• Op de grond spuwen

    Op de grond spuwen

    Dat ik nooit een boek kan vinden, daar lig ik wel eens wakker van. Het boek dat ik nu zoek, heeft een stevige omslag, wit van kleur. Zoals Een sterfgeval in de familie van James Agee, Romeinse koorts van Edith Wharton. Die dikte ook. Dacht ik. Ik liep mijn boekenkasten erop na. Als ik nu maar wist wie de schrijver was.

    Het kwam door De stenen engel van de Canadese schrijfster Margaret Laurence. Hoewel ze in het rijtje van Margaret Atwood en Alice Munro thuishoort, had ik nog nooit iets van haar gelezen. Ik las over een leven op de prairie waar een vader in een klein stadje een kruidenierswinkel runt. Waar een meisje met haar broer tussen de kieren van het plankieren trottoir naar muntgeld vist. Verloren door drinkers die op zaterdagavond slingerend over die plankieren op huis aangingen. Laurence schrijft over een samenleving van pioniers, ploeteraars, alcoholisten. Een tijd waarin geen enkel mate van geluk werd nagestreefd. Ze hadden wel wat anders te doen.

    De wereld is gebouwd op de verhalen die we elkaar vertellen. Denk Adam en Eva, een verhaal. Zonder verhaal geen houvast. Blijkbaar zoek ik naar houvast, een reling waarlangs ik de berg die ik in alles zie, kan beklimmen.

    Hagar, de vrouwelijke verteller in De stenen engel, denkt als oude vrouw terug aan haar leven in het pioniersstadje, haar huwelijk met een brute man. Hoe ze alles doorstond, ervandoor ging toen het moment daarvoor aanbrak. De kracht, overlevingsdrang die je alleen ziet bij onderdrukking. Denk Myanmar. Wacht. Ga niet te ver. Houd het bij het boek dat ik niet kon vinden. Het houdt mijn hoofd bezet.

    Het ene verhaal roept het andere op. Alsof mijn hoofd een internetverbinding aangaat. Klik, zie ik opeens het beeld van mannen, rokend, fluimen op de grond spuwend rond een kachel in een kruidenierszaak. Het was iets met Winesbury in de titel.

    En ja, er is een berg. Een uitnodiging een eerste exemplaar van een boek in ontvangst te nemen, of ik dat wilde. Maak mij niet zenuwachtig.

    En dan gebeurt me zoiets. Een onvindbaar boek is alsof de wereld stilstaat. Vroeg in de ochtend ga ik naar zolder, zoek dozen door. Vind niets. Ga nu maar schrijven aan dat andere, voor het weer deadline werk wordt.

    Toen was er opeens een naam, ik riep het uit, Sherwood Anderson. Natuurlijk, Sherwood Anderson. Voor de zoveelste keer neem ik de drie treden van het houten trapje om in de bovenste rij langs de letter A te gaan. Ik lijk wel gek, kan dit niet wachten? Nou ja zeg, het staat er gewoon. Winesburg Ohio. Wel de helft dunner dan ik dacht.

    Kijk, daar staan ze, bij de kachel. ‘Ze hadden overalls aan en in de winter droegen ze daar zware jassen overheen die vol modder zaten. De handen die ze naar de gloed in de kachel uitstrekten waren rood en gekloofd. Praten viel hen niet gemakkelijk, daarom zwegen ze meestal.’ Dat ik dat van die fluimen en op de grond spuwen er zelf bij bedacht heb. Dat alles een zelftest is.

     

     


    Inge Meijer schrijft over dingen die ze leest.

     

     

     

  • Zaken om te overdenken

    Zaken om te overdenken

    Wat je moet doen als het je teveel wordt. Pak een boek van een schrijver die als enige ambitie heeft een verhaal te willen vertellen. Een schrijver die met woorden een beeld schetst zoals een schilder een glooiend landschap opzet met daarin een stervende zwaan of een ingezakte schuur. Het is het beeld van de vergankelijkheid dat troost biedt. Verhalen waarin je wordt meegevoerd en toch op veilige afstand blijft, scheppen ruimte voor beschouwingen. Natalia Ginzburg (ik weet het) is zo iemand, en Updike en Steinbeck (ook al vaker over gehad) en Sherwood Anderson. In zijn verhalen in Winesburg, Ohio doen de mensen wat ze moeten doen. Een man een man een woord een woord. Zoiets.

