• Verhalen over dood, magie en geesten

    Verhalen over dood, magie en geesten

    De aanslag op Salman Rushdie in 2022 noodzaakte hem eerst helder te krijgen wat die daad voor hem betekende. Hij deed er verslag van in Mes. Dat boek moest er komen voor hij weer ruimte voelde voor nieuwe fictie. Die is er nu in de vorm van vijf verhalen in de bundel De levensavond. Ze gaan over verschillende aspecten rond de dood: het sterven, verlies, de geest van doden en verdwijningen. In enkele gevallen gaan ze zelfs over wraaknemingen door de overledenen.

    Het eerste verhaal waarin dat gebeurt is ‘De muzikante van Kahani’. Het heeft de lengte van een novelle met als hoofdpersonages de Indiase sitar- en pianospeelster Chandni en haar ouders Raheem en Meena Contractor.

    Business

    Raheem is hoogleraar wiskunde. Hij raakte in een depressie toen hij het bewijs had gevonden voor de Laatste Stelling van Fermat maar net voor hij dat kon publiceren verslagen werd ‘door een Engelse wetenschapper die beroemd werd en overladen met lof en prijzen, terwijl Raheem Contractor anoniem bleef’ (een verwijzing naar Andrew Wiles, die in 1994 het bewijs leverde).
    Zoals ook in ander werk gebruikt Rushdie hier een historisch feit om op basis daarvan over te stappen naar magisch realisme door dat feit in te bedden in een verhaal over andere werkelijkheden of droomwerelden.
    Raheem verlaat in zijn depressie zijn gezin en raakt bevriend met een sekteleider Shankar die er vooral op uit is een vermogen op te bouwen en seksorgies te organiseren (‘Meditatie was big business geworden’). Tot hij na drie invallen door de belastingdienst wordt ontmaskerd en vlucht met één van zijn drieënnegentig Ferrari-wagens.

    Muziek

    Ondertussen viert dochter Chandni triomfen als (concert)musicus. Daarin wordt ze tegengewerkt door de puissant rijke familie Ferdaus waarbinnen ze trouwt met een playboy. Ze wordt totaal door de familie ingepalmd; haar taak is te zorgen voor een stamhouder. Ze bevalt voortijdig van een dood kind en verlaat de familie om terug te keren naar haar ouders. Het Ferdaus-imperium gaat daarna ten onder omdat Chandni haar muziek weer oppakt en door de magie daarvan alle bedrijven van de familie ten gronde richt.

    Overigens zijn de uitweidingen over gedrag en leefwijze van het Ferdaus-imperium en de sekte van Shankar nogal clichématig. Menigeen zal het beeld dat hij er al van had gemakkelijk herkennen. Rushdie voegt daar geen nieuwe inzichten aan toe. Wel lardeert hij de beschrijvingen met erg veel humor.

    Arthur

    In het daaropvolgende verhaal ‘Ontijdig’ verbindt Rushdie opnieuw een historisch feit met een geesteswereld, al wordt dat pas gaandeweg duidelijk. En opnieuw is het een verhaal van wraak. De openingszin stuurt de lezer al meteen die kant op: ‘Toen Eredoctor S.M. Arthur wakker werd in zijn verduisterde slaapkamer in het College was hij dood’. (Later zal blijken dat nog van meer mythes sprake is: de letter M in de voornaam staat voor Merlijn en er volgen diverse verwijzingen naar de Arthursagen).
    Als geest kwelt deze Arthur zijn baas, Lord Emmemm. Hij neemt wraak voor wat deze hem heeft aangedaan door hem te beletten na de publicatie van zijn eerste boek zijn werk verder nog openlijk uit te oefenen. En dan blijkt Rushdie hier een magisch-realistische versie geeft van de lotgevallen van de kraker van de Enigma-code in de Tweede Wereldoorlog, Alan Turing. Die publiceerde, net als Arthur in ‘Ontijdig’, een belangrijk werk (over de Turingtest), maar mocht daarna alleen in het geheim bij het instituut blijven werken; hij werd vanwege zijn homofilie chemisch gecastreerd.

    Veranda’s

    Van de drie andere verhalen in De levensavond is het eerste van amper twintig pagina’s, ‘In het zuiden’, het meest innemende. Ook dit begint omineus met de zin ‘De dag dat Junior viel…’
    Junior is de buurman van een man die dezelfde naam heeft. Om de twee, die in leeftijd maar zeventien dagen verschillen, uit elkaar te houden wordt de andere Senior genoemd. Ze zijn het voortdurend met elkaar oneens, bijvoorbeeld over de vraag of het in het zuiden (vandaar de titel) van India beter wonen is dan elders. Ze kunnen echter ook niet zonder elkaar.
    De val uit de eerste zin is Junior fataal en laat Senior alleen achter: ‘De dood en het leven waren niets anders dan belendende veranda’s. Senior stond op de ene zoals hij altijd had gedaan en op de andere, hun traditie van vele jaren voortzettend, stond Junior, zijn schaduw, hem tegen te spreken’.

