• Onder de realiteit

    Onder de realiteit

    De verhalen in de bundel Onderwaterverhalen van Ineke Riem hebben iets ongrijpbaars. De personages dwalen rond in herinneringen en het verlangen naar wat verloren is gegaan of misschien nooit is geweest. De titel van de bundel is goed gekozen en geeft precies aan waar het om draait. Het zijn verhalen die onder de oppervlakte leven. Ineke Riem debuteerde in 2013 met de roman Zeven pogingen om een geliefde te wekken. In 2015 verscheen haar poëziedebuut Alle zeeën zijn geduldig en in 2017 de roman Rauw hart

    In deze bundel zijn twaalf verhalen opgenomen. Het is duidelijk waar elk verhaal zich afspeelt en in welke tijd, maar de personages zijn daar nooit echt aanwezig. Ze worden in beslag genomen door herinneringen en het verlangen naar een andere tijd, plaats, een verloren liefde, een eiland ergens in de oceaan, een fantasie of droom. Dat kunnen ze even boven water halen, maar niet bij zich houden. Het onherroepelijke verstrijken van de tijd maakt dat onmogelijk. In het verhaal Voorbereidende aardrijkskunde vindt een scholiere op de zolder van haar school een aardrijkskundeboek uit de jaren zestig. Ze ziet tekeningen van landschappen en dorpen die in die vorm niet meer bestaan. Alles verandert, niets blijft hetzelfde en dat stemt haar treurig. ‘Ik zou willen ontsnappen aan de tijd. […] Ik wil de oude wereld redden.’

    Herinnering, verbeelding en werkelijkheid

    De verhalen hebben geen duidelijke plot, begin of einde. We vallen op een zeker moment in het leven van het personage en mogen even met hem of haar meewandelen. Door het gekozen perspectief in een aantal verhalen lijken we er soms boven te zweven. Dan moeten we weer loslaten en verder gaan naar het volgende verhaal dat anders is en toch doet terugdenken aan het vorige. 

    Steeds weer bevinden de personages zich in een eigen en besloten wereld waarin herinnering, droom en verlangen belangrijker zijn dan de realiteit van het hier en nu. Dat maakt het moeilijk de verhalen exact te duiden, zoals de personages dat zelf ook niet altijd kunnen. ‘Ik kan er de vinger niet achter krijgen, […] maar sinds ik hier weer ben, lopen herinnering, verbeelding en werkelijkheid steeds in elkaar over.’

    Riem plaatst haar personages in verschillende tijden en op verschillende locaties. Van een villa in Pompeï tot de Hollandse polder en van de Azoren tot verdronken dorpen in Zeeland. Door de thematiek en de associatieve vertelstijl zijn de verhalen toch sterk met elkaar verbonden.
    In het eerste verhaal, Manomayakosha forever, is een meisje van dertien tegen haar zin van de stad naar het platteland verhuisd. Onder een brug in de polder kijkt ze naar stomme films met oude stadsbeelden van Parijs, Rome en New York. Het zijn werelden die niet meer bestaan, zoals ook de afbeeldingen in het aardrijkskundeboek geschiedenis zijn geworden. De antieke filmprojector waarop ze de films afspeelt, heeft ze gekregen van haar vriendje uit de stad. Ze kan niet meer bij hem zijn. Het bekijken van de films is ook een manier om aan hem terug te denken. 

    Terugkerende begrippen en woorden

    De herinnering aan een verloren liefde komt in meer verhalen terug. Dat kan een jeugdliefde zijn, een geheime liefde of een gedroomde liefde. In Souvenirs, het tweede verhaal in de bundel, wordt een oude dame geconfronteerd met de herinnering aan haar eerste liefde. Ze ontmoette hem in een zwembad waar ze graag kwam, omdat de warmte haar terug deed denken aan haar kindertijd in Indonesië. Ze adoreerde hem, maar hij liet haar in de steek.

    In het derde verhaal, Wiederkehr, keert een dichter terug naar de stad van zijn jeugd. Ook Indië komt terug. ‘Hij was een Duitser met dromen over tempo doeloe.’ Zijn jeugdliefde Emma droeg als meisje een gebatikte sarong. Tijdens het festival waar hij optreedt, heeft hij een vluchtige ontmoeting met een jonge vrouw die om haar hals een kettinkje draagt ‘met een kleine hanger van het hoofd van Nefertiti’. Deze hanger komt terug in het vierde verhaal Terug naar Thebe. Zo rijgt Riem de verhalen aan elkaar.

