• Recensie ‘Gerardje, notities van een Reve-liefhebber’ – Theodor Holman

    Het lijkt de laatste tijd iets stiller geworden rond Gerard Reve, de in 2006 overleden volksschrijver, zoals hij zichzelf graag noemde. Deze stilte zal echter in het najaar worden doorbroken door een vuistdikke biografie van Nop Maas. In de tussentijd mogen we genoegen nemen met dit boek van Theodor Holman, die zich al jaren fan noemt van Reve. Holman ontmoette Reve eenmaal en zag hem nog een aantal malen optreden. Dat is jammer, want de ontmoeting waar het boek mee begint is op z’n zachtst curieus. Er wordt veel gezopen zoals bijna altijd in het gezelschap van Reve maar er worden ook stevige noten gekraakt. Over politiek wordt gesproken, literatuur, pornografie en Schopenhauer. De volgende ochtend vertelt ome Gerard aan Theodoortje een heus sprookje, terwijl ze samen in de slaapkamer op bed liggen. Joop Schafthuizen, de laatste levensgezel van Reve houdt een oogje in het zeil.

    Vlak voor het afscheid dreigt het dan toch nog mis te gaan, wanneer Holman zegt: “Tegen mij heeft Karel gezegd dat hij nog van je houdt.” Gedoeld wordt op Karel van de Reve, de broer van Gerard, waarmee de markies al jarenlang in onvrede leeft. Reve antwoordt: “Nou zeg dan maar tegen hem dat ik hem haat. En dat ik bid voor zijn dood. Misschien knapt hij daarvan op! En als hij niet voortmaakt, dan kom ik met een ijzeren knuppel en dan sla ik zijn kop in, al moet ik er levenslang voor naar de gevangenis…Hij is erger dan mijn vader was. Mijn vader was een bruut.” Of Holman de boodschap daadwerkelijk heeft overgebracht wordt niet vermeld. Ik betwijfel het. Het is meteen het meest interessante gedeelte van het boek.

    Holman werpt in dit boek een aantal werkvragen op: Waarom werd Reve katholiek, terwijl hij toch op dat geloof zat te schelden? Was hij eigenlijk al homo toen hij getrouwd was? Hoe heeft hij zijn stijl ontwikkeld? Heeft de oorlog invloed op Gerardje gehad? Was Gerard eigenlijk niet te burgerlijk om romantisch-decadent te zijn? Had hij ook vriendinnetjes? Wat was de invloed van zijn vader, die ook schrijver was? En van zijn moeder? Is het niet ironisch, dat Mulisch hem zijn ironie verweet?

    Om bij de laatste vraag te beginnen: Reve had een onwaarschijnlijke hekel aan Mulisch. In een van zijn (gefingeerde-) gesprekken met de Majesteit (Juliana?) stelt Reve: “Het werk van Mullis is vullis, majesteit, maar dat van Reve is het echte leven.” Minder leuk is de passage: “Zelf is hij een bastaard, door een alpineus goro goro tiepe, dat jaren lang in de gevangenis heeft gezeten, bij een Jeminitische water & vuur vrouw verwekt. Bij vermenigvuldiging komen de slechtste eigenschappen van de paarders op de voorgrond, dat is bekend. Het muildier is onvruchtbaar.” De ‘bastaard’ (een term direct geleend van nazi-propagandaleider Julius Streicher) is Harry Mulisch.

    Mulisch komt met een weloverwogen antwoord ? door Holman niet begrepen ? waarin hij stelt dat de ironie van Reve verhult wat hij eigenlijk wil zeggen, en dat uiteindelijk na het wegnemen van het masker van diezelfde ironie, de naakte waarheid overblijft. Reve gebruikt zijn ironie dus gewoon als dekmantel. Het grootste gevaar van ironie! Dat is overigens ook een stelling van de door Reve zo bewonderde Schopenhauer (Of had hij hem nooit gelezen?). Achter de dekmantel loert in Reve’s geval: racisme. Reve heeft zich in die tijd op niet mis te verstane manier denigrerend uitgelaten over ‘zwarten’ maar neemt dat later terug. “Alle koffiebonen in de Jumbojet en opblazen de boel!”

