• Ik wil mensen meeslepen, maar ga niet op mijn hurken zitten


    Sandra Langereis won onlangs de Libris Geschiedenis Prijs voor haar lijvige boek,
    Erasmus. Dwarsdenker. Het was de tweede keer dat ze met een biografie voor deze prijs was genomineerd. In 2014 miste ze hem voor De woordenaar, maar riep De Volkskrant de biografie van drukker Christoffel Plantijn uit tot de beste biografie, en Trouw tot het beste geschiedenisboek van dat jaar. Momenteel bereidt ze zich voor op een biografie van Eise Eisinga (1744-1828), bekend van zijn Planetarium in Franeker.
    Langereis studeerde geschiedenis aan de UvA en promoveerde daar in 2001 cum laude. Ze doceerde vroegmoderne geschiedenis aan die universiteit en aan de Leidse universiteit, tot ze als fulltime onderzoeker met Erasmus’ biografie aan de slag ging.
    Hoe kwam ze tot de keuze voor de gebiografeerden? En wat maakt dat haar boeken zo geprezen worden? We ontmoeten elkaar voor een gesprek in Theater Lux in Nijmegen. 


    U schrijft zo beeldend dat ik onderweg naar dit filmtheater bedacht dat Erasmus op basis van uw biografie zo zou kunnen worden verfilmd.

    ‘Ik kan me voorstellen dat u dat denkt. Bij het schrijven heb ik voor mezelf een soort scenario’s getekend. Ik maakte bijvoorbeeld een plattegrond van het klooster waarin Erasmus opgroeide: waar lag de tuin, waar de brouwerij, hoe was de indeling? En vervolgens hoe moet hij zich daarin bewogen hebben. Zo heb ik voor zijn reizen uitgezocht hoe het Europese wegennet er in Erasmus’ tijd uitzag. Welke afstanden legde je per dag te paard af. Deed je dat stapvoets of in draf? Paarden werden vaak gehuurd, zoals je nu een auto huurt. Als je de rekening van de herberg moest betalen stond daar naast de kosten voor je bed en je maal ook de portie hooi voor het paard op. Als dat filmische beelden oproept ben ik daar blij mee. Maar ik heb dat niet voor het effect gedaan. Ik wilde duidelijk maken dat Erasmus’ intrede in het klooster betekende dat hij als adolescent een autarkische wereld binnentrad, een in zichzelf gekeerde wereld die niets te maken wilde hebben met het leven buiten de kloostermuren. En dat het enorm inspannende, tijdrovende en kostbare ondernemingen waren, al die tochten te paard van de volwassen auteur Erasmus naar Venetië, naar Bazel, noem maar op.’


    De meest tot de verbeelding sprekende boeken van u zijn De Woordenaar en Erasmus. Dwarsdenker. Maar uw eerste publicatie betrof een minder avontuurlijk figuur, de Nijmegenaar Johannes Smetius. Hoe kwam u bij hem terecht?

    ‘Voor mij was de ontmoeting met Smetius wel degelijk een avontuur. Hij leefde in de 16de en 17de eeuw, de tijd waarin de vroegmoderne geschiedschrijving die aan bronnenvermelding doet is uitgevonden. Ik kwam met hem in aanraking toen ik een onderwerp zocht voor mijn doctoraalscriptie. Ik bestuurde daarvoor oude drukken aan de UvA en ik zag dat Smetius literaire geschiedschrijving combineerde met archeologische bronnen. Hij controleerde het verhaal over de opstand van de oude Bataven in de teksten van de Romeinse geschiedschrijver Tacitus aan de hand van archeologische vondsten, een beetje zoals Erasmus de overgeleverde Bijbeltekst controleerde aan de hand van eeuwenoude bijbelmanuscripten. Ik wilde op zo’n empiricus afstuderen.

    Ik heb toen veel tijd doorgebracht in het Gemeentearchief van Nijmegen, waar brieven van Smetius liggen. Daar bleken ze zelfs het manuscript nog te hebben van diens Nijmegen, stad der Bataven. Dat was heel uitzonderlijk, want in die tijd werden die na het drukken meestal weggegooid. Aan dat manuscript kon ik zien hoe het schrijven van Nijmegen, stad der Bataven evolueerde. Smetius plakte bijvoorbeeld notities over nieuwe archeologische vondsten in dat manuscript en stelde dan zijn tekst bij. Ik ben geïnteresseerd in de genese, de ontstaansgeschiedenis van teksten, in de ontwikkeling van het denken van auteurs, en in het effect van hun teksten op de maatschappij. Literatuur- en wetenschapsgeschiedenis is voor mij zoveel meer dan het bestuderen van gepubliceerde teksten alleen.’


    Loopt er een lijn van Smetius naar uw latere biografieën? Is er een grondthema dat steeds terugkeert?

