• Geweldig boek, dat geef ik je op een briefje!

    Geweldig boek, dat geef ik je op een briefje!

    Goede columnisten en dichters hebben met name één talent gemeen: bondigheid. Waar de columnist met een handvol rake zinnen de maatschappij in haar hemd zet, roept de poëet met een enkel woord een nieuwe wereld op. Als deze twee schrijverstypen een intensieve briefwisseling onderhouden, mag het een doodzonde heten die brieven te laten vergelen in archiefkasten. Bertram Mourits, werkzaam in het Haagse Literatuurmuseum, en Trudy van Wijk, gepromoveerd op het werk van Ellen Warmond (1930-2011), brengen Lief Museum uit: een prikkelende correspondentie tussen Simon Carmiggelt (1913-1987) en Ellen Warmond, (pseudoniem van Pietronella Cornelia van Yperen). De briefwisseling omvat grofweg vijftien jaar.

    In de inleiding vermelden Mourits en Van Wijk dat Carmiggelt als eerste columnist van Nederland de P.C. Hooftprijs won, maar ook Warmond werd gelauwerd: voor haar gehele oeuvre ontving ze de Anna Bijns Prijs. Niettemin is deze compilatie gespeend van alle gewichtigheid. Lief Museum is lichtvoetig, parlando en cynisch als het werk van de Vijftigers uit de naoorlogse literatuur, ongegeneerd twistziek over het literaire circuit – wie houdt niet van roddelen? – en de brieven bevatten een hoge mate van zelfkritiek, wat stijl aangaat. Dit is echter een karige greep uit al het moois dat dit boek te bieden heeft.

    Verrukkelijke schrijfsels

    Wie inspiratie wil opdoen, hoeft slechts ergens te gaan zitten, luisteren en observeren. Voor zijn Kronkels en kroeganekdotes doet Carmiggelt niet anders: het absurde van alledag komt dan vanzelf zijn pen uitgevloeid. Soms achterhalen zelfbenoemde literaire talenten zijn adres en overstelpen zij hem met hun penoefeningen. Hierover uit Carmiggelt zijn ergernis bij Warmond, zij het met een lichte toets: ‘De naam van het werkje was Hoeperdepoep – geen titel om watertandend op af te vliegen dus. Na het lezen van tien bladzijden bleek de inhoud aan de gewettigde vrees te beantwoorden.’ Als dit flutstuk een jeugdzonde van Warmond zou zijn, zo vervolgt Carmiggelt, ‘(…) dan spring ik in de Stadhouderskade die ’s avonds vlak voor mijn deur ligt te flonkeren als een Gardameer van minvermogenden.’

    Zelfs in zijn teksten die geen literair doel dienen, schrijft Carmiggelt verrukkelijk. Steeds bewaart hij de balans tussen zwarte humor, zelfspot en frivoliteit. Wanneer Warmond hem namens het Museum uitnodigt de Heijermans-tentoonstelling met een praatje te openen, weigert Carmiggelt: ‘Los van het feit dat ik dan in Parijs hoop te zijn, hou ik in mijn leven nog maar één redevoering, namelijk mijn dankwoord voor de Nobelprijs. Ik zie er nu al tegenop, omdat het in het Scandinavisch zal moeten.’ Mulisch doet het hem niet na… Bij wijze van revanche geeft Warmond hem twee ‘sick jokes’ om te verwerken in zijn column voor het Parool, en zo stapelen de brieven zich in rap tempo op.

    Gekronkel wordt gekonkel

    Van oudsher worden pseudoniemen gekozen om de eigen naam te behoeden voor schande. Dat werkt uiteraard averechts, als de schuilnaam je duistere kant eerder typeert dan verdoezelt. Ellen ontpopt zich binnen de schrijverswereld tot gevreesde spraakwaterval: Warmond, met de warrige mond, hoeft maar een slokje wijn te slurpen of ze schoffeert het zoveelste groepje omhooggevallen schrijvers op het Boekenbal. Carmiggelt verkneukelt zich om haar onhandigheid en noemt de uitglijders ‘een punaise venijn.’ Warmond ziet dit heel anders, maar weigert in te binden, ook in haar columnreeks die ze afwisselt met Carmiggelt: ‘Als ik mag schrijven op dezelfde egocentrische restrictieloze geen-teen-ontziende manier waarop ik brieven schrijf, dan dolgraag.’ En er zijn nogal wat tenen die ze tot moes trapt.

    Bij een bedrijfsborrel van uitgeverij Querido botst Warmond op tegen Hendrik Marsmans voorganger, Herman van den Bergh. Hij vindt dat zij te weinig publiceert, waarna Warmond opmerkt hem voor het laatst bij een Maatstaf-avond ontmoet te hebben: ‘aangezien de goede man in dat tijdschrift de laatste maanden steeds wegens plagiaat aan de kaak gesteld wordt, ging hij wat stijfjes doen.’ De kruiperige recensent Willem Brandt moet het eveneens ontgelden: ‘een uit Gods moede hand gegleden blindganger.’ Bevuilen de penvrienden niet een beetje het eigen nest? Nee. Vooral schrijvers die niet twijfelen over eigen kunnen, bekritiseren zij. Wie zichzelf afbrandt, blijft buiten schot. Warmond is toch al uit de gratie geraakt, zo blijkt uit een slotgroet aan Carmiggelt: ‘Na al deze oeverloze roddel en prietpraat de geruststellende mededeling dat ik geen griep heb. Het is lepra.’