    Wat verder opvalt, is dat hij eigenlijk met de grote schrijvers uit zijn tijd in een voortdurende staat van oorlog en nijd leeft. Met Hermans raakt hij na een bloedeloze correspondentie gebrouilleerd. (…) “Achter de naam Age Bijkaart (nomen est omen) verschuilt zich om een of andere laffe reden de Nederlandse schrijver W.F.Hermans, broer van de minder dan middelmatige verrekijkkomiek Toon Hermans. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan.”

    Jan Wolkers scheldt hij uit en Mulisch haat hij. Over Simon Vinkenoog meldt hij: “Ik had hem moeten doodslaan, want hij heeft tienduizenden drugsdoden op zijn geweten.” (Dat citaat is uit het boek weggelaten). En ook ex-vriend en tijdelijk uitgever Johan Polak is in ongenade gevallen. “Waarde Johan. Ik zou het liefst willen, dat je niet op de avond in de Allerheiligste Hart kerk kwam, maar met een van je beroepsurningen elders in de stad de avond doorbracht. Mijn waarschuwing terzake Reptiel Rogier is gemeend. Ik zal op hem inranselen, en hem zo mogelijk doden. Jij hebt nooit iets begrepen, en zult ook nooit iets begrijpen. Dat hindert ook niets, als jij me maar, voorgoed, tot mijn Dood, met vrede laat.” Ironie? Ook Josine Meijer, waarmee hij zijn diepe zielenroerselen deelde kan later geen goed meer doen, daarover schrijft hij later: “Zo’n Josine Meijer bijvoorbeeld, dat vond ik altijd een klein etterwijfie, daar hoeft geen correspondentie van te worden bewaard.”

    Geert van Oorschot, die ook een optrekje heeft in de buurt van Poet Laval in Frankrijk waar Reve resideert, ontwijkt hij. Hij weet dat Van Oorschot hem groot heeft gemaakt en dat hij hem nu in de steek laat voor een andere uitgever. En over Joop den Uyl zou Reve gezegd hebben, volgens Paul van ’t Veer in Het Parool: “Een vieze kale uilebal!” “Dat vieze verzint hij,”schrijft Reve later, “ik heb de door God over ons gestelde minister-president nimmer vies genoemd.” De lijst van vijanden groeit, vrienden blijven er weinig meer over.

    En zo heeft hij uiteindelijk alleen nog Carmiggelt over, een alcoholist in ruste ? Reve probeerde dat te worden ? een burgerman, maar vooral erg ongevaarlijk in z’n meningen over politiek en maatschappij. Bovendien een middelmatig schrijver. We komen ze tegen in een nummer van het blad Hollands Diep waarin de heren in de tuin van Carmiggelt gezeten een ‘bammetje’ eten. Niets aan de handa dus, zoals Reve wel eens uitriep. Gezapigheid van het ergste soort. De vraag van Holman of Gerard eigenlijk niet te burgerlijk was om decadent-romantisch te kunnen zijn, wordt hiermee positief beantwoord. Gerard was een versluierde burgerturf.

    Het moge inmiddels duidelijk zijn dat deze recensent niet erg gecharmeerd is geraakt van het ‘ karakter Reve.’ Dat is waarschijnlijk nooit de bedoeling van Theodor Holman geweest. Maar hij schildert Reve als een rabiate verslaafde aan drank en pillen, een onvermoeibare op seks beluste frustraat (Tijgertje, Jakhalsje, Woelrat, Reptiel Rogier, Matroos Vos, Schafthuizen, ze passeren de revue) en een wankelbeen op het gebied van politiek, godsdienst en homovrijmaking.
    Interessant is overigens dat de psychiater C.J.Schuurman door Reve wordt bewonderd. Deze Schuurman zou hem weer op de been hebben geholpen na een van zijn zoveelste instortingen. Holman drijft de spot met Schuurman omdat deze zijn penis heeft laten opereren en aan dezelfde ‘kwaal’ zou hebben geleden als Gerardje destijds in zijn huwelijk met Hanny Michaelis. Voor Hanny Michaelis blijft de deur van huize Reve overigens ook geopend.

