• Sander Kollaard onverwachte winnaar van de Libris Literatuurprijs 2020

    Niemand had het verwacht, ook de schrijver niet die maandagavond vanuit zijn thuisland Zweden, kort voor de winnaar bekend werd gemaakt, op ludieke wijze met zijn hond zat te tafelen. Waarbij ze hapjes uitwisselden, de hond een hapje van baasjes bord kreeg, en baasje een brokje uit de hondenbak nam, er smakelijk op kauwde. Hond en baas genoten zichtbaar, een papieren feestmutsje op het hoofd. Via een onlineverbinding was dit maandagavond te zien bij NPO Nieuwsuur.

     

    Toen bekend werd gemaakt dat de prijs naar hem ging, was de verbijstering, de schrik van zijn gezicht af te lezen. Het leek maar met moeite bij hem aan te komen dat de juryleden voor zijn boek Uit het leven van een hond, hadden gekozen. De jury koos, zoals gezegd, voor de uitzondering in de literatuur die volgens hen vooral bemand wordt door ‘moedeloze figuren in hopeloze situaties’, ze kozen voor een mensbeeld dat anderen steun kan bieden.

    Ieder jaar blijkt het een martelgang te zijn voor de genomineerden voor deze grote prijs. Elk jaar is er een gedoodverfde winnaar, dit jaar Manon Uphoff, iedereen had het verwacht bleek uit teleurgesteld reacties op social media. En er was een schrijver die het nu wel eens verdiende deze prijs te winnen, Oek de Jong. En die andere vier, die hadden evengoed een betekenisvol boek geschreven.

     

    De ochtend na de prijsuitreiking twitterde Sander Kollaard, ‘Wakker geworden. Dacht: er was iets. Vervolgens iemand met een megafoon, van zeer nabij, recht in mijn gezicht: LIBRISPRIJS! Schrok me een hoedje.’

     

    De overige genomineerden waren:

    Saskia De Coster met Nachtouders
    Marijke Schermer met Liefde, als dat het is
    Oek de Jong met Zwarte schuur
    Manon Uphoff met Vallen is als vliegen
    Wessel te Gussinklo met De hoogstapelaar

     

  • Vooruitkijkend naar de winnaar van de Libris Literatuurprijs 2020

    Vooruitkijkend naar de winnaar van de Libris Literatuurprijs 2020

    Komende maandag, 22 juni, wordt de Libris Literatuurprijs 2020 bekend gemaakt. Daarop vooruitlopend las criticus Rob Schouten de zes genomineerde boeken en deed daar verslag van in Letter & Geest, de weekendbijlage van dagblad Trouw, en komt met een winnaar.

    Schouten vraagt zich eerst af, en terecht waarom Otmars zonen van Peter Buwalda er niet opstaat en vindt ook dat de jury behoudend is geweest wat betreft de keuze van de genomineerden, want geen schrijvers van rond de dertig op de shortlist. Helemaal gezien het feit dat er de de laatste jaren ‘een enorme hausse’ aan talent is opgestaan. Hij mist dan ook schrijvers als Jamal Ouariachi, Ninã Weijers, Maartje Wortel en de ‘broertjes Heerma van Voss’.

    Wat geeft de doorslag, buiten dat het een goed boek is, wie er zal winnen? Zo overpeinst Schouten dat het eigenlijk gek is dat Oek de Jong, nu genomineerd met Zwarte schuur, nog nooit een echt grote prijs heeft gekregen. Wat doet vermoeden dat het dit jaar wel eens zou kunnen gebeuren. Maar ook dat elke jury graag een onderbelichte schrijver in het zonnetje wil zetten, en doelt daarbij op Sander Kollaard en zijn boek Uit het leven van een hond, een roman die volgens Schouten het zeker waard is de prijs te winnen. Zo neemt hij elke genomineerde titel onder handen en besluit dat het zes zeer geslaagde en verhalen vertellende boeken zijn die gaan over het mensbeeld van mannen en vrouwen. ‘Dat is kennelijk wat de literatuur nu vraagt: goeie verhalen.’

    Om te besluiten met een pleidooi dat de prijs naar Manon Uphoff moet gaan, ‘die van iets verwerpelijks in deze soms wel erg moralistische MeToo-tijden een subliem en spetterend vuurwerk heeft gemaakt. Echt heel erg goed.’

    De genomineerden zijn:

    Saskia De Coster met Nachtouders
    Sander Kollaard met Uit het leven van een hond
    Marijke Schermer met Liefde, als dat het is
    Oek de Jong met Zwarte schuur
    Manon Uphoff met Vallen is als vliegen
    Wessel te Gussinklo met De hoogstapelaar

    Lees hier het artikel op Trouw online.

