• Amerikaanse verlorenheid in beeldende snapshots

    Amerikaanse verlorenheid in beeldende snapshots

    In een interview met de Volkskrant zei Nuri Bilge Ceylan, regisseur van de Turkse film About Dry Grasses, onlangs: ‘Het verhaal van de film is voor mij ook niet zo belangrijk. Het gaat meer om wat interessante momenten, waarin ik dan de worsteling van de personages kan vatten.’ Dit had ook gezegd kunnen zijn door de Amerikaanse schrijver Sam Shepard, en dan over zijn boek Een dag als geen ander (oorspronkelijke titel Day out of days, vertaald door Gerrit Brand). Ook hier is geen sprake van een ‘verhaal’. 

    Hoewel dit een verhalenbundel is, zijn er maar een paar verhalen met iets van een samenhangend plot. Inderdaad, het zijn veel meer een verzameling ‘interessante momenten’ – literaire snapshots van wat in een van de teksten ‘de Amerikaanse verlorenheid’ wordt genoemd. Als er iets is wat de verhalen in Een dag als geen ander bindt, dan is dat de beschrijving van het grimmige, wanhopige leven aan de rand van de Amerikaanse samenleving. Of wie weet is het juist het leven in de kern van die complexe, worstelende, uit elkaar vallende maatschappij.

    Toneelschrijver Sam Shepard (1943-2017) kreeg in 1979 de Pulitzer Prijs voor Buried Child. Daarnaast was hij scenarioschrijver, regisseur en acteur en schreef twee romans en vier verhalenbundels. Een dag als geen ander is de laatste daarvan. Shepards verwevenheid met toneel en film verloochent zich in deze bundel bepaalt niet. Veel teksten, meestal maar een of twee pagina’s, lijken wel bedoeld als schetsen voor filmscènes.

    Soms ook zien we dialogen in korte zinnen, die zó een fragment van een toneeltekst zouden kunnen zijn. Dan weer hele reeksen korte observaties, zoals in het eerste verhaal (‘Keuken’), dat voornamelijk bestaat uit de beschrijving van alles wat er in die keuken aan foto’s en ander beeldmateriaal te zien is, ‘gewoon willekeurig vastgepind aan kasten en deurposten, zijdelings wegglijdend’. Sommige verhalen gaan expliciet over filmische thema’s, zoals het leven van een acteur die ‘wat laatste opnames’ moet maken voor een film ‘waarvan hij zelfs de titel niet meer weet’ en een ik-figuur die ‘weer een militair’ moet spelen, ‘die ik niet ben en nooit zal zijn’. 

    Identiteit

    Daarmee is een ander overkoepelend thema in deze verhalenbundel aangestipt: de zoektocht naar identiteit. Een kwestie die uiteraard essentieel is in de wereld van film en toneel, waarin de grens tussen speler en gespeelde dikwijls diffuus is. Opvallend vaak gaat het in deze bundel over onthoofdingen, ‘het soort scheiding dat ons het meest beangstigt – ons hoofd verliezen’, en het villen van de gezichtshuid, ‘zodra je het gezicht van het lichaam scheidt en het plat op een formica toonbank legt, is het helemaal niet meer hetzelfde’. Soms ook zit de dualistische identiteit in de persoon zelf, zoals in het verhaal Costello. Daarin keert de ik-figuur na vijfenveertig jaar terug naar zijn geboortestad, en heeft meteen spijt. ‘Waarom zou iemand vrijwillig een wandeling maken door zijn verre verleden, anders dan [om] het geheugen van een lang verloren tegenhanger te kwellen?’

    Vervolgens komt er een intrigerend spel met en over identiteit, via een gesprek over vroeger waarin een van de gesprekspartners de ander niet herkent als zijn grote jeugdvriend, en intussen wel heroïsche anekdotes over hem opdist. In een van de laatste verhalen gaat het over iemand die na een hartaanval een ander mens is. ‘Hij kon zijn ommezwaai nauwelijks geloven. (…) Hoe hij plotseling zijn heiligste obsessies kon opgeven, hele aspecten van zijn karakter die hij als onveranderlijk had beschouwd.’ 

    De beste onderdelen van Een dag als geen ander zijn de langere verhalen (vijf tot tien pagina’s), geordend als een soort roadtrip, met titels vernoemd naar de plaats van actie of van herkomst. Deze zijn vlot, soms zelfs meeslepend geschreven, en doen denken aan Kerouacs On the road, waarnaar ook een keer letterlijk verwezen wordt. Ze gaan over het leven over de highways, op motelkamers en in stacaravans. Drank, drugs, overspel en verdwalen in een loeiende storm. Plaatsnamen als Tucumcari, Baton Rouge, Calexico en Texarcana. De zinnen zijn vaak kort, af en toe bijtend. De enscenering wordt krachtig gevisualiseerd.

