• Al het voorbijgaande vastgelegd

    Al het voorbijgaande vastgelegd

    Volgens Van Dale’s woordenboek betekent de uitdrukking ‘waarvan akte: ‘Het staat genoteerd, het is vastgelegd’. Waarom het ook de titel is van de nieuwe en vijfde dichtbundel van Onno Kosters – die in 2012 de Turing Gedichtenwedstrijd won –  wordt al duidelijk bij het lezen van het eerste gedicht ‘Duisternis’. Daarin wordt verwezen naar het begin van alles: de oerknal, de chaos, de bron van alle leven. Kosters legt de geschiedenis van het leven vast in hoogtepunten, van alles wat voorbij is, om het op die manier te behoeden voor de vergetelheid. Sommige gedichten in deze bundel zijn al in eerdere bundels verschenen.

    Onno Koster is docent Engelse letterkunde en vertaler. Hij vertaalde onder meer werk van Seamus Heaney en Samuel Beckett. Zijn liefde voor James Joyce is ook aan te wijzen in zijn eigen werk; evenals Joyce hanteert Kosters ongebruikelijke composities en plaatst hij oude mythen in een moderne setting.

    Het eerste deel begint bij de Oude Grieken met gedichten over Heracles en de beoefenaars van de klassieke Olympische sporten als discuswerpen, speerwerpen en boksen, die afgebeeld staan op vazen waarvan een foto achterin de bundel is bijgevoegd. Sporthelden – ook in de oudheid – zien hun successen graag geboekstaafd. In deze gedichten verweeft Kosters zowel archaïsch taalgebruik als moderne taal. Naast versregels als ‘Vaarwel mijn vooruitsnellende voorgangers / die ik achter mij te laten dacht’ staan woorden als ‘fotofinish’ en ‘superslomo’ in hetzelfde gedicht bijeen. Het laatste gedicht van deze afdeling is een vertaling van het gedicht ‘Darkness‘ van Byron, waarmee de cyclus van deze eerste afdeling voltooid wordt.

    Gemakkelijk zijn de lange gedichten niet, al is het taalgebruik van Kosters uitnodigend helder. In één gedicht worden meerdere verhaallijnen doorgetrokken. Door de hele bundel heen lopen intertekstuele verwijzingen naar andere dichters als Donne, Dante en Dylan Thomas (‘Mijn moeder raast, raast tegen het sterven van het licht’ in ‘Hoe Heracles verdween uit Almelo’).

    Het tweede deel van deze bundel verhaalt van een reis van de dichter door Italië, maar ook hier wordt de klassieke oudheid nog niet losgelaten, getuige een gedicht als ‘Aphrodite’. De terugkeer naar de hedendaagse tijd voltrekt zich pas in het derde en laatste deel.
    In het bijzondere gedicht Geen dagje naar het strand, dat uit vier delen van elk zes strofen bestaat, heeft elke strofe per deel dezelfde begin- en eindregel. In het eerste deel begint elke strofe met: ‘Ik ging naar zee om de zee te zien’ in een verwijzing naar de eerste regel van het beroemde gedicht van Nijhoff De moeder de vrouw. Toch valt dit rederijkerskunstje niet als zodanig op, omdat Kosters in het gedicht klassieke stijlfiguren gebruikt in een rijmloze, strakke vorm, waardoor het geheel zich laten lezen als een oud epos. Zoals alle goede poëzie laat ook dit gedicht zich niet zo gemakkelijk in één uitleg vangen.

    In het laatste deel wordt de dichter persoonlijker: het gedicht Voltooid leven beschrijft een treurig oord waar demente vrouwen hun laatste dagen slijten:

    ‘Mijn moeder die ik voer
    als met de fles een kalfje
    in de dagbesteding op -1’

    Met in de versregel ‘De vrouw die eet of ze nooit at’ klinkt even een echo van Roland Holst: ‘Ik zag een vrouw die schreed alsof zij nooit zou sterven’.

