• Reis zonder bestemming

    Reis zonder bestemming

    Mercier en Camier zijn twee vrienden die, om niet genoemde redenen, de stad uit willen en doelloos wat rondwandelen met een fiets, een paraplu en een rugzak om uiteindelijk weer terug te keren naar waar ze vandaan kwamen. 

    De Ierse schrijver Samuel Beckett (1906 – 1989) won in 1969 de Nobelprijs voor literatuur. Daarna wilde zijn uitgever natuurlijk snel nieuw werk van hem publiceren. Hij had alleen niets liggen, behalve een jeugdwerk uit 1946, dat hij in het Frans had geschreven, maar waarin geen uitgever geïnteresseerd was geweest. Hij bewerkte dit jeugdwerk, Mercier et Camier, en versimpelde en schrapte enorm. In 1970 verscheen de Franse versie. Becket had Frans, Italiaans en Engels gestudeerd en was leraar in Parijs. Hij schreef vooral in het Frans, omdat hij dan “stijllozer” kon schrijven, daarna vertaalde hij zijn werk naar het Engels. 

    Eerder aftrekken dan optellen

    Tijdens de oorlogsjaren woonde hij op het Franse platteland en voor de natuurbeschrijvingen liet hij zich graag inspireren door zijn omgeving. De novelle Mercier en Camier was zijn eerste poging tot uitgebreider proza. In 1974 kwam pas zijn Engelse versie uit, waarin hij nog veel meer had  weggelaten en versimpeld, zoals citaten en dialogen.

    ‘Ze gingen naar buiten. Het waaide.
    Regent het nog steeds? zei Mercier.
    Op het moment niet, lijkt me, zei Camier.
    En toch zit er vocht in de lucht, zei Mercier.
    Als we niets te zeggen hebben, zei Camier, laten we dan niets zeggen.
    We hebben dingen te zeggen, zei Mercier.
    Waarom zeggen we ze dan niet, zei Camier.
    Dat kunnen we niet, zei Mercier.
    Laten we dan zwijgen, zei Camier.’

    Beckett was een groot bewonderaar van tijd- en landgenoot James Joyce. Toch probeerde hij naarstig zijn eigen stijl te vinden. Waar Joyce bezig was met ‘meer weten, je materiaal beheersen en toevoegen’ realiseerde Beckett zich dat zijn eigen weg in de verarming lag, ‘in het ontbreken van kennis en in het weghalen, eerder in aftrekken dan in optellen’ zo schrijft hij aan zijn biograaf James Knowlson.

    Herenleed

    In Becketts latere werk zijn de personages zielige wezens met weinig bezittingen, hij reduceert ze tot stemmen met innerlijke kwellingen uit hun vorige leven, zodat ze zich in hun huidige bestaan ​​staande kunnen houden. Ze herhalen zichzelf totdat uiteindelijk ook hun stem, hun laatste overblijfsel van menselijkheid, verstomd is. Er is nauwelijks een waarneembare setting, geen verband met een echt bestaan, en schijnbaar geen plot. In Mercier en Camier is dat nauwelijks anders. De vrienden reizen en zijn op zoek naar iets wat ze niet weten te duiden. De sfeer is bizar, maar ook somber en soms sarcastisch. En uiteindelijk komisch met een hoog “Herenleed” gehalte. Het zou me niet verbazen als Armando en Cherry Duyns beïnvloed waren door Beckett. 

    Interessant is dat er een derde persoon met de heren lijkt mee te reizen. Een zeer onbetrouwbare verteller, die het verhaal opent met: ‘De reis van Mercier en Camier is er een waarover ik vertellen kan, als ik wil, want ik was de hele tijd bij ze.’ Deze ik komt niet meer terug, maar sluimert wel op de achtergrond en zou heel goed Becket zelf kunnen zijn. Of misschien is het Watt, het hoofdpersonage uit Becketts gelijknamige roman, of een ander personage uit zijn boeken. Na die eerste zin trekt de ik zich terug en gaat het verhaal verder in de derde persoon. Steeds na twee hoofdstukken geeft de verteller met steekwoorden een samenvatting van de gebeurtenissen, wat bijdraagt aan de stijlloosheid en de versimpeling van het verhaal, waarbij ook de kracht van de herhaling speelt.