    Ze maakt daarbij veelvuldig gebruik van het motief van steeds terugkerende begrippen en woorden: bossen en bomen met als meest opvallende de reuzenboom sequoia, de zee, de walvis en de zeemeermin, schelpen, vormen als de spiraal en de kubus, de klassieke oudheid, Shakespeare, Egypte, Schotland, eilanden in de oceaan, het verlangen naar een verre reis, een schoolgebouw. Het zijn maar een paar voorbeelden. 

    Cirkels

    Steeds weer weet de schrijfster een associatie met de voorgaande verhalen op te roepen. De verhalen cirkelen om elkaar heen, zoals de spiraal op de schelp op het omslag. Elk verhaal brengt een nieuwe wending. Samen vormen ze een onlosmakelijk geheel. Het wekt dan ook geen verbazing dat het laatste verhaal de titel Cirkels heeft. Een oude man uit de ‘Nieuwe Wereld’ bezoekt in Griekenland het heiligdom van Delphi, de oude wereld. Bij de ruïne van een kleine, ronde tempel schijnt de zon in zijn ogen. ‘Om me heen zag ik overal cirkels verschijnen, elkaar overlappend in een patroon dat zich tot in het oneindige voortplantte. […] Was ik zelf ook een cirkel? Waren we allemaal cirkels die onderling waren verbonden in een eenheid, onze levens vol echo’s uit andere levens?’

    Riem creëert in Onderwaterverhalen een eigen wereld. Het is aardig om haar personages te leren kennen, maar de verhalen beklijven niet echt. Het is de vraag of dat erg is. Herinneringen, dromen en verloren werelden zijn nu eenmaal vluchtig en ongrijpbaar. Bovendien biedt elk verhaal een innerlijke wereld die wel eventjes fascineert maar vervolgens plaatsmaakt voor het volgende verhaal met daarin prettig herkenbare flarden van de verhalen die je daarvoor gelezen hebt. Dat maakt het boek vooral tot verstrooiende bellettrie.

     

     

  • Geweldig verhaal van niet-menselijke vertellers

    Geweldig verhaal van niet-menselijke vertellers

    Wat kunnen geitenwollen sokken, een slowjuicer of het dagelijks brood ons vertellen over een woongroep waarvan de leden geloven dat zij kunnen leven van licht en die daar zo ver in gaan dat een van hen sterft door ondervoeding? Een heleboel, zo blijkt uit de debuutroman Wij zijn licht van Gerda Blees. Eerder publiceerde zij de verhalenbundel Aan doodgaan dachten we niet en de poëziebundel Dwaallichten. In haar nawoord schrijft Blees dat ze zich heeft laten inspireren door het nieuws over het overlijden van een vrouw in een Utrechtse woongroep. Het was een opmerkelijk bericht en dat geldt zeker ook voor de roman die Blees geschreven heeft. Een fictief verhaal, schrijft ze, dat gezien moet worden als het product van haar verbeelding. 

    Wij zijn licht is niet alleen een product van de verbeelding, het is het product van een enorme verbeeldingskracht en een groot inlevingsvermogen. Het verhaal wordt verteld door 25 vertellers en de meeste daarvan zijn niet menselijk. Blees slaagt er prima in om van dode, normaal zwijgende voorwerpen en abstracties geloofwaardige personages te maken. Ze laat een cello of de twijfel net zo makkelijk aan het woord als de buren of ouders. Cognitieve dissonantie en sinaasappelsap zijn net zo geloofwaardig en reëel als de raadsvrouw of familieleden. 

    Compleet beeld

    In treffende, humoristische en soms ook beklemmende bespiegelingen maken we kennis met de leden van de woongroep Klank en Liefde, de wijze waarop zij samenleven en hoe zij geleidelijk aan het eten van voedsel afzweren.
    De nacht neemt als eerste het woord. Het is de nacht waarin Elisabeth door uitputting en ondervoeding sterft in het bijzijn van de drie andere leden van de groep. Zij roepen geen hulp in. Muriël en Petrus zijn op dat moment nauwelijks meer in staat hun eigen beslissingen te nemen. Zozeer staan zij onder invloed van Melodie, de manipulatieve leider van de groep en zus van Elisabeth. En zij zegt dat het goed is wat er gebeurt. De arts en de rechercheurs die de zaak onderzoeken, denken daar anders over. De overgebleven drie leden van de woongroep worden gearresteerd op verdenking van dood door schuld. 

