• Een zorgvuldige choreografie van woorden

    Een zorgvuldige choreografie van woorden

    Recensie door Sheila van Rheenen

    Drie weken verbleef de dichter Peter van Lier in het kunstenaarscomplex de Willem 3 te Vlissingen ter voorbereiding van een reeks gedichten in de Slibreeks – een ludieke naam voor een initiatief van het Centrum voor Beeldende Kunst Zeeland. In samenwerking met de kunstenaar Machteld van Buren ontstond Wisseling van de wacht, nummer 134 uit de serie met gelauwerde voorgangers als Kopland, Eijkelboom en Bernlef. Tot mijn verrassing bleek de Willem 3 geen boot maar een voormalige artilleriekazerne. Het statige gebouw dateert van 1850 en was tot 1922 in gebruik bij het Departement van Oorlog. Dat verklaart de titel Wisseling van de Wacht, ook al slaat die waarschijnlijk ook op de kunstenaars en schrijvers die Van Lier in het kunstenaarscomplex voorgingen en degenen die nog na hem zullen komen.

    De uitgave ziet er op het eerste gezicht aantrekkelijk uit. Van Buren maakte collages van oud beeldmateriaal met als achtergrond vaak een lief behangetje. Naast tekeningen en sober gebruik van grafische elementen duiken hier en daar wat lichaamsdelen op. Een rare landtong die een lap huid met een donkere tepel blijkt en diezelfde tepel als een enorme alarmknop op het borstbeen van een man getransplanteerd deden denken aan verschoten kiekjes uit een rariteitenkabinet.

    De rijkdom aan beelden is nogal overweldigend op de kleine bladzijdes. Bovendien moet de ruimte ook nog eens worden gedeeld met de gedichten. Die schommelen in miniscule letters over de bladspiegel en dat maakt letterlijk zeeziek.

    Ook in zijn voorlaatste bundel Hoor uit 2010 zwemt Peter van Lier typografisch gezien graag van de kant maar door hun witte achtergrond vormen zijn gedichten daar een minder grote belasting voor het evenwichtsorgaan. Een goede reden om zijn slibreeksgedichten nader te bestuderen op een wit vlak:

     

    ‘Met

    een kijker permanent

    paraat-

    oudjes aan
    zee.

    Gebroken bij
    windstilte?

     Geliefden die
    als

    schepen-

    kapseizen? Hier?’

     

    Die zorgvuldige choreografie van woorden biedt vooral optisch een ritmisch kader, want eenmaal hardop uitgesproken, worden de stiltes die Van Lier typografisch voorschrijft ongemakkelijk. Ze verstoren eerder dan dat ze ophelderen of aanvullen. De dichter waagt zich zelf ook niet aan het voorlezen van die stiltes, zoals blijkt uit een kort filmpje op www.lezen.tv waar hij een gedicht uit Hoor voordraagt, getiteld Smakelijk eten. In dat gedicht staat tussen de twee- en drieregelige strofes vier keer een zeer kort woord geïsoleerd op het spiegelblad, namelijk:

    ‘na’, ‘en’, ‘de’, ‘die’.

    In zijn voordracht spreekt hij de ruimte en nadruk die hij deze woorden op papier geeft niet uit, sterker nog: hij leest zijn gedicht zonder noemenswaardige pauzes, als een stukje proza. Bij Van Lier zijn de geïsoleerde woorden als het ware kilometerpaaltjes waar de stille lezer even kan verpozen om de omgeving wat nauwkeuriger in zich op te nemen. Ik begrijp hoe dat zou kunnen werken maar in Wisseling van de wacht is het geheel vaak niet meer dan de som van de afgezonderde woorden:

    ‘Maar/ geen/ kwaad woord over de/ bewoners; Willem/ bakt/ zijn/ worstjes/ gewoon goed als straks/ de pleuris uitbreekt weten ze hier wel/ wat/ te doen’,  schrijft hij in het tiende gedicht na wat historische context en gemopper op de stadsinrichting (van Vlissingen, neem ik aan) .

    Deze regels hebben wel erg weinig om het lijf en daar verandert het achteroverleunen bij woorden als ‘bakt’, ‘zijn’ of ‘worstjes’ weinig aan.

    Wisseling van de Wacht bestaat uit twee delen, getiteld I en II.
    Qua thematiek cirkelt Van Lier rond verleden en heden van een havenstad.  De twintig korte  gedichten beginnen steeds met een dik gedrukt woord en bevatten opvallend veel vraagtekens.  ‘Ook/ een bunker in je/ achtertuin?/ Dat/ een zeearm/ het/ land in/ trekt/ om eens flink/ te treiteren?/ treft niemand persoonlijk.’