    Het geluid dat overblijft in het duister

    Eerst is er de tamelijk hilarische poging van Mercier en Camier om elkaar te ontmoeten. Ze lopen elkaar steeds net een paar minuten mis. Als ze elkaar eindelijk hebben gevonden – ‘Ze bevonden zich nog in elkaars armen toen de eerste regendruppels met een oriëntaalse abruptheid neerkwamen’ – schuilen ze onder een pagode in een stadsparkje, naast copulerende honden, wat een verwijzing is naar Dante’s Goddelijke Komedie. De volgende dag wordt de reis dan echt aangevangen. Ze nemen een fiets, een paraplu en een rugzak met eten mee. Ze converseren, ruziën, wandelen hand in hand, ergeren en verbazen zich. Prostituee Helen, met de sprekende papegaai, is een thuishaven, maar is nauwelijks een personage te noemen. Ze heeft geen stem, zoals vrouwen nooit een sprekende rol hebben in de romans van Beckett. De fiets blijft achter bij de eerste pub die ze onderweg tegenkomen. Als ze er na hun reis weer terugkomen is alleen de fietspomp nog over. De rugzak verdwijnt en de paraplu speelt nog een aanzienlijke rol vooraleer hij onbruikbaar wordt weggesmeten.

    Om dit boek op waarde te kunnen schatten, verdient het aanbeveling om met het nawoord van vertaalster Jona Hoek te beginnen. Beckett zou voor dit verhaal geïnspireerd zijn geweest door De Goddelijke Komedie van Dante. Heel losjes en willekeurig beschrijft hij Mercier en Camiers reis tussen hemel, hel en vagevuur, met dit verschil dat waar Dante en Vergilius bewust op zoek waren, Mercier en Camier geen idee hebben van hun doel en bestemming.  

    Waar Dante in De Goddelijke Komedie een lofzang uit op het eeuwige licht, beschrijft Beckett juist het geluid dat overblijft in het duister, zoals de laatste zin zegt: ‘En in het donker kon hij ook beter horen, hij kon de geluiden horen die de lange dag voor hem verborgen had gehouden, het gemurmel van mensen bijvoorbeeld, en de regen op het water.’ 

    Beckett was een zonderlinge eenling, wat ook sterk terugkomt in zijn boeken. Hij hield niet van publiciteit en creëerde een mysterie rond zijn persoon. Hij is vooral bekend van Wachten op Godot en Watt. Mercier en Camier is wellicht niet zijn beste werk maar wel zijn meest toegankelijke. Waarmee deze onlangs vertaalde novelle een uitstekende kennismaking is met de eigenzinnige en tijdloze schrijver.  

     

  • Hoe het verleden doorwerkt

    Hoe het verleden doorwerkt

    In een brief aan zijn jeugdvriend Oskar Pollak schrijft Franz Kafka: ‘Ein Buch muß die Axt sein für das gefrorene Meer in uns‘. Daarmee legt hij de lat voor een boek erg hoog, maar Herinneringen aan een verloren wereld van Alba Arikha zou weleens zo’n boek kunnen zijn. Alba Arikha, geboren in 1966, schrijft, zingt en componeert. Op haar website kun je haar zelfgeschreven Franse chansons beluisteren, fluistermuziek voor regenachtige dagen. Deze liedjes, verzameld op Dans les rues de Paris, werden in 2011 uitgegeven, hetzelfde jaar als haar derde boek Major/Minor. Pas vorig jaar verscheen bij de kleine uitgeverij Oevers de Nederlandse vertaling: Herinneringen aan een verloren wereld. Toegegeven: een meer pakkende titel. Al blijft de directe verwijzing in het boek naar de Engelse titel relevant.