    De door Blees gekozen entiteiten die het verhaal vertellen, hebben een gemeenschappelijke en voor het verhaal belangrijke eigenschap. Door hun aard kennen ze de leden van de woongroep bijzonder goed. De cello waar Melodie als jong meisje op speelt, voelt wat er in haar omgaat en het huis is uiteraard getuige van wat er zich in de woongroep afspeelt. Hierdoor zijn ze in staat de leden van de groep bijna van binnenuit te belichten. Tegelijkertijd geven zij hun eigen kijk op groep en individuele leden en de keuzes die gemaakt worden of beter gezegd, die door Melodie aan de anderen worden opgelegd. Hiermee geven zij de blik van de buitenstaander weer. Samen geven ze een compleet beeld en tonen ze op een fascinerende manier de discrepantie aan die er bestaat tussen hoe de woongroep naar zichzelf kijkt en hoe de buitenwereld hen ziet.

    Vermakelijke gretigheid

    De voorwerpen en abstracties zijn de stille getuigen die hier ineens een stem krijgen en daar maken ze volop en met graagte gebruik van. Ze doen dat in zinnen van soms een halve bladzijde lang, met een uitschieter van drie en een halve bladzijde. Het geeft het verhaal een cadans van noodzaak, alsof alles wat in de aanwezigheid van Melodie niet gezegd kon worden er nu in één ruk uit mag komen. Niet alleen vertellen de entiteiten over de ontwikkelingen binnen de groep, ze vertellen ook met een vermakelijke gretigheid over zichzelf, soms op een wat verongelijkte toon. Zo is het huis er niet blij mee dat het tot plaats delict is verklaard en de sigaretten weten wel dat ze niet gezond zijn, maar ze vinden het onjuist dat vergeten wordt dat ze de mens ontspanning brengen. Het is bovendien een slimme manier om relevante informatie te geven over het verleden van de groepsleden. Zo weet het dagelijks brood te vermelden dat Muriël er vroeger gek was op was en Melodie daarentegen vanaf het begin een moeilijke eter.

    Een eigen taal

    De eerste zin van het boek spreekt al direct tot de verbeelding: ‘Wij zijn de nacht’. Wij. Het verbinden van de meervoudsvorm van het werkwoord aan een zelfstandig naamwoord dat in het enkelvoud staat, houdt Blees heel het boek vol: wij zijn de raadsvrouw, wij zijn dementie, wij zijn de twijfel. Hiermee creëert zij een eigen taal en een eigen vorm. En het werkt. Is het op de eerste bladzijde nog even vreemd, daarna voelt het als een natuurlijke grammatica en ga je er makkelijk in mee. Taal is rekbaar, als je er maar goed mee omgaat. Blees doet dat. Ook met de eerder genoemde lange zinnen heeft ze geen enkele moeite. Ze lopen als een trein, zijn goed leesbaar en ontsporen niet. Blees laat zien welke mogelijkheden taal biedt aan een creatieve, inventieve en durvende geest. 

    Het consequent en geloofwaardig doorvoeren van de wij-vorm mist zijn uitwerking niet. Door de meervoudsvorm worden met name de voorwerpen en abstracties die aan het woord zijn groter en veelomvattender. Het tilt ze als het ware boven zichzelf uit. ‘Wij’ is alom aanwezig en omringt het gebeuren. Het is niet zomaar de beschouwing van een enkeling, maar van een groep, van 25 groepen, en dat legt meer gewicht in de schaal dan de individuele mening of observatie van een ik. Op deze manier kan het verhaal genuanceerder en veelkleuriger verteld worden, waardoor Blees de valkuil van rechtlijnig en te gemakkelijk oordelen vermijdt. Bovendien beschouwt de woongroep zichzelf als wij. De raadsvrouw constateert over Melodie: ‘… cliënte spreekt overwegend in de eerste persoon meervoud’ en Melodie zelf zegt:  ‘… wij zijn een groep. Wij zijn niet vier losse mensen.’ De buren zien het als volgt: ‘Als één persoon zag je ze door de wijk bewegen. Zij, die Melodie, voorop, en de anderen erachteraan.’