     

     

  • Great Dutch Novel

    Great Dutch Novel

    ‘Op het puntje van haar tong ligt een theepot’, is titel en openingsregel van een gedicht van Martijn den Ouden in Tirade. Als je een woord even niet paraat hebt, ligt het vaak op het puntje van je tong. Op dat puntje balanceert een theepot. Drukt de tong zich tegen het gehemelte, vlak achter de voortanden voor de ’th’, en komen de lippen bij elkaar voor de ‘p’, dan rolt de theepot eruit. De geest van een dichter is een wonderlijk iets. Die van Delphine Lecompte het wonderlijkst van al. ‘We verorberen taart en uiteraard drinken we er jenever bij / Algauw liggen onze kleren onder de tafel en roken we een onzichtbare vredespijp.’ Ik zou wel eens in Lecompte’s hoofd willen zitten, om te weten hoe ze haar woorden tot zinnen smeedt. Geïsoleerde zinnen, elkaar uitsluitend. Toch ontstaat uit die ogenschijnlijk willekeurige zinnen een beeld, wordt een – absurdistische – geschiedenis vertelt. Er opent zich iets, alsof ik lang van huis ben geweest, ongewone dingen heb beleeft. 

    In het essay Pantha Rei – Alles stroomt over Stephan Enters werk schrijft Sander Kollaard dat literatuur moet uitnodigen tot het verlaten van de eigen ‘vesting’. Een waarachtig en enthousiasmerend essay. Beginnend met de eerste drie zinnen uit een verhaal uit de verhalenbundel Winterhanden, waarin een pannetje water aan de kook wordt gebracht. Kollaard duidt die eerste zinnen als een ‘handreiking’ naar de lezer, een stijlvorm. ‘Stijl, zo begrijpen we, is een vorm van empathie. Het is een middel voor de schrijver om zijn verhaal zo te vertellen dat de lezer het tot bloei kan brengen. Daarom is stijl – niet plot, niet thema of motief, niet inhoud of onderwerp – het kerningrediënt van grote literatuur.’ Drie heldere zinnen die, zo schrijft Kollaard ‘ons door Enter overhandigd [worden] als het doekje waarmee we de beslagen bril van ons solipsisme kunnen wissen, zodat we helder kunnen zien,’.

    Ik las nog nooit een zo oprecht ophemelend stuk van een schrijver over het werk van een literaire tijdgenoot: ‘Pastorale kan denk ik – naar analogie van de The Great American Novel – het beste worden gelezen als een Grote Hollandse Roman: een panoramisch beeld van een hele samenleving.’ En ik weet, Kollaard heeft gelijk! Zelfs als ik het boek niet had gelezen, zou ik hem geloven: Pastorale is The Great Dutch Novel! Wat een vreugde, alsof er een rivier is overgestoken, een andere kant is bereikt.
    Er staan meer overtuigende als even verontrustende stukken in deze Tirade. De loterij van Shirley Jackson (1916-1963), vertaald door Caspar Wijers, een gedwee verhaal over een traditionele loterij in een dorp met driehonderd inwoners, de uitkomst is schrikbaren, het ‘waarom’ houdt je bezig. Twan Zegers’ verhaal Vaderland over een aanslag in Parijs, is geladen met een schuldvraag dat aan het eind afgaat als een geweerschot. Julien Ignacio legt het gedachtegoed van een FvDer vast in Dagboek van een boreaal. Het leest alsof je je ergens aan brandt. En dan het besef dat heel de wereld brandt. Waar halen we het bluswater vandaan?

     

    Overige bijdragen in Tirade Nr. 477 van Hans van Pinxteren, Lizette van Geene, Ineke Riem, Marita Mathijsen, Elfie Tromp, Daan Doesborgh en Sasja Janssen, de (evenwichtig treffende) illustraties zijn van Jeska Verstegen  / Van Oorschot (2019).


     Inge Meijer (pseudoniem), reist met het OV, schrijft over haar belevenissen onderweg en aan de rand van de literatuur.

     

     

  • De grandeur van alledaagse gebeurtenissen

    De grandeur van alledaagse gebeurtenissen

    ‘Het hart klopt.’ Henk wordt wakker en dit is zijn eerste gedachte. In zijn nieuwe roman Uit het leven van een hond beschrijft Sander Kollaard de dag van Henk die volgt op deze gedachte. Deze dag uit het leven van een hond is net zo goed als een dag uit het leven van Henk. Kollaard volgt zijn personage op deze ogenschijnlijk doodgewone zaterdag. En terwijl hij dat doet, richt hij zijn blik ook soms achteruit naar Henks verleden, en naar het leven dat nog voor hem ligt. Het levert een intiem portret op van alledaagse gebeurtenissen, die onderdeel blijken te zijn van een grootser verhaal.

    Levenslust
    Henk van Doorn: veel gewoner worden personages niet. Ook qua naam niet – of ze moeten Erik van Duijn heten, zoals de hoofdpersoon uit Kollaards debuut Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde. Henk is 56 jaar, IC-verpleegkundige en hij woont in Weesp. Sinds een aantal jaar gescheiden. Kollaard omschrijft hem als iemand die ‘maar een paar passen voorloopt op het moeras van een depressie’. Maar ondanks dat is hij géén cynicus, vol wrok over het bestaan, kankerend op het leven. Hij heeft zijn levenslust weten te behouden.

    Dat maakt de alledaagsheid van Henk wat minder gewoontjes dan je zou denken. En dat maakt ook dat deze dag net wat anders loopt dan anders. Om te beginnen blijkt het niet goed te gaan met Henks hondje Schurk. Het is een bloedhete dag in juli en bij het uitlaten rent hij niet even enthousiast achter Henk aan als anders. Later constateert de dierenarts hartfalen. Met medicijnen kan de hond nog een paar maanden blijven leven, maar over toch niet al te lange tijd zal Henk hem moeten laten inslapen.

