• Grensverleggende poëzie en poëtica

    Grensverleggende poëzie en poëtica

    Literatuur op internet, essayist Hans Groenewegen – die er beslist geen tegenstander van was – noemde het verschijnsel een onderwereld, zo meldt Samuel Vriezen in zijn inleiding van Netwerk in eclips. De titel van zijn boek benoemt die literaire wereld eveneens als een onofficiële, als een die ondanks de interesse van talloze lezers (ver)duister(d) is. Er kleeft iets inferieurs aan literatuur op internet doordat iedereen er zijn zegje kan doen en serieus wordt genomen. Dat er geen poortwachters zijn in de gedaante van een redactie is wel het opvallendste verschil met de werkwijze bij vertrouwde media als tijdschriften en kranten. Geen reden om het fenomeen te kleineren. Integendeel, elke zons- of maansverduistering is het waard om in de gaten te worden gehouden.

    Internet poëtica
    Het blog Vriezen vindt (2006-2013) – waar Netwerk in eclips de neerslag van vormt – bevat maar liefst 120.000 woorden aan ‘posts’ en 100.000 aan reacties. Ook slibden er creatieve teksten aan waarmee de site een publicatiemogelijkheid bood voor poëzie die zelden of nooit in literaire bladen als Tirade of Hollands Maandblad worden aangetroffen. Poëzie die in de weidse beslotenheid van het internet geboren is en die zich daarvan zelfs bedruipt. Zo kan een gedicht uit een mengsel bestaan van op Google geplukte woorden of fragmenten.

    Volgens Vriezen zijn discussiërende bloggers – over bij voorbeeld de invloed van poëzie op de samenleving – zich bewust van hun activiteit als een alternatief platform voor traditionele media. Contact met die media is binnen de cultuur van posten en reageren op internet niet aan de orde. Wel hoopt men dat vroeg of laat een internet poëtica tot de bovengrondse doordringt en er wortel schiet. De kans daarop is altijd erg klein geweest volgens Vriezen. De interactie die de blogsites uniek maakte was tegelijk een zwakte: ‘de overmatige directheid’ van de mening liet geen ‘denktijd’ en werkte ‘verstikkend’. Een doortimmerde poëtica zoals in literaire tijdschriften werd dan ook niet gegenereerd op bekende sites zoals die van Jeroen Mettes (Poëzienotities) en van Chrétien Breukers (De Contrabas). Maar ook niet op sites waar een eenling victorie kraaide of kraait. Bij Lucifer in het hooi van Gerrit Komrij of bij ene A.IJ. van de Bergh die al vele jaren een ‘boeklog’ als een ‘eigen plaats’ in de lucht houdt.

    Poëzie als tekstkunst
    De essays die Vriezen in Netwerk in eclips bijeengebracht heeft, zijn ontstegen aan de vluchtige  internetcultuur. De posts zijn na intensief bewerken en opschonen een boek geworden en in het volle licht getreden. Het gevolgde traject voor Netwerk in eclips heeft zelfs geleid tot een internetpoëtica. “Ongetwijfeld, stelt Vriezen vast, ís er wel iets buiten tekst, netwerk, internet, alleen kan de wereld van tekst, netwerk, internet er zelf geen verbinding mee leggen. […] We mogen aannemen dat iets als ‘de werkelijkheid’ sporen trekt door de tekst (of door het netwerk). Maar het weefsel heeft alleen toegang tot wat er direct mee verbonden is.”
    In Vriezens beschouwingen draait het om ‘taal als complex van bemiddelende zones’ zoals woorden en zinnen niet alleen maar ook liedjes, boeken, kranten, flarden, kreten zijn. Dat alles is met elkaar verweven. De vorm en ‘de werkelijkheid waarover ze gaan zijn limieten van dit weefsel’. Taal is ‘zelf een medium voor verbinding, en poëzie als tekstkunst is een kunst van het verbinden. Deze taalopvatting kun je een internetpoëtica noemen.’

    Poëzie als beïnvloedend medium
    De posts zijn essays geworden en losgeweekt van de verlammende interactie. Veel van de stukken gaan over vrienden, in enkele stukken komen vrienden aan het woord, weer andere zijn geschreven als antwoord op vrienden. Onduidelijk blijft welke invloed die reacties op de uiteindelijke versie van de essays hebben uitgeoefend. De kiemcel – zo blijft niet in de mist – vinden de essays in de tussenkomst van Vriezen in een discussie die volgens hem al zo vaak gevoerd was in literaire kringen en zelden iets had opgeleverd. Het debat namelijk over de keuze tussen poëzie als ‘vrijblijvend spel’ of als een op de samenleving ingrijpend medium.