    Of Reve al tijdens zijn huwelijk met Michaelis homo was, staat als een paal (sorry!) boven water. De schrijver Hans Plomp bezocht het echtpaar. Tijdens dat bezoek rukt Reve zich onder de tafel af omdat hij Hans zo’n ‘Adonis’ vindt. (niet opgenomen!). Het was in die tijd niets bijzonders wanneer homo’s getrouwd waren met een vrouw. Holman komt aan met vriendinnetjes van Reve, maar echt overtuigend klinkt dat niet.

    Een en ander wil echter niet zeggen dat Holman geen interessant en leesbaar boek heeft geschreven. Het leest als een trein en staat vol grappen en grollen, want gevoel voor humor had Gerardje zeker. Zijn onvermoeibare drang om te choqueren (de Ezel-affaire o.a.) komt voort uit een hang naar publiciteit. Reve was naast gefrustreerd ook nog ijdel. Dat hij zijn tijdsgewricht kon bespelen wordt ook duidelijk, maar een en ander doet nu af en toe hopeloos gedateerd en puberiel aan.

    Interessant is het hoofdstuk waarin Holman probeert te achterhalen waarom Reve zo’n persoonlijke stijl had ontwikkeld. Een stukje tekstanalyse waar we van smullen. Dat Carmiggelt een soort literaire leermeester is geweest van Reve durf ik echter te betwijfelen. Reve schreef wel eens een Kronkel als Simon Carmiggelt geen zin had. Kees van Kooten overigens ook. Zou Carmiggelt in de stijl van Reve hebben kunnen schrijven? Wel waren in de jaren ’60 en ’70 de epigonen van Reve talrijk. Zijn stijl werd met graagte nagedaan. Was uniek. Zo schrijft auteur Bob den Uyl later: “Het heeft me jaren gekost om van de Reve-stijl los te komen!” En Heere Heeresma schrijft met zijn Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp een antwoord op De avonden.

    De gedachte dringt zich op dat de schrijfstijl en droge humor van Reve meer sporen hebben achtergelaten dan zijn daden. Denk aan de programma’s van Wim T. Schippers of Jiskefet. Is zijn leven daarentegen wel zo interessant geweest? Gelukkig wordt ook het toneelwerk van Reve door Holman kort belicht en dat is nodig omdat het in de vergetelheid was geraakt. Verder zien we Reve in de oorlog aan de gang gaan (met trieste gevolgen!) en komen erachter dat het meesterwerk De avonden maar zeer gedeeltelijk autobiografisch was. Zijn Engelse avontuur wordt een deceptie.
    Het maakt het boek van Holman tot een prachtige opwarmer voor het echte werk en hij heeft ook nooit de pretentie gehad een volwaardige biografie te schrijven. Mooi voor scholieren om kennis te maken met de volksschrijver. Deze recensent heeft inmiddels een hekel aan hem gekregen.

     

  • Simon Vinkenoog overleden (1928-2009)

    Schrijver Simon Vinkenoog is zondagochtend op 80-jarige leeftijd in zijn woonplaats Amsterdam overleden. Dat heeft zijn echtgenote, Edith Ringnalda, gemeld. Vinkenoog overleed om 01.40 uur in het het VU Ziekenhuis in Amsterdam, waar hij vrijdagavond was opgenomen na een hersenbloeding. Hierna raakte hij in coma. Bij het afscheid waren familie en vrienden aanwezig. ”Simon heeft een goed uiteinde beleefd”, aldus Ringnalda.

    De begrafenis van Vinkenoog heeft komende zaterdag plaats op begraafplaats St. Barbara in Amsterdam. Het publiek krijgt zaterdagmorgen de kans om afscheid te nemen.