    Daarmee lijkt Uit het leven van een hond een deprimerend boek te worden, maar dat is het allerminst. Dat komt ook doordat deze dag Henk wat bijzonders brengt. Het is bijvoorbeeld de verjaardag van zijn nichtje Rosa dat zeventien jaar wordt. Hij heeft een bijzondere band met haar die behalve familiaal is, ook een beginnende vriendschap in zich draagt. Op het feest drinkt Henk stevig wat hem veel losser en ongeremder maakt dan gebruikelijk. Dat zou veel gênante momenten kunnen opleveren, maar het gaat allemaal net goed – en het brengt hem onverwachte ontmoeting.

    Zure, stuurse gezichten
    Een onverwachte ontmoeting, zeker, maar dat – in het algemeen eigenlijk: de plot – is niet wat Uit het leven van een hond bijzonder maakt. Wat deze korte roman zo sterk maakt is onder andere de stijl van Sander Kollaard. Hij volgt zijn personage nauwgezet, maakt mooie observaties en weet ze te vangen in prachtige beelden, zoals: ‘Met die eerste gedachte dienen zich nieuwe gegevens aan. […] Van harte gaat het niet. De nieuwe gegevens komen aansjokken als pubers die net wakker zijn en met zure, stuurse gezichten aan de ontbijttafel gaan zitten.’

    Kollaard schetst een mooi portret van Henk. Soms komt hij heel dichtbij, op andere momenten beziet hij hem van een afstandje. En in de afstand tot Henk ontstaat ruimte voor Kollaards subtiele humor.

    ‘Inmiddels slaapt Henk heel rustig […] Zijn mond is opengevallen. Er loopt een sliertje speeksel  vanuit zijn mondhoek langs zijn wangen. Hij heeft zich niet geschoren zodat op de wangen een grauwsluier is ontstaan, en daar zoekt het sliertje speeksel zich een bedding, als in een woestijn waar na lange droogte het eerste water weer vloeit, aarzelend nog, als voorbode van de moesson, of hoe dat in een woestijn ook heet.
    Nog eens: het is werkelijk een zegen dat Henk zichzelf nooit zo zal zien.’

    Hart
    De gedachte waarmee Henks dag begint – het hart klopt – is een overblijfsel van een discussie die hij de dag ervoor met een jonge collega voerde. Volgens deze collega is het hart slechts een pomp – het klopt en verder niets. Een kille kijk, vindt Henk. Want lichaamsdelen zijn meer dan slechts dát, ze lenen zich goed voor beeldspraak om onze gevoelens te verwoorden. Het hart mag een pomp zijn, maar wanneer we verliefd zijn ‘loopt het over’ bijvoorbeeld. Henk is het met zijn collega eens dat hij ook maar van spul gemaakt is, maar na zijn dood komt het wellicht weer samen in iets anders. Het is onderdeel van een groots verhaal, vindt hij.

    Hiermee tilt Kollaard zijn verhaal over een dag uit het leven van een hond en zijn baas uit boven het beschrijvende. Op een subtiele manier gaat de roman ook over het vertellen van verhalen, waarmee Kollaard langs dezelfde thematiek scheert als van zijn vorige verhalenbundel Levensberichten. Verhalen zijn, laat hij zijn personage zeggen, de basale vorm van ons begrip. We hebben ze nodig voor coherentie, zonder verhalen zijn er alleen maar betekenisloze onderdelen. Net zo betekenisloos als de organen en lichaamsdelen waaruit we bestaan. Want, ja: spul zijn we. Maar ‘poëtisch spul’.

     

  • Meesterlijke vermenging van feit, fictie en reflectie

    Meesterlijke vermenging van feit, fictie en reflectie

    Levensberichten van Sander Kollaard is geen avondboek voor de al langzaamaan induttende lezer – daarvoor bevatten de zes verhalen te veel verhalen-in-verhalen en filosofische bespiegelingen. Wie wakker is, geeft zichzelf echter een onbetwist cadeau: een diepgravende doch heldere onderzoeking van de aard van dat wat waar en verzonnen is.

    Levensberichten is na zijn debuut Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde (2012) en de roman Stadium IV (2015) Kollaards tweede verhalenbundel en derde boek. Eerder in zijn oeuvre vermengde Kollaard, die met zijn debuutbundel de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs won, al een feitelijke toon met een fictionele. Wel deed hij dat in een wat andere vorm: in Stadium IV – dat in 2015 werd verkozen tot Boek van de Maand bij De Wereld Draait Door – liet hij de wetenschap aan het woord, in de vorm van uiteenzettingen van het innerlijke vernietigingsproces dat zijn hoofdpersonage Sarie naar het einde van haar ziekte – kanker – droeg. Nu betreffen feiten de fictie: zo verhaalt Kollaard onder meer over de levensloop van Fernando Pessoa, en de invloed van diens werk op de vriendschap tussen twee hardlopers. Hun ongelijkwaardige prestaties verhinderen hun niet tot een even grote bewondering van deze Portugese dichter. De vermenging van hun verzonnen verhaal met Pessoa’s levensfeiten roept echter wel een belangrijke vraag op: waar loopt de scheidslijn tussen feit en fictie? En hebben we die grens wellicht al eerder in Sander Kollaards werk, bijvoorbeeld bij de klinische beschrijving van Saries ziekteproces, al dan niet terecht, getrokken?