    Ken uzelve

    Warmond en Carmiggelt leren ons het volgende: wie expliciet zegt over zelfspot te beschikken, oogst argwaan. Een zelfkritische natuur blijkt namelijk uit terloopse, spontaan uitgebrachte terzijdes. Ellen Warmond leest met de precisie van een ‘sniper’ haar schrijfsels aan Carmiggelt na en komt tot de gruwelijke ontdekking dat ze haar penvriend met eindeloze bijzinnen en komma’s ademnood verschaft: ‘(komma, ik schrijf met een snorkel blijkbaar)’. Als ze in haar rol van medewerker voor het Letterkundig Museum Carmiggelt om een gunst moet vragen, ridiculiseert én continueert ze haar eigen opdringerigheid: ‘Horen we eens wat? Heeft geen haast. (Tenminste: …een klein beetje haast maar) (Ruimte voor het doen van verwensingen)’. Al lonkt natuurlijk altijd een effectief middel om de eigen scrupules te overwinnen.

    De drankconsumptie van enerzijds de dichteres en anderzijds de columnist ontwikkelt zich omgekeerd evenredig. Zelfbenoemd papierfetisjist Carmiggelt was vast verbaasd over de rode verkleuringen op Warmonds brieven: ‘Al die vlekken zijn niet van tranen, maar van sherry.’ Waar Warmond beter schrijft naarmate ze meer drinkt, remt Carmiggelts onthouding zijn spontaniteit – funest voor de Vijftiger, die gedijt bij kinderlijke invallen. In een poging zijn gedachten te verwoorden, wanneer hij wederom de verleiding van alcohol weerstaat, walgt hij van zijn wijdlopigheid: ‘Verkeerd. Zulke lange zinnen denk je niet.’ Zoals het auteurs met writer’s block betaamt, toont de Vijftiger zich andermaal zijn eigen strengste recensent: ‘Die geheelonthouders zitten toch ook maar lelijk uit hun nek te zwetsen.’ Wie blijk geeft van zo veel zelfkennis, heeft geen critici nodig.

    ‘Platoniese’ P.S.

    Hoe langer de correspondentie aanhoudt, hoe vertrouwelijker ze elkaar groeten. Waar eerst ‘hart. gr.’ volstaat, wordt het algauw ‘liefs’. In de aanhef maakt ‘Beste’ plaats voor ‘Lieve’ en Warmond beëindigt haar brieven zowaar met ‘je Ellen’. Toch is de onderlinge band te speels, te luchtig voor een daadwerkelijke liefdesgeschiedenis. Verder dan de humoristische oneliner over een echtpaar in de trein komt het niet: ‘Ze hield van haar man, dat kon je zien aan de pull-over die ze voor hem gebreid had. En hij hield van haar, dat kon je zien aan het feit dat hij hem droeg.’ 

    Zoveel zoetheid vraagt om een grove tegenhanger. Carmiggelt roemt het op-en-top Britse informatiebordje in Madame Tussauds over de vrouwenmoordenaar Dr. Crippen en schrijft Ellen: ‘‘‘Dr. Crippen. Hij vermoordde zijn vrouw. Zij dacht dat zij zingen kon.’’ Dat niveau bereiken wij nooit – geloof me.’ Dat is waar. Lief Museum overtreft het niveau.

     

  • Duizenden ansichtkaarten

    Duizenden ansichtkaarten

    Van alles wat je doet, laat zich pas achteraf de betekenis zien. Ik las Mijn beter ik, Herinneringen aan Simon Carmiggelt, dat bij verschijning in 1991 gedoe veroorzaakte onder familie en lezers van zijn stukjes. Niemand wist dat Carmiggelt een geheime relatie onderhield met Renate Rubenstein. Ze schreef er pas over na het overlijden van Carmiggelt in 1987. Dat ze de minnares van Carmiggelt was geweest, tien jaar lang, tot aan zijn dood. De naam van de man die het label ‘meest getrouwde man van Nederland’ aan zijn trenchcoat had hangen, werd volgens velen door het slijk gehaald. Ze vonden Rubenstein vals, gemeen dat ze dit uit de doeken deed. Fans verdragen geen verschuivingen in het beeld van hun idool. Rubenstein deed het omdat ze niet anders kon. Na zijn dood schrijft ze dat haar behoefte over hem te praten overweldigend is. ‘Tien jaar lang heb ik over hem gezwegen want onze verhouding was clandestien en ik zou Simon met praten hebben kunnen schaden of verliezen. Maar ik heb hem nu verloren en kennelijk eis ik postuum mijn rechten op. Maar belangrijker is dat ik hem niet vergeten wil.’ Voor dit boek putte ze uit dagboekaantekeningen en herinneringen.