    Onbekende
    De keus voor St. Barbara was volgens de echtgenote van Vinkenoog vanzelfsprekend. ”Omdat Simon daar vijf keer dichter van dienst was bij de begrafenis van een onbekende”, aldus Ringnalda enkele uren voordat haar man stierf. ”Dat gebeurde daar zo mooi, zo liefdevol.”

    Vinkenoog werd geboren op 18 juli 1928 in Amsterdam. ”Hij zou volgende week 81 worden, hij was nog zo lief en levenslustig, maar het is ons niet gegeven”, aldus Ringnalda. Bij Vinkenoog werd onlangs een been geamputeerd.

    Dichter
    Vinkenoog is het meest bekend als dichter en prozaschrijver. Zijn eerste dichtbundel Wondkoorts verscheen in 1950. Sindsdien schreef hij meer dan dertig boeken.
    In 2004 werd hij benoemd tot dichter des Vaderlands. In 2008 schreef Vinkenoog nog een eerbetoon aan de stad Amsterdam: Amdam/madmaster.
    Ook stond Vinkenoog bekend ‘wietambassadeur’. In televisieprogramma’s en op foto’s was hij vaak te zien met een joint in zijn handen.

    Nieuwsgierig
    Vinkenoog zei ooit dat hij ”ontzettend nieuwsgierig was naar de dood”. ”Daarin worden alle sprookjes waar en na de dood zul je alles weten. Maar ik denk dat ik na de dood in de buurt van de aarde blijf hangen, want ik vind het enorm interessant hier”, aldus de auteur in een interview in 1975.

    Bron: (c) ANP

  • Publiek juicht terwijl gevestigde literaire orde de wenkbrouwen fronst

    Publiek juicht terwijl gevestigde literaire orde de wenkbrouwen fronst

    Dat Simon Vinkenoog (1928) de tachtig is gepasseerd is maar moeilijk voor te stellen. Hij treedt overal op, danst en swingt, dicht en zingt en lijkt nog immer alom aanwezig. Dat uitgeverij Nijgh &Van Ditmar nu met zijn verzamelde gedichten komt lijkt een eerbetoon aan deze performer/dichter.

    Vinkenoog organiseerde Poëzie in Carré in 1966, een inmiddels legendarische bijeenkomst met een keur aan dichters, die na een copieuze maaltijd optraden in het stampvolle theater. Namen als A.Roland Holst, Ed Hoornik, Bert Voeten, Jan Hanlo en Cees Noteboom waren van de partij maar ook toenmalige nieuwkomers als Jules Deelder (in bloemetjesoverhemd!) en Johnnie de Selfkicker. Het was voor het eerst dat dichters zo massaal optraden, er waren in die dagen weinig performing poets. Vinkenoog was de animator en presentator en het luidde een nieuw tijdperk in met poëten, die op padia klommen. Vinkenoog was een exponent van De Vijftigers, samen met Campert, Lucebert, Kouwenaar, Schierbeek e.a. Hij bracht Amerikaanse Beatdichters als Ginsberg en Corso naar Nederland. Maar hij weekte zich in de zestiger jaren los. Toen ontwikkelde hij zich als geëngageerd dichter en later als een experimentele poëet. Een onafhankelijke dichter zonder club of stroming met een eigen geluid. Dat leverde veel optredens op, maar ook veel kritiek van de gevestigde orde. Men verafschuwde de Bresredacteur, de kosmopoliet, LSD-gebruiker, Zen Boeddhist en hippie. Hij schreef bovendien controversiële romans met veel drugs, sex en jazz erin.