    Ook dode dichters als F. Starik en Seamus Heaney worden hier herdacht, evenals de vader van de dichter, aan wie een ontroerend en opmerkelijk eenvoudig gedicht gewijd is. Maar het hoogtepunt van de bundel wordt toch bereikt in de serie van vijf gedichten die samen ‘Et in Arcadia ego’ vormen, waarin de dichter teruggaat naar zijn idyllische kindertijd op het platteland in de Achterhoek: ‘een jongen van acht uit een dorp in het Gooi / die mocht wat niet mocht waar hij was.’ Hier herinnert hij zich de oogsttijd, de gang naar de melkfabriek, het uitmesten van de varkensstallen, maar bovenal de vriend met wie hij de streektaal sprak:

    ‘In het Barlose spreek ik de taal
    waarin ik niet werd geboren:
    die mijn eerste tweede werd
    […]
    Vijftig jaar later of er niets is gepasseerd
    spreek ik de vorm van de taal nog van daar:
    […]
    geaard waar ik niet werd gepoot – hij wel
    die ik, met mijn vloeiend Achterhoeks
    ben kwijtgeraakt’

    Als dit een eerbetoon aan Seamus Heaney is, die volgens Arjan Peters (Volkskrant 12 oktober) ‘zo graag over de varkenstroggen en rapensnijders uit zijn Ierse jeugd dichtte’, dan is het laatste gedicht uit eerbied voor John Donne geschreven. Kosters vertelt achterin de bundel bij de verantwoording dat Donne het gedicht ‘Good-Friday, 1613, Riding Westward’ schreef, terwijl zijn hart naar het oosten trok. Kosters daarentegen vertrekt in tegenovergestelde richting, getuige zijn gedicht ‘Goede vrijdag, naar het oosten’, terwijl ook zijn eigen hart de andere kant opgaat:’

    ‘naar het oosten terwijl mijn gedachten
    voeren naar het westen waar het wacht
    de zonsondergang die mijn nu al zo lang
    doffer en doffer wordende moeder ontsnapt
    die in zichzelf een immer zwarter zwart verpakt
    dat niemand vat. De nacht die valt
    was er altijd al.’

    Het is slechts schijn dat deze gedichten glashelder lijken: niet voor niets doemt de duisternis op in bijna elk gedicht. Ook in Waarvan akte is de duisternis dreigend en onontkoombaar. Alles wat voorbijgaat, is vastgelegd in deze evenwichtige, zorgvuldig samengestelde bundel. Het zijn geen gedichten die zich gemakkelijk prijsgeven, maar wie aandachtig en geconcentreerd leest, wordt beloond met het beste wat de dichter te bieden heeft.

    ‘Ik keer het oosten de rug toe door erheen te gaan.
    Als dit is wat ik achterlaat, dan is het welgedaan.’

     

  • De macht om te binden of te ontbinden

    De macht om te binden of te ontbinden

    Saemus Heaney moet zich wel vermaakt hebben toen hem ter ore kwam dat er een relletje gaande was rond de Nederlandse vertaling van District & Circle, zijn bundel uit 2006 die in 2010 in Nederland werd vertaald en onmiddellijk uit de handel werd genomen. Door tijdgebrek en slordigheid was een onzorgvuldige werk ontstaan. De nieuwe vertaling uit 2010, door Onno Kosters en Han van der Vegt, vormt nu eens te meer een pleziertje voor de Ierse Nobelprijswinnaar. Vertalen is met de handen in de aarde van de taal zitten, schoffelen, dingen omgooien, echt vakwerk en ambachtelijkheid, en om die reden aan Heaney welbesteed. En nu is in zijn tweetaligheid dit vakwerk ook echt te volgen. In deze bundel, waarin als vanouds het Ierse landleven naast persoonlijke herinnering de hoofdrol spelen, kijkt Heaney ook terug op zijn lectuur van Wordsworth, Rilke, Seferis, Kaváfis, Neruda, Auden, hij incorporeert hun poëzie, vertaald ze en spreekt ze toe.

    Nu is dat niet het aantrekkelijkste deel van deze bundel. Heaneys oeuvre is een oeuvre uit een stuk, hij behoort tot de weinige dichters in wier werk op elke plaats een eigen en herkenbare toon te horen is. Een goede reden om als vertaler met de handen in het haar te zitten. Een uitstekende reden ook om te constateren dat Heaney in zijn eigen vertaling van gedichten van bijvoorbeeld Rilke, Rilke kapot maakt en er een vreemd samenraapsel van Rilke- en Heaney-elementen van maakt, een soep die niet smaakt.