    Carmiggelt was weg van de stukjes die zij schreef voor Vrij Nederland onder het pseudoniem, Tamar. In 1964 schreef hij  voor het eerst over haar in een van zijn Kronkels, ‘Tamar’ getiteld. Veertien jaar later werd ze gebeld door de latere biograaf van Carmiggelt, Henk van Gelder, die haar uitnodigde mee te doen aan de prijsvraag. ‘Wie is de echte Kronkel?’ Vijf schrijvers deden daar aan mee doen, waaronder Kees van Kooten en Rinus Ferdinandusse. Het was op verzoek van Carmiggelt zelf om haar te vragen mee te doen. Verliefdheid werd vanaf toen ingezet, al hadden ze dat zelf nog niet in de gaten.  Dan volgen de jaren dat hij haar bijna dagelijks belt. Hij schreef haar duizenden ansichtkaarten, brieven. Als hij met haar afsprak, was hij altijd te vroeg, dan wachtte op een bankje in het Sarphatipark tegenover haar huis (dat bankje, zou dat er nog zijn?). 

    Na zeven jaar zegt Rubenstein tegen hem dat ze niet meer verliefd op hem is. ‘Ik heb vanmiddag tegen S. gezegd dat ik niet meer ‘zo verliefd’ op hem ben. S. vermoedde al zoiets. Ik vind het erg dat het zo is, maar niet erg dat ik het zei want het kon niet anders.’ Later voegt ze daaraan toe, ‘Na zijn dood ben ik daar anders over gaan denken. Waarvoor was het nodig dat ik dat zei? (…) Wat ik toen kennelijk zo nodig vond zie ik nu als een grote vergissing.’ Want ze hield van hem, alleen zijn toegenegenheid benauwde haar wel eens. Ze bleven elkaar ontmoeten, wel kwamen er minder kaartjes, minder telefoontjes.
    Mijn beter ik is een oprechte liefdesverklaring
     die me na dertig jaar nogal in vertedering achterlaat. Twee beroemde schrijvers, die zoveel voor elkaar betekenden, konden elkaar niet in het openbaar zien. Na het verschijnen van Mijn beter ik, bleken zijn Kronkels gelaagder dan men dacht, was er liefde doorheen verweven, een boodschap aan haar. Waar de tijd overheen gaat, verandert alles, is er meer dan die ene waarheid. Hella S. Haasse schreef eens, ‘De waarheid zet uit naarmate we zelf groeien. Nooit achterhalen we haar.’ 

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, valt voor een goed verhaal, een stijl, een woord (keukentafel, zolderkamer), een mening.

  • Kronkels lezen is mensen ontmoeten

    Kronkels lezen is mensen ontmoeten

    In een roman kan het verhaal alleen maar door woorden worden verteld, in een strip maken ook de tekeningen het verhaal. In sommige strips komen zelfs geen of nauwelijks woorden voor. De striptekenaar Dick Matena is niet bang voor een grote hoeveelheid woorden. Hij heeft zelfs strips gemaakt waarin de tekst van complete romans (Kees de jongen, Kort Amerikaans, De avonden, Turks fruit) is opgenomen. Je zou kunnen zeggen dat Matena die romans niet verstript heeft, maar ze rijk heeft geïllustreerd. Toch zouden we daarmee de tekenaar tekortdoen, zoals ook blijkt in zijn nieuwe adaptatie van literatuur, zo’n veertig ‘Kronkels’ van Simon Carmiggelt.

    In veel van de strips is weer de complete tekst opgenomen, maar er zijn ook kleine delen weggelaten. Niemand mist ze, want Matena zorgt er wel voor dat het goede verhalen blijven.
    Wie de tekst van Carmiggelt leest, krijgt het hele verhaal, maar de tekeningen voegen veel toe. Allereerst de sfeer, die bij Carmiggelt vaak wat weemoedigs heeft. Doordat sommige verhalen heel sober zijn ingekleurd (grijs, bruin, huidkleur en verder niet) en andere volop gekleurd zijn, geeft een eerste aanblik al de sfeer nadrukkelijk weer.

    Verder is Matena goed in het weergeven van gezichtsuitdrukkingen die niet eenduidig zijn. Wie de personages bekijkt, kan aanvoelen in welke stemming ze zijn, maar wat ze precies denken blijft onuitgesproken. Zo blijft het raadsel in stand en dat houdt de verhalen intrigerend. In deze bundel Kronkels heeft Matena niet alleen voor ballonstrips gekozen. Af en toe is er een verhaal in stroken getekend, met daaronder de tekst, zoals we dat bijvoorbeeld ook kennen uit de verhalen van Marten Toonder. Dat Matena die vorm ook beheerst, is niet zo vreemd: hij werkte ooit als tekenaar bij Toonder.