    Misschien raakte men de kluts kwijt -niet verwonderlijk – want wie de rubriek Wereld in Beweging uit Bres nog eens raadpleegt, wordt duizelig van de associaties. Vliegende schotels, complotten, voedsel, landbouw, literatuur worden in een bonte warreling opgedist met een eindeloze lijst van namen. Want Simon Vinkenoog was overal en nergens. Oude opnames van het VPRO programma Hoepla (1967) tonen Vinkenoog enerzijds in meditatie bij een Zen Meester en tijdens een andere opname danst Simon stoned rond op de klanken van The Soft Machine. Hij leefde toen vooral volgens de uitspraak van Shakespeare: “All this life is but a play, be Thou the joyfull player!”

    Nu liggen er de verzamelde gedichten van Vinkenoog, bijeengebracht door Joep Bremmers. Dat zal een heidens karwei zijn geweest, de bundeling telt maar liefst 1228 pagina’s! En dan ontbreken er nog diverse verzen. Zoals het destijds in tijdschrift Ruim verschenen gedicht: Nederlandse Beeldenroute. De officiële bundels zijn er zoals Wondkoorts, De heren Zeventien en Tweespraak bij grote uitgevers als De Bezige bij en Stols en deze rij uitgaven gaat tot diep in de jaren ’70 door, maar daarna lijkt de belangstelling te luwen en komt Vinkenoog bij kleinere uitgeverijen terecht of geeft in eigen beheer uit, maar treedt vooral veel op. Hierin lijkt zijn carrière op die van Hans Plomp, de Ruigoordridder, die onlangs 65 jaar werd en toegezongen door Simon Vinkenoog, die Ruigoord, de kunstenaarsenclave bij Amsterdam een zeer warm hart toedraagt. Hans Plomp scoorde in de zestiger jaren hoge ogen met o.a. Het Amsterdams Dodenboekje, maar werd later in de ban gedaan omdat hij koos voor Oosterse wijsbegeerte en andere spirituele stromen. Nu staat hij op podia in België en Nederland en vertegenwoordigt hij een bijna vergeten generatie.

    In 1950 verschijnt Wondkoorts met een klassiek gedicht genaamd Afrekening: ik was de haat/ de adem van de dood/en andere grote woorden/die aan dit jonggestorven leven/als vrachtgoed toebehoorden/(…) Zinnen, die door Achterberg geschreven hadden kunnen worden. En iets later in de jaren ’50 in Koopman geeft Vinkenoog zijn bedoelingen prijs met het woord : ik vent een vracht / vol woorden voor mij uit/ door lege zonbedoelde straten/(…).
    In 1952 verschijnt de cyclus Land zonder nacht opvallend zijn de grote symbolen waar Vinkenoog voor kiest: (…) ver als de horizon ben je/ in de glazen kist van het weer geborgen/ beukend op blikken deksels/ van het najaar / ik zie de bliksem langs je lichaam trillen/en de regen loopt onrustig door je ogen/(..)
    Maar vanaf 1953 treedt de taal van de Vijftigers in. Het protest, de onmacht. Het rijmen lijkt even verdwenen. Bitter: (…) Als een heerser over glasheelal/ zie ik dame zie ik bloed en schaatsenrijden/ op de Noorse ijzers van betekenis./(…)

    De bundel Gesproken Woord uit 1964 vormt een cesuur in Vinkenoogs werk. De bundel werd in eigen beheer uitgegeven, maar is later in een bundeling van de Bezige Bij nog wel opgenomen. Vinkenoog is hier al de latere declameerdichter geworden. Tijd:U leeft allemaal/ in de onvoltooid verleden tijd/ in de voltooid verleden tijd /in de onvoltooid tegenwoordige tijd/ in de voltooid tegenwoordige tijd /in de onvoltooid toekomende tijd/ in de voltooid toekomende tijd /in de onvoltooid verleden toekomende tijd// in de voltooid toekomende tijd/in de onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd/ in de voltooid tegenwoordige toekomende tijd/ Misschien ben ik een van u vergeten.
    Het is een geestige opsomming met een quasi filosofisch einde, maar op papier lezen we er snel doorheen. Je moet het Simon horen voordragen! Veel van de latere verzen gaan mank an dit euvel. Wat absoluut niet wil zeggen dat hij na 1964 geen mooie gedichten meer heeft geschreven. In 1972 bijvoorbeeld het vers J.C.1966 (J.C. staat voor Jezus Christus) uit de bundel Wonder boven Wonder: Schop mij een geweten/ schop mij een wereld binnen/ waarin ik niet langer mor/ en honger naar vergelding/ (…)
    In de cyclus over Vincent van Gogh in Louter genieten staan ook wonderschone zinnen: Je haalt de zon/ niet in, die/ ondergaat/ maar in je hoofd/ blijft het suizen/ is de kleur de kleur/ is de kracht de kracht/ is het leven/ weergegeven/ nog het leven?/(…)