    ‘Wat Smetius, Plantijn, Erasmus en mijn volgende onderwerp Eise Eisinga, alle vier gemeen hebben is een ongelooflijke ambitie en bevlogenheid. Het zijn cultuurmakers die zo geloven in de opdracht die ze zich gesteld hebben dat ze hun leven ernaar inrichten en er tal van opofferingen voor over hebben. Hun werk laat heel goed zien wat het belang is van literatuur en wetenschap voor de geschiedenis en de maatschappij. Het geeft mij troost om te zien wat cultuurmakers daar voor over kunnen hebben.’


    Hoe kon u vaststellen dat maatschappelijke veranderingen een effect waren van wat Erasmus deed?

    ‘Dat weet ik omdat ik veel kon vinden over de receptie van zijn teksten. Wat het effect van Erasmus’ geschriften was, valt bijvoorbeeld op te maken uit de vele brieven die hij kreeg. Daarin stond natuurlijk kritiek wanneer de afzenders orthodoxe theologen waren. Maar ik ga in mijn boek ook in op de brieven die hij kreeg van fans, gewone gelovigen, mannen en vrouwen. Ik heb uitgezocht wat voor vrouwen dat waren: abdis Clara Pirckheimer bijvoorbeeld, die dagelijks in Erasmus las. Of Margarethe Peutinger, de erudiete echtgenote van een Augsburgse stadssecretaris en moeder van volwassen kinderen, die thuis in haar eigen Bijbel aantekenende hoe een bijbeltekst volgens Erasmus gelezen en gecontroleerd moest worden. Erasmus liet die lezers zien dat de Bijbel mensenwerk was en dat de evangelisten en apostelen bijvoorbeeld retorische technieken gebruikten om hun boodschap over te brengen.’ 


    Om weer even naar onze tijd te springen zou Erasmus antivaxxers die zich op de Bijbel baseren op andere gedachten hebben kunnen brengen?

    ‘Jazeker. Veel van zijn lezers volgden hem in zijn boodschap dat je wel degelijk spiritueel bezig was als je de Bijbel kritisch las. Daarmee bedreef je geen ketterij, integendeel.’


    Waarom wilt u nu in het leven en werk van Eise Eisinga duiken? Het is een andere eeuw (de 18de en 19de) en met de natuurwetenschappen een heel ander wetenschapsveld dan dat waarin u zich tot nu toe bewoog.

    ‘Eisinga’s tijd is niet helemaal onbekend terrein voor me, want in Breken met het verleden (uit 2010, onder andere over de sloop van de Valkhofburcht in Nijmegen in 1795 tijdens de stichting van de Bataafse Republiek, A.A.) schreef ik ook al over die tijd. De Renaissance en de Verlichting vind ik erg boeiend. Het zijn mijn favoriete tijdvakken. Ik zoek na de eeuwen van Plantijn en Erasmus die uitdaging van een nieuwe periode en een nieuw wetenschapsgebied ook wel op, omdat ik niet in herhaling wil vallen. Toen Eisinga in Franeker zijn Planetarium bouwde deed hij dat als reactie op een manifest van een dominee. Die had in 1774 in de bijzondere conjunctie van planeten een aanleiding gezien om de ‘ontsloping van het heelal’ en het in de Bijbel voorspelde ‘einde der tijden’ aan te kondigen. Daartegenover wilde Eisinga met zijn geweldige kennis van astronomie zichtbaar maken dat God, de  ‘Grote Klokkenmaker’, juist harmonie in het heelal had verzekerd. Eisinga stelt mij in de gelegenheid om me te buigen over de spanning tussen natuurwetenschappen en geloof. Dat maakt hem interessant: dat hij in 1774 een educatief Planetarium bouwde dat in feite al een blauwdruk presenteerde van wat orthodoxe scholen nu intelligent design noemen.’


    Bij de uitreiking van de Libris Geschiedenisprijs tijdens
     het geschiedenisprogramma OVT, werd gezegd dat Erasmus een ‘vergeten schrijver’ is. U zei zelf dat we hem in Nederland niet goed kennen. Toch hoorde ik één van uw kinderen bij de uitreiking zeggen dat hij wel les had gehad over Erasmus. Hoe erg is het met die onbekendheid?