    Voorbij vorm versus inhoud
    Al in zijn eerste blog propageerde Vriezen vorm en inhoud als onafscheidbaar. Daarop voortbordurend in de zeven jaar dat hij met zijn site actief was, ontwikkelde hij een internet poëtica die voorbij was aan de aloude opvatting van vorm versus inhoud.
    De creatieve teksten in Netwerk in eclips van Vriezen zelf en van andere internet-dichters zijn in de jas gestoken van wat het meest nog herinnert aan de ‘readymade’. Dit is uiteraard geen terugkeer naar een vertrouwd procedé. Zelfs als er Roland Holst-achtige taal klinkt omarmt de dichter niet de traditie maar breekt hij ermee.

    Vriezen neemt zijn lezers bij de hand en informeert over de inhoud van de vorm en de vorm van de inhoud. In het commentaar laat hij vaak zijn muzikale onderlegdheid meespreken. Misschien had hij in zijn essays die ook andere kunstdisciplines – zoals fotografie – tot onderwerp hebben, de internet poëtica van de dichtkunst meer reliëf kunnen geven door haar te confronteren met de kritische principes van de postmodernen en hun voorgangers. Het laat zich waarschijnlijk makkelijk raden wat Vriezen van de vorm of vent-discussie vindt die in het tijdschrift Forum (1931-1935) en nog lang daarna is gevoerd. Hoe dan ook Netwerk in eclips is een boek dat er zijn mag en volop in de schijnwerpers van de ‘bovenwereld’ kan staan.

     

     

     

  • Sporenreeks: ‘Oorbellen, buiken en eenzaamheid’ en ‘Rampensuites’

    Plaatsbepalingen

     

    In de Sporenreeks van uitgeverij Perdu verschijnt hedendaagse experimentele poëzie in vertaling. Een mooi initiatief, en vorig jaar verschenen de eerste twee uitgaven in deze reeks: Oorbellen, buiken en eenzaamheid en Rampensuites.

    Oorbellen, buiken en eenzaamheid bevat de tweede en derde gedichtenbundel van Doina Ioanid (1968). In beide bundels kiest ze consequent voor de vorm van het prozagedicht. Ze verkent vooral thema’s als het lichaam, vrouwelijkheid en uiterlijke opsmuk. Die onderwerpen kruisen elkaar ook geregeld:

    Het is al middag en al mijn inspanningen waren tevergeefs. In plaats van je aan te kijken met de zekerheid van een perfect opgemaakte jongedame, je aan te kijken door het gordijn van mascara als een moderne Salome, je aan te lonken als een Turkse vrouw met mooi gepenseelde wenkbrauwen, ben ik er enkel in geslaagd mijn ogen rood te wenen. Alsjeblieft, lach me daarom nog niet uit.

    Geregeld probeert de verteller haar plaats in de wereld te vinden, en grip te krijgen op haar vrouwelijkheid. Soms komt ze verraderlijk luchtig en ironisch over: ‘En even tussen neus en lippen door gezegd, je weet niet eens hoe je naaldhakken moet dragen.’ Die jij-vorm is verraderlijk: de verteller spreekt zichzelf toe, maar tegelijkertijd splitst ze zichzelf op: ‘Daarvandaan wenkt me een oude vrouw. […] Komaan, neem je krukje en kom bij me zitten, we zullen als twee bemoste houtblokken zijn.’ Het ongemakkelijkste is nog wel dat die andere vrouw de verteller is zoals ze is, en de ‘ik’ daarom het beeld is dat de ‘ik’ van zichzelf heeft. Mis opvattingen hebben het zelf overgenomen, en zijn zo het zelf geworden.

    Een van de opvallendste aspecten van Ioanids gedichten is dat ze regelmatig erg gewelddadig zijn, zonder dat ze anime-achtige hakfestijnen worden waar ledematen in het rond vliegen. Het geweld is eerder ingehouden en misschien daarom zo verontrustend: ‘Met gewette nagels (ze lijken speciaal daarvoor gemaakt) haal ik je uit elkaar […] Mijn nagels graven gulzig, maar het schors van je gezicht herstelt zich altijd weer.