    Als Dichter des Vaderland ad interim werd Simon Vinkenoog door het publiek gekozen in 2004, toen Gerrit Komrij onverwachts opstapte, maar de NRC erkende deze verkiezing niet. Symptomatisch voor de hele loopbaan van Vinkenoog, overigens. Publiek dat staat te dansen en te juichen, de gevestigde literaire orde, die zijn wenkbrauwen fronst. Hij maakte een paar gedichten in deze betwiste functie o.a. voor Mabel Wisse Smit, die in het huwelijk trad met Johan Friso van Oranje Nassau: Mabel en Friso: De werelden veroveren doe je met z’n tweeën/ Verliefd, verloofd, getrouwd,/ Nooit raak je uitgevreeën/(…) Vraag is of het echtpaar dit gedicht aan de muur heeft gehangen, maar het is wel een vers met een geestig begin. In 2006 kwam Zonneklaar uit bij uitgeverij Passage. De bundel is opgedragen aan Edith, de onafscheidelijke vrouw, die Simon inspireerde de laatste tientallen jaren. In deze bundel het vers Niets: ik wilde verhalen laten komen/ maar pijnbesprongen woorden/ wilden niet loskomen/(…) Misschien hadden deze woorden juist af en toe wel moeten loskomen, want ze vormen maar al te vaak de broodnodige ingrediënten voor dramatische poëzie zoals bijvoorbeeld destijds Cor Vaandrager kon maken. Simon Vinkenoog ziet het leven rooskleurig in, wit misschien, maar wit kan vergelen.

    Een eindoordeel vellen over deze gigantische bundel gedichten is moeilijk, zo niet onmogelijk. Daarvoor is er te veel van verschillend kaliber. Van zeer fraai tot oubollig. Op het verjaardagsfeest van Hans Plomp verzuchtte Simon Vinkenoog voor de microfoon: “Ben ik eindelijk verzameld, word ik niet besproken.” Onterecht en ook niet billijk. Een laagdrempelig fenomeen als Vinkenoog, verdient het besproken te worden! Maar een serieuze recensent moet zich dan niet door het omvangrijke oeuvre laten afschrikken. Misschien zou er een uitgebreide biografie van hem moeten verschijnen met veel- erg veel- over de ontstaansgeschiedenis van alle verzen, flarden en gedichten. Misschien moeten we het bij Vinkenoog Verzameld laten, het zien als een kunstwerk, meer nog dan een verzameling gedichten. En daarvoor dankbaar zijn als een Bikkhu, een bedelmonnik. Deze recensent knielt alvast met u mee. Maar wordt waarschijnlijk door de Zen Meester gestraft met een klap tussen de schouderbladen. Meditatie vereist namelijk contemplatie!

    Dat Vinkenoog een momentum is voor de Vaderlandse Dichtkunst en de podiumtijgers, waar we niet omheen kunnen, staat als een paal boven water. Sinds de beroemde bloemlezing Atonaal waarin hij experimentele dichters aan het woord liet is Vinkenoog nooit weggeweest van de podia, hoezeer het establishment het ook had gewenst. Of dit altijd verzen heeft opgeleverd, die we met een knijpbril op moeten lezen is de vraag. Moeten we Simon Vinkenoog vragen ze bij ons thuis te komen voordragen of is dat niet nodig? Op zijn website www.simonvinkenoog.nl kunnen we hopelijk lezen waar hij zo iedere dag uithangt en optreedt. In de tussentijd hebben we genoeg te genieten aan Vinkenoog Verzameld.
    Want: We lachen weer. De lucht is opgeklaard/ Wat stoom afgeblazen, de chaos bedaard,/ ik kan weer een gedichtje tikken,/ de telefoon opnemen, zeggen:/
    Ja, daar spreekt u mee/ Ik steek van wal./ Niets meer te onderdrukken.