    Vindingrijk en gedurfd

    In een boek dat zo genuanceerd en vernieuwend het verhaal vanuit verschillende hoeken belicht, is het bijna logisch dat ook het verhaal zelf er iets over te zeggen heeft. Dat dit werkelijk gebeurt, verrast wel degelijk. ‘Wij zijn het verhaal’ is de meest onverwachte, vindingrijke en gedurfde stem. Een stem bovendien die nog wel het een en ander te melden heeft. Over de schrijver en de mogelijkheden die ze niet benut heeft en over de lezer die onzorgvuldig leest en er zijn eigen interpretaties maar op los laat. Het is een humoristisch en brutaal hoofdstuk, passend in een boek waarin de lezer geregeld direct wordt aangesproken. Dit maakt hem tot deelgenoot en nodigt uit tot overdenken. 

    Wij zijn licht is een geweldig boek. Het is creatief, vindingrijk, vermakelijk, brutaal en verrassend. En het klopt. De opvallende vertelwijze is niet zomaar een trucje. De gekozen vorm draagt bij aan de inhoud en maakt het mogelijk om over dit toch lastige onderwerp te vertellen zonder dat het zwaar of eenzijdig wordt. Tegelijkertijd is Blees er goed in geslaagd het onbegrijpelijke handelen van Melodie en haar volgers ook voor minder spiritueel ingestelde lezers inzichtelijk te maken. 

     

     

  • Blijdschap van een bijna vergeten verzetsvrouw

    Blijdschap van een bijna vergeten verzetsvrouw

    Tien fleurige borduurwerkjes versieren de binnenflap van De muren vielen om (1957) van Henriette Roosenburg, in een herziene vertaling van Wim Hora Adema. Het lijken emblemen. Niet iets wat je direct verwacht bij een boek over een vergeten verzetsvrouw uit de Tweede Wereldoorlog. Al op de eerste bladzijden wordt duidelijk hoe belangrijk deze borduurwerkjes voor Roosenburg zijn geweest. Ze heeft ze gemaakt tijdens haar verblijf in Duitse gevangenissen. Tien borduurwerkjes over negen gevangenissen en een laatste werkje over haar bevrijding. 

    Het leven binnen de muren was zwaar en uitputtend. Er was een tekort aan alles en politiek gevangenen, de groep waartoe Roosenburg en haar vrienden behoorden, stonden bij hun bewakers het laagst in aanzien. De zoektocht naar stukjes draad in de juiste kleur gaf een zinvolle invulling aan de dag en voedde de wil om te overleven. ‘De les die ik geleerd heb is dat mensen het leven kunnen houden onder de afschuwelijkste omstandigheden als ze iets buiten henzelf kunnen vinden om zich op te concentreren – zelfs al is dat maar een armzalig stukje katoen […].’

    Toch is dit geen somber boek. Integendeel. De ontberingen van de oorlog spelen een ondergeschikte rol. De muren vielen om is vooral een boek over bevrijding en de intens doorleefde blijdschap over de herwonnen vrijheid. 

    Avontuurlijk en gevaarlijk

    Henriette Roosenburg wordt op 1 maart 1944 opgepakt. Ze heeft als verzetsvrouw een flinke staat van dienst, reden voor de Duitsers om haar tot drie maal toe tot de doodstraf te veroordelen. Doordat de geallieerden steeds verder oprukken, wordt ze van gevangenis naar gevangenis verplaatst, steeds verder naar het oosten. Het vonnis is nooit uitgevoerd.

    Op 6 mei 1945 wordt de gevangenis in Waldheim door het Russische leger bevrijd. De blijdschap is groot, de verwarring ook. Roosenburg en haar vrienden Nel, Joke en Dries hebben geen vertrouwen in een repatriëring door de Russen en besluiten hun eigen weg te gaan, een keuze die tekenend is voor deze groep mensen. Ze staan aan het begin van een avontuurlijke en niet ongevaarlijke tocht terug naar Nederland en vatten het plan op om met een boot over de Elbe naar Hamburg af te zakken. ‘Maar nu waren we vrij en hier was Dries, de zeeman. Hij spiegelde ons het verrukkelijke vooruitzicht van een boottochtje over een brede rivier voor. Geen wonder dat we allemaal glimlachten toen we na een lang en opgewonden gesprek over deze nieuwe mogelijkheid op onze britsen klommen.’