    Sterke beeldendenker

    Als film- en theaterman is Shepard kennelijk geneigd sterk in beelden te denken: ‘Ik maak geen geheim van mijn obsessie tot observeren.’ Verder bestaat de bundel uit een groot aantal kortere teksten, die lang niet altijd als ‘verhalen’ zijn te beschouwen. Laten we ze ‘aantekeningen’ noemen. Aan een aantal daarvan is geen touw vast te knopen. Een voorbeeld daarvan is Alpine, Texas (Highway 90), dat bestaat uit drie pagina’s korte zinnen, soms van maar één woord, zonder enig onderling verband. Of het moet de verbeelding van een onnavolgbare, stream-of-consciousness-achtige koortsdroom zijn. Hoe dan ook, afwisseling en vervreemding genoeg in deze gedurfde verhalenbundel. Het is beslist geen doorsneeboek en de uitgever en vertaler verdienen waardering voor het toegankelijk maken ervan voor de Nederlandse liefhebber. 

    Aandacht voor de taal

    Toch is er een minpunt. Soms staan er lelijke zinnen, wat nog onder ‘smaken verschillen’ kan vallen, zoals: ‘We reden toen we eindelijk terugkeerden in stilte van het vliegveld van St. Paul naar huis.’ Maar er zijn ook ontsporende zinnen. ‘En dat deze snijbloemen in L.A. veel geld opbrachten, nadat ze ’s nachts die lange weg met de trein door de Santana wind waren gereden, in pikzwarte goederenwagons, die in de ochtenddauw door Mexicaanse verkopers werden geopend om vervolgens te worden verkocht voor de schaduwrijke patio’s van de superrijke Wrigleys en Richfields.’ Laakbaar wordt het als woorden verkeerd vertaald zijn. ‘Artificial eyes’ zijn ‘kunstogen’ en niet ‘artificiële ogen’. We zeggen ‘ambulancepersoneel’, en niet ‘paramedici’. En een ‘fireman’ op een stoomlocomotief heet in het Nederlands geen ‘brandweerman’, maar ‘stoker’. Dat is zonde. Dit bijzondere boek had meer aandacht voor de taal verdiend. 

     

     

  • Kijken en bekeken worden

    Kijken en bekeken worden

    Op 27 Juli 2018 is het een jaar geleden dat de Amerikaanse schrijver Sam Shepard overleed. Zijn Spy of the First Person (Bespieder van de Eerste Persoon) verscheen enkele maanden later postuum. Shepard (1943 – 2017) was een dubbeltalent: acteur én schrijver en allebei meer dan verdienstelijk. Voor zijn acteerwerk sleepte hij in 1984 een Oscarnominatie in de wacht en voor zijn toneelstuk Buried child in 1979 de Pulitzerprijs. Zijn leven wijdde hij voornamelijk aan toneel, hij schreef zo’n vijftig toneelstukken en regisseerde daarvan zelf het leeuwendeel. Met het schrijven van proza begon hij veel later in zijn leven. Naast Spy of the First Person verscheen eerder The One Inside– ook van dit boek is de Nederlandse vertaling al aangekondigd.

    De novelle Bespieder van de Eerste Persoon is met bovenmenselijke kracht tot stand gekomen. In een naschrift wordt verteld dat Shepard in 2016 de eerste tekenen van ALS kreeg, die verschrikkelijke spierziekte waarbij de spieren één voor één worden aangetast. Typen kon Shepard niet meer. Met de hand schreef hij de eerste hoofdstukken en toen dat niet meer ging, nam hij delen van het boek met een recorder op en schreven zijn familieleden zijn teksten uit. Toen ook dat niet meer ging, dicteerde hij de laatste pagina’s. Vlak voor hij overleed heeft hij samen met Patti Smith (waar hij mee bevriend was) de laatste redactie van zijn manuscript uitgevoerd. Met deze ontstaansgeschiedenis in het achterhoofd is het niet eenvoudig het boek niet welwillend te bespreken.