    Kollaard verleidt ons, met motto’s van de centraal staande schrijver aan het begin van ieder hoofdstuk, met zijn feitelijke titels (‘Over de merkwaardig lichte gang van Fernando Pessoa’, ‘Leven en werken van Ivan Aguélo (1869-1917)’), met zijn introducties (‘Laat ik eerst de feiten geven’), zijn jaartallen, toon, en bovenal natuurlijk met de naam van zijn verhalenbundel: Levensberichten, dat zijn net zo goed klare levensfeiten als subjectieve vormen van communicatie.

    Kollaards hoofdpersonages werpen zich op als de biografen van de auteurs die ze volgen, maar blijven tegelijkertijd dichtbij. Zo verblijft de protagonist van ‘De vrijwel volledige vernietiging van ons leven’ op hetzelfde cruiseschip als de door hem beschreven Weemoed Mausoleum, een schrijver die, zo wordt ons verzekerd, met deze naam geboren is. We zijn geneigd Kollaard te geloven: eerder spiegelde hij ons tenslotte een verhaal over een alom bekende schrijver en dichter voor. Mausoleum blijkt, zo lezen we in de verantwoording, gebaseerd op Het onberekenbare Europa van Nico Randeraad. De openingszinnen heeft Kollaard zelfs letterlijk overgenomen. En ook deze fictieve romancier baseerde zijn werk wederom op het schrijven van een andere auteur, de (bestaande!) Belgische statisticus Adolphe Quetelet. Zelfs het gefotografeerde knutselwerkje op het omslag komt in dit verhaal voor. Wie Kollaards bundel nu nog niet metatekstueel durft te noemen, mag inpakken.

    Afgeleid door al deze literair-reflexieve versieringen zou de lezer bijna over het hoofd zien dat Kollaards ik-personages zelf genoeg te vertellen hebben: al dan niet op basis van citaten van hun literaire helden filosoferen ze er lustig op los, vaak met de literatuur als object van interesse. Wiens ideeën we lezen, die van het ik-personage of die van de auteur in kwestie, is niet altijd meer duidelijk. Het gegeven dat ‘feit en fictie zich complex verhouden’ blijft hierbij niet onder de oppervlakte liggen, maar wordt meermaals geëxpliciteerd.

    Bovengenoemde parade aan al dan niet fictieve auteurs levert ons mooie nieuwe inzichten op. De verschillende redenen die een schrijver kan hebben om het leven zo nauwkeurig vast te leggen, bijvoorbeeld. Deze lopen uiteen van een kanalisering van emoties tot een ‘neurotische behoefte aan verslaglegging’, van een zegbaar maken van het onzegbare tot een intense behoefte via het schrijven te worden gekend.

    Hoe meer de ik-figuren hun idolen laten leven, des te minder komen ze zelf aan bod. Ze nemen daarmee de beschouwende, marginale posities in die we van de schrijvers die zij portretteren gewend zijn. Dat directe, indirecte en vrije indirecte rede bij hun uiteenzettingen in elkaar overlopen, is dan ook niet voor niets: soms vallen zij dusdanig samen met de schrijver in kwestie dat ze hem zelfs beginnen te imiteren, ‘zijn stem, hoe hij schreef, hoe hij koffie dronk’.

    Ook al laat Kollaard in Levensberichten meer dan ooit een parade aan zelfreflexieve trucs toe, hij vliegt nergens uit de bocht. En dan voegt hij op de valreep, in het voorlaatste verhaal, ook nog eens die tedere liefde en die verbluffende natuurbeschrijvingen toe die we uit Stadium IV kennen. Het ware en het verzonnene, het harde feitelijke en het kwetsbare persoonlijke, alles is in Levensberichten vertegenwoordigd.

     

  • Waarnemingen

    Waarnemingen

    Het was een wat wonderlijke week. Na de hectische start van dit jaar – als een voortdurende apocalyps – viel deze week alles stil. De zon scheen, alles smolt, werd zacht en vloeibaar. Mijn mailbox bleef leeg, de telefoon stil. Het leek of plannen er niet meer toe deden en er voor elk boek een geschikt moment bleek te zijn. In deze stilgevallen week bleek dat het tijd was voor Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde van Sander Kollaard. Ik weet niet meer waar ik het vandaan haalde (mijn indeling: gelezen/ongelezen/verhalenbundels/bio’s brengt me wel eens in verwarring) maar had het opeens in handen. Het was een rustige week en daar voegden de zinnen en de verteltrant van Kollaard zich met gemak in; langgerekt, af en toe brutaal, hier en daar een tikje verlegen.