    Vogelvrijverklaarden

    Op hun tocht over het Duitse platteland komen ze mensen van allerlei pluimage tegen: op drift geraakte soldaten en krijgsgevangenen uit allerlei landen en natuurlijk Russische soldaten van wie ze van tevoren nooit weten of ze goedwillend of kwaadwillend zijn. Bij elke ontmoeting worden verhalen uitgewisseld, waardoor het boek meer is dan alleen het verhaal van Roosenburg. Het geeft ook een beeld van de ontredderde en chaotische staat waarin Duitsland de eerste weken na de oorlog verkeerde. ‘Het was waar dat we als vogelvrijverklaarden leefden, zonder enig middel om onze identiteit te bewijzen. We waren ver van huis, dat misschien niet eens meer bestond, en we kwamen dagelijks improviserend aan de kost in een chaotisch, verslagen land, maar we waren vrij en we waren gelukkig.’ 

    Uiteindelijk belanden ze in een Russisch kamp voor ontheemden. Ze worden overgedragen aan de Amerikanen, maar het vertrek naar België en van daaruit naar Nederland duurt de groep te lang. Ook nu heeft Roosenburg geen zin om af te wachten en haar lot door anderen te laten bepalen. En weer trekt ze haar eigen, avontuurlijke plan.

    Het boek wordt afgesloten met een nawoord van wetenschapsjournalist Sonja van ’t Hof. Via het NIOD kwam ze in aanraking met de nalatenschap van Henriette Roosenburg en ze besloot verder onderzoek te doen. Ze gaat dieper in op het verzetswerk van Roosenburg en laat zien hoe het haar na haar vertrek naar Amerika is vergaan. Roosenburg (Jet) combineerde hulp aan piloten die wilden vluchten met spionage en smokkel. Ze had een groot netwerk. ‘Haar verzetswerk is in de geschiedschrijving van de bezetting gereduceerd tot enkele voetnoten en terloopse aanduidingen, een lot dat ze met meer verzetsvrouwen deelt. Het zou Jet niet hebben gedeerd; ze ambieerde geen heldenstatus en koesterde geen grieven.’ 

    Levendig en sprankelend

    The Walls Came Tumbling Down werd in 1957 in Amerika uitgegeven, de Nederlandse vertaling verscheen in datzelfde jaar. Het boek werd direct een groot succes, wat niet verwonderlijk is want het is in een vlotte stijl geschreven door dan journalist Roosenburg. 

    Zij vertelt haar verhaal in chronologische volgorde en in een heldere taal zonder literaire opsmuk. Het is de kracht van het boek. Een grote dosis aan literaire verbeelding zou afbreuk doen aan de authenticiteit en oprechtheid van het verhaal. Met haar levendige en sprankelende vertelstem, haar scherpe observaties en oog voor detail brengt ze haar geschiedenis en die van haar vrienden moeiteloos en op een natuurlijke wijze tot leven. De directe manier van vertellen trekt de lezer vanaf de eerste bladzijden het verhaal in.  

    De levenslust en het overweldigende gevoel vrij te zijn, is in elke alinea van dit boek aanwezig. Het komt terug in de positieve levenshouding en de kameraadschap van Roosenburg en haar vrienden, in de beschrijvingen van het landschap, in kleine en grote feestmalen en in de ronduit opgewekte taal. Woorden als vrolijk en (schater)lachen komen opvallend vaak voor. Natuurlijk zijn er de ontberingen, de ondervoeding en uitputting, de angst en onzekerheid of zij Nederland levend zal bereiken, maar Roosenburg legt daar niet de nadruk op. Dit boek wil niet somber zijn en daarmee is het fijn om te lezen, zeker in het jaar waarin we 75 jaar vrijheid vieren. 

     

     

  • De bank en de scherven

    De bank en de scherven

    Wat te doen als je vader die je jarenlang niet hebt willen zien plotseling oud en ziek bij je opduikt. Lin Bankers, hoofdpersonage uit de debuutroman Hawaï 2000 van Heidi Koren maakt een opmerkelijke keus. Ze prakkiseert er niet over om hem binnen te laten. Sterker, ze wil hem zo snel mogelijk kwijt. Als dat niet lukt, laat ze hem bivakkeren op de veranda van haar huis, in wind en vrieskou desnoods. Op die veranda staat haar nieuwe bank, de Hawaï 2000, gekocht omdat ze van de bedrijfsarts ‘leuke dingen’ moet doen. Lin zit namelijk thuis met een burn-out. De Hawaï 2000 kan niet door de deur naar binnen en daarom heeft ze hem zolang op de veranda gezet. Als Lin ’s avonds haar hond uit wil laten, zit op die bank haar vader, daar neergezet door zijn tweede vrouw. Met een briefje erbij.