    Er zijn enkele heel bekende verhalen in de bundel opgenomen, zoals het verhaal waarin het woord ‘epibreren’ voorkomt, maar ook verhalen die voor veel lezers onbekend zullen zijn. Lezers zullen dus zowel kennismaken met iets nieuws als het oude herkennen. Daarmee is de bundel een staalkaart van het werk van Carmiggelt. Soms doet het taalgebruik wat gedateerd aan, maar vaak fonkelt het nog. Carmiggelt verstond de kunst om personages met een enkele zin te typeren. Over ‘een bijzonder dun ventje’: ‘Hij was er zo een, die per abuis méé werd ingepakt, bij de aflevering van een generatie, want men behoefde maar één blik te werpen op zijn nietige gestalte, zijn bevreesde ogen en zijn lippen die, als een te nauwe fietsband, telkens van de velg dreigden te lopen, om te kunnen schatten hoeveel de zee des levens déze man te hoog ging.’

    De tekening bij zo’n beschrijving klopt altijd. Een enkele keer gaat Matena zijn eigen weg, als hij het haar van iemand die bij Carmiggelt blond is, toch bruin inkleurt. Dat je meteen een beeld hebt van een personage is al prettig, maar elke persoon heeft ook zijn eigen manier van spreken. Als je een dialoog leest, kun je de sprekers bijna horen. Alles speelt zich af tegen een Amsterdams decor, maar de kern van bijna alle verhalen zijn de mensen. Dat wordt niet alleen duidelijk in de tekst, maar ook in de tekeningen. Op zo’n beetje alle afbeeldingen komen mensen voor. Lezen van Carmiggelt in de tekeningen van Matena betekent mensen ontmoeten. De lezer maakt ze soms maar een paar bladzijden lang mee, maar zal ze niet meer vergeten.

     

  • Carmiggelt en vakantiedingen

    Deze vakantie waren er nogal wat eerste dingetjes. Zo dronk ik voor het eerst thee zoals Engelsen doen. Het was aan de kust van Dorset. Ik was dorstig en het was warm en dan blijkt thee met melk een goede dorstlesser. Eerder die dag had ik begrepen dat je niet zomaar uit Londen wegkomt. We deden er die warme zaterdag in juli ruim anderhalf uur over voor we in de file naar Dorset terechtkwamen. Waarna we in 5 uur een afstand aflegden die je, zonder verkeer op de weg, in twee uur rijdt. Toen begreep ik pas waarom Zoon, die al tien jaar in Londen woont, zo weinig naar ‘buiten’ ging. Deze vakantie heb ik ook  begrepen (een levenslang proces) dat je je nooit moet bemoeien met hen die je lief zijn. Je moet ze alle credits geven inzake wat dan ook. En dat  leverde wat op. Ik heb me nog nooit zo Zen gevoeld. Wat meteen weer een ‘eerste’ dingetje werd: Zen te zijn met jezelf en je omgeving.

    Maar toen moest Carmiggelt nog komen. Ik fietste door Gelderland. Kwam door De Steeg, wat het favoriete vakantieoord van Carmiggelt was. Hij is er vereeuwigd, zittend op een bankje met zijn vrouw Tiny. Ik was er vaak voorbij gekomen met de auto maar had hen nooit opgemerkt. Nu passeerde ik ze op een meter afstand en riep: ‘Kijk nou’. ‘Daar zit Carmiggelt!’ en zette mijn fiets aan de kant.

    Daar zaten ze dan. Hij stijf in zijn veel te ruime regenjas en Tiny met degelijke pumps die parmantig enkele centimeters boven de steentjes zweefden. Zo levensecht alsof ze tijdens het poseren versteend waren geraakt. Waardoor de aanblik wat lugubers kreeg. Er lag een schrijfblok op Carmiggelts knieën dat hij met een hand vasthield en met de andere licht beroerde. Je kon je opeens voorstellen dat hij daar helemaal niet had willen zitten, zo donker en stijf. Thuis pakte ik zijn boekjes erbij en voor ik het wist zat ik in de Carmiggeliaanse Way of seeing.

    Een paar dagen later bevond ik mij in de sanitaire ruimte van een camping in het Oosten des lands. Er stonden twee rondborstige vrouwen van meer dan gemiddelde lengte toilet te maken. De vrouw links poetste haar tanden elektrisch en bewoog de roterende borstel driftig in haar mond heen en weer waarbij ze veel schuim produceerde. De vrouw rechts werkte met een föhn haar kapsel bij onderwijl haar hoofd koket alle kanten opdraaiend. Ik voegde me tussen hen in, wat gezien de breedte van de wasruimte niet eenvoudig was. De vrouw met de föhn begon over ‘irritatie’ in haar liezen. Het was rood en ‘jeukte as de neten’. Ik herkende het accent dat Loes Luca in Het Schaep in Mokum bezigt. De poetsende vrouw murmelde dingen als, ‘Grumbllele en tjejjee seg’. Waarop de vrouw met de föhn zei dat haar man haar had meegenomen voor een fietstochtje. Ik begreep dat ‘meneer’  blij mocht zijn dat ze met hem mee naar ‘hier’ was gegaan. Ze begreep niet wat m bezielde. Veertig jaar op camping Bakkum gestaan en nu wilde meneer ineens iets anders.