    Ergens schrijft Anderson over vier broers die als ‘bezetenen’ werken en op zaterdagmiddag naar het dorp gaan. Waar ze in een winkel rond een kachel gaan staan en min of meer praten met andere boeren. ‘Ze hadden overalls aan en in de winter droegen ze daar zware jassen overheen die vol modder zaten. De handen die ze naar de gloed van de kachel uitstrekten waren rood en gekloofd. Praten viel hen niet gemakkelijk, daarom zwegen ze meestal.’ Een meesterlijk beeld waar ik uren naar kan kijken. Naar die kachel, waaromheen gestaan wordt. Ik zie een niet al te grote ruimte met een vloer van uitgesleten planken en een grote kachel waar mannen met stugge haren en ongemakkelijke lijven om heen staan. Die drinken en roken en van zich af spugen. Dan krijg ik ook zin om van me af te spugen. Het leek me zo op te luchten om van je af te kunnen spugen zonder te hoeven denken aan hoe de vloer daardoor bevuild zal worden. Wie dat dan weer schoon moet maken.

    Van de week had ik het boodschappen doen steeds uitgesteld. Dat krijg je als alles je teveel is, dan vertoon je uitstelgedrag. Ik moest het doen met een restje yoghurt, wat droge crackers en Sherwood Anderson. Lezen is altijd een goede reden voor wat dan ook. Ik ritste tussendoor met scheurend geluid stroken papier van de ongelezen kranten en stopte die in de kachel. Dat kan. Dat je een dag voor de kachel doorbrengt met de gebroeders Bentley, die alle vier sneuvelden in de Burgeroorlog. Tot overmaat van ramp overleed ook hun moeder nog. En de vader kon het niet meer aan en verwaarloosde de boerderij. Toen moest de jongste zoon Jesse, die in de stad studeerde, naar huis komen en de zaak overnemen. En door hem loopt het allemaal niet goed af. ‘Jesse Bentley was een fanaticus. Hij was in de verkeerde tijd en op de verkeerde plaats geboren, daar leed hij onder en liet hij anderen onder lijden.’ Zijn vrouw stierf in het kraambed. Jesse haalde er zijn schouders over op en werd een man die in een stoel zijn zaken overdacht. Ach, dat leek me ook wel wat. In een stoel zitten en mijn zaken overdenken en alles aan me voorbij laten gaan.

     

     

  • Observaties met een anekdotisch karakter

    Observaties met een anekdotisch karakter

    Stelt u zich voor, een dorp in het noorden van de Verenigde Staten met de onvermijdelijke Mainstreet waardoor men nog te paard gaat en de huizen vrijwel allemaal van hout zijn. Dit dorp kent aan het begin van de twintigste eeuw achttienhonderd zielen en ligt volgens Google twintig kilometer onder het Eriemeer. In de winter sneeuwt het er en in de zomer stikt men er van de hitte. Buiten de dorpskern bevinden zich de krotten van dagloners en eromheen liggen boerderijen, waarvan de rijke Jesse Bentley er meerdere bezit.
    De landelijke rust van de agrarische samenleving loopt na de Burgeroorlog op zijn laatste benen en de maatschappelijke veranderingen dringen zich langzaam op.
    Het hoofd van een boer die vandaag de dag in een dorpswinkel bij de kachel staat is tjokvol met de woorden van anderen, zegt de verteller, die daarmee aangeeft dat het tijdperk van de zelfgenoegzame enkeling voorbij is.

    In de hoofdstraat staat het New Willard Hotel, dat wordt gerund door het echtpaar Willard. Toms ziekelijke vrouw voelt zich geblokkeerd in haar liefdesverlangen en praat daarover met dokter Reefy. Ze zou haar man het liefste doden vanwege de barse toon die hij aanslaat tegen zijn zoon George, een lokale journalist die al het dorpsnieuws nauwkeurig bijhoudt en vastlegt, maar het liefst romanschrijver zou worden en in dit boek de spin in het web is.

