• Wie ben jij van mij?

    Wie ben jij van mij?

    Op 19 december 2022 bood toenmalig premier Mark Rutte namens de Nederlandse regering excuses aan voor het slavernijverleden. Hij sprak de veelzeggende woorden: ‘We delen niet alleen een verleden, maar ook een toekomst. Dus zetten we vandaag een komma, geen punt.’ Zo benadrukte hij het belang van erkenning en de gezamenlijke verantwoordelijkheid om een inclusieve toekomst op te bouwen. Zijn woorden waren een uitnodiging tot reflectie over de doorwerking van het koloniale verleden in het heden, en tot het voortzetten van een maatschappelijke dialoog.

    In haar voorwoord schrijft Shantie Singh dat de uitspraak van Mark Rutte haar inspireerde tot het schrijven van Na de komma. Hindostanen en de erfenis van het kolonialisme. Hierin onderzoekt Singh hoe de erfenis van kolonialisme en slavernij de Hindostaanse gemeenschap heeft gevormd en nog steeds doorwerkt in het heden. Met een combinatie van historische analyses en persoonlijke en collectieve verhalen schetst ze een indringend en genuanceerd beeld van deze complexe geschiedenis. In de inleiding stelt Singh dat haar boek niet alleen een oproep is tot dialoog en begrip, maar ook een hoopvolle visie wil bieden op een toekomst waarin recht wordt gedaan aan het verleden.

    Het overlevingsscript

    Het boek belicht uitgebreid het zogenoemde overlevingsscript van de generaties die Singh zijn voorgegaan: de verhalen die haar familie met zich meedraagt en die diep geworteld zijn in de koloniale tijd en de periode daarna. Deze geschiedenis wordt gekenmerkt door een onverwoestbare wil om te overleven: ‘De voorouders moesten zichzelf opnieuw uitvinden. Er moesten onder grote druk nieuwe verhalen, nieuwe lessen, nieuwe vaardigheden worden ontwikkeld.’

    Naast de koloniale geschiedenis van de Hindostanen onderzoekt Singh in hoeverre deze traumatische erfenis van invloed is op de huidige generatie. Ze vraagt zich af of het overlevingsscript van haar voorouders nog past bij haar eigen leven. Zijn de tradities nog steeds een bron van saamhorigheid en steun, of worden ze nu vooral gevoed door een angst die niet langer strookt met de huidige realiteit? Singh verweeft deze overwegingen met een zoektocht naar balans tussen erfgoed en moderniteit.

    Zonder gruwelijkheden uit de weg te gaan, benadert Singh alles vanuit verschillende perspectieven. Het ronselen van contractarbeiders bracht veel narigheid met zich mee — uitbuiting en ontberingen —, maar bood de mensen ook de kans om zich op hun toekomst te richten. Velen zagen het als een mogelijkheid om hun situatie te verbeteren. Anderen kwamen in verzet. Indrukwekkend zijn de pagina’s waarop ze de namen opsomt van verzetsstrijders die het verzet niet hebben overleefd, dikwijls door executie. Van sommigen is slechts de naam bekend. Dit is des te aangrijpender doordat Singh benadrukt hoe belangrijk een naam en het groepsgevoel waren. Als een grote groep mensen wegvalt, wordt dit verlies extra pijnlijk.

    De zichtbaarheid en strijd van vrouwen

    Bijzonder goed uitgewerkt zijn de hoofdstukken over de rol van vrouwen.‘De verhalen van vrouwen zijn door de geschiedenis heen het vaakst onzichtbaar gemaakt. Dat geldt zeker voor de vrouwen uit de koloniale geschiedenis. Hoe meer mensen haar verhaal horen, hoe meer zij uitgroeit tot een symbool tegen koloniaal onrecht.’ De zware strijd om de Hindostaanse vrouw meer zichtbaarheid te geven, belicht Singh aan de hand van haar eigen familie. Vrouwen die betrokken waren bij het verzet, zich losmaakten van familietradities, en het gemis ervaarden van familie die ver weg was omdat zij naar Nederland emigreerden in de hoop op een betere toekomst.