    Toen ik het  boek opengeslagen in mijn handen hield, leek het of ik onder water getrokken werd.  De figuur Erik – die in alle verhalen voorkomt – staat als achtjarig jongetje aan de vloedlijn en ziet zijn vader in het water, die hem aanmoedigt er ook in te komen. Onbeweeglijk blijft hij op het zuigende natte zand staan waarin hij steeds verder wegzakt. Als een oponthoud in zijn leventje waarvan elke betekenis herzien moet worden. In alle verhalen is Erik de verteller, als kind, als getrouwd man, als vader, als student. Erik neemt de dingen zeer indringend waar. Kollaard beschrijft dat in registrerende zinnen die alle ruimte geven om er wat van te vinden. Betoverende verhalen over kleine, niet-noemenswaardige waarnemingen die, als je ze serieus neemt, je erdoor laat beïnvloeden, gevolgen kunnen hebben. Zoals de volwassen Erik zich op een ochtend bij het scheren in zijn rechterwang snijdt. Hij slaakt een kreet,  die hem schokt omdat hij de kreet niet herkent als van hemzelf.  “Verrast door de merkwaardige kreet verstarde ik, keek mijzelf aan in de spiegel en kreeg een tweede schok: ik herkende mijn spiegelbeeld niet – althans niet volledig.” En nee, dit wordt geen vervreemdend verhaal. Kollaard haalt er de wetenschap bij. En Erik laat een baard groeien om ervan af te zijn.

    Hypochondrisch ben je als je alles te zwaar neemt, overal wat achter zoekt. Erik is daar goed in. Hij registreert, oordeelt en onderzoekt zijn angsten die uit het oordeel van zijn waarnemingen zijn voort gekomen. In elk verhaal blijft hij ‘haken’ aan een gebeurtenis, een op het oog nietszeggend dingetjes. Zoals het doelpunt dat Marco van Basten in de EK-finale van 1988 maakte. Erik is daar getuige van: “Van Basten loopt juichend weg en over de hele wereld raken voetbalminnaars in extase.” En dan: “Ik niet. Natuurlijk zag ik hoe mooi het doelpunt was (…)  – ik sprong zelfs uit mijn stoel.” Maar: “Er klopt iets niet.”  En dat gevoel wordt onderzocht. Hij wil exact weten waar dat gevoel op stoelt. Een boek waarin de waarneming bevraagt wordt. Dat het belangrijk is vragen te stellen – niets is wat het lijkt – leerde ik in deze wat wonderlijke week. En de uitkomst? Doet er niet altijd toe. Een fijn boek.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en wil dat zo houden. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

  • Een tros rondborstige… verhalen en kronieken

    Een tros rondborstige… verhalen en kronieken

    Literair criticus Carel Peeters (1944) schrijft tweewekelijks een literaire kroniek voor Vrij Nederland online. Op papier doet hij, na jaren de Republiek der Letteren te hebben gediend, niet meer mee sinds het blad de oplage zag teruglopen. Gelukkig schrijft hij nog vijf keer per jaar de Kroniek van de roman voor Tirade. Een tijdschrift waarmee je iets in handen hebt en dat bij het openslaan de geur van vers papier en drukinkt verspreidt. Geen pagina’s weg klikken maar er doorheen bladerend, naar de bedoelde Kroniek. In deze nieuwe editie doorgrondt Peeters de roman Wil van Jeroen Olyslaegers. Waarbij als eerste de Vlaamse taal van Louis Paul Boon en Hugo Claus wordt geduid als ‘bedacht authentiek’. En dat Olyslaegers een milde variant van Boon beoefent in zijn romanpersonage die uit verschillende personages bestaat. Een personage dat een ’tweezak’ wordt genoemd omdat hij  in oorlogstijd evengoed heult met de vijand als met het verzet. Peeters noemt Olyslaegers roman een snijdende roman om de ‘hoge mate van onverstoorbare neutraliteit die Olyslaegers de oude Wilfried laat betrachten.’ In zijn kronieken kom je van die belangwekkende inzichten tegen waar geen andere criticus het over heeft.

    Verder naar achteren, naar het podium van De tirade van…. Deze keer betreden door romanschrijver en redactielid van Tirade, Anja Sicking. Een tirade over een neiging tot een tirade die maar geen tirade wil worden. De ontvangst op een camping in Italië door een Nederlands echtpaar, Toon en Eefje. Man in een knaloranje korte broek die haar met haar vriendin en kinderen, met ‘zijn vakantievierende handen’ in zijn zij staat op te wachten. Waarna hij en zijn vrouw zich zo voorkomend en behulpzaam opstelden dat het haar woede wekt. Waarvoor ze zich dan weer schaamt. Want ze was toch niet zo iemand ‘die een ander zomaar op z’n gezicht wil timmeren alleen omdat het me niet aanstaat?’ Schaamtevolle situaties rijgen zich aaneen en bieden genoeg momenten om de tenenkrommende vragen en voorstellen van het echtpaar, met een tirade te beantwoorden. Herkenbaar, juist daar waar gezwegen wordt.

    Sipko Melissen, schrijver van de romans Een kamer in Rome en Oud Loosdrecht, werkt  aan een essaybundel over Franz Kafka. In zijn essay Kafka in Merano gebruikt hij o.a. artikelen en essays van W.F. Hermans die geschreven zijn naar aanleiding van een bezoek aan Merano waar hij op zoek was naar verhalen over schrijvers die daar gekuurd hebben of aan tbc waren overleden. Dat Hermans geen sporen van Kafka tegenkwam, die ooit in Merano drie maanden als tuberculose patiënt verbleef, heeft volgens Melissen te maken met het feit dat Hermans daar was op het moment dat er nog geen gedenktekens e.d. geplaatst waren. Mooi samen komt de veronderstelling dat Kafka een zoon heeft gehad (die op kinderleeftijd zou zij overleden) en dat Hermans een meisje in Merano zag dat voor hem een reïncarnatie van Kafka is. Waarbij Melissen zich afvraagt of er niet enig nageslacht van Kafka zou kunnen rondlopen.