    Dit absurde gegeven roept direct de vraag op wat zich tussen dochter en vader heeft afgespeeld. Waarom kan Lin niet het minste gevoel van mededogen voor haar dementerende vader opbrengen? De onalledaagse situatie brengt bovendien een laconieke en toch ook wat stekende humor in het verhaal.
    De vader (Lin noemt hem pa) laat het in zijn dementie gelaten over zich heen komen. Lin daarentegen absoluut niet. De plotselinge komst van haar vader schopt haar leven overhoop en daar was het toch al niet zo best mee gesteld. 

    Toevlucht in zwemmen

    Met name in het hoofdstuk ‘Zwemmen’ kijkt Lin terug op haar jeugd. Zij en haar jongere zusje Sanne groeien op in een verre van stabiel gezin. Ze gaan gebukt onder pa’s aanwezigheid en de ruzies tussen vader en moeder nemen alsmaar toe. Financiële problemen worden opgelost, maar vrolijk wordt het niet meer in huis. ‘[…] de klep van de nieuwe piano bleef dicht.’
    Lin zoekt haar toevlucht in het zwemmen. Ze is het liefst onder water, waar het stil is. Als ze aan de rand van het zwembad een rokende jongen ziet staan trekt ze een conclusie die bepalend is voor haar verdere leven. ‘Het zag eruit alsof hij in staat was zichzelf buiten de wereld te plaatsen. Niets leek hem te kunnen deren. Dat leek me het meest aantrekkelijke dat ik bedenken kon.’

    De moeder is uiteindelijk nauwelijks meer in staat voor zichzelf of voor haar dochters te zorgen. Toch verlaat de vader het gezin. ‘Pa liet mijn moeder, mijn jongere zusje en mijzelf achter in de niet-afbetaalde eengezinswoning in Dukenburg […]. Zelf ging hij wonen in het Groene Hart, waar hij introk bij zijn nieuwe vriendin, die al snel zijn vrouw werd en ook de moeder van zijn nieuwe kinderen.’ Het verwijt is voelbaar, de beschrijving nuchter en beheerst.  

    Haar leven lang is Lin op de vlucht. Als ze met haar hond wandelt heeft ze oordopjes in om de stilte te ervaren, zoals vroeger met het zwemmen, en zich af te sluiten van de wereld. Ze is gehard en houdt andere mensen op afstand. In eerste instantie noemt ze vrijwel niemand in haar omgeving bij naam. De namen van haar ouders vernemen we indirect vanuit een brief of envelop. Haar buurman is Buurman. Toch is hij het die zich om haar en haar vader bekommert.
    In het laatste hoofdstuk, ‘Scherven’, weet Lin de cirkel te doorbreken. ‘Ik heb het te lang laten duren.’ Je gunt het haar van harte dat ze de scherven van haar leven op kan rapen en een nieuwe start kan maken.

    Afpellen als een ui

    Koren heeft haar personage het beroep van psychotherapeute meegegeven en Lin weet precies hoe ze haar cliënten aan moet pakken. ‘De meesten zijn als uien die je laag voor laag kunt afpellen.’ Dat is ook wat Koren met haar personage doet. Het karakter van Lin en de kleine en grote gebeurtenissen uit haar jeugd die haar gevormd hebben, worden laagje voor laagje blootgelegd. Koren doet dit in korte scènes, met soms sterke details die verraden hoe het met Lin is gesteld. Ze benadert de gebeurtenissen in haar leven onderkoeld. Het is haar bescherming, die in een heel eigen en aantrekkelijke vertelstem tot uiting komt. Geen eindeloos gepsychologiseer of expliciete verklaringen. De scènes en dialogen spreken voor zich. Het stelt dan ook teleur als Lin aan het begin van het vijfde hoofdstuk vertelt wat het zwemmen voor haar heeft betekend. De lezer heeft dit al begrepen, waardoor het bijna voelt als een overbodig stukje uitleg.
    De taal is helder en de woorden zijn zorgvuldig gekozen. Misschien dat het daardoor opvalt dat Lin wel erg vaak ‘ogen op zich voelt branden’.  