    De bundel District en Circle bevat twee lange en veelbesproken gedichten: het titelgedicht, waarin een tocht met de metro mythische connotaties krijgt, en een variatie op een oud thema van Heaney, de ‘Tollund mens’. Deze gemummificeerde man die uit vierde eeuw voor Christus stamt en  in Denemarken in de jaren ’50 werd gevonden, is vanaf vroeg in Heaneys werk een heel aantrekkelijk motief gebleken. De man, die door een wonderlijk samenspel van grondlagen en weersinvloeden en chemische afscheiding van mos zeer goed behouden bleef, geeft een schok van herkenning door zijn ongelofelijk levensecht gelaat. Een tuimelende tijdreis deze ‘Man van Tollund’, en om die reden waarschijnlijk zo populair bij Heaney, die zijn ‘omkijken’  altijd heel ronduit en aards wenst vorm te geven. Toch zijn in deze bundel niet de dichtersgedichten, niet de langere kunststukken de ware attractie, maar is het de schijnbaar dagelijkse landwereld, waarvan we wel willen geloven dat die nog bestaat in Ierland.

    Hooitouw

    Die wirwar van zachte toevoer en voeding –
    handenvol aan een hoop hooi ontlokt,
    gevierd om op te gaan in het spinnen, vouwen,
    ineengedraaid en strakgetrokken, rikkerdekik, tot touw –

    maar even vaak hanteerde ik aan het andere eind
    de haak
    liep achteruit, wond met al mijn inzet
    door elke klink en knik het hele verhaal ineen
    om de eindjes in elkaar te vlechten –

                        in mijn linkerhand
    de uitgeboorde vlierstok met schroefdraad,
    in mijn rechter de vervaardigde streng.

                          De wind in mijn rug,
    de zon op mijn gezicht, de macht om te binden, of te ontbinden
    vergaard uit en gewrongen in elke ruk en slag.

    Deze wereld bestaat in Ierland waarschijnlijk zo min als in Nederland nog. Heaney herinnert hem zich, zoals hij zich Hughie O’Donoghue herinnert, en Mick Joyce, Creagh Meadows, Bobby Breen, en vele andere mensen en plaatsen die Heaney ‘door elke klink en knik ineenvlecht’ met de ‘macht van de dichter om te binden of te ontbinden’. Heaney dicht over landwerk en ambacht omdat dat de aardse taal van zijn omkijken is. Een portrettengalerij van gewone mensen is deze bundel daarmee ook. In de metaforiek van oude gebruiken en handelswijzen en woorden (egtand, aambeeld, kolenbak, slaaplelie, ransel) en de prachtig ontnuchterende gewoonheid van de beschreven mensen en wat zij doen: ‘op zaterdagavond in Loudans slagerswinkel / stonden we in de rij’ is District en Circle een rijke wereld in zichzelf.

    In de hoofdstraat van Granard kwam ik Duffy tegen,
    die ik nog kende van vóór de jaren des verstands,
    in korte broek in het lokaal voor Oudere Kinderen
    waar een keer op een winterdag juf Walls
    het hoofd verloor en ons de kuiten ranselde
    om vuilbekkerij waarvan we dachten dat ze die niet kon horen.
    ‘Godallemachtig ,’ riep Duffy uit, en liep op me af,
    z’n stok in de lucht, beide armen breed uitgespreid,
    godallemachtig! Weet je nog, dat Spaanse rietje?’

    Waarbij de vanzelfsprekendheid van dit gedeeld verleden en de humoristische schijnbare coïncidentie dat de schrijver van het gedicht zich Duffy herinnert om exact dezelfde reden als waarom Duffy zich hem blijkt te herinneren, precies de tijdsprong is waar het in deze poëzie vaak om draait.

    Een tijdsprong als bij de man van Tollund, de enige 2.500 jaar oude mummie die je vandaag gerust een knappe vent kunt noemen weet Heaney zijn eigen landsverleden en -verhalen, zijn sappig-archaïsche maar soepele taal, plezierig algemeen te maken, voor elke lezer, wars van opgeblazen dichterlijkheid. Heaney blijft goed.

     

    Deze recensie verscheen eerder in Poëzietijdschrift Awater.