    ‘Het hangt er vanaf op welke school je zit. Volgens mij is Erasmus op de meeste middelbare scholen een onbegrepen figuur. Welke leerling, of leraar, kan goed uitleggen waar de historische Erasmus nu eigenlijk precies voor staat? Hij heeft iets met tolerantie te maken, verder komen veel mensen in Nederland niet. Hij schreef de Lof der zotheid, dat is bij aardig wat mensen wel bekend, maar dat hij ook met de Bijbel bezig is geweest en vooral om die reden in zijn eigen tijd geliefd was en tegelijkertijd gehaat werd door zowel katholieke inquisiteurs als protestantse leiders als Maarten Luther, is vandaag de dag vergeten. Mijn zoon David, die u dat hoorde zeggen, zat drie jaar op een gymnasium en daar heeft hij inderdaad een leraar gehad die over Erasmus als humanist en vertegenwoordiger van de Renaissance vertelde, maar dat is niet op alle scholen zo. Het is grappig dat David, toen ik zelf nog nauwelijks aan mijn biografie was begonnen, mij vertelde dat de opgestoken middelvinger van Erasmus komt. Dat leek me toen erg onwaarschijnlijk, maar toen ik de Adagia, de spreekwoordenverzameling van Erasmus, ging lezen kwam ik het daar tegen. Davids leraar had het denk ik gevonden in de vertaling door Jeanine De Landtsheer.

    Op de Nederlandse basisschool wordt geschiedenis, als er een gediplomeerde leraar voor de klas staat met in achtneming van wat er allemaal in het onderwijs is wegbezuinigd, gegeven op basis van de Canon van Nederland. Ik noem dat een ‘verkleuterd’ uitgangspunt. Hoe droevig het is gesteld met Erasmus op school zag ik eens in het tv-programma, De Beste Vrienden Quiz, een kennisquiz voor achtste-groepers. Er werd gevraagd naar de naam van een ‘wereldberoemde schrijver’ uit Nederland. Er kwamen steeds meer hints, zoals ‘hij is de schrijver van De lof der zotheid’ en ‘er is een beroemde Rotterdamse brug naar hem genoemd’. Het antwoord dat toen geroepen werd was Rembrandt.  Erasmus zit niet, of niet goed in de verhalen van leraren. En ik moet zeggen dat het met de Wikipedia- pagina over hem, het voor docenten niet aantrekkelijk is om hun leerlingen daarover een opstel te laten schrijven. Ik hoop dat geschiedenisleraren mijn biografie van Erasmus gaan lezen. Dat is een biografie en een geschiedenisboek inéén, waarin je niet alleen Erasmus, maar ook de eeuw waarin hij leefde op een compleet nieuwe manier leert kennen.’


    We hadden het al over het filmische karakter van uw biografie over Erasmus. Vindt u zich naast historicus en wetenschapper ook schrijver? 

    ‘Poeh. Even denken. Ik blijf wetenschapper, al probeer ik zo boeiend mogelijk te vertellen. Ik wil lezers wel meevoeren en ik gebruik verteltechnieken om dat te bereiken. Maar nogmaals, ik ben niet uit op effectbejag en ik ben wars van gaten dichten door fictie. Ik schrijf geen publieksboek en ik ga niet op mijn hurken zitten voor de lezer. Ik doe geen concessies op inhoud. Ik wil mijn lezers zoveel informatie geven dat ze met mij kunnen meedenken en zelf doordenken. Daarvoor moet ik ze wel eerst beetpakken.

    Ik heb naar aanleiding van mijn boek over Erasmus vaak nagedacht over mijn eigen schrijverschap. Ik kom uit een arbeidersgezin waar boeken zeldzaam waren, ik vroeg altijd een boek voor mijn verjaardag en was verder aangewezen op de bibliotheek. Ik was op de lagere school al gefascineerd door taal, schreef stukjes voor de schoolkrant en maakte boeken, ook stripboeken. Ik hield van strips. In mijn studentenjaren volgde ik ook colleges bij Historische Letterkunde en kreeg ik te maken met studenten uit hoogopgeleide gezinnen, mensen met universiteitsdocenten als ouders, die vertelden dat ze als kind thuis geen strips mochten lezen. Ik heb als kind van die strips kunnen opsteken hoe je een pakkend verhaal opbouwt. Elk plaatje moet iets beeldends en iets taligs hebben en aan het eind van de pagina moet een cliffhanger zitten. Oorspronkelijk verschenen strips als feuilleton in kranten en tijdschriften en kwam de volgende pagina pas een week later. Daar keek je naar uit.

    Ik probeer zo te schrijven dat de lezer dóór wil. Ik wil niet dat de lezer alleen het hoofdstuk over De lof der zotheid opzoekt en doorneemt en dan het boek dichtslaat: nee, ik wil de lezer 700 pagina’s lang vasthouden, zodat hij of zij uiteindelijk over álle werken die Erasmus schreef mijn verhaal heeft gelezen. Ik wil bereiken dat de lezer ook mijn uitgebreide verhaal over Erasmus’ nogal abstracte Bijbeluitgaven, of over Erasmus’ volstrekt onbekende bijbelse Parafrasen wil lezen. Ik moest aan die strips uit mijn jeugd denken toen ik tijdens het schrijven van Erasmus’ biografie mijzelf verraste door ergens een uitroepteken en een vraagteken na elkaar te zetten als uitdrukking van gespeelde verbazing, in de geest van Erasmus. Dat is in wetenschappelijke literatuur not done. Maar in dit boek over Erasmus durfde ik dat wel, zo’n experimentje met alledaagse humoristische interpunctie geeft de speelsheid van Erasmus’ eigen ongekunstelde literatuuropvatting heel goed weer. Ik gebruik in dit boek over hem ook literaire technieken die in wetenschappelijke literatuur ongebruikelijk zijn. Ik durf gerust een grap in te lassen of onverwachte vertelperspectieven te gebruiken. Dat deed Erasmus zelf namelijk ook.’