    Shepard maakt het zijn lezers zeker niet gemakkelijk. Omdat hij telkens van vertellersperspectief wisselt, weet je nooit precies wie er aan het woord is. Er zit een man op de veranda. Van een afstand lijkt het alsof hij in een schommelstoel zit, maar later blijkt het een rolstoel te zijn. Hij geniet van de vogels, leest in Jane’s Fighting Ships 1942 (een naslagwerk over oorlogsschepen) en hij voelt zich bekeken:

    Maar ik heb het gevoel – ik kan niet om het gevoel heen – dat er iemand naar me kijkt. Iemand wil iets te weten komen. (…) Ik voel dat hij steeds dichterbij komt. Ik hoor iemand ademen. Ik ruik dat het een man is aan de geur van zijn adem.

    Ook de voyeur komt aan het woord en daarnaast zijn er hoofdstukken waarin een ‘je’ wordt aangesproken (Het lijkt pas gisteren dat we bocce speelden. Jij en ik), zonder dat duidelijk wordt wie nu precies die ‘je’ is. De zoon van de man in de rolstoel? Diens bespieder? Zijn eigen jongere ik? God misschien? Die vraag naar wie spreekt, leidt in eerste instantie af van de verhalen die verteld worden.  Overpeinzingen over de veranderingen in de Verenigde Staten in de afgelopen eeuw, over het migrantenbestaan van Italianen en Mexicanen, over tijd (het verleden komt nooit in zijn geheel. Het komt altijd in stukjes), over historische figuren en over de grootouders Jay en Aubra. Een stroom aan gedachten.

    De verhalen zijn echter wel zeer bewust gekozen, zo lijkt het. Tijdens een paardenrace wordt het paard dat lijkt te winnen door een sluipschutter doodgeschoten. Pancho Villa, een revolutionair in ruste, wordt na een uitstapje aan de stad Durango in een hinderlaag vermoord. Als je je bespied voelt zijn dit de mogelijke consequenties waaraan je denkt: je weet niet wat de ander wil, hij kan je je geheim willen ontfutselen of hij kan het, uiteindelijk, op je leven hebben gemunt. Net als een ziekte als ALS die ook als een sluipmoordenaar in je leven komt. Want dat is natuurlijk ook een lijn in het boek: de ziektegeschiedenis.  Eerst is er het bloedonderzoek, de ruggenmergpunctie, de arts die zegt dat er iets mis is. Vervolgens werken zijn handen en armen niet meer en moet hij capriolen met zijn benen, knieën en dijen uithalen om toch zijn crackers en kaas te kunnen eten. Telkens bij het wakker worden is er die vraag: wat is mij nu weer ontnomen? Zoals in de volgende passage:

    Beide wenkbrauwen! Beide wenkbrauwen. Beide. Nee, alleen de linker. De linker. Ja! Daar blijft het bij. Gelukkig, daar blijft het bij. Godzijdank, daar blijft het bij. Dank. Dank daarvoor. Er zijn weer dingen veranderd. Er zijn dingen veranderd. Hij moet nu alles aan andere mensen vragen. Hij kan nu niets meer zonder andere mensen. Er zijn zeker dingen veranderd.

    Dit is het tempo van vertellen: staccato zinnen en veel herhaling. Zo praat iemand die weinig energie heeft voor zijn verhaal. Shepard als de man op de veranda die geen kant op kan en gedachten laat komen en gaan. Zoals over de ontsnapping uit de zwaarbeveiligde gevangenis Alcatraz. Je zou als je met alles – wassen, aankleden, naar het toilet gaan – door anderen geholpen moet worden ook het liefst aan je eigen lijf willen ontsnappen.

    Kijken en bekeken worden blijkt een rode draad in het leven en het werk van Shepard. In zijn autobiografie Motel Chronicles (1982) schrijft hij dat hij soms, van een afstandje, zijn familie om en in het huis observeerde zonder dat zij wisten dat hij dit deed. Een documentaire over zijn werk kreeg als titel ‘Stalking himself’ mee. Niet helemaal vreemd dat dit motief in zijn afscheidsnovelle weer een prominente plek heeft gekregen. Wellicht had Shepard die afstand opnieuw nodig, deze rol van observeerder, bij het schrijven van Bespieder van de Eerste Persoon. Om geen larmoyant verhaal te vertellen, om zelfbeklag – hoe terecht dat ook zou zijn – te voorkomen. Aan de lezer de opdracht dit kleine boekje hardop en langzaam te lezen om de intensiteit van elk gekozen woord te ervaren van een man die geen kant meer op kon. Alles zit in mijn hoofd, zegt de verteller tegen zijn dochter. Een klein stukje heeft hij op de valreep nog prijs kunnen geven.