    Karel Wasch

    (Auteur: Vinkenoog, Simon Uitgever: Nijgh & Van Ditmar Eerste druk: 1-10-2008 ,Verkoopprijs: € 45,00 ,Aantal pagina’s: 1228
    ISBN: 9789038890739)

  • De dood schittert als het leven

    De dood schittert als het leven

    In een van de eerste decennia van de vorige eeuw verscheen bij uitgeverij De Wereldbibliotheek een Nederlandse vertaling van Leaves of Grass. Het was een wonderlijke – niet verantwoorde – keuze uit dit werk door Maurits Wagenvoort. Het duurde lang voordat in Nederland een nieuwe vertaling van dit boek verscheen. In juni was het zover.

    Walt Whitman publiceerde zijn eerste uitgave van Leaves of Grass in 1855. En bleef zijn leven lang hetzelfde boek opnieuw uitgeven, vermeerderd en verbeterd. Zo begint het:

    I Celebrate myself,
    And what I assume you shall assume,
    For every atom belonging to me as good belongs to you.

    I loafe and invite my soul,
    I lean and loaf at my ease… observing a spear of summer grass.

    En het loopt uit in een poging het heelal, de hele kenbare wereld in poëzie te vatten. Het mondt uit in een enorme opsomming van al het zijnde, een bejubeling van elke atoom die de dichter als zijn bezit ervaart en wil delen. Dit is poëzie van het grote gebaar. Het is eigenlijk wonderlijk dat in de jaren ’80 niet een goede vertaling van dit werk is verschenen. De dichters die zich Maximalen noemden en Nederland wilden bevrijden van poëzie waarin de betekenisvolle stilte van een dubbele witregel voor het hoogst haalbare stond – hebben zij Whitman als held op het schild getakeld?
    Het heeft iets geweldig naïefs dit gedicht, deze verbale waterval. Er was een periode dat een schrijver kennelijk nog kon proberen zijn Divina Commedia te scheppen, zijn Paradise Lost. Het Al omvattend kunstwerk is na zekere datum geproblematiseerd. Wanneer was dat? Na Mei van Gorter? Is er een ideologisch probleem?
    Whitman staat in New York en voelt de wereld door zich stromen, hij heeft het allemaal gezien, hij heeft Borges’ Aleph in de hand gehad, de lezer heeft hem in de hand. Of wat alledaagser: de ervaring van de Unox-worst reclame: de lezer krijgt in een enorm tempo een shot beelden toegediend.

    De verslaving van het noemen

    Heel de nacht dwaal ik door mijn droombeeld,
    Lichtvoetig stappend, snel en geruisloos stap ik en stop,
    Met ogen wijdopen buig ik over de gesloten ogen van de slapers;
    Verdwaald en verward, in mezelf verloren, niet op mijn plaats, ten prooi aan tegenstrijdige gevoelens,
    Ik houd stil en staar en buig voorover en stop.

    Dit droombeeld is een verslavend droombeeld. Het is niet makkelijk na te voelen waarom het werk door contemporaine critici vuig gevonden werd, naar de schok zoek je dus tevergeefs, maar Leaves of Grass verslaaft in zijn poging volledig te zijn, de maniakale opsomming die Whitman geeft, alles recht willen doen door het maar te noemen, de cadans van de oudtestamentische opsommingen, Abraham gewon Isaac om het allemaal maar niet te vergeten. Het grote hart voor al wat leeft. Het is deze ‘verzamelaarspoëzie’ deze drang aan het woord te blijven met het schuim op de lippen die een vertaler als Pfeiffer moet hebben aangetrokken, Dat wat een lezer aanspreekt in dit werk trekt hem ook door In de naam van de hond heen. Ook Arjen Duinker’s fascinatie – een van de 20 andere vertalers laat zich dan makkelijk raden. En die van Astrid Lampe. Maar Kopland? En Anne Vegter?