    Dat viel me inderdaad op. Ik raakte in de proloog in de war omdat u hem in de eerste zin meteen sprekend opvoert op een moment dat hij al dood was. Het bleek te gaan om een houten beeld van hem dat u een stem geeft.

    ‘Die verwarring wil ik ook. Hebt u gezien dat ik voorin een motto heb staan uit The Marx Sisters van Willem de Wolf? Dat is een acteur en tekstschrijver die ik erg bewonder. Ik ga graag en vaak naar theater waarin de spelers hun eigen teksten spelen, bijvoorbeeld De Koe, het gezelschap van Willem de Wolf. In The Marx Sisters is hij de acteur die een rol speelt en tegelijk de schrijver die op het toneel plotseling uit die rol stapt en schrijver Willem de Wolf is. Een heel subtiele, heel intellectuele, en ook heel geestige techniek die hem in staat stelt commentaar te leveren op zijn eigen stuk: best moeilijk te volgen voor een doorsnee theaterbezoeker, daar moet je een geoefend kijker van dit soort toneel voor zijn. In mijn Proloog probeer ik iets vergelijkbaars uit.

    Erasmus speelde zelf ook met rollen. Hij voerde zichzelf in een tekst als Tegen de barbaren bijvoorbeeld op als Erasmus, om zich vervolgens door één van zijn fictieve personages ter verantwoording te laten roepen. Ik laat in mijn Proloog een houten beeld van Erasmus tegen de biograaf zeggen: “Terug nu naar het echte verhaal! Voor zover dat kan dan. Er loopt zoveel door elkaar heen. Wat wordt het nou: geschiedschrijving of niet? (…) Hoeveel lagen wil je een verhaal geven, Langereis! Blijf eens simpelweg bij de feiten, mijn feiten. End fiction. Try fact! Laat mij anders liever zelf het woord doen”.  Het is een speelse en geestige maar ondertussen wel degelijk literair geïnformeerde manier om de lezer alert te maken op het feit dat dit geen rechttoe rechtaan biografie is van Erasmus, en dat deze biograaf van de lezer verwacht dat die mee puzzelt en meedenkt. Erasmus probeerde zijn lezers ook te leren hoe tekst werkt, hoe een schrijver zijn publiek stuurt.’


    In uw nawoord bij De woordenaar schrijft u dat het een feest was om uitgerekend dat boek te schrijven met twee kinderen die leerden lezen.  Wat bedoelt u daarmee?

    ‘Mijn boeken over Plantijn en Erasmus gaan voor een groot deel over leescultuur. Ik stelde in De woordenaar al vast dat de alfabetisering in de Lage Landen behoorlijk hoog was dat was in de tijd van de Renaissance eigenlijk alleen in Noord- en Midden-Italië en in de Lage Landen het geval. Ik was aan het denken over alfabetisering juist toen mijn kinderen leerden lezen. Ik kon dat van zeer dichtbij meemaken omdat ik bij hen op school leesmoeder was en hele klassen hielp bij de elementaire leeslessen door bijvoorbeeld met de kinderen te ‘flitsen’. Ik vond het fascinerend te zien hoe lees- en schrijfontwikkeling gaat. Die berust deels op talent en deels op scholing. De verschillen in individueel leertempo en leerniveau blijken in de eerste klassen meteen enorm. Toch leren uiteindelijk alle kinderen lezen en schrijven, ook kinderen met minder talent. Maar die enorme tempoverschillen in de eerste jaren maken dat sommige kinderen hun aandacht al heel snel kunnen verleggen van, bijvoorbeeld, het technisch uit elkaar houden van spiegelbeeldige letters als b en d naar inhoudelijker aspecten van het lezen en schrijven. Dat vergrootte mijn inzicht in de moeilijke vraag in hoeverre talent en scholing belangrijk waren voor de prilste ontwikkeling van een schrijver als Erasmus.’


    Van de vijftien winnaars van de Libris Literatuur Prijs hebben er drie geen eigen lemma in Wikipedia. Daar bent u er één van.

    ‘Die andere twee zijn zeker ook vrouwen.’


    Dat zijn Bart van de Boom en Roelof van Gelder. Waarom dacht u dat het vrouwen zouden zijn?