    En nu meneer hier toch was wilde hij de omgeving leren kennen. Hij huurde twee fietsen en het ‘stukkie’ fietsen werd een tocht van ‘zestig kilometer!’ riep de vrouw met de steeds verhitter rakende föhn in haar hand. ‘Ik had m wel door hoor, de smiegt. Ging inenen voor me uit fietse zodat ik m nie bij kon houwen. Meneer was gewoon verdwaald. Maar toegeve, ho maar.’ De poetsende vrouw schuimde verontwaardigd: ‘E ou oe ijii oob e bhajen idde.’ ‘Precies’,’ zei de vrouw met de föhn en draaide haar hoofd nog eens koket in het rond. Ik pakte mijn toiletspullen en zei: ‘Goedemorgen,’ maar ze hoorden me niet. Dat was de eerste keer dat ik met twee Amsterdamse dames een wasruimte deelde. Carmiggelt had er wel raad mee geweten.

     

     

  • Papieren monument voor een kortebaanstilist

    Papieren monument voor een kortebaanstilist

    Simon Carmiggelt had al een bronzen standbeeld in Amsterdam en was in De Steeg al op een bankje neergezet, nu is er ook nog eens een papieren monument voor hem, met de uitstraling van de boeken uit de Russische Bibliotheek van Van Oorschot. Ter gelegenheid van zijn honderdste geboortedag op 7 oktober 2013 laat deze uitgever een fraai verzorgde bundel met 100 korte verhalen verschijnen onder de titel Gedundrukt. Het is een eerbetoon aan de man die in zijn gedicht ‘De minor poet’ een dichter met een zeer bescheiden oeuvre aan de hemelpoort liet fantaseren:

    Hij zag zich al gedundrukt door Van Oorschot
    en mompelde: ‘Ga ik dan niet teloor, God?’

    Het is niet de enige bundeling van verhalen die Carmiggelts honderdste geboortedag opluistert. Zijn biograaf Henk van Gelder stelde ter meerdere hulde nog een wandelgids samen van Amsterdamse verhalen (Dwalen door Amsterdam met S. Carmiggelt).

    In zijn literaire leven schreef Carmiggelt (1913-1987) meer dan 10.000 cursiefjes, korte verhalen met scherpe observaties van alledaagse gebeurtenissen. Zijn eerste dateren uit de jaren ’30 van de vorige eeuw (hij noemde ze toen nog Kleinigheden) en hij bleef ze schrijven tot enkele jaren voor zijn dood.
    In Gedundrukt staan de 100 beste. Of eigenlijk is dat niet juist: ‘100 van zijn mooiste’ staat op de flap. Alsof de samenstellers willen zeggen: ‘we stopten bij 100, maar er zijn nog zoveel méér mooie’. Maar toch, als we er van uit mogen gaan dat de samenstellers van de bundel het topje van de piramide hebben willen opnemen, dan heeft Carmiggelt dertig jaar lang een hoog niveau gehaald. In Gedundrukt zijn opgenomen één vooroorlogs verhaal (1938), acht uit de periode 1945-1950, 32 uit de periode 1951-1960 (waarvan de helft uit 1953 en 1954), 25 uit de periode 1961-1970 (redelijk evenwichtig over de jaren verdeeld) en 34 uit de jaren 1971-1980 (waarvan eenderde uit 1977). Van na 1980 is geen enkel verhaal opgenomen. Als je op deze selectie af mag gaan haalde Carmiggelt dus tussen 1951 en 1980 een langdurig hoog niveau, met topjaren in 1953, 1954 en 1977.

    Natuurlijk valt er van alles af te dingen op de keuze. Het is bijvoorbeeld vergeefs zoeken naar wellicht zijn beroemdste verhaal ‘Het woord’; daaraan hebben we ‘epibreren’ te danken, dat zelfs een lemma werd in Van Dale. Maar wie dit stukje uit 1954 nu nog eens naleest (het staat in de bundel Ping pong uit uit dat jaar en is in 1998 nog eens heruitgegeven door de Arbeiderspers) zal moeten toegeven dat het verhaal inderdaad niet een van zijn beste is.
    Teleurstelling voelt de lezer misschien ook omdat Gedundrukt geen enkele vers van Karel Bralleput (zijn pseudoniem als dichter) bevat – behalve dan ‘De minor poet’ op het omslag. De bundel kent verder geen inleiding en zelfs geen verantwoording.
    Maar dat is misschien juist wel de kracht. Carmiggelt is hier open en bloot neergezet in zijn eigen woorden. Zonder toespraak of bloemen. Hij spreekt voor zich. Dat is de grootste eer die de samenstellers hem konden bewijzen.