    Joost Baars vertaalde de Verschrikkelijke sonnetten van de experimentele en religieuze Britse dichter Gerard Manley Hopkins (1844-1889). In een mooie inleiding tot de sonnetten schrijft Baars over de geloofscrisis waarin Hopkins verkeerde toen hij deze sonnetten schreef. Zes sonnetten die zich niet gemakkelijk laten verklaren maar wel een sterk innerlijke worsteling tonen.

    Sander Kollaard, schrijver van verhalen en de roman Stadium IV vertaalde het verhaal The Death of the Moth, van Virginia Woolf. Verheugend dat er van Woolf een niet eerder vertaald verhaal gepubliceerd wordt. In een inleiding schrijft Kollaard hoe Woolf tot dit verhaal kwam naar aanleiding van een brief van haar zus Vanessa. De inleiding van Kollaard en het verhaal van Woolf, eindigen met vrijwel dezelfde zin: Het ligt stilletjes op de vensterbank, heel netjes, heel bescheiden. ‘O yes, he seemed to say, death is stronger than I am.’ Oh ja, leek het te zeggen, de dood is steker dan ik.

    Misschien gaat hij vanzelf van Anneke van Wolfswinkel vertelt in eenvoudig maar sterk beeldend taalgebruik het verhaal van een oude man en zijn stervende hond. ‘De oude man graaft een kuil. Op het erf, aan de rand van het weitje waar hij elke ochtend even staat (…).’ Die hond wil hij uit zijn lijden verlossen maar telkens wanneer hij zijn vinger om de trekker legt beweegt de hond en wordt het vonnis uitgesteld. ‘Sterven in je slaap is een vorm van genade, maar een hond afmaken in zijn slaap is een laffe, liefdeloze daad.’ Een knap en verstild verhaal.
    Verder werk van onder meer Idwer de la Parra (poëzie), Roos van Rijswijk (redactioneel), Walter Tevis (proza vertaald door Anna Visser), Lia Tilon (proza). De illustraties, waaronder de cover afbeelding, zijn van JurgenWinkler.


    Tirade
    kun je kopen bij de betere boekhandel of neem een abonnement.
    Jaarlijks vijf nummers; € 50,00 (studenten € 35,00)
    Kijk ook op Tirade.nu.

     

     

  • De nieuwe Tirade en twee voorgaande edities hier belicht

    In de laatste drie edities van Tirade zetten dichters en literatuurbeschouwers de toon en schrijft Joop Goudsblom verder aan zijn memoires. De tijdschriften bevatten een fijn aanbod van onlangs gedebuteerde – en debuterende auteurs, vertaalde literatuur en persoonlijke literaire verslagen. Tirade onderscheidt zich wel degelijk door plaats te bieden aan een mengeling van prille en doorgewinterde auteurs die in hun stijl verrassen en aan het denken zetten. 

    De nieuwste Tirade (nr. 443) is een themanummer over de auto in de wereldliteratuur: Het Tirade-autonummer, ‘speciaal gemaakt voor hoedenplank en dashboard’. ‘Hoedenplank’ en ‘dashboard’ roepen nostalgische gevoelens op aan vervlogen tijden. Hoofddeksels worden er tegenwoordig in alle soorten en modellen gedragen maar wie legt nu nog zijn hoed op de hoedenplank sinds het veelkleurige gehaakte hoedje (om de aanwezigheid van de onvergetelijke closetrol te camoufleren), de respect afdwingende hoed van vader of opa daarvan verdreef? Ook die closetrol is inmiddels van zijn plaats verdreven. Ruimte genoeg dus voor Tirade.

    Jeroen van Kan vraagt zich af in Dichters rijden niet, waar de mythe vandaan komt dat dichters niet geschikt zijn voor het autorijden en zo ja, waarom dat zo is. Is het simpel omdat ze dan ongelimiteerd drank tot zich kunnen nemen? Met behulp van een enquête kwam Van Kan tot de hem verbazende conclusie dat de helft van de geënquêteerde dichters wel autorijdt.

    De crash, vier keer is een bijdrage van Menno Hartman. Waarin op tamelijk willekeurige manier, zoals je een mooi veldboeket samenstelt, auto gerelateerde ervaringen uit de wereldliteratuur zijn samengebracht. Waaronder literaire werken als Machines en emoties van Hermans en Kousbroek, (Hermans schrijft over zijn ‘gesneuvelde lieveling’). De door een verkeersongeval omgekomen schrijvers Italo Svevo, Albert Camus en Roland Barthes als ook de eerste verkeersdode in Engeland (1869) vinden een plek in dit boeket aan autoleed op wereldniveau.

    Van Vrouwkje Tuinman het gedicht LiveHammer, dat welhaast voor zichzelf spreekt. In Autogedichten droomt Delphine Lecompte dat ze verkracht wordt op de achterbank van een taxi door een imker. ‘De taxi heeft geen chauffeur / De taxi heeft een dode chauffeur.’ Geheel des Lecomptes is het dat ‘de verkrachting’ leest als stond er bijvoorbeeld ‘ze dronken een kopje thee’.