    De piano is Alba’s grootste vriend, ze houdt van improviseren: ‘Ik zwem in majeur en mineur. (…) Ik beklim een crescendo, rust uit op een halve noot en drijf weg in de armen van een droevige halve noot. Ik creëer de perfecte harmonie met een A, C en E. Vernietig het met een lagere zwarte toets. Cis, bijvoorbeeld. Hoe gemakkelijk kan harmonie verzinken in onenigheid.’

    Herinneringen aan een verloren wereld is zo’n muziekstuk. Het is een mengeling van een familiekroniek en een coming of age-geschiedenis. Maar je zou het ook een vaderboek kunnen noemen. Arikha publiceerde het boek een jaar na haar vaders overlijden. Hij speelt een centrale rol in het verhaal al zou je dat in het begin niet meteen verwachten. Memoires zijn het, maar wel geschreven vanuit het perspectief van een puber. We volgen Arikha vanaf haar twaalfde tot haar zeventien jaar, het moment dat ze definitief uit huis gaat. Ze woont in de jaren tachtig van de vorige eeuw met haar ouders en zus Noga in Parijs. In de zomervakanties vertrekt het gezin naar Israël. Een kunstzinnig gezin, joods met wortels in Midden-Europa. De vader is een succesvol schilder, de moeder schrijft poëzie. Hun sociaal netwerk wordt gevormd door de internationale, culturele upper class. Samuel Beckett wordt bij naam genoemd en is huisvriend van de familie en Alba’s peetoom. Ze is dan ook vernoemd naar een gedicht van hem. Naast de lotgevallen van een dwarse, soms onuitstaanbare puber, want Alba spaart haar jongere zelf niet, is het boek bovenal een kroniek van een traumatische familiegeschiedenis.

    Daarin speelt haar vader dus een centrale rol. De puber bevraagt hem aandachtig over zijn lotgevallen tijdens de oorlog en treitert hem daarnaast als een echte puber ook weer het bloed onder zijn nagels vandaan. Sexy kleding en popmuziek zijn taboe voor hem. Zij móet met hem bekvechten om volwassen te worden.
    ‘Ik win de strijd. Dat doe ik altijd. Ik weet dat mijn vader mij nooit uitentreuren zal bestraffen. Hij stopt halverwege, net voordat hij zijn gelijk afdwingt.’ Een herkenbare vader-dochterdynamiek.

    Terwijl zij rebelleert, haar zus het brave kind in het gezin is, haar moeder reddert en zo nu en dan Samuel Beckett het gezin opzoekt, worden de sporen die de Europese geschiedenis in deze familie heeft getrokken zichtbaarder door het verhaal dat de vader vertelt. Het relaas van zijn vlucht in 1944 uit Europa naar Israël is een hoogtepunt in het boek. Samen met zijn zus komt hij op een lijst van weeskinderen die naar Palestina mogen vertrekken (een deal tussen de Roemeense nazipartij en het Rode Kruis). Omdat Pepi, hun moeder, nog leeft, krijgen zij de namen van overleden kinderen. Daarbij wordt een vergissing gemaakt, want één van de overleden kinderen blijkt toch te leven en mee te zijn op dit transport. Pepi zwaait haar kinderen uit en zou pas veertien jaar later weer met hen herenigd worden als ze uit het inmiddels communistische Roemenië naar  Israël mag vertrekken.

    Een boeiend moreel dilemma biedt de geschiedenis van Jagendorf. Jagendorf leidt een fabriek waar tussen 1941 en 1944, met toestemming van de autoriteiten, joden werken. Hij is het die Alba’s vader uit de Duitse vernietigingskampen redt en hem in 1944 op de emigratielijst zet van het Rode Kruis, maar later verkoopt hij wel diens kamptekeningen onder de naam van één van zijn eigen kinderen.