    Daarnaast legt Singh de link met het belang van taal. De taallessen (Sarnami) van haar moeder kreeg ze in de keuken. Hoewel haar vader Nederlands belangrijker vond, gaf haar moeder niet op, waarmee ze niet alleen de band tussen moeder en dochter bestendigde, maar ook liet zien dat taal veel meer is dan het beheersen van spreek- en schrijftaal: ‘Taal is je gereedschap in de wereld.’ Voor Singh werd taal de brandstof van haar verbeeldingsvermogen, met name om de verhalen van vrouwen in haar familie op te schrijven. Taal maakt verbinding en begrip mogelijk, stelt je in staat om verhalen door te geven en de vraag te stellen: wie ben jij van mij?

    Tussenkopjes onderbreken het gepassioneerde verhaal

    In sommige hoofdstukken past Singh tussenkopjes toe, bedoeld om onderscheid aan te brengen tussen de Hindostaanse geschiedenis en de familieverhalen. Hoewel deze indeling de informatie helder organiseert, kan de afwisseling van informatieve secties en emotioneel geladen passages ervoor zorgen dat de tekst soms fragmentarisch aanvoelt, en je uit de indringende sfeer wordt gehaald.

    Verder slaagt Singh erin om haar verkenning van de Hindostaanse ervaring te verrijken met een heldere boodschap over erfenis, identiteit en veerkracht. De kracht van Na de komma ligt in de emoties en inzichten die doorklinken in de verhalen van haar familie en de gemeenschap. Het roept op tot erkenning van de vaak onzichtbaar gebleven verhalen van vrouwen en biedt een krachtige reflectie op het verleden, die niet alleen het koloniale verleden blootlegt maar ook ruimte biedt voor heling en vooruitgang. Dit is een oproep om de komma te honoreren, de toekomst vorm te geven en de verhalen die ons verbinden tot leven te brengen.

     

     

  • Oogst week 27 – 2024

    Bechamel mucho

    Volgens de een kan lasagne niet zonder, volgens de ander juist liever wel: bechamelsaus. Bechamel mucho, het 59ste boek van Vlaming Dimitri Verhulst (Aalst, 1972), is in elk geval zo gelaagd als het pastagerecht, maar heeft er verder weinig mee te maken. In meer dan 30 landen is het werk van Verhulst vertaald, van De helaasheid der dingen en De laatste liefde van mijn moeder tot De intrede van Christus in Brussel en De laatkomer. Dit laatste boek gaat over dementie, maar Bechamel mucho zou zomaar net zo onvergetelijk kunnen worden!

    We volgen personage Alex, een animator in een hotel op vakantie-eiland Mallorca. Een echte charmeur bovendien, die met de ene na de andere vrouw in bed belandt. Hoe lichtvoetig dit ook klinkt, langzaamaan ontstaat een pijnlijk beeld van lege zomervakanties, die voor de eenzame dames niet meer zijn dan een doekje voor het bloeden. Of dit bloeden nu het weduwschap is, een verloren kind of een nare scheiding. Alex moddert aan en vraagt zich af, waarom de mensen om hem heen niet gewoon hetzelfde kunnen doen.

    Bechamel mucho
    Auteur: Dimitri Verhulst
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Na de komma – Hindostanen en de erfenis van het kolonialisme

    Op 1 juli wordt Keti Koti gevierd: de afschaffing van de slavernij. Langzamerhand ontstaat hierover steeds meer bewustzijn in Nederland, maar het blijft een gevoelig thema. Juist daarom verdient het boek Na de komma van Shantie Singh aandacht. De titel is geen willekeur: Nederland zet graag een punt, terwijl het slavernijverleden tot op heden doorwerkt in de levens van voormalig onderdrukten en hun nazaten. Dit geldt ook voor hindoestanen. Want nadat Afrikanen niet meer gebruikt mochten worden in Surinaamse plantages, liet Nederland gewoon werkkrachten uit Brits-Indië (Pakistan en India) overvliegen.

    Shantie Singh (Almelo, 1982) debuteerde in 2014 met Vervoering, een kroniek over een hindoestaanse familie, en schreef in 2020 de liefdesroman De Kier. Intussen had zij zich al aangesloten bij het schrijverscollectief Fixdit, dat zich hardmaakt voor sekse- en gendergelijkheid binnen de Nederlandstalige literatuur. Met de kritiek op het Nederlands kolonialisme geeft Na de komma andermaal blijk van Singhs maatschappelijke betrokkenheid.