    De invariant van M.G. Jansen gaat over de ervaringen van een perfectionistische treinreiziger die de tijd en zichzelf volledig onder controle lijkt te hebben. Als hij in een treincoupé zijn overbuurman observeert, corrigeert hij zichzelf direct: ‘Bekijk hem niet te lang, kijk naar buiten, met een hand op je tas.’ Jansen schrijft in een dwingende ritmische stijl die, tussen de observaties door, doen geloven dat de man vrij is, dat hij elk moment uit de trein kan stappen waar hij maar wil. ‘Je wilt iets groters, iets onmogelijks. Je wilt de coupé ontstijgen, boven je lucht zien en niet geleid worden (…).’ Het verhaal toont zich in eerste instantie langdradig, je denkt, ‘laat die man uitstappen, zijn vrijheid vinden’. Maar dan, de titel De Invariant indachtig is het duidelijk. Deze man zal nooit veranderen. Een knap beklemmend verhaal.

    In een bijdrage van Geerten Meijsing Eerste rit heeft hij het over zijn relatie met zijn onlangs overleden zus, Doeschka Meijsing. Herinneringen aan zijn kinder- en jeugdjaren die hij begint met: ‘Ter begrafenis van mijn onlosmakelijke zuster was mij door de familie een spreekverbod opgelegd, (…).’ Geerten Meijsing deelt beslist geen pluimen uit en leeft, zoals hij zelf zegt, geheel afzijdig van de Nederlandse literatuur. Eerste rit is een eigenzinnige en daardoor ontroerende hommage aan Doeschka Meijsing.

    Van Tsead Bruinja het gedicht Fennema. Een gedicht, waar achter de ogenschijnlijk simpele strofen, weemoed en wraak op de loer liggen.
    ‘fennema had een zuur hoofd en met dat hoofd / en dat wijf zou hij in ons huis wonen / (…) / fennema had twee zonen ze keken / gemeen uit hun ogen maar niet zo zuur als hun vader /op mijn slaapkamer lachtte de ene me uit / hier zal ik me wel vermaken / maar ik geloof niet dat hij uren door het raam / de weilanden over vloog of brood met aardbeien/ en suiker in de tuin opat’
    De weemoed om het huis van de jeugd, met al zijn toekomstverwachtingen, dat verlaten werd, zal nooit slijten. De dichter wil er naar terug, de sterfelijkheid trotserend.
    ‘(…) maar moeder is allang dood / en het huis staat er nog / als ik dood ben zoek ik haar op / gaan we samen terug / jagen we fennema er uit’

    Meer poëzie van Sylvia Hubers, Gerard van Hameren, Kreek Daey Ouwens en proza van Thomas Heerma van Voss, de Schotse schrijver Norman Douglas (1935). Herinneringen aan het kopen van een Dinky Toys van Joop Goudsblom en Joris van Casteren schreef een reisverslag Het glas van Casanova. Met zijn vierjarige dochtertje reisde hij naar het graafschap Suffolk om daar de locaties uit De ringen van saturnus van de schrijver W.G. Sebald (die overigens in 2001 bij een auto ongeluk om het leven kwam), te gaan bekijken. Per fiets reisde Van Casteren door het graafschap en schreef er een mooi verslag over.

    In Kroniek van de roman onderwerpt Carel Peeters de nieuwe roman van Gerrit Komrij De loopjongen aan een diepgaander onderzoek onderwerpt dan de meeste recensenten deden (die het vooral een ‘echte’ Komrij vinden) en noemt Komrij liefkozend een ‘scheppende schizo’ zoals W.F. Hermans een ‘scheppende nihilist’ was.

    In Tirade – 442 – (Februari 2012) proza van Gilles van der Loo. Dag, Bert over een prettig gestoorde oudere vrouw die zich onweerstaanbaar  gedraagt in een smoezelige echtscheidingsprocedure. Van Daan Heerma van Voss het verhaal Veldkinderen, een ontmoeting tussen twee vrienden. Heerma van Voss heeft een indringengde en bewegende stijl: ‘Rennende kinderen trekken onze blikken mee, (…) Onwillekeurig lacht hij even, mijn vriend. Dan, alsof betrapt, staat hij op om koffie te halen.’ Mooie beschrijving van twee mensen die elkaar alles al gezegd hebben.

    Esther Naomi Perquin componeerde Boekarest, een éénpersoons reisadvies. Perquin is in eerste instantie dichteres en dat is terug te vinden in haar proza. In korte hoofdstukken, waarin ze afstand neemt tot de gebeurtenissen, beschrijft ze haar verblijf in Roemenië. Zinnen als: ‘Kom er aan op een doordeweekse dag.’ of ‘Dat het toeteren dat je hier hoort een andere betekenis heeft dan thuis.’ en ‘Er is een lunch waarbij je aan twee Roemeense schrijvers zult worden voorgesteld.’ geven een gecomprimeerd beeld van Perquins waarneming. Fijne literatuur die zich graag opnieuw laat lezen.

    Willem Otterspeer werkt aan een biografie over W.F. Hermans waarbij hij een correspondentie tegenkwam tussen Hermans en Jan Emmens die ooit een essay over Hermans schreef dat om een of andere reden publicatie steeds misliep. Volgens Otterspeer ‘(…) een van de beste essays ooit over Hermans geschreven.’