    ‘Omdat vrouwelijke cultuurmakers behoorlijk onzichtbaar zijn. Ik had het er een keer over met Neel Korteweg, de kunstenares van wie het Erasmusportret op het omslag van mijn boek is. Zij heeft dezelfde ervaring in de kunst als ik in de wetenschap.’


    Heeft u dan niet de behoefte de biografie van een vrouw te schrijven?

    ‘Ik ben niet in die zin een feminist (ze lacht). Mijn bijdrage aan het feminisme is dat ik bewijs dat een radicale historicus net zo goed een vrouw kan zijn. Ik beweeg me op terreinen die vaak het domein van mannen zijn. Er valt daarin voor vrouwen nog het nodige te winnen, er is nogal eens sprake van scepsis. Misschien wel afgunst zelfs. Mijn missie is eenvoudigweg dat ik me niet laat ontmoedigen en zeker niet laat intimideren.’

     

    Foto © Geert Snoeijer


     

     

     

     

     

     

    Erasmus. Dwarsdenker / Sandra Langereis / De Bezige Bij (2021)

     

  • Libris Geschiedenis Prijs 2021 voor Sandra Langereis

    Vanmorgen werd tijdens een speciale uitzending van radioprogramma OVT door juryvoorzitter Khadija Arib  bekend gemaakt dat Sandra Langereis de Libris Geschiedenis Prijs 2021 wint voor haar boek Erasmus: dwarsdenker. Een biografie. De jury noemt het boek over Erasmus een ‘originele biografie’ dat, ‘stoelt op briljant wetenschappelijk onderzoek, dat ondanks zijn omvang tot aan het eind toe meeslepend is, een boek dat je omver blaast.’

    De Libris Geschiedenis Prijs bekroont historische boeken die een algemeen publiek aanspreken. De criteria zijn dat het boek een oorspronkelijk onderwerp heeft, prettig leesbaar is en op gedegen historisch onderzoek stoelt.
    De jury vindt Erasmus, ‘een fascinerende en leerzame biografie over een van de markantste denkers uit de geschiedenis. Sandra Langereis gaat in haar onderzoek als een detective te werk, en reconstrueert waarom het voor Erasmus van het grootste belang was om in verschillende levensverhalen zijn geboortejaar te verhullen. Dit boek maakt inzichtelijk wat het humanisme en de Renaissance écht hebben betekend en laat zien waarom Erasmus, gedreven door zijn zoektocht naar de oorsprong van taal en verhaal van de Bijbel, een van de grootste humanisten ooit is. In krachtige zinnen laat Langereis de lezer kennismaken met Erasmus als mens, met al zijn goede en slechte eigenschappen.’

    Overige kanshebbers voor de prijs waren:
    Philip Dröge met Moederstad. Jakarta, een familiegeschiedenis
    Jelle Gaemers met Willem Drees. Daadkracht en idealisme
    Margriet van der Heijden met Denken is verrukkelijk. Het leven van Tatiana Afanassjewa en Paul Ehrenfest
    David Van Reybrouck met Revolusi. Indonesië en het ontstaan van de moderne wereld

    Aan de prijs is een bedrag van 20.000 euro verbonden. De niet-winnaars krijgen een bedrag van 1.500 euro als waardering voor hun prestatie.

    Lees hier de recensie Erasmus: dwarsdenker. Een biografie die op onze site verscheen.

     

    Fotograaf: Sander Heezen

     

  • Sherlock Holmes van de klassieken

    Sherlock Holmes van de klassieken

    ‘Op 27 juni 1598 vertrok Erasmus uit de haven van Rotterdam’. Dat lijkt geen spetterende openingszin. Behalve wanneer je weet dat Erasmus in 1598 al 62 jaar dood was. Sandra Langereis begint met die zin de Proloog van haar biografie van de Rotterdamse humanist, waarin ze de ontdekkingsreis beschrijft van vijf schepen met aan boord van één ervan een houten beeld van Erasmus. Het wordt een rampzalige tocht in de sporen van de Portugese ontdekkingsreiziger Magellaan. Alles zit tegen onderweg, de meeste opvarenden komen om en er komt uiteindelijk maar één schip aan op de bestemming. Op juist dat schip staat het beeld van Erasmus, die zo, zou je kunnen zeggen, overleeft. Het is een mooie metafoor voor wat de biografie ons nog zal voorschotelen over een man die ondanks een leven vol tegenslagen tot aan verkettering toe, volhardt in zijn ontdekkingstocht en triomfeert.