    De puber Alba zoekt lijn in haar identiteit, in haar relatie met vriendinnen en vrienden, met (verre) familie. Het lijkt op een boeiende sessie bij een contextueel psycholoog. Voor haar vader is het eenduidig: Joods zijn is een cultuur en een identiteit, geen nationaliteit. Voor Alba, opgegroeid tussen mensen voor wie in de jaren tachtig van de vorige eeuw de wereld al een global village was, ligt het ingewikkelder: ‘Mijn identiteit is verward als een dreadlock. Ik zou niet weten waar ik moet beginnen om het te ontrafelen.’ En: ‘Mijn gedachten worden niet ingegeven door mijn religie, maar door mijn cultuur. Mijn Franse cultuur, vermengd met wat Israëlische en Amerikaanse wortels. Of sympathieën.’ En dat in de slagschaduw van de Holocaust, een verleden dat de ene generatie doorgeeft aan de volgende.

    Arikha’s stijl is eenvoudig. Korte hoofdstukken. Korte zinnen. Er wordt gemakkelijk van decor en tijd gewisseld. Daardoor is haar stijl verraderlijk. Je kunt door het boek racen en het in een middag gelezen hebben. Het lijkt al improviserend tot stand gekomen, speels. Om de verschillende levensverhalen te ontvlechten heb je als lezer meer tijd nodig. Maar dan word je ook echt geraakt, dan breekt, Kafka indachtig, het ijs.

    Aan het slot is er sprake van verzoening. Er zijn mooie pagina’s gewijd aan hoe haar ouders elkaar ontmoetten en lief begonnen te hebben. De puberwoede verdampt, de verbinding wordt gevonden: ‘Verbeelding wordt steeds minder een ontsnapping, steeds meer een creatieve behoefte. Net als bij mijn vader. En mijn moeder.’ Alles heeft betekenis. Het boek draagt ze op aan haar vader en haar eigen kinderen. Zoals ze zelf haar naam dankt aan een gedicht van Samuel Beckett, vernoemt ze ook haar kinderen Arianna en Ascanio. Ascanio, ach ja: Ascanio in Alba, een opera van Mozart. Je moet toch even glimlachen, zie hier de rebelse puber opgegroeid in een artistiek, high brow gezin.

     

  • Al het voorbijgaande vastgelegd

    Al het voorbijgaande vastgelegd

    Volgens Van Dale’s woordenboek betekent de uitdrukking ‘waarvan akte: ‘Het staat genoteerd, het is vastgelegd’. Waarom het ook de titel is van de nieuwe en vijfde dichtbundel van Onno Kosters – die in 2012 de Turing Gedichtenwedstrijd won –  wordt al duidelijk bij het lezen van het eerste gedicht ‘Duisternis’. Daarin wordt verwezen naar het begin van alles: de oerknal, de chaos, de bron van alle leven. Kosters legt de geschiedenis van het leven vast in hoogtepunten, van alles wat voorbij is, om het op die manier te behoeden voor de vergetelheid. Sommige gedichten in deze bundel zijn al in eerdere bundels verschenen.

    Onno Koster is docent Engelse letterkunde en vertaler. Hij vertaalde onder meer werk van Seamus Heaney en Samuel Beckett. Zijn liefde voor James Joyce is ook aan te wijzen in zijn eigen werk; evenals Joyce hanteert Kosters ongebruikelijke composities en plaatst hij oude mythen in een moderne setting.

    Het eerste deel begint bij de Oude Grieken met gedichten over Heracles en de beoefenaars van de klassieke Olympische sporten als discuswerpen, speerwerpen en boksen, die afgebeeld staan op vazen waarvan een foto achterin de bundel is bijgevoegd. Sporthelden – ook in de oudheid – zien hun successen graag geboekstaafd. In deze gedichten verweeft Kosters zowel archaïsch taalgebruik als moderne taal. Naast versregels als ‘Vaarwel mijn vooruitsnellende voorgangers / die ik achter mij te laten dacht’ staan woorden als ‘fotofinish’ en ‘superslomo’ in hetzelfde gedicht bijeen. Het laatste gedicht van deze afdeling is een vertaling van het gedicht ‘Darkness‘ van Byron, waarmee de cyclus van deze eerste afdeling voltooid wordt.