    Verder een verhandeling van W.I.M. van Calcar over Vrijheid van meningsuiting in historisch en taalkundig perspectief, schreef Arnold Heumakers een goed stuk over De verthrillering van de literatuur aan de hand van Bonita Avenue en Merijn de Boer de bijdrage De bril van Campert. Het debuutverhaal van Isaac Babel De oude Sjloime werd vertaald door Froukje Slofstra. Een sfeervol wintersprookje Victor Halfnar van de Oostenrijkse schrijver Thomas Bernhard (1931-1989) en proza van Sander Kollaard.

    Gedichten zijn er van Hans Mirck, Mees Hartog, Tjarda Eskes, Anton Korteweg, Adrienne Rich, Linda Greg, Adam Clay en Richard Sikken, de laatste vier in een vertaling van Lieke Marsman. En is Carel Peeters in Kroniek van een roman vol lof over de roman Grip van Stephan Enter.

    In Tirade – 441 – (december 2011) een bijdrage van socioloog Joop Goudsblom (1932). Zijn memoires startte hij in Tirade nr. 429 (2009) en zet hij voort in dit nummer. Een beter podium voor de (voorpublicaties?) van de memoires van Goudsblom (1932) kan men niet bedenken. Goudsblom was ooit (1957) medeoprichter en kwam met de naam ‘Tirade’. In een portretinterview in de Groene Amsterdammer (2-02-2012) sprak Goudsblom onder andere over zijn memoires en dat het een moeilijk genre is. Ze moeten goed geschreven zijn, geen woord teveel bevatten en je moet geloven in wat er aan herinneringen is bij gebleven. ‘(…) ik geloof er ook echt in. Zo moet het gegaan zijn. Ik durf mijn hand ervoor in het vuur te steken’, aldus Goudsblom over zijn memoires. Scholier in oorlogsrijd (memoires, deel II) is een sobere weergave van herinneringen die, doordat ze dus goed opgeschreven zijn, niet anders gebeurd kunnen zijn. Het is zoals het was en niet anders. Goudsblom wil met deze memoires geen tijdsbeeld schetsen, dat dit toch gebeurt komt door het zodanig componeren van de herinneringen dat de tijd waarin het speelt, als een soort couleur locale vanzelf verschijnt. ‘(…) zoals op een oud familiefilmpje, opgenomen om het gedrag van kinderen vast te leggen, onbedoeld nog te zien is hoe de tuin er toen bijstond.’ Mooi is dat.

    Merijn de Boer reisde In het kielzog van Albert Helman door het Surinaamse binnenland. In zes weken voer de schrijver Helman in een uitgeholde boomstam en met drieëndertig man personeel over de Surinaamse rivieren. De Boer en zijn familie passen zich aan de tijdgeest aan en reizen met twee bootsmannen en twee gidsen.

    Verder een in memoriam in briefvorm van de hand van Jeroen van Kan aan de vorig jaar overleden literatuur- en toneelwetenschapper Hans van den Bergh (1932-2011). Debuteert Sebastiene Postma met de twee proza gedichten; Hulp II en De Jakobsladder. En verhalen van Julien Ignacio, Edith Wharton, Victor Frölke, Michiel Heijungs en Marijke Schemer. Meer poëzie van Jan Kruizinga, Hedwig Selles en Nicky Theunissen.

    Carel Peeters schreef in zijn Kroniek een verhandeling over de rol van de grootvader als beschermheer in de werken van Jeroen Brouwers aan de hand van Bittere bloemen.

    Uitgever Wouter van Oorschot plaatste een ‘kadertje’ in deze editie. Hiermee een initiatief van zijn vader, Geert van Oorschot volgend waarin hij jaarlijks lezers opriep nieuwe abonnees te werven en wanbetalers verzocht hun achterstallige betalingen te voldoen. De huidige uitgever, achtte het tijd voor een kadertje nu het voortbestaan van Tirade afhangt van ‘kapitaalkrachtige abonnees met een onbedwingbare mecenaatwens’. Welnu, die mogen zich, wat Van Oorschot betreft, laten gelden om het voortbestaan van Tirade te waarborgen.

    Welke auteur in welke editie precies publiceert, is na te zien op de site van Tirade. Een site die er nogal stilletjes uitziet maar waar maandelijks een auteur resideert die bijna dagelijks een blog schrijft. In het verleden waren dit o.a. Maartje Wortel, Jan van Mersbergen en Menno Wigman. Op dit moment is Sander Kollaard de Tirade blogger. Kollaard woont in Zweden en debuteerde onlangs met de verhalenbundel Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde bij Van Oorschot. Lees zijn blogs en speciaal de bijdrage van 2 juni, het kan wat teweeg brengen, zo’n blog.

     

    Lees en bestel hier:

    Tirade 443 – mei 2012
    Tirade 442 – februari 2012
    Tirade 441 – december 2011
    Onder redactie van: Ester Naomi Perquin, Merijn de Boer, Menno Hartman en Jeroen van Kan
    Uitgeverij Van Oorschot

    Verschijnt vijf maal per jaar. € 12,50 losse nummers € 40,00 abonnement (vijf nummers) € 34,00 voor studenten en CJP-houders