    Erasmus: dwarsdenker is de zeer toepasselijke titel van Langereis’ levensverhaal. Erasmus ging volkomen zijn eigen weg, tegen heersende stromingen in. En hij betoonde zich een vechtjas. Bijna zijn hele leven bleef hij verstoken van een vast inkomen en moest hij voortdurend passen en meten om boeken aan te kunnen schaffen en ook nog te kunnen eten. Hij zwierf door Europa van kamers bij vrienden naar morsige herbergen; pas in zijn laatste jaren in Bazel beschikte hij over vaste eigen woonruimte.

    Naar de bron

    Erasmus moest bovendien lang vechten tegen de gevolgen van zijn ‘illegale’ geboorte (hij was zoon van een priester en een ongehuwde vrouw), die voor hem, toen hij een jonge monnik was, de weg blokkeerden naar hogere functies. Hij verliet het klooster toen hij daar geen enkele ruimte kreeg voor zijn grote passie: het herschrijven van het Nieuwe Testament. Daarvan werd al eeuwenlang de zogenaamde Vulgaatvertaling van kerkvader Hiëronymus (door hem rond 400 in ‘volks’ Latijn geschreven versie) gebruikt. De (katholieke) kerk praktiseerde die versie enorm star, maar Erasmus realiseerde zich dat de Vulgaattekst al eeuwenlang niet was getoetst aan de bron. Het oorspronkelijke Nieuwe Testament was in het Grieks geschreven, een taal, die niemand van Erasmus’ tijdgenoten beheerste. Bovendien vonden boekvermenigvuldigingen vóór de uitvinding van de drukpers slechts plaats door kopiisten, ook dat al eeuwenlang. Het kon niet anders of daar moesten schrijffouten in zijn geslopen die door een volgende kopiist braaf werden overgenomen of – godbetert – naar eigen inzicht werden ‘gecorrigeerd’. Simpel gezegd: de Vulgaat die Erasmus in zijn jonge jaren ook gebruikte zou wel eens ver afgedreven kunnen zijn van wat er ooit in den beginne had gestaan.

    Taalkundige

    Zeg Erasmus, en menigeen zegt Lof der zotheid. Toch is dat lang niet het belangrijkste van de projecten die Erasmus bezighielden. Eigenlijk waren dat er vooral drie: (1) de toetsing van het Nieuwe Testament (de evangeliën, de brieven en het boek Openbaring) aan de bronnen, (2) een studie naar de werkwijze en commentaren van Hiëronymus, de samensteller van de Vulgaat, en (3) een verzameling citaten van klassieke auteurs die bekend werd als Adagia. Die drie projecten komen in de biografie van Langereis dan ook voortdurend terug.
    De voertaal van Erasmus was Latijn, de taal waarin hij zich zowel schriftelijk als mondeling uitdrukte. Erasmus leerde zichzelf Grieks om het Nieuwe Testament in de oorspronkelijke versie te kunnen lezen. Hij was in zijn bronnenonderzoek geen Bijbeluitlegger, maar een taalkundige. Hij keek alleen wat er werkelijk in de bronnen stond en toetste dat aan de gebruikte Latijnse tekst. Zo herschreef hij de Vulgaat tot zijn eigen Novum Instrumentum, een alsmaar uitdijend boekwerk dat hij pas laat Novum Testamentum ging noemen.

    George W. Bush

    Het leverde hem vanaf het begin kritiek op van halsstarrige kerkleiders, vooral als zijn bevindingen ertoe leidden dat eeuwenlang gehuldigde interpretaties niet klopten met het oorspronkelijke Grieks. Langereis noemt tal van voorbeelden die er bij zijn tijdgenoten (ze noemt die critici met een aan het Engels ontleende term ‘theologasters’) niet in wilden. Daaronder waren inderdaad schokkende fundamentele kwesties (voor de drievuldigheidsleer was geen steun te vinden in de Bijbel en de erfzonde was daar al evenmin in te vinden; het waren leerstellingen van respectievelijk concilies en kerkvader Augustinus). Maar er werd zelfs fel gedimdamd over de kleinste details.  Een amusant voorbeeld daarvan geeft Langereis met de kwestie ‘mumpsimus – sumpsimus’. Erasmus ontdekte dat de kerk ten onrechte in een formule bij de uitreiking van de hostie het woord ‘mumpsimus’ (‘wat wij in onze mond nemen’) werd gebruikt. Hij corrigeerde het tot wat er oorspronkelijk stond: ‘sumpsimus’. Maar de geestelijkheid bleef ‘mumpsimus’ zeggen (de anekdote heeft zelfs tot een lemma geleid in hedendaagse Engelse woordenboeken met als standaardvoorbeeld van een ‘mumpsimus’ George W. Bush die ‘nucular test’ bleef zeggen in plaats van ‘nuclear test’).