    Het zijn observaties met een sterk anekdotisch karakter, die flarden van het dorpsleven blootleggen. Regelmatig betrekt de verteller de lezer bij het verhaal. ‘Dat moet u goed voor ogen houden,’ zegt hij bijvoorbeeld. De stoet personen die voorbijtrekt, wordt naturel geportretteerd. Anders dan wij tegenwoordig om ons heen zien, rennen ze soms uit wanhoop in het wilde weg door de weilanden. Velen hebben tics of andere lichamelijke gebreken, zoals Wing Biddlebaum (per abuis in het begin George Biddlebaum genoemd), die zijn handen niet kan meer stilhouden, omdat hij eerder in Pennsylvania leraar was met een te groot hart voor zijn jongens waardoor hij verjaagd werd vanwege vermeend seksueel misbruik. Het is dan ook niet vreemd dat er in het dorp twee dokters praktiseren. De meest spectaculaire, dokter Reefy, bouwt wankele pyramides van waarheden en haalt die weer omver. De gezinnen zijn vaak gebroken, het leven is hard, maar de trots van de selfmade man ongebroken.

    Veel verhalen staan in verbinding met elkaar, grijpen op elkaar in en gaan over de gespannen verhouding tussen de seksen, vooral bij de jongeren, maar daar zal de leeftijd van zoon George debet aan zijn. Hij maakt afspraakjes met Bellle of Louise die graag aan de man willlen, maar heeft een oogje op Helen White, de dochter van de bankier, die echter ook wordt begeerd door een potige concurrent. Ook anderen zetten onzekere stappen op het liefdespad, zoals een meisje dat niet weet te kiezen tussen een weinig daadkrachtige jongen die zijn mond vol heeft over maagdelijkheid en een ander die haar meeneemt naar een donker hoekje. Belle gebruikt de omgang met George als uitlaatklep voor haar gevoelens voor een barman. Een andere jongen wil graag met een meisje en zegt, om druk op haar uit te oefenen, dat hij weggaat uit zijn dorp, waarna hij niet meer terug kan komen op dat standpunt.
    Drama is er genoeg. De dominee ziet vanuit de pastorie onderwijzeres Kate, die ook al een oogje heeft op George, in bed roken en lezen en wil haar in zijn zondagse preek bekeren, maar raakt er in de loop der maanden aan verslaafd haar te bespieden. Van een zwaarder soort is het drama van de genoemde boer Jesse Bentley die zijn kleinzoon David meeneemt naar het bos om hem aan God te offeren. Verrassend, want niet zo vaak beschreven, is de zwaarmoedigheid van jongeren op weg naar volwassenheid. Aan het eind van het boek kijkt George achteruit en ervaart de, ook door James Agee zo mooi beschreven, melancholie van het inzicht, dat alleen een volwassene kan voelen.

    Met een paar streken penseelt Anderson het karakter van de dorpelingen. De verhalen doen vaak ouderwets aan door de wat knullige compositie, waarin een spanningsboog net zo gemakkelijk wordt afgebroken als opgebouwd, maar tegelijk geeft dat ongepolijste iets waarachtigs aan dit boek uit 1919. Voorafgaande aan de verhalen horen we over een oude schrijver die aan Het boek van het groteske werkt, dat honderden waarheden bevat. Dat geeft de teneur weer van de rest van het boek, namelijk dat ieder mens zijn eigen waarheid heeft, maar dat het grotesk wordt als men alleen daarin gelooft. Datzelfde denkt George, die voor zijn vertrek uit het dorp met Helen op een bankje zit en zich verplaatst in wat een buitenstaander zou zien.
    ‘Hij [de buitenstaander RS] huivert bij de gedachte aan de zinloosheid van het bestaan, maar als hij zich verbonden voelt met de mensen uit het dorp ervaart hij tegelijk zo’n intense liefde voor het leven dat de tranen hem in de ogen springen.’
    Met zo’n achterdoek kan een beginnend schrijver wel een poosje vooruit.