocola

    Het verhaal El lobo, el bosque y el hombre nuevo (De wolf, het bos en de nieuwe mens) van Senel Paz geniet grote bekendheid dankzij de verfilming als Fresia y chocolate (Aardbei en chocola) door Tomás Gutiérrez Alea en Juan Carlos Tabío. Het is het verhaal van twee mannen die een vorm van vriendschap onderhouden, die bepaald wordt door wat er kan en mag in het Cuba van Fidel Castro. Paz schreef het verhaal over twee mannen die in niets op elkaar lijken – Diego is een van het leven en de van kunst en literatuur genietende homoseksueel, David een jongen die het communistische regime aanhangt – in 1991.
    Diego ziet zich uiteindelijk genoodzaakt het land te verlaten. Aardbei en chocola, vertaald door Pieter Lamberts, is Davids kant van een  verhaal waarin argwaan omslaat in dankbaarheid.

    In 1994 verscheen het verhaal in de vertaling van Peter Venmans onder de titel De wolf, het bos en de nieuwe mens in het tijdschrift Yang.

    Aardbei en chocola
    Auteur: Senel Paz
    Uitgeverij: Zirimiri Press

    Na Mattias

    In Na Mattias van Peter Zantingh komen tien personen aan het woord die direct of indirect iets met Mattias te maken hadden. Dat Mattias dood is, is vanaf de eerste bladzijde duidelijk. Wat hem is overkomen niet. Dat gaat de lezer na verloop van tijd vermoeden. Zoals ook gaandeweg duidelijk wordt hoe de onderlinge verhoudingen liggen. En die zijn vaak veel minder hecht dan de constructie van de roman doet vermoeden.

    Na Mattias
    draait minder om Mattias dan de titel suggereert. Peter Zantingh portretteert tien personages die een eigen leven hebben. Zantingh kiest hun bezigheden zo dat ze bijdragen aan de hedendaagsheid van Na Mattias. Dat strookt niet altijd met het onderwerp rouw, dat overigens niet het overheersende thema van de roman is.

    Na Mattias
    Auteur: Peter Zantingh
    Uitgeverij: Das Mag Uitgeverij B.V.

    Een kamer voor jezelf : essay

    Uitgeverij Chaos debuteert met A Room of One’s Own (1929) van Virginia Woolf dat in 1958 voor het laatst in het Nederlands werd vertaald. In haar essay over vrouwen en fictie onderzoekt Virginia Woolf de oorzaak van het ondervertegenwoordigd zijn van vrouwelijke auteurs.

    Een kamer voor jezelf – vertaald door Monique ter Berg – wordt voorafgegaan door een briefwisseling tussen Simon(e) van Saarloos en Gloria Wekker die de voorwaarden die het volgens Viriginia Woolf voor vrouwen mogelijk maakten om fictie te schrijven – ‘een kamer voor jezelf’ en een jaarinkomen van vijfhonderd pond – in hun (culturele) context plaatsen. Dan blijkt Woolf als het om klasse en kolonialisme gaat met oogkleppen op te hebben gekeken. Ook de noodzaak om in afzondering te kunnen werken, wordt niet (meer) gedeeld.

    A Room of One’s Own / Een kamer voor jezelf herlezen in de huidige tijd mag dan manco’s aan het licht brengen. Het boek blijft een klassieker vanwege de welsprekende wijze waarop Virginia Woolf een kwestie aankaartte.

    Een kamer voor jezelf : essay
    Auteur: Virginia Woolf
    Uitgeverij: Uitgeverij Chaos
  • Een week lang feest

    Spui25, genoemd naar het pand bij de Amsterdamse boekenmarkt en het Maagdenhuis waarin het academisch-culturele podium is gehuisvest, bestaat tien jaar. Dat wordt een week lang met allerlei activiteiten gevierd.
    De aftrap was vrijdag 15 september met een opfriscursus over het werk van Jeanette Winterson en de start van het nieuwe seizoen met de Spui25-lezing door Winterson zelf, een paar deuren verder in de Aula van de Lutherse Kerk. De afsluiting is 22 september met een overigens al volgeboekt gesprek tussen Orhan Pamuk en Abdelkader Benali. De opfriscursus werd gemodereerd door Fiep van Bodegom, bekend van onder meer De Gids en De Groene Amsterdammer. Moderator van de lezing was Simone van Saarloos. Omdat de Nederlandse vertaling van de volledige lezing van Winterson de komende week in De Groene zal worden gepubliceerd, worden hier wat thema’s aangestipt die zowel in de opfriscursus als in de lezing aan bod kwamen.

    Verhalen vertellen
    De eerste spreker tijdens het middagprogramma, Maarten Polman, die zes boeken van Winterson vertaalde, begon zijn inleiding aan de hand van Wintersons Vuurtorenwachter (2004) met het schetsen van de thema’s in haar werk. Een daarvan, verhalen vertellen, is in genoemde roman nadrukkelijk aanwezig omdat de vuurtorenwachter leefde bij het vertellen van verhalen.
    Winterson kwam hier ook mee toen zij zich in haar lezing afvroeg wat het is om mens te zijn. De mens, zei ze, ontwikkelde kunst, de taal en vertelde de ander verhalen bij het haardvuur. Het is een vorm van creativiteit die je met alle robotisering om ons heen niet kunt kopiëren. Het verbindt ons met het verleden, waardoor we nog steeds in gesprek kunnen zijn met een dode schrijver als Shakespeare, haar held, wiens The Winter’s Tale ze bewerkte tot Het gat in de tijd (2015).