    Na de komma - Hindostanen en de erfenis van het kolonialisme
    Auteur: Shantie Singh
    Uitgeverij: De Geus

    Friezen in Rome

    Atte Jongstra (1956) schrijft essays, dichtbundels en romans. Bovendien is hij redacteur van het Vlaamse literaire tijdschrift DWB en vaste medewerker van NRC Handelsblad. Voor de verhalenbundel De psychologie van de zwavel werd hij in 1989 beloond met de Geertjan Lubberhuizenprijs. Negen jaar later ontving hij de J. Greshoffprijs voor zijn essaybundel Familieportret. Publiekelijke bekendheid verwierf hij definitief met de historische roman De avonturen van Henry II Fix. En nu is daar het geestige, intrigerende Friezen in Rome.

    Fries geschiedkundige Atte Sixma werkt aan het Academisch Instituut in Rome, temidden van allerlei wetenschappers en kunstenaars. Hij doet onderzoek naar Friese strijders voor keizers en Vaticaanstad. Maar niet iedereen stelt zijn inbreng op prijs. Vooral vanuit Leeuwarden klinkt steeds hardere kritiek, zijn peers pesten hem en zijn seksuele uitspattingen komen hem ook duur te staan. Ineens wordt alles twijfelachtig: heeft het Friese volk überhaupt wel bestaan? En wat blijft er in roerige tijden over van Sixma zelf?

    Friezen in Rome
    Auteur: Atte Jongstra
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Babystapjes of meer?

    Babystapjes of meer?

    Aan de vooravond van de bekendmaking van de nieuwe Nederlandstalige literaire canon valt het manifest Optimistische woede in de brievenbus. In vergelijking met de top-tien van 2002 staat op de lijst met auteurs een (één!) vrouw, namelijk Hella Haasse, doorgeschoten van plaats zesentwintig in 2002 naar plaats acht nu. Op de lijst met titels prijkt zij op plaats twaalf met Oeroeg. Haar naam wordt de laatste tijd terecht vaak genoemd als de vierde grote Nederlandse schrijver naast de zogeheten ‘Grote drie’: Hermans, Mulisch en Reve.

    En toch blijft er voor het schrijverscollectief Fixdit, de auteurs van Optimistische woede, werk aan de winkel. Veel werk kun je helaas wel zeggen. Fixdit bestaat uit de volgende Nederlandse en Vlaamse schrijvers: Yra van Dijk, Sanneke van Hassel, Rachida Lamrabet, Jannah Loontjens, Munganyende Hélène Christelle, Christine Otten, Gaea Schoeters, Shantie Singh, Fleur Speet, Manon Uphoff en Annelies Verbeke.

    Met twee maten meten

    De titel van het manifest, met het woord ‘woede’ erin, is opvallend. Immers: werd een vrouw niet lang neergezet als onsympathiek als zij kwaad wordt? Woede was lang not done, want een vrouw moet beheerst en liefst gelaten zijn. En aan het andere woord, ‘optimistisch’ werd tijdens een door De Balie in Amsterdam georganiseerde avond ook wat getwijfeld. Daarover straks meer.

    Het boek bestaat uit elf over het algemeen sterke stukken tekst van de schrijvers van Fixdit en het wat schreeuwerig opgemaakte Fixdit Manifest in het hart van de uitgave. Met onderaan de pagina’s doorlopend namen van vrouwelijke auteurs. Wat ontbreekt zijn korte biografieën van de schrijvers, al zijn de meeste namen wel bekend. Misschien valt dit in hetzelfde genre als ‘die vermaledijde verklarende woordenlijsten’ die Rachida Lamrabet de deur uit wil doen, omdat je een roman primair met ‘een literaire blik’ moet lezen? Al is dit natuurlijk geen roman.

