• Slierten familie uit je ogen wrijven

    Slierten familie uit je ogen wrijven

    Poëzierecensie door

    Het duurt even voor je vat krijgt op de poëzie van Saskia Stehouwer. Misschien omdat de aandacht meer door een deel dan door het geheel wordt getrokken: de strofe in plaats van het gedicht, het gedicht in plaats van de afdeling of de hele bundel.
    Misschien zit het verstand er teveel tussen. Met beredeneren kom je niet zo heel ver in de gedichten van Stehouwer. Vaak zijn er momenten waarop de lezer de weg kwijtraakt. Toch zijn haar gedichten niet warrig. Dat je al lezende soms verdwaalt in de gedichten is misschien wel de bedoeling. De onzekerheid die het oplevert past wel bij een thema waarin veel onzekerheid woelt. Weliswaar wordt er vaak op een stellige manier vooruit gewezen naar een toekomst, maar misschien gebeurt dat alleen om die onzekerheid te bezweren.

    morgen ontmoet hij een jongen
    die een helder beeld heeft van zijn toekomst

    morgen zal hij iets kwijtraken en in een hotel gaan wonen
    om het terug te vinden

    Het lijken zinnen die iemand zegt om zichzelf gerust te stellen: morgen wordt het beter.

    Stehouwer maakt in haar gedichten vaak gebruik van de gebiedende wijs: ‘blijf aantekeningen maken’; ‘let op de lichtinval’; ‘teken een vis’, ‘stop voor je de laatste druppel / uit je sinaasappels hebt geperst’; ‘leg je hand op je hoofd en laat hem daar’. Ook dat lijkt te duiden op een zekere stelligheid. Maar de vraag is aan wie de strikte aanwijzingen gericht zijn. Zegt de ik dat tegen zichzelf? Dan lijkt het op een uiterste manier om zichzelf in de hand te houden, om overzicht te houden op de eigen situatie.
    Er zijn verschillende gedichten die verwarring over het perspectief opleveren. Is ‘je’ een ander of is het een verhuld ‘ik’? Het lijkt of vaak het laatste het geval is; vaak wordt de ‘je’ ook van binnen uit beschreven. .

    Meer

    waar je loodzwaar zwemt
    de schubben van een oud liedje
    op je huid gestempeld
    je hoofd dreinend onder de arm

    wij willen dat je blijft drijven

    het zicht is slecht
    je wrijft de slierten familie uit je ogen
    steekt een kaars aan
    voor de verkeerde god
    hij stuurt niemand

    je ademt in
    vult je longen met het slijm
    van pestende kinderen
    en ponykampen

    wij dirigeren de paarden
    op de oprijlaan
    tot ze in koor roepen
    dat je terug moet komen
    jij zwaait buiten beeld

    De ‘je’ in dit gedicht zou zomaar een ‘ik’ kunnen zijn. De ‘wij’ zijn dan de mensen om die ‘ik’ heen. Zij hebben het voor het zeggen. Zij kunnen zeggen hoe ze het willen, zij dirigeren de paarden. De ‘je’ heeft het lastiger: ze moet loodzwaar zwemmen, heeft slecht zicht en als ze een kaars aansteekt, is het voor de verkeerde god: er komt niemand te hulp.

    Er zijn pestende kinderen en ponykampen. Dat zou een herinnering kunnen zijn, zoals er meer verleden is: er zijn ook ‘slierten familie’ die het zicht belemmeren op de omringende wereld. Wie zijn die ‘ze’ die roepen ‘dat je terug moet komen’? Het zullen niet de paarden zijn. Is dat de familie die uit de ogen gewreven wordt?

    Het enige antwoord dat de ‘je’ geeft, is zwaaien naar degenen die naar haar roepen. Maar dat doet ze buiten beeld, zodat niemand het ziet. In de laatste regel is er een ‘jij’, wat nadrukkelijker is dan ‘je’. Zouden de stappen van ‘je’ steviger geworden zijn? Zou het zwemmen minder zwaar geworden zijn? Waar komt ze terecht nu ze haar eigen gang gaat? De gedichten van Stehouwer roepen altijd vragen op. Daarom houden ze me zo bezig.

    Die slierten familie slingeren door de hele bundel. In het gedicht ‘Glimp’ wordt gesproken over een vader die het huis uit loopt: ‘we zagen hem nooit meer’. Twee kantjes lijkt een sleutelgedicht over familie omstandigheden met daarin de volgende regels:

    we volgen het spoor van de vader
    tot aan de voordeur
    een kruis gekerfd naast de kruk
    tot hier en niet verder

    Het gekerfde kruis lijkt een magisch symbool om de vader tegen te houden. Indertijd tevergeefs gezet of nu, in dit gedicht, alsnog in de deur gekrast.

    Het weggaan van de vader heeft het ongetwijfeld moeilijker gemaakt voor de jeugdige ‘ik’. Maar in het slot van het gedicht laat ze zich er niet meer door weerhouden:

    ik kijk naar de tekening
    van een boot in mijn hand
    schuif mijn ribben recht
    en hijs de zeilen

    De bundel heet Wachtkamers, wat niet wil zeggen dat er alleen maar gewacht wordt op wat komen gaat. Vaker is te lezen dat de wachtkamers verlaten worden. Dat iemand daadwerkelijk op weg gaat en dat er een verleden wordt achtergelaten. Een ongemakkelijk verleden dat invloed heeft op het heden. Maar de ‘ik’ recht haar rug.

    Uit de gedichten van Stehouwer spreekt vitaliteit: frisse beelden, maar ook personages die zich niet neerleggen bij hun situatie. Of, zoals het in ‘Glimp’ staat: ‘we rechtten onze schouders / en ontdekten onze nek.’

    Veel gedichten in deze bundel zijn spannend. Ze maken nieuwsgierig naar de wereld die ze oproepen, veel meer hoeven gedichten niet te doen.

     

    Wachtkamers

    Saskia Stehouwer
    88 blz.
    € 12,50
    Uitgeverij Marmer 2014