    Dat beeld van een bunker als schaduwganger van een golfbreker is mooi gevonden maar door de aanpalende vragen vestigt de dichter de aandacht te nadrukkelijk op zichzelf. Met een beetje goede wil zijn deze regels ook te lezen als een parodie op reclametaal. ‘- de plaatselijke/ krant/ biedt recreatiemogelijkheden aan tegen / gereduceerd tarief als/ spasme?/, schrijft hij in een eerder gedicht. Dat is wel geestig maar toch staat Van Lier iets te pontificaal voor de ingang van zijn gedicht.

    Het Vlissingen in Wisseling van de Wacht is geen plek om lang te blijven. Tenzij je lelijkheid omarmt als een vorm van schoonheid.  ‘Ontluistering ligt op de loer, altijd en overal’, staat er op het achterblad van Hoor. Heel af en toe is Van Liers blik de dingen welgevalliger. ‘Het uitzicht hult zich tevergeefs in deining’ en ‘Lichamen ploffen neer maar gedijen wel’, zijn voorbeelden van observaties die scherp maar onnadrukkelijk zijn geformuleerd.

    In zijn licht hermetische gedichten lijkt hij zelf het meest op zijn gemak, zoals in onderstaand gedicht waar vaag de contouren van een brakende baggermachine zichtbaar worden:

    Hier,/ op het havenhoofd, toont zich/ terdege-/ ik zeg: ‘Stoom’, hij, vanachter zijn rug:/ ‘Bagger’./ Maar twijfel niet, indien nodig/ ben ik eerste hulp,/ zijn hoofd takelt nu al/ af/ van in de verte/ immens doorgaande activiteiten/ te billijken.

    ‘Ik doe echt pogingen om mijn eigen poëzie niet te kennen’, zegt Van Lier op de vraag of hij zijn werk uit het hoofd voordraagt, ‘Ik probeer mijn gedichten altijd zo snel mogelijk weer te vergeten.’ Je eigen gedichten van de gevoelige plaat bikken, dat lijkt mij geen eenvoudige excercitie. Ik vraag me af of ik de gedichten van Wisseling van de wacht ook kan vergeten, of wellicht kan proberen ze niet te meer te kennen. Onmogelijk. Of ik wil of niet, de bundel heeft voorgoed een plek in de ‘immens doorgaande activiteiten’ van mijn brein. Ik heb dat maar te billijken.

     

    Wisseling van de Wacht

    Auteur: Peter van Lier
    i.s.m. kunstenaar Machteld van Buren
    nr. 134 in de Slibreeks van CBK Zeeland, 2011
    Prijs: € 9,00

  • Magische paarden zonder oogkleppen

    Magische paarden zonder oogkleppen

    Recensie door Sheila van Rheenen

    Bij zijn vertaling van Pedro Calderóns Het leven is droom (1636), schrijft Eric Coenen in een toelichting uitgebreid over de betekenis van het woord hippogrief. Calderón gebruikte dit woord volgens Coenen in een culturele context die vier eeuwen later volledig aan ons voorbij gaat. In onze tijd is de hippogrief een fantastisch wezen met een zwak voor Harry Potter, maar een eeuw na verschijning van Calderons meesterwerk is het volgens een gezaghebbend Spaans woordenboek slechts een snel paard. De betekenis was dus door het succes van Calderón als toneelschrijver, maar waarschijnlijk zijns ondanks, volledig genormaliseerd.

    In Fantastisch, het eerste stukje in de gelijknamige bundeling columns van Maria Barnas die zij wekelijks voor het NRC schreef, betreurt de schrijfster de normaliserende neigingen van het brein. In haar ooghoek beweegt een stokbrood. Het blijkt haar kat te zijn. ‘Het valt me tegen van mijn fantasie dat ik nooit iets in mijn ooghoek zie bewegen dat ik niet al ken. Juist op het moment dat mijn gedachten voor alle mogelijkheden openstaan zou je toch mogen verwachten dat ze met iets verrassenders op de proppen komen dan met een brood.’ De paradox die Coenen beschrijft is omgekeerd van toepassing op de wereld van Barnas zoals zij die vorm geeft in haar stukken. Hier wordt niets genormaliseerd, integendeel, in haar werk is het alledaagse vaak een droomwerkelijkheid: ‘Ik zag ernaar uit dat iemand anders het voortouw in mijn gedachten zou nemen. Opgejaagd als door een zweep zouden mijn gedachten als trage manegepaarden gedwongen worden naar buiten te gaan, nieuwe sprongen te maken, nieuwe hindernissen te nemen. Ik zag ze in de verte al galloperen.