    Dat Ioanid als experimenteel dichter wordt gezien is overigens opvallend. Ze zoekt de grenzen op tussen droom en werkelijkheid, maar dat is een van de populairste procedés in de rijke traditie van het prozagedicht, én in ‘gewone’ poëzie. Daar staat tegenover dat de thematiek over wat nu vrouwelijkheid bepaalt, wel fris en nieuw aanvoelt. Dat geeft het licht-surreële waar prozagedichten nu eenmaal een neiging tot lijken te hebben, meer gewicht en dat voorkomt vrijblijvendheid.

    index Rampensuites van Rob Halpern is de interessantste bundel van de eerste ronde Sporenreeksuitgaves, kun je nagaan, Ioanid was al de moeite van het lezen waard. Zowel de gedichten zelf als de vertaling zijn een bescheiden tour de force. Lees zeker het nawoord van vertalers Frank Keizer en Samuel Vriezen. Die gaan in op de bijzondere manier waarop Halpern zijn woorden steeds meerdere betekenissen meegeeft, en over de mogelijkheden en problemen van het vertalen van die elasticiteit. Wat dat betreft is het zonde dat Rampensuites geen tweetalige uitgave is geworden; ik had graag de Engelse gedichten naast de vertalingen gezien.

    Aan de andere kant: alleen de vertalingen presenteren legt net wat sterker de nadruk op de prestatie die Keizer en Vriezen geleverd hebben. Ze zetten een vitale poëzie neer vol verbazingwekkende constructies, zinsafbraken en dubbele bodems. Neem bijvoorbeeld deze strofes:

    Maar ik wil gewoon deel zijn van de oplossing –
    Al heb ik nooit geleerd hoe
    Ik mijn schoonheid kan uitbuiten op die ene manier

    Waarop je mij uitbijten laat om met mijn eigen
    Zelf bezig te zijn met alle leven
    -de delen van wat we horen wat we zeggen

    Door de regel af te breken bínnen het woord ‘levende’, wordt ‘leven’ nog eens extra benadrukt, maar er ontstaat bovendien een andere lezing: ‘met alle leven‘ kan ook gelezen worden als ‘met al het leven’. En dat lees je in eerste instantie ook, totdat blijkt dat de regel zo verraderlijk af is gebroken. Tegelijkertijd blijft die aanvankelijke lezing door echoën; al het leven bestaat blijkbaar uit delen van iets groters. En alsof die fascinerende regelafbraak nog niet genoeg is: ‘Zelf bezig zijn met alle leven‘ kan op zichzelf gelezen worden als een losse zin, die niets te maken heeft met de vorige regel. Zo ontstaat er in een minimale ruimte veel (mogelijke) betekenis.

    Ook inhoudelijk is Rampensuites fascinerend. De directe aanleiding voor het schrijven van de gedichten was de orkaan Katrina, die een enorme ravage aanrichtte in New Orleans. Tegelijkertijd dienen de rampen en het rampzalige uit de bundel in breder perspectief te worden gezien: de Amerikaanse politieke situatie. Te midden van die chaos moet er een richting gezocht worden. De verteller in de bundel is bezig met zijn plaats te bepalen in een omgeving na een natuurramp, en doet dat in relatie tot aspecten als het lichaam, de natuur en de politiek. Die thema’s buitelen over elkaar heen en raken in elkaar verstrikt, met dank aan Halperns meerduidige grammaticale constructies die soms strofes lang doorgaan.

    Experimenteel in nauwere zin is Halperns poëzie niet, maar wel origineel en vernieuwend. Als zijn werk als experiment begonnen is, dan hebben de resultaten de tijd gekregen om uit te kristalliseren. Rampensuites is uitstekend voer voor lezers die zich in een bundel vast willen bijten en alles uit willen pluizen, maar voor degenen die er minder uitvoerig mee bezig willen zijn, is deze poëzie bij eerste lezing al verbazingwekkend en knap genoeg.

     

    Oorbellen, buiken en eenzaamheid
    Doina Ioanid

    Deel I uit de Sporenreeks
    Vertaald en van nawoord voorzien door Jan Mysjkin
    96 bladzijden € 17,50
    Uitgegeven in 2013


    Rampensuites

    Rob Halpern

    Deel II uit de Sporenreeks
    Vertaling en nawoord door Frank Keizer en Samuel Vriezen
    96 bladzijden € 17,50
    Uitgegeven in 2013

    De Sporenreeks wordt uitgegeven door Perdu