    Merel

    Tegen het einde van het boek is er een korte passage waarin Buurman stelt dat ‘het’ toch niet de schuld van de vader is. Het is een interessante vraag. Kan de schuld alleen bij de vader worden gelegd? Mogelijk had hij zijn redenen, maar die kennen we niet. Het verhaal zoals Lin het ons vertelt, wordt bepaald door het perspectief dat zij als kind had. Een kind dat niet kan duiden wat er om haar heen gebeurt en waarom. De volwassen Lin wil van geen twijfel weten. ‘Ik wil dat het zijn schuld is.’ ‘Wel’ is haar stellige, bijna kinderlijke antwoord.
    Een verklaring voor het gedrag van de vader wordt niet gegeven, maar misschien is een antwoord te vinden in de gewonde merel die heel het verhaal bij hem op de Hawaï 2000 zit. Waar Lin als meisje ervan uitging dat haar ontsnapte parkiet vanzelf bij haar terug zou komen, geeft haar vader de merel die hem al die tijd op de veranda vergezeld heeft, de vrijheid. 

    In Hawaï 2000 wordt meer verteld dan er in woorden staat. Door de onderkoelde vertelstem wordt het nergens zwaar. Achter één enkele zin kan een wereld schuilgaan. Er wordt veel gezegd en veel ook niet en dat heeft in beide gevallen betekenis voor het verhaal. Het maakt deze roman voller dan zijn geringe omvang doet vermoeden.

     

  • Ook vogels kunnen schelden

    Ook vogels kunnen schelden

    In haar roman Het vogelhuis geeft Eva Meijer een stem aan de Britse violiste en biologe Len Howard (1894-1973), die in de tweede helft van haar leven een opmerkelijke keuze maakte. Ze trok zich terug uit Londen en betrok een cottage op het Engelse platteland om daar vogels te bestuderen in hun natuurlijke omgeving. De boeken die zij schreef, Birds as Individuals en Living with Birds, vonden hun weg naar een groot publiek.
    Het vogelhuis is een fictieve biografie. Belangrijk in het verhaal is Howards beleving van de verhouding tussen mens en dier, de vogels, dat ze als wezens gelijkwaardig zijn. Meerdere keren wordt in het boek gesproken over ‘mensen en andere dieren.’ Een zinsnede die overeenkomt met de visie van Eva Meijer en die ook terugkomt in haar eerder verschenen roman Dagpauwoog en het meer wetenschappelijke werk Dierentalen.
    Het schrijven van een roman over een personage dat werkelijk heeft bestaan, brengt een bepaalde verantwoordelijkheid met zich mee. Want hoe doe je recht aan de persoon Len Howard? Eva Meijer heeft zich in het leven van Howard verdiept door haar boeken te bestuderen en haar verhalen te lezen. Ook bezocht ze het huis in Ditchling, waar Howard woonde en sprak ze met mensen die haar gekend hebben.

    Het moment van terugtrekken

    Van kinds af aan voelt Howard een liefde voor vogels, net als haar vader. Ze groeit op in een milieu van kunstenaars, dichters en musici. Zelf speelt ze viool en treedt regelmatig op tijdens de avondjes die door haar ouders worden georganiseerd. Dan al wordt duidelijk dat ze zich in een wereld bevindt waarin ze niet past. Haar kijk op dingen is anders. ‘(…) de gesprekken gaan over buren, affaires, over wat buiten de lijnen valt, nooit over wat de lijnen ter discussie stelt.’
    Howard verhuist naar Londen waar ze werk vindt als violiste in een orkest en probeert haar leven in te richten zoals anderen om haar heen dat doen. Haar relatie met kunstschilder Thomas, is moeizaam: hij heeft aan haar alleen niet genoeg. Tevergeefs zoekt ze troost bij haar viool. ‘Ik blijf een vrouw in een kamer met een stuk hout in haar handen.’ Ook het lezen van haar aantekeningen over de koolmezen is onbevredigend. In Londen kan ze zich niet voldoende in hun gedrag verdiepen. De conclusie is even eenvoudig als veelzeggend. ‘Als ik niet wegga, is dit alles wat ik kan verwachten.’ Het is een kantelpunt in haar leven. Ze vertrekt uit Londen en trekt zich terug in een cottage op het Engelse platteland, ze noemt haar huis ‘Het vogelhuis’.