    En de verhalen zelf dan? Het kan niet anders of er zit enige sleet op. Carmiggelt beschrijft taferelen op kantoren, in cafeetjes, op terrasjes en op banken in parkjes die wij niet meer herkennen en de verteltrant is af en toe van een sukkelgang die ons vreemd is geworden. Toch zindert er een beleving onder die in onze tijd nog steeds aanwezig is. Carmiggelt weet prachtig te vatten hoe we in contact verhullen wat we werkelijk voelen en hoe we langs elkaar heen praten. Hij zou in onze tijd als geen ander hebben kunnen beschrijven wat een tragische eenzaamheid er schuilt onder het hebben van honderden Facebookvrienden en in de opgewekte sms-jes en haastige tweets die ons om de oren vliegen.
    Wij zijn als maatschappelijke wezens zo veel veranderd dat de teksten van Carmiggelt bij vluchtige lezing nauwelijks nog mee kunnen. Maar voor wie er de tijd voor neemt doemen aan ons, 21ste eeuwers, verwante zielen op.

    Mooi om te zien is dat Carmiggelt in de bijna veertig jaar die deze bundel bestrijkt ook zelf is veranderd. Zo is zijn ironie, die alle verhalen wel kenmerkt, in de loop van de jaren milder geworden en verfijnder. In de vroegste stukken bijvoorbeeld, zit nog veel oorlog en bezetting. Daarin noemt hij het Duits van de Grüne Polizei een ‘Pruisische paardentaal’ en ‘snodderig’. Daarin zit een felle minachting, die er in latere verhalen veel minder dik bovenop ligt. Er is dan zelfs compassie, zoals in ‘Liefde’ uit 1963 waarin een serveerster van vieze kroketten haar klanten bedient: ‘een klein, tanig vrouwtje, aan gene zijde van de vijftig, permanent in sukkeldraf op weg naar een plicht. Ze zette de bordjes en de schaaltjes neer met een zeker mededogen’.
    Nog een verschil is dat Carmiggelt in zijn late stukken ingetogener en verstilder is. Het verhaal ‘Motregen’ bijvoorbeeld uit 1978 is een herinnering aan een uitnodiging, lang geleden, van een jonge vrouw om nog ergens wat met haar te drinken: ‘Elsje heette ze. De vrouw van een bevriende collega. Een zeer bijzondere vrouw. Ik vond haar erg mooi en erg aardig. Ja, ik geloof zelfs dat ik een beetje verliefd op haar was.’ Hij sloeg de uitnodiging schuchter af, ‘want ik heb om acht uur een afspraak’. Daarna zag hij haar nooit meer: ‘Kijk, dáár heb ik nu nog altijd spijt van’.
    Zet dat eens af tegen ‘Takelen’ uit 1953 over de bovenbuurman die steeds nieuwe kortdurende relaties heeft met weer andere vrouwen die vervolgens bij hem intrekken. Om de zoveel tijd zijn de onderburen er getuige van hoe bezittingen van de nieuwe beminde naar boven worden getakeld, om korte tijd later weer in omgekeerde richting te worden afgevoerd. Die geschiedenis is ronduit kluchtig verteld.

    De verhalen van Carmiggelt stammen uit een tijd die achter ons ligt: commensalen (in 1954 door Carmiggelt nog gebezigd als contemporain begrip) kennen we niet meer, en welke ‘mevrouw’ zien we nog achter een glaasje ‘schilletjes met suiker’? Toch weet Carmiggelt nog te ontroeren. En zijn stijl blijft meesterlijk.

    Gedundrukt is een boekje om stil in te brevieren.

    Gedundrukt
    (verhalen)

    Auteur: Simon Carmiggelt
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot (2013)
    Pagina’s: 310
    Prijs: € 24,90

  • Recensie ‘Gerardje, notities van een Reve-liefhebber’ – Theodor Holman

    Het lijkt de laatste tijd iets stiller geworden rond Gerard Reve, de in 2006 overleden volksschrijver, zoals hij zichzelf graag noemde. Deze stilte zal echter in het najaar worden doorbroken door een vuistdikke biografie van Nop Maas. In de tussentijd mogen we genoegen nemen met dit boek van Theodor Holman, die zich al jaren fan noemt van Reve. Holman ontmoette Reve eenmaal en zag hem nog een aantal malen optreden. Dat is jammer, want de ontmoeting waar het boek mee begint is op z’n zachtst curieus. Er wordt veel gezopen zoals bijna altijd in het gezelschap van Reve maar er worden ook stevige noten gekraakt. Over politiek wordt gesproken, literatuur, pornografie en Schopenhauer. De volgende ochtend vertelt ome Gerard aan Theodoortje een heus sprookje, terwijl ze samen in de slaapkamer op bed liggen. Joop Schafthuizen, de laatste levensgezel van Reve houdt een oogje in het zeil.