    Gemakkelijk zijn de lange gedichten niet, al is het taalgebruik van Kosters uitnodigend helder. In één gedicht worden meerdere verhaallijnen doorgetrokken. Door de hele bundel heen lopen intertekstuele verwijzingen naar andere dichters als Donne, Dante en Dylan Thomas (‘Mijn moeder raast, raast tegen het sterven van het licht’ in ‘Hoe Heracles verdween uit Almelo’).

    Het tweede deel van deze bundel verhaalt van een reis van de dichter door Italië, maar ook hier wordt de klassieke oudheid nog niet losgelaten, getuige een gedicht als ‘Aphrodite’. De terugkeer naar de hedendaagse tijd voltrekt zich pas in het derde en laatste deel.
    In het bijzondere gedicht Geen dagje naar het strand, dat uit vier delen van elk zes strofen bestaat, heeft elke strofe per deel dezelfde begin- en eindregel. In het eerste deel begint elke strofe met: ‘Ik ging naar zee om de zee te zien’ in een verwijzing naar de eerste regel van het beroemde gedicht van Nijhoff De moeder de vrouw. Toch valt dit rederijkerskunstje niet als zodanig op, omdat Kosters in het gedicht klassieke stijlfiguren gebruikt in een rijmloze, strakke vorm, waardoor het geheel zich laten lezen als een oud epos. Zoals alle goede poëzie laat ook dit gedicht zich niet zo gemakkelijk in één uitleg vangen.

    In het laatste deel wordt de dichter persoonlijker: het gedicht Voltooid leven beschrijft een treurig oord waar demente vrouwen hun laatste dagen slijten:

    ‘Mijn moeder die ik voer
    als met de fles een kalfje
    in de dagbesteding op -1’

    Met in de versregel ‘De vrouw die eet of ze nooit at’ klinkt even een echo van Roland Holst: ‘Ik zag een vrouw die schreed alsof zij nooit zou sterven’.

    Ook dode dichters als F. Starik en Seamus Heaney worden hier herdacht, evenals de vader van de dichter, aan wie een ontroerend en opmerkelijk eenvoudig gedicht gewijd is. Maar het hoogtepunt van de bundel wordt toch bereikt in de serie van vijf gedichten die samen ‘Et in Arcadia ego’ vormen, waarin de dichter teruggaat naar zijn idyllische kindertijd op het platteland in de Achterhoek: ‘een jongen van acht uit een dorp in het Gooi / die mocht wat niet mocht waar hij was.’ Hier herinnert hij zich de oogsttijd, de gang naar de melkfabriek, het uitmesten van de varkensstallen, maar bovenal de vriend met wie hij de streektaal sprak:

    ‘In het Barlose spreek ik de taal
    waarin ik niet werd geboren:
    die mijn eerste tweede werd
    […]
    Vijftig jaar later of er niets is gepasseerd
    spreek ik de vorm van de taal nog van daar:
    […]
    geaard waar ik niet werd gepoot – hij wel
    die ik, met mijn vloeiend Achterhoeks
    ben kwijtgeraakt’

    Als dit een eerbetoon aan Seamus Heaney is, die volgens Arjan Peters (Volkskrant 12 oktober) ‘zo graag over de varkenstroggen en rapensnijders uit zijn Ierse jeugd dichtte’, dan is het laatste gedicht uit eerbied voor John Donne geschreven. Kosters vertelt achterin de bundel bij de verantwoording dat Donne het gedicht ‘Good-Friday, 1613, Riding Westward’ schreef, terwijl zijn hart naar het oosten trok. Kosters daarentegen vertrekt in tegenovergestelde richting, getuige zijn gedicht ‘Goede vrijdag, naar het oosten’, terwijl ook zijn eigen hart de andere kant opgaat:’

    ‘naar het oosten terwijl mijn gedachten
    voeren naar het westen waar het wacht
    de zonsondergang die mijn nu al zo lang
    doffer en doffer wordende moeder ontsnapt
    die in zichzelf een immer zwarter zwart verpakt
    dat niemand vat. De nacht die valt
    was er altijd al.’