    Originele zienswijze

    Maria Barnas is beeldend kunstenaar, dichteres en schrijfster. Veel van haar columns gaan over beeldende kunst en zijn geschreven met het oog van een beeldend kunstenaar. Dat levert vaak prachtige stukken op met de kwaliteiten van interessante installatiekunst. Het zijn eerder ruimtes die uitnodigen tot eindeloos dralen dan teksten die je met de laatste zin tevens naar het eind van de ervaring brengen.

    In sommige gevallen is de poëtische inleiding tot Barnas’ observaties interessanter dan datgene wat haar tot die zijsprong bracht.
    ‘Er lag een jonge dode zwaan in de gracht. Zijn romp stak net iets boven het slijkbruine water uit en zijn lange koploze nek slingerde er als een onzorgvuldige herinnering achteraan’, schrijft ze ter inleiding van een stuk over het werk van Marijn van Kreij. Waarna een uitgebreide beschrijving en duiding volgt van het werk van de kunstenaar. Veel van de stukken beginnen op deze wijze, de schrijfster bevindt zich in een situatie, doet een observatie, waarna zij van de ene associatie vaak het werk van een kunstenaar, soms een dichtregel of een straatbeeld- naar de andere meandert. Die samenhang tussen fijne observaties en haar zorgvuldig genoteerde begrip van een kunstwerk biedt altijd een boeiend inzicht in haar originele zienswijze en in sommige gevallen meer dan dat.

    Jong Chinees bruidspaar

    In Geluk, één van de mooiste stukken uit de bundel, beschrijft ze hoe ze door Antwerpen loopt en hoe alles – huizen, straten, honden- aan haar voorbij gaat. ‘Ik was van tijdelijke aard.’, schrijft ze. Even later ziet zij in een krant een serie foto’s van een aardbeving. In een letterlijke oogwenk ontvouwt zich daar beeldsgewijs het begin en het einde van een jong Chinees bruidspaar. ‘De bruid heeft dezelfde kleur als het grauwe puin dat als een berg achter haar verrijst. Ze kijkt om zich heen, alsof ze een gezichtsuitdrukking zoekt die zou passen bij de ramp die zich voor haar ogen voltrekt.’ Leeft zij nog? Is zij dood? Barnas antwoordt met een citaat uit Showen en trippen, een gedicht van Anne Vegter: ‘Er is zielsveel geluk nodig in stralend weer voorzichtig te verongelukken. / Stemmen schreeuwen zeggen wade in plaats van jurk.’

    Het is een goed voorbeeld van de rijkdom aan materiaal die Barnas tot haar beschikking heeft om een sfeer te maken die zowel pijnlijk als onweerstaanbaar is. Door haar ogen is de wereld altijd verrassend, prikkelend, en soms te veel. ‘Ik geloof dat mijn levensgeluk in grote mate afhankelijk is van het vermogen om delen van mijn omgeving te negeren. Ik geloof ook dat mijn leven verrijkt wordt door het feit dat mijn omgeving altijd een manier verzint om als fel zonlicht door mijn oogkleppen te breken.’
    Dit schrijft ze ter inleiding van kleine en grote drama’s die zich rond haar afspelen en die zich aan haar opdringen als zij ergens in een haven rustig een kop thee probeert te drinken. Dat negeren van delen van haar omgeving, is blijkbaar iets wat Barnas’ niet komt aanwaaien.

    Overweldigende associaties

    De overvloed aan observaties en associaties in haar stukken is ook voor de lezer af en toe overweldigend. Het is jammer dat er voor haar wekelijkse columns geen plek meer was in het NRC Handelsblad. (Zij zal af en toe nog wel langere stukken schrijven voor het Cultureel Supplement.) Ter gelegenheid van haar afscheid en de verschijning van Fantastisch stond er een kort interview met haar in die krant. Op de vraag wat zij nu gaat doen, antwoordde Maria Barnas dat zij een nieuwe taal gaat leren en een roman gaat schrijven. Die nieuwe taal spreekt zij al wat mij betreft. Ik zie uit naar haar roman.