    Gummbah

    Daarmee zijn we meteen bij Langereis’ verteltrant. Ze schrijft bijzonder levendig waardoor de ingewikkeldste kwesties zeer behapbaar zijn voor een breed publiek. Ze kruidt haar verhaal met humor: een paragraaf die gaat over de tekens die werden gebruikt om aan te geven of een gebruikte passage in een manuscript authentiek was (die kreeg een sterretje) of verdacht (die kreeg een  bijltje) krijgt bij Langereis de titel ‘Asterisken en Obelisken’. En ze schrikt er niet voor terug om de moderne lezer aan boord te houden met herkenbare beelden. Zo zet ze Erasmus, die naast Bijbelvorser, vertaler was van Griekse klassiekers neer als ‘de Sherlock Holmes van de klassieken’.

    De tekst van Langereis is op meer plaatsen anachronistisch. Ze gebruikt termen als framen, sophisticated en cutting edge, met als toppunt een formulering als (ze heeft het dan over de kostumering in een stuk van Aristofanes) ‘acteurs in gummbahriaanse uitdossingen inclusief reuzevoorbindpenis’. Je ziet meteen het plaatje van de Volkskrantcartoonist voor je.
    Minder opvallend, maar niet minder amusant is dat Langereis in haar eigen tekst vaak citaten verwerkt uit Adagia van Erasmus, dat andere project waaraan Erasmus zijn hele leven werkte en dat alsmaar vermeerderde nieuwe drukken opleverde. Hij hield erg van de geschriften van de Griekse auteur Loukianos (Lucianus van Samosata), die in Erasmus’ tijd volkomen onbekend was. De man was met zijn taalgebruik en in zijn onderwerpen in zijn wereld al net zo’n dwarsdenker als Erasmus. De publicaties van de vertalingen door Erasmus van diens spotternijen over alles en iedereen die dacht anderen de maat te moeten nemen, zorgden vooral in kerkelijke kringen voor grote opschudding.

    Breed taalpalet

    Lof der zotheid, de satire waardoor Erasmus bij de meesten van ons bekend zal zijn, heeft wel wat weg van Loukianos. Hij bedacht zijn scherts over de eigenwaan en dommigheid van kerkleiders en vorsten toen hij logeerde bij zijn vriend Thomas More. Maar het boek was geen tussendoortje. Er verschenen, zo komen we bij Langereis te weten, vele varianten van die allemaal door Erasmus zelf zijn bewerkt en uitgebreid. De uitgaven van de Lof der zotheid die wij lezen (en wie dat nooit deed moet het beslist alsnog doen) zijn allemaal gebaseerd op de laatste versie uit 1532. Maar de eerste schreef Erasmus al in 1511. Langereis vergelijkt de eerste en de laatste versie met elkaar. Ook hier laat ze ons zien hoe fris en modern Erasmus eigenlijk was door hem ‘de oervader van het Nederlandse cabaret te noemen’.

    Erasmus: dwarsdenker is zeer gedetailleerd. Langereis beschrijft bijvoorbeeld uitvoerig hoe de vroegste drukkerijen werkten en wat er allemaal kwam kijken bij de verkoop van een boek (auteursrecht bestond niet zodat gemakkelijk roofdrukken ontstonden waarvoor de auteur geen cent zag). Niet verwonderlijk: ze is ook de biograaf van de befaamde drukker Christoffel Plantijn. Zeer gedetailleerd zijn verder haar weergaven van de oeverloze discussies tussen de gevestigde theologen en Erasmus. Daarin worden argumenten nogal eens herhaald en dat zou kunnen gaan vervelen. Maar Langereis weet met haar brede taalpalet die discussies steeds weer in nieuwe verfrissende bewoordingen te schilderen waardoor ze de spanning vasthoudt.

    Lieve God

    Erasmus had veel vrienden, maar daarvan waren er aan het einde van zijn leven al heel wat gestorven. Hij kwam zo steeds meer alleen te staan en de geluiden van degenen die hem verguisden klonken alsmaar luider. Toch was hij volgens Langereis geen martelaar: ‘Hij stierf als mens. In zijn eigen bed’.
    Erasmus kreeg nog wel een trap na toen het Concilie van Trente (in 1559) hem na zijn dood tot auctor damnatusverklaarde en al zijn boeken in de ban deed. Het kon niet voorkomen dat in Engeland (waar de Anglicaanse kerk zich afscheidde) en in de Republiek der Nederlanden Erasmus’ oeuvre al snel weer legaal werd. De Statenbijbel en de King James Bible zijn gebaseerd op diens levenswerk aan het Nieuwe Testament.
    ‘Lieve God!’ had de leerling-bediende Lambert Erasmus horen zeggen toen hij de laatste adem uitblies.