    Op de vraag waarom vrouwen zoveel minder literaire prijzen dan mannen winnen (iets waaraan Marja Pruis tijdens genoemde avond in De Balie overigens twijfelde), worden in het boek verschillende antwoorden gegeven: door structureel seksisme of door ‘vooroordelen en beelden die we collectief geïnternaliseerd hebben [over] hoe een schrijver eruitziet’ (Shantie Singh). En ook door de vooroordelen van witte lezers ten aanzien van vrouwelijke auteurs van kleur, zoals Rachida Lamrabet schrijft.
    Ook op een andere vraag, of vrouwen minder goed zouden schrijven dan mannen, volgen verschillende antwoorden: nee, maar er wordt in de literaire kritiek met twee maten gemeten en dit idee is een culturele erfenis van eeuwen. 

    Wat is een vrouwenboek?

    Verschillende auteurs zoeken een andere insteek. Zo vraagt Sanneke van Hassel zich bijvoorbeeld af wat een ‘vrouwenboek’ eigenlijk is en concludeert dat het woord gewist moet worden. Fleur Speet vraagt zich af waarom er zo weinig historische romans zijn met een vrouw als hoofdpersoon. Zij stelt dat dit ‘een verdacht genre’ is en de auteurs vaak als ‘vertelster’ worden geafficheerd. Vervolgens komt ze met de vraag of het komt omdat ‘velen van ons niet weten hoe boeiend de geschiedenis van vrouwen is?’ Misschien leidde dit tot het ontberen van een rijke traditie van verhalen op dat terrein. Ze stelt voor ‘trots te zijn op de onderwerpen en thema’s die vrouwen juist vanuit hun eigenheid in de geschiedenis te berde hebben gebracht’. Manon Uphoff noemt gelukkig heel wat uitzonderingen, zoals Jeanette Wintersons Frankusstein, Anne van Eekerens Mary, Hemelse mevrouw Frederike van Maaike Meijer en Het lied van ooievaar en dromedaris van Anjet Daanje.

    De vooruitgang gaat met babystapjes. Zo is er dit jaar weer een vrouw (Lize Spit) aan de beurt om het Boekenweekgeschenk te schrijven en won als zeventiende vrouw Annie Ernaux dit jaar de Nobelprijs voor Literatuur. Maar, schrijft bijvoorbeeld Gaea Schoeters: begin bij jezelf. Als recensent, als lezer, door meer aandacht te schenken aan vrouwen in de letteren om ‘door hun ogen, op een andere manier naar de wereld te kijken’. Jannah Loontjens doet het in dit manifest. Zij gaat in haar eigen werk perspectieven na en perspectiefwisselingen, van man naar vrouw, of liever naar ‘meer ervaringen die bij vrouwenlevens horen’. Of zoals Munganyende Hélène Christelle, die in haar bijdrage komt met enkele namen van ‘intersectionaliteit’, zoals Gloria Wekker die zowel als vrouw als zwarte wetenschapper op de barricaden klimt. Om het noemen van namen gaat het natuurlijk, zoals Gustaaf Peek terecht opmerkte tijdens de avond in De Balie. Pas als er geen namen meer worden genoemd, is iemand echt dood en vergeten. 

    Avond in De Balie

    Die avond viel op de dag na het lanceren van de nieuwe canon en werd georganiseerd in samenwerking met Fixdit. Zo’n avond is een goede zaak, want de canon is iets om over te blijven discussiëren. Het mag geen gestolde opvatting zijn. Praten over literatuur, gendergelijkheid, diversiteit en inclusie is winst. In De Balie mochten onder anderen drie mensen een naam noemen die zij in de canon hadden gemist. Gustaaf Peek kwam met Dé-Lilah (pseudoniem van Lucie van Renesse), Marja Pruis met Patricia De Martelaere, en Nikki Dekker met Andreas Burnier. 

    Wat deze drie sprekers deden, was opmerken wat Fleur Speet in het manifest schrijft: het werk van vrouwelijke auteurs moet in hun eigenheid worden gelezen, ‘niet in vergelijking tot mannelijke auteurs, niet met de huidige canon als maatlat, maar in vergelijking tot henzelf’. Als ‘autonome kunstenaars’, schrijft Manon Uphoff. Door mannen en vrouwen die zich niets aantrekken van welke canon dan ook. In de uitgeverswereld, door auteurs, de literaire kritiek, docenten, bibliothecarissen en lezers. Dan zijn we meer dan een babystapje verder.