    Jacob Groot en Kees ’t Hart haalden 21 dichers bijeen voor dit project. ‘Zo is de Nederlandstalige primeur van deze pionier niet alleen een bevestiging van Whitman’s stemmentheater, ze versterkt het temperament van zijn verteller, de meervoudige acteur pur sang. Daarbij is het ook nog eens een volstrekt unieke bloemlezing uit het taalarsenaal van de moderne Nederlandse poëzie geworden.’

    Met deze claim zijn de samenstellers in elk geval zelf dicht bij de Pionier gebleven: ze willen teveel. Ze hadden er met een veel geruster hart aan kunnen toevoegen dat hiermee waarschijnlijk de eerste tweetalige uitgave in Nederland verschijnt waarin bijna op elke spread beide talen worden gelezen.
    Het idee is namelijk alleen productief in de zin dat het heel leuke voorleessessies oplevert, onlangs op Poetry. Verder moet het geweldig zijn als je Whitman al heel goed kent. Dan lees je vooral Nederlandse dichters.
    Onbekend met dit werk blijf je echter met een voor de vertaalwetenschap vast heel boeiend fenomeen zitten. Je bent zeer gefascineerd geraakt door een gedicht, en opeens is het weg, de aria waarnaar je op de radio luisterde is weggedraaid voor een smartlap. Niet omdat Whitman het zo wilde, maar omdat daar toevallig de samenstellers de schaar hadden gezet.

    Zo beland je opeens bij een dichter die

    Who need be afraid of the merge?
    Undrape… you are not guilty to me, nor stale nor discarded,
    I see through the broadcloth and gingham wether or no,
    And am around, tenacious, acquisitive, tireles… and can never be shaken away.

    vertaalt met:

    Wie durft zich niet over te geven?
    Toe, toon jezelf… het ligt echt niet allemaal aan jou, je make-up liep niet uit, je bent geen afdankertje,
    En door je katoentjes kijk ik toch wel heen,
    Hou er rekening mee dat ik hardnekkig ben, hebberig, onvermoeibaar… en dat je met me zit opgescheept.

    Dan begin ik al te denken dat het misschien 20 vertalers hadden moeten zijn. Dan maar wat minder bloemlezing uit het taalarsenaal van de moderne Nederlandse poëzie.
    Een mooi bijeffect is wel dat je na lezing denkt: nu wil ik een versie helemaal vertaald door Toon Tellegen, en een helemaal vertaald door Astrid Lampe, en ook maar een hele Pfeiffer, toch een van de weinige die een vertaling aflevert die zowel recht doet aan Whitman alsook zeer onmiskenbaar Pfeiffer is.

    Genoeg gezeurd. Dit is een heel mooi boek. Dit moet onmiddelijk aangekocht worden, vooral om Whitman. Alle eer aan het samenstellend duo, omdat het onbegrijpelijk hoog tijd werd dat de Nederlandse poëzie verrijkt werd met Whitman.
    Dat is natuurlijk de ware gedachte achter deze opzet: er zijn alvast 21 dichters geïnfecteerd.

     

    De vertalers zijn:
    Huub Beurskens, Anneke Brassinga, Tsead Bruinja, Geert Buelens, Maria van Daalen, Arjen Duinker, Jacob Groot, Kees ’t Hart, Judith Herzberg, Gerrit Komrij, Rutger Kopland, Jan Kuijper, Astrid Lampe, Hagar Peeters, Ilja Leonard Pfeijffer, Toon Tellegen, Anne Vegter, Hans Verhagen, Peter Verhelst, Simon Vinkenoog, Elly de Waard en Menno Wigman