    Kunst
    Kunst is volgens Winterson een plaats om in te leven, virtual reality. Maar wat op het toneel gebeurt, is echt, is waar. Winterson geeft niets om experience, een belevenis, maar om intensiteit.
    Joyce Goggin, de tweede inleider van de middag en universitair hoofddocent aan de Universiteit van Amsterdam, benoemde het op een soortgelijke manier: in het werk van Winterson zit vaak een open plek, een ruimte tussen binaire opposities als man-vrouw, zwart-wit, binnen-buiten. Hierin kan, stelde zij met de filosoof Hans Gadamer, betekenis worden gecreëerd. De plaats die Winterson benoemde, de lege plek waar Goggin het over had, is een vrijplaats waar je volgens Winterson voor moet vechten.

    Verbinding
    Fiep van Bodegom vroeg in het tafelgesprek en het gesprek met de zaal dat bij Spui25 altijd volgt op een of meerdere inleidingen, hoe de inleiders zich tot het werk van Winterson aangetrokken voelden. Goggin antwoordde het gevoel te hebben dat ‘ze in mijn hoofd kijkt, altijd bij me is.’ Polman kroop als vertaler in haar boeken en zo kwam zij bij hem binnen.
    Winterson begon haar lezing, nadat Lou Reeds Perfect day was gedraaid, over pure vreugde, zowel cognitief als fysiek (ook hier was de oppositie opgeheven), die je kunt ervaren in muziek, in een kus op de brug, in lezen. Er vindt een verbinding plaats met jezelf, het is leven meer dan in louter biologische zin en van haar zou je het tot op zekere hoogte religieus mogen noemen.

    Ontwikkeling
    Een interessante vraag tijdens het middagprogramma kwam uit de zaal, van biograaf, publicist en begeleider van promovendi Maaike Meijer. Zij vroeg zich af of er een ontwikkeling kan worden geconstateerd in het werk van Winterson. Polman stelde dat de vondeling die Winterson is, inmiddels haar biologische moeder heeft ontmoet, zodat dit thema (het zoeken naar identiteit) volgens hem is afgesloten. Hij vroeg zich in alle eerlijkheid af hoe het nu verder moet. Goggin zag de ontwikkeling vooral in de veelzijdigheid van Wintersons oeuvre: romans, brievenromans, essays, science fiction. De conclusie was dat ze elke keer weer verrast met een boek op hoog niveau.
    De schrijfster zelf kwam aan het eind van haar met plezier gebrachte lezing voor een grotendeels uit vrouwen bestaand publiek in wezen ook met een antwoord, in de woorden van Miranda uit Shakespeares The Tempest:

    Oh wonder!
    How many goodly creatures are there here!
    How beauteous mankind is! O brave new world,
    That has such people in it!

    In het interview met Van Saarloos zei Winterson voorts nog dat je niet kunt verwachten dat de wereld verandert, als je zelf niet kunt veranderen. Er klonk iets van de radicaliteit in door die Polman al had aangegeven. Zo kennen we haar en zo is het goed.

     

    foto: Yve du Bois

     

     

  • Wintertuinfestival Nijmegen over Hoop!

    Wintertuinfestival Nijmegen over Hoop!

    ‘Hoe kun je optimistisch zijn in een tijd die niet gekenmerkt wordt door optimisme?’ twitterde de Amerikaanse schrijfster A.M. Homes in reactie op critici die verbaasd waren omdat ze haar roman een keihard happy-end had gegeven.

    Tijdens het Wintertuinfestival, dat over vier dagen en verschillende locaties in Nijmegen verspreid is, staat deze vraag centraal. Tientallen schrijvers, dichters, wetenschappers, muzikanten en kunstenaars gaan in op het thema Hoop. Hoe staat het met het engagement in de literatuur en kan de literatuur hoop bieden als antwoord op de cynische wereld waarin we leven? In vier dagen tijd zijn er op allerlei locaties in Nijmegen activiteiten te vinden: van een campusdag tot Autoloze zondag en van een bomvolle festivalavond in Doornroosje tot de presentatie van de vier nieuwe chapbooks. De line up liegt er niet om met onder meer Toon Tellegen, Dominee Gremdaat, Tommy Wieringa, Bas Heijne, Kader Abdolah, Simone van Saarloos, Saskia de Coster en talloze aanstormende talenten reizen het laatste weekend van november af naar Nijmegen.

    Het festival opent met een symposium en college op de campus van de Radboud Universiteit door A.H.J. Dautzenberg. Deze schrijver en oproerkraaier zal de hemelbestormers in de Nederlandstalige literatuur in een bomvol programma met opruiende schrijvers, muzikanten en theatermakers en hun bewonderaars bezingen. Als finale wordt de door hem samengestelde bloemlezing Vuur!, over bezieling en betrokkenheid in de Nederlandse letteren, gepresenteerd.
    Dominee Gremdaat wijst in een unieke gastcollege de luisteraar de weg met een speciaal voor dit festival geschreven rede. In de tweede helft van het college vindt er een nagesprek plaats met acteur, cabaretier en theatermaker Paul Haenen.

    Op de laatste dag van het festival, Autoloze zondag zullen schrijvers het achterste van hun tong laten zien in de frisse talkshow onder leiding van Hanneke Hendrix en Jaap Robben.

    Een special editie van Autoloze zondag zal geheel in het teken staan van de Amerikaanse schrijver John Fante. Vertoond wordt er de documentaire Against a perfect sky en de presentatoren (en grote fans van Fante) Hanneke Hendrix en Jaap Robben gaan met Jasper Henderson (een van de makers van de docu) en Fante-fan Henk van Straten in gesprek.

    Klik hier  voor meer informatie over het festival.