     

     

  • Oogst week 9 – 2021

    Schemervluchten

    Schemervluchten bevat de mooiste natuuressays van Helen Macdonald, wetenschapshistoricus, natuuronderzoeker, schrijver en professioneel valkenier. ‘Veel dingen waar ik van houd zijn niet-menselijk, ik merk ze op en wil iedereen erover vertellen’, zegt ze in een interview. Uit haar bestseller H is van havik bleek haar grote liefde voor de natuur al. In de diepzinnige essays van Schemervluchten maakt de auteur de lezer deelgenoot van onder meer de massale trek van zangvogels vanaf de top van het Empire State Building, van een zonsverduistering in Turkije, een rommelende vulkaan in de Chileense woestijn en de Australische droogte die haar hart breekt.

    Macdonald schrijft over onweer, mieren, bessen, paddenstoelen en herten voor koplampen. Haar observaties zijn persoonlijk en invoelend. Zo praat ze in het eerste essay, Nesten, door de schaal van een roofvogelei heen ‘met iets wat nog geen licht of lucht had ervaren, maar dat weldra met honderd kilometer per uur in één ontspannen glijvlucht zou meegaan met de door hem waargenomen draaiingen en kolken van een westelijke bries […] om vervolgens met scherp gepunte vleugels te gaan rondcirkelen, hoger en hoger, zo hoog dat het in de verte de Atlantische Oceaan kon zien schitteren.’
    De titel Schemervluchten is ontleend aan de vluchten in de schemering van gierzwaluwen, tot wel drie kilometer hoogte, vanwaar ze zich perfect kunnen oriënteren en kunnen zien wat voor weer het aan de horizon is. Met dezelfde blik verhaalt Macdonald over de natuur en de plaats van de mens daarin.

     

    Schemervluchten
    Auteur: Helen Macdonald
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Erasmus

    Sandra Langereis is historicus en biograaf en oogstte in 2014 veel lof met haar biografie De woordenaar over drukker en uitgever Christoffel Plantijn die in zijn tijd, medio de zestiende eeuw, al een beroemdheid was. Eerdere boeken over de Nederlandse cultuurgeschiedenis, waaronder Breken met het verleden uit 2010, werden geprezen om Langereis’ toegankelijke stijl en wetenschappelijke waarde.

    Nu is er Erasmus, dwarsdenker, waarin de auteur aan de hand van duizenden brieven van deze sleutelfiguur in het tijdvak tussen middeleeuwen en moderne tijd, zijn leven beschrijft en tevens zijn literaire erfenis in het licht zet. Veel van Erasmus’ werk en leven is tot nu toe nauwelijks geboekstaafd. Erasmus was van grote betekenis voor de literatuur- en wetenschapsgeschiedenis. Hij was een groot en onafhankelijk denker, vooral bekend door zijn Lof der zotheid, en wist zowel de paus als Luther  tegen zich in het harnas te jagen omdat hij van beide kanten tolerantie voor elkaars standpunten verwachtte en een afkeer had van religieus fanatisme. Erasmus bepleitte intellectuele vrijheid en vrede. Met onderwerpen die binnen de culturele, ethische en godsdienstige vorming vielen besloeg zijn werk het gehele gebied van het menselijk leven in zijn tijd. Sandra Langereis biedt daar met haar rijke biografie groot inzicht in en toont het belang van culturele geschiedenis.

     

    Erasmus
    Auteur: Sandra Langereis
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    De geheugenpolitie

    Op een eiland gebeuren vreemde dingen. Een politiemacht moet erop toezien dat zaken als hoeden, vogels of rozen uit het menselijk geheugen verdwijnen. Steeds meer dingen verdwijnen uit het straatbeeld en uit het collectieve geheugen. Als er weer iets ‘weg’ is gooien de mensen deze ‘vreemde’ dingen gewoon bij het afval of op een brandstapel. Degenen die zich de verdwenen voorwerpen nog wel herinneren proberen onder de radar van de geheugenpolitie te blijven, omdat ze weten vervolgd te zullen worden en vrezen voor hun leven. De redacteur van een jonge schrijver wordt door de geheugenpolitie gezocht en krijgt onderdak bij de schrijver. Ze verbergt hem in een ruimte onder de vloer. Zal haar schrijven hun beider redmiddel zijn? Ze werkt aan een verhaal over een vrouw die haar stem verliest en een man die haar laat communiceren door te schrijven.

    Maar langzamerhand sluit deze man haar af van de wereld. Zijn er parallellen tussen de schrijver en haar redacteur en de personages in haar verhaal? Deze uitmuntende vertelling doet denken aan totalitarisme en gaat vooral over de ontreddering die ontstaat als het geheugen het laat afweten.
    De Japanse Yoko Agawa (1962) schrijft romans, novellen en essays en won vele prijzen met haar werk. Voor De geheugenpolitie ontving ze de American Book Award. Twee van haar eerdere boeken zijn ook in het Nederlands vertaald: De huishoudster en de professor en Het zwembad.

     

    De geheugenpolitie
    Auteur: Yoko Ogawa
    Uitgeverij: Cossee