    Het is slechts schijn dat deze gedichten glashelder lijken: niet voor niets doemt de duisternis op in bijna elk gedicht. Ook in Waarvan akte is de duisternis dreigend en onontkoombaar. Alles wat voorbijgaat, is vastgelegd in deze evenwichtige, zorgvuldig samengestelde bundel. Het zijn geen gedichten die zich gemakkelijk prijsgeven, maar wie aandachtig en geconcentreerd leest, wordt beloond met het beste wat de dichter te bieden heeft.

    ‘Ik keer het oosten de rug toe door erheen te gaan.
    Als dit is wat ik achterlaat, dan is het welgedaan.’

     

  • Oogst week 26

    Kort proza

    Zeven teksten telt Kort proza van Samuel Beckett. De kortste tekst – noch het een nog het ander – is tien zinnen lang, zou poëzie kunnen zijn, als Beckett het geen verhaal gevonden had. Genoeg – de langste, ruim elf bladzijden – oogt van de zeven het meest als een verhaal met een kop en een staart, maar is goed beschouwd net zo plotloos en suggestief als alle andere – Bing, Zonder, Roerloos, Op een avond en De klif.

    Puur van taal zijn de uitzichten die Samuel Beckett biedt. Hij cirkelt, repeteert, komt terug op een punt waar hij al eerder was. Concreet wordt zijn proza pas als de lezer zich er iets bij voorstelt. Een beeld projecteert.
    In de vertaling van Anneke Brassinga klinkt, klatert en resoneert het korte proza van Beckett.

    Kort proza
    Auteur: Samuel Beckett
    Uitgeverij: Vleugels

    Pereira verklaart

    Portugal, 1938. Salazar maakt de dienst uit, en onder zijn bewind moet Pereira journalist zijn. Zelfs op de kunstpagina is stelling nemen uit den boze. Door stelselmatig de bijdragen – necrologieën en herdenkingsartikelen – van een talentvolle jonge collega (en beschermeling), wegens te links en te subversief, te weigeren, draagt Pereira bij aan het levend begraven van kritische geesten. Maar er komt een moment dat het regime te ver gaat, Pereira zijn geweten laat spreken en zich niet langer afzijdig houdt.

    In elk hoofdstuk van de roman komt minstens een keer de zin ‘Pereira verklaart’ voor, alsof Pereira verklaart het verslag van een verhoor is. De zin suggereert een objectieve, officiële en feitelijke weergave van de werkelijkheid. Niets is natuurlijk minder waar: Pereira laveert en geeft mee en geeft toe.
    Eigenlijk is Pereira net als Hanta in de novelle Al te luide eenzaamheid van Bohumil Hrabal een hoeder van machthebbers van niet welgezind cultureel kapitaal. In Pereira verklaart wemelt het van de literaire en politieke verwijzingen.

    Behalve dat Sostiene Pereira werd bekroond met belangrijke literaire prijzen en de naam van Antonio Tabucchi definitief op de kaart zette, werd het in 1995 verfilmd door Roberto Faenza. Marcello Mastroianni was Pereira.
    Eerste druk van de Nederlandse vertaling verscheen in 1995.

    Pereira verklaart
    Auteur: Antonio Tabucchi
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Buster Kafka

    Waar vereenzelviging van een schrijver met zijn personage(s) toe kan leiden, beschrijft Martin Schouten in zijn roman Buster Kafka. Over de Duitse leraar Enzo Krijgsman die  een roman heeft geschreven waarin de Hollandsche Schouwburg prominent aanwezig is en de belangrijke personages joods zijn. Omdat hij tijdens een televisie-interview de suggestie dat hij zelf ook joods is niet weerlegt, is hij vanaf dat moment voor de buitenwereld een joods auteur.