    Vlak voor het afscheid dreigt het dan toch nog mis te gaan, wanneer Holman zegt: “Tegen mij heeft Karel gezegd dat hij nog van je houdt.” Gedoeld wordt op Karel van de Reve, de broer van Gerard, waarmee de markies al jarenlang in onvrede leeft. Reve antwoordt: “Nou zeg dan maar tegen hem dat ik hem haat. En dat ik bid voor zijn dood. Misschien knapt hij daarvan op! En als hij niet voortmaakt, dan kom ik met een ijzeren knuppel en dan sla ik zijn kop in, al moet ik er levenslang voor naar de gevangenis…Hij is erger dan mijn vader was. Mijn vader was een bruut.” Of Holman de boodschap daadwerkelijk heeft overgebracht wordt niet vermeld. Ik betwijfel het. Het is meteen het meest interessante gedeelte van het boek.

    Holman werpt in dit boek een aantal werkvragen op: Waarom werd Reve katholiek, terwijl hij toch op dat geloof zat te schelden? Was hij eigenlijk al homo toen hij getrouwd was? Hoe heeft hij zijn stijl ontwikkeld? Heeft de oorlog invloed op Gerardje gehad? Was Gerard eigenlijk niet te burgerlijk om romantisch-decadent te zijn? Had hij ook vriendinnetjes? Wat was de invloed van zijn vader, die ook schrijver was? En van zijn moeder? Is het niet ironisch, dat Mulisch hem zijn ironie verweet?

    Om bij de laatste vraag te beginnen: Reve had een onwaarschijnlijke hekel aan Mulisch. In een van zijn (gefingeerde-) gesprekken met de Majesteit (Juliana?) stelt Reve: “Het werk van Mullis is vullis, majesteit, maar dat van Reve is het echte leven.” Minder leuk is de passage: “Zelf is hij een bastaard, door een alpineus goro goro tiepe, dat jaren lang in de gevangenis heeft gezeten, bij een Jeminitische water & vuur vrouw verwekt. Bij vermenigvuldiging komen de slechtste eigenschappen van de paarders op de voorgrond, dat is bekend. Het muildier is onvruchtbaar.” De ‘bastaard’ (een term direct geleend van nazi-propagandaleider Julius Streicher) is Harry Mulisch.

    Mulisch komt met een weloverwogen antwoord ? door Holman niet begrepen ? waarin hij stelt dat de ironie van Reve verhult wat hij eigenlijk wil zeggen, en dat uiteindelijk na het wegnemen van het masker van diezelfde ironie, de naakte waarheid overblijft. Reve gebruikt zijn ironie dus gewoon als dekmantel. Het grootste gevaar van ironie! Dat is overigens ook een stelling van de door Reve zo bewonderde Schopenhauer (Of had hij hem nooit gelezen?). Achter de dekmantel loert in Reve’s geval: racisme. Reve heeft zich in die tijd op niet mis te verstane manier denigrerend uitgelaten over ‘zwarten’ maar neemt dat later terug. “Alle koffiebonen in de Jumbojet en opblazen de boel!”

    Wat verder opvalt, is dat hij eigenlijk met de grote schrijvers uit zijn tijd in een voortdurende staat van oorlog en nijd leeft. Met Hermans raakt hij na een bloedeloze correspondentie gebrouilleerd. (…) “Achter de naam Age Bijkaart (nomen est omen) verschuilt zich om een of andere laffe reden de Nederlandse schrijver W.F.Hermans, broer van de minder dan middelmatige verrekijkkomiek Toon Hermans. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan.”

    Jan Wolkers scheldt hij uit en Mulisch haat hij. Over Simon Vinkenoog meldt hij: “Ik had hem moeten doodslaan, want hij heeft tienduizenden drugsdoden op zijn geweten.” (Dat citaat is uit het boek weggelaten). En ook ex-vriend en tijdelijk uitgever Johan Polak is in ongenade gevallen. “Waarde Johan. Ik zou het liefst willen, dat je niet op de avond in de Allerheiligste Hart kerk kwam, maar met een van je beroepsurningen elders in de stad de avond doorbracht. Mijn waarschuwing terzake Reptiel Rogier is gemeend. Ik zal op hem inranselen, en hem zo mogelijk doden. Jij hebt nooit iets begrepen, en zult ook nooit iets begrijpen. Dat hindert ook niets, als jij me maar, voorgoed, tot mijn Dood, met vrede laat.” Ironie? Ook Josine Meijer, waarmee hij zijn diepe zielenroerselen deelde kan later geen goed meer doen, daarover schrijft hij later: “Zo’n Josine Meijer bijvoorbeeld, dat vond ik altijd een klein etterwijfie, daar hoeft geen correspondentie van te worden bewaard.”

    Geert van Oorschot, die ook een optrekje heeft in de buurt van Poet Laval in Frankrijk waar Reve resideert, ontwijkt hij. Hij weet dat Van Oorschot hem groot heeft gemaakt en dat hij hem nu in de steek laat voor een andere uitgever. En over Joop den Uyl zou Reve gezegd hebben, volgens Paul van ’t Veer in Het Parool: “Een vieze kale uilebal!” “Dat vieze verzint hij,”schrijft Reve later, “ik heb de door God over ons gestelde minister-president nimmer vies genoemd.” De lijst van vijanden groeit, vrienden blijven er weinig meer over.