    Vogels als metgezellen

    Howards huis en tuin behoren aan de vogels, mensen zijn daaraan ondergeschikt. Mussen, roodborstjes, merels en vooral koolmezen zijn de belangrijkste bewoners. De ramen staan altijd open, zodat de vogels in en uit kunnen vliegen. Alleen zo kan Howard hun gedrag op een natuurlijke manier bestuderen en niet in een laboratorium, zoals dat in die tijd gebruikelijk was. Bezoek weert ze zoveel mogelijk. Niet zozeer omdat Howard geen mensen wil zien of mensenschuw zou zijn, maar omdat bezoek de vogels wegjaagt. Mensen kunnen niet stil zijn. ‘Ze zijn zo groot. […] Ze praten alsof ze zichzelf niet horen, alsof ze niet beseffen hoeveel ruimte ze innemen.’

    Menselijke eigenschappen

    Howard geeft namen aan de vogels met wie ze samenleeft: Kaalkopje, Groentje, Ster. Net zo makkelijk kiest ze voor namen die doorgaans aan mensen voorbehouden zijn: Charles, Billy, Pietertje. Dit geeft haar verhouding tot de vogels goed weer. Met een natuurlijke vanzelfsprekendheid ziet ze menselijke eigenschappen in haar vogels, die kunnen schelden of jaloers worden, verdrietig zijn of een tevreden uitdrukking hebben. Howard realiseert zich hiermee af te wijken van de gangbare wetenschappelijke en maatschappelijke norm. ‘Mensen denken dat ik vogels menselijke eigenschappen toedicht. Ze snappen niet dat die eigenschappen helemaal niet alleen menselijk zijn.’
    Soms twijfelt ze, maar uiteindelijk is de zekerheid dat dieren net als mensen emoties kennen sterker. ‘Ze zullen me van antropomorfisme betichten als ik over de pimpelmees schrijf dat ze om hulp vroeg, terwijl ik zeker weet dat dat gebeurde.’

    Eva Meijer zet Howards visie neer als een vanzelfsprekende, zonder uitleg en zonder de drang om te overtuigen. Waarmee ze ruimte geeft aan Howards twijfel. Hierdoor is ze erin geslaagd van Howard geen zonderlinge, mensenschuwe vrouw te maken. Ook is Howard geen verbeten of teleurgestelde activiste. De gekozen stem is rustig, innemend en intelligent, niet belerend of betweterig. Howard is een vrouw met wie je meebeweegt, zoals zij met de vogels en de natuur meebeweegt. Door haar ga je anders naar vogels kijken.

    Veranderen van vorm

    De hoofdstukken hebben in de titel een niet chronologische jaartal vermelding. Het begint met een proloog (1965), gaat terug naar 1900 en besluit met 1973, het jaar waarin Howard sterft. Het geven van jaartallen werkt goed, want niet alleen Howard maakt een ontwikkeling door, ze leeft in een veranderende tijd, van bijna Victoriaans naar modern. Hoewel dit op de achtergrond blijft, net als de twee wereldoorlogen. De hoofdstukken worden afgewisseld met verhalen over Ster, Howards favoriete koolmees. In de verantwoording schrijft Meijer dat deze stukken zijn gebaseerd op de verhalen die Howard zelf over Ster geschreven heeft. Het boek eindigt met hoofdstuk Ster 0. In dit hoofdstuk gaan we terug naar de kennismaking met Ster, terug naar het begin. Het verhaal is rond, het eindigt niet, het blijft. ‘De vogels laten me zien dat tijd niet de lijn is die mensen ervan maken. Dingen eindigen niet, ze veranderen alleen van vorm.’

    De stem die Eva Meijer aan Howard geeft, is een krachtige en eigengereide, maar ook een innemende en soms twijfelende. De stem van een vrouw die, in een tijd waarin dat allesbehalve vanzelfsprekend was, haar eigen weg ging. ‘De volgende ochtend sta ik vroeger op dan nodig zodat ik sporen kan maken, kan lopen zonder de sporen van anderen te volgen.’ Haar verteltoon is prettig en zacht. Misschien bereiken we een tijd waarin mensen met eenzelfde vanzelfsprekendheid als Howard beseffen dat zij ‘andere dieren’ zijn. Dit boek is een prachtig verwoorde bijdrage in die richting.

     

    Het vogelhuis is in 2018 als Bird cottage verschenen in Engeland, vertaald door Antoinette Fawcett.