    Zijn wereld(beeld) verandert daardoor essentieel. Hij ondervindt aan de lijve wat het betekent als identiteiten gaan schuiven en raakt verzeild in situaties die lijken op de spreekwoordelijke omstandigheden waar komiek Buster Keaton en schrijver Franz Kafka – Krijgsman is een expert als het gaat om het wijzen op de overeenkomsten op tragikomisch vlak tussen Keaton en Kafka – het patent op leken te hebben.

    Buster Kafka
    Auteur: Martin Schouten
    Uitgeverij: Gibbon Uitgeefagentschap
  • Samuel Beckett's Disjecta – Beschouwelijk werk

    De beschouwelijke en kritische werken van Samuel Beckett (1906-1989) lijken zich in de periferie van zijn oeuvre te bevinden, maar niets is minder waar. Feitelijk formuleren deze overwegend vroege teksten over grote, maar vaak ook onderbelichte figuren uit de literatuur en de schilderkunst (van Dante Alighieri tot Jack Yeats) een artistiek vertrekpunt dat nauwelijks aan actualiteit heeft ingeboet, en schetsen ze op zeer uiteenlopende -doch altijd trefzekere- wijze de contouren van de radicale esthetica die ten grondslag ligt aan zijn latere romans, verhalen en toneelstukken. De ‘onwillekeurige herinnering’ die hij in zijn fameuze essay Proust (1931) benadrukt, of het in beginsel falende kunstenaarschap van de schilders Bram en Geer van Velde: het zijn noties die maatgevend zouden worden voor Becketts literaire werk – maar daarmee nog lang niet zijn uitgeput.

    Voor de vertaling van Beckett’s Disjecta (aangevuld met het essay Proust) werd teruggegaan op de oorspronkelijke teksten. De polyglot Beckett schreef zijn beschouwingen behalve in het Engels ook in het Frans en het Duits, en lardeerde ze met onvertaalde Latijnse en Italiaanse begrippen en citaten, wat de toegankelijkheid bepaald niet bevordert. Voor het eerst verschijnt er nu een integrale vertaling van dit bij Beckett’s leven gepubliceerde beschouwelijke werk, inclusief de weerbarstige fragmenten uit Joyce’s werk in wording, Finnegans Wake.

    Samuel Beckett, Disjecta

    Vertaald en bezorgd: Vertalerscollectief Historische Uitgeverij en Ronald Kuil.Blz: 184
    € 25,00
    eerste druk

  • Essays over literatuur, beeldende kunst en muziek

     

     Het beschouwende proza van Kundera is zonder meer fascinerend. Hij noemt het zelf een ontmoeting van zijn bespiegelingen en zijn herinneringen en ook van zijn oude thema’s en oude (literaire) liefdes.
    Het is voor de geïnteresseerde lezer wel even doorbijten want de auteur veronderstelt een uitgebreide kennis van de Franse literatuur en ook legt hij dikwijls dwarsverbanden met de schilderkunst en de muziek. Een goede encyclopedie biedt in de meeste gevallen uitkomst. Het is in dit verband opvallend dat heel veel onderwerpen die Kundera in zijn essays ter sprake brengt, kort na het verschijnen, op de vrije internetencyclopedie Wikipedia zijn bijgewerkt. Het is alsof de uitgever en zijn medewerkers er een vermoeden van hadden dat sommige schrijvers en vooral ook dichters niet zo erg bekend zouden zijn bij het Nederlandse lezerspubliek. Doordat Martin de Haan met zijn voortreffelijke vertaling de aandacht heeft gevestigd op het werk van Kundera, komt hier wellicht verandering in.