    En zo heeft hij uiteindelijk alleen nog Carmiggelt over, een alcoholist in ruste ? Reve probeerde dat te worden ? een burgerman, maar vooral erg ongevaarlijk in z’n meningen over politiek en maatschappij. Bovendien een middelmatig schrijver. We komen ze tegen in een nummer van het blad Hollands Diep waarin de heren in de tuin van Carmiggelt gezeten een ‘bammetje’ eten. Niets aan de handa dus, zoals Reve wel eens uitriep. Gezapigheid van het ergste soort. De vraag van Holman of Gerard eigenlijk niet te burgerlijk was om decadent-romantisch te kunnen zijn, wordt hiermee positief beantwoord. Gerard was een versluierde burgerturf.

    Het moge inmiddels duidelijk zijn dat deze recensent niet erg gecharmeerd is geraakt van het ‘ karakter Reve.’ Dat is waarschijnlijk nooit de bedoeling van Theodor Holman geweest. Maar hij schildert Reve als een rabiate verslaafde aan drank en pillen, een onvermoeibare op seks beluste frustraat (Tijgertje, Jakhalsje, Woelrat, Reptiel Rogier, Matroos Vos, Schafthuizen, ze passeren de revue) en een wankelbeen op het gebied van politiek, godsdienst en homovrijmaking.
    Interessant is overigens dat de psychiater C.J.Schuurman door Reve wordt bewonderd. Deze Schuurman zou hem weer op de been hebben geholpen na een van zijn zoveelste instortingen. Holman drijft de spot met Schuurman omdat deze zijn penis heeft laten opereren en aan dezelfde ‘kwaal’ zou hebben geleden als Gerardje destijds in zijn huwelijk met Hanny Michaelis. Voor Hanny Michaelis blijft de deur van huize Reve overigens ook geopend.

    Of Reve al tijdens zijn huwelijk met Michaelis homo was, staat als een paal (sorry!) boven water. De schrijver Hans Plomp bezocht het echtpaar. Tijdens dat bezoek rukt Reve zich onder de tafel af omdat hij Hans zo’n ‘Adonis’ vindt. (niet opgenomen!). Het was in die tijd niets bijzonders wanneer homo’s getrouwd waren met een vrouw. Holman komt aan met vriendinnetjes van Reve, maar echt overtuigend klinkt dat niet.

    Een en ander wil echter niet zeggen dat Holman geen interessant en leesbaar boek heeft geschreven. Het leest als een trein en staat vol grappen en grollen, want gevoel voor humor had Gerardje zeker. Zijn onvermoeibare drang om te choqueren (de Ezel-affaire o.a.) komt voort uit een hang naar publiciteit. Reve was naast gefrustreerd ook nog ijdel. Dat hij zijn tijdsgewricht kon bespelen wordt ook duidelijk, maar een en ander doet nu af en toe hopeloos gedateerd en puberiel aan.

    Interessant is het hoofdstuk waarin Holman probeert te achterhalen waarom Reve zo’n persoonlijke stijl had ontwikkeld. Een stukje tekstanalyse waar we van smullen. Dat Carmiggelt een soort literaire leermeester is geweest van Reve durf ik echter te betwijfelen. Reve schreef wel eens een Kronkel als Simon Carmiggelt geen zin had. Kees van Kooten overigens ook. Zou Carmiggelt in de stijl van Reve hebben kunnen schrijven? Wel waren in de jaren ’60 en ’70 de epigonen van Reve talrijk. Zijn stijl werd met graagte nagedaan. Was uniek. Zo schrijft auteur Bob den Uyl later: “Het heeft me jaren gekost om van de Reve-stijl los te komen!” En Heere Heeresma schrijft met zijn Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp een antwoord op De avonden.

    De gedachte dringt zich op dat de schrijfstijl en droge humor van Reve meer sporen hebben achtergelaten dan zijn daden. Denk aan de programma’s van Wim T. Schippers of Jiskefet. Is zijn leven daarentegen wel zo interessant geweest? Gelukkig wordt ook het toneelwerk van Reve door Holman kort belicht en dat is nodig omdat het in de vergetelheid was geraakt. Verder zien we Reve in de oorlog aan de gang gaan (met trieste gevolgen!) en komen erachter dat het meesterwerk De avonden maar zeer gedeeltelijk autobiografisch was. Zijn Engelse avontuur wordt een deceptie.
    Het maakt het boek van Holman tot een prachtige opwarmer voor het echte werk en hij heeft ook nooit de pretentie gehad een volwaardige biografie te schrijven. Mooi voor scholieren om kennis te maken met de volksschrijver. Deze recensent heeft inmiddels een hekel aan hem gekregen.