    Manuscripten

    De laatste twee verhalen in De levensavond zijn minder toegankelijk. In ‘Oklahoma’ heeft dat te maken met de ingewikkelde structuur en de talloze literaire verwijzingen.
    De verteller introduceert een manuscript van een zekere Mamouli Ajeeb uit India dat de dag voor hij stierf bij de uitgever werd bezorgd. Hij noemde het ‘een narratief dat onwaar is en dus waar, zoals dat gaat met fictie’. Hoofdpersoon in dat manuscript is op zijn beurt weer een personage, oom K, dat geobsedeerd is door verdwijningen en de dood. Er volgen er een aantal waarvan hij een lijst heeft aangelegd. Maar ook oom K. zelf verdwijnt met achterlating van zijn kleren op het strand. Het is onduidelijk of het een verdwijntruc is of dat hij echt is verdronken.
    Daarna wordt bij Ajeeb een pakje bezorgd van oom K met weer twee nieuwe manuscripten, deze keer naar aanleiding van een schilderij van Jeroen Bosch. Om die raadselachtige teksten te kunnen verklaren bezoekt hij tante K. die Ajeeb er echter vervolgens van beschuldigt dat hij het handschrift van oom K heeft vervalst…. Volgt u het nog?

    De titel ‘Oklahoma’ verwijst naar de belangrijkste vraag die oom K zich stelde: waarom voltooide Kafka zijn roman Amerika niet (Kafka brak die af op het punt waarop hoofdpersoon Karl Rossmann onderweg was naar Oklahoma).

    Meningsverschillen

    Ook het laatste stuk, ‘De oude man op de piazza’ laat zich niet gemakkelijk ontsleutelen. De oude man zit elke dag voor zijn café aan de piazza te luisteren naar de discussies op het plein. Aan de andere kant zit een vrouw die de belichaming van de taal is. Het gekibbel op het plein kent tijden waarop alleen ‘ja’ mag worden gezegd en later weer alleen ‘nee’. Het verhaal lijkt een parabel – zo komt het over met de gedachten aan de toenemende polarisering in onze tijd – over de teloorgang van de democratie, die juist gebaat is bij discussies en meningsverschillen waarbij naar elkaar wordt geluisterd.

    De levensavond

    De levensavond

    Salman Rushdie

    Translation by: Karina van Santen en Martine Vosmaer

    Uitgever: Uitgeverij Pluim (2025)

    ISBN 9789493420465

    256 pagina’s

    Prijs: € 24,99

    Buy with Libris
  • Kunst overwint geweld

    Kunst overwint geweld

    Toen Salman Rushdie door zijn aantekeningen voor een nieuwe roman na Victoriestad bladerde, merkte hij dat hij er niet mee verder kon: ‘Tot ik de aanslag had behandeld, zou ik niet in staat zijn iets anders te schrijven (…) Schrijven zou mijn manier zijn om bezit te nemen van wat er was gebeurd, de controle erover te nemen, het me toe te eigenen, te weigeren louter een slachtoffer te zijn. Ik zou geweld beantwoorden met kunst’. Die behandeling van de aanslag heeft geresulteerd in Mes. Gedachten na een poging tot moord.
    De aanslag op Rushdie vond plaats op 12 augustus 2022 om 10:45 uur in het amfitheater van Chautauqua in de staat New York waar hij een lezing zou geven. Rushdie liep vijftien messteken op die hem op het randje van de dood brachten en waardoor hij blijvend een gehandicapte linkerhand heeft en zijn rechteroog is kwijtgeraakt. De dader van de aanslag was een fundamentalistische moslim die Rushdie in zijn boek slechts als ‘de A.’ aanduidt (‘Aanvaller, would-be-Assassino, Achterlijke man die Aannames over mij maakte, die met mij een bijna dodelijke Afspraak had’).

    Mes bestaat uit twee delen. In het eerste, ‘De engel des doods’, blikt Rushdie vooral feitelijk terug op de aanslag, zijn tijd in het ziekenhuis en zijn revalidatie. ‘De engel des levens’ is het tweede deel waarin de auteur tracht de aanslag mentaal te verwerken en zijn (schrijvers)leven opnieuw in te richten. Als een rode draad loopt door beide delen de aanwezigheid van zijn vrouw, de dichteres en fotografe Eliza Griffiths, die je als een derde ‘engel’ zou kunnen zien. In Rushdies eigen woorden: ‘(…) het verhaal dat ik hier wil vertellen, is dat het een verhaal is waarin haat – het mes als metafoor voor haat – wordt beantwoord, en uiteindelijk overwonnen, door liefde’.

    ‘Foreshadowing’

    Dit verslag van een aanslag en de verwerking ervan kent – hoe kan het ook anders bij iemand als Rushdie – tal van reflecties op literatuur en kunst. Zo staat hij op de avond voor de aanslag voor zijn hotel naar de maan te kijken die spiegelt in het meer. Die doet hem onder andere denken aan het beroemde beeld van een ruimteschip dat op het rechteroog van de maan botst in de stomme film Le voyage dans la lune van Georges Méliès’. Het is een voorbeeld (Rushdie noemt er later meer) van foreshadowing van het verlies van zijn eigen rechteroog bij de aanslag van de dag erna.

    Op een gegeven moment neemt Rushdie zich voor de aanslagpleger te ontmoeten om die met de gevolgen van zijn daad (het uitgestoken oog, maar ook het overleven van het slachtoffer en dus de mislukking van wat ‘de A.’ beoogde) te confronteren, maar daar ziet hij op advies van Eliza van af. Het wordt, als we inmiddels in het tweede deel van Mes zijn beland, een fictieve ontmoeting met ‘de A.’ waarin Rushdie probeert te achterhalen wat hem gedreven kan hebben. Er volgen vier sessies van een vraag- en antwoordspel waarin Rushdie zijn eigen vermoedens ontvouwt en zijn fantasie moet aanspreken om geloofwaardige antwoorden van ‘de A.’ te bedenken.

    Afgewezen

    Het is twijfelachtig of Rushdie erin geslaagd is een helder beeld van de aanslagpleger te bereiken. De ondervrager gaat op zoek naar