    Kundera houdt er, volgens eigen zeggen, een denkbeeldige eregalerij op na. Als eerste daarin verschijnt de opmerkelijke kunstenaar Francis Bacon die uitspraken doet die aanzetten tot nadenken zoals: ‘Als ik naar de slager ga, verbaas ik mij erover dat ik daar niet hang in plaats van het dier’.
    Zo nu en dan is er wat somberheid in de betogen, bijvoorbeeld wanneer hij zegt nog steeds door te gaan met de zoektocht naar het van zin verstoken toeval dat het leven is. Geestverwanten als Francis Bacon en Samuel Beckett hebben gezegd getuige te zijn van de ondergang van een beschaving. Ook wordt gerefereerd aan het werk van de van oorsprong Roemeense toneelschrijver Eugene Ionesco die in zijn absurdistische stukken voortdurend thema’s als de dood en de zinloosheid van het leven behandelt.
    Heel bijzonder is ook de door Kundera aangehaalde uitspraak van Samuel Beckett: ‘De kunst wordt vaak besmeurd door een theoretische ondoorzichtige woordenbrij waardoor een kunstwerk niet meer in contact word gebracht met de kijker of luisteraar zonder pre- interpretatie’. Een boodschap die sommige recensenten van concerten en tentoonstellingen zich aan zouden moeten trekken.

    Nooit is Kundera scherp kritisch in zijn beschouwingen. Als hij al kritiek uit is deze zeer mild. Zo maakt hij gewag van de grote literaire kwaliteiten van Louis-Ferdinand Céline zonder aandacht te schenken aan zijn antisemitische pamfletten en zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog zeer laakbare gedrag. In de volgende hoofdstukken worden steeds kunstenaars ten tonele gevoerd (vooral veel schrijvers) wiens werk door Kundera van commentaar wordt voorzien. Soms lijkt zijn boek op een bundel boekrecensies en op een ander moment heeft het iets van een ‘Dode dichters almanak’ omdat hij soms heel ver terug gaat in het verleden.
    Grote verdienste van Milan Kundera is onder andere dat hij steeds bij zijn lezers belangstelling weet te wekken voor de meest uiteenlopende literaire onderwerpen. Zo vestigt hij de aandacht op het werk van Jacques Anatole François Thibault, beter bekend onder de naam van Anatole France. Nieuwsgierig geworden zullen er onder de lezers van Kundera’s ontmoetingen, velen zijn die zich naar de boekhandel spoeden om zijn werk Les dieux ont soif in een Nederlandse vertaling te bemachtigen.
    Ook interessant, voor vooral de Nederlandse lezers is de briefwisseling met de Mexicaanse schrijver Carlos Fuentes. Hij hield in 2006 de Huizingalezing aan de universiteit te Leiden. Nog nieuwsgieriger worden we als Kundera vermeldt dat tijdens een door de Frankfurter Algemeine Zeitung in 1999 gehouden enquête, de trilogie, Die Schlafwandler van Hermann Broch, door Fuentes als grootste van deze eeuw wordt aangemerkt.
    De literatuur in de verschillende voormalige Franse gebiedsdelen zoals Martinique komen ter sprake. Het Frans wordt nog steeds op scholen onderwezen maar het alledaagse taalgebruik (la parole immédiate) is het Creools. Patrick Chamoiseau heeft zijn romans verrijkt met Creoolse uitdrukkingen en heeft daarmee de unieke historische en culturele wortels van het Caribische gebied willen benadrukken. Kundera zegt dat hij dat gedaan heeft omdat ze grappig, betoverend en onvervangbaar zijn.

    Een opera van landgenoot Janacek wordt besproken. En daarna komt Theresienstadt ter sprake. Herinneringen worden opgehaald aan een ontmoeting die Kundera had in zijn jonge jaren met een Joods echtpaar dat tijdens hun verblijf in deze ‘vitrine’, waarmee nazi Duitsland zijn misdaden trachtte te verhullen, de herinnering aan Mahler en Schönberg levendig probeerde te houden.

    Tenslotte wordt er nog vrij uitvoerig aandacht besteed aan het werk van Curzio Malaparte en zijn twee meest bekende romans, Kaputt en De huid. Alweer een aanbeveling.
    Eigenlijk wordt er door Kundera aan ons te veel aangereikt om in één keer te verwerken. Regelmatig zal dit boek moeten worden herlezen. Lees maar goed want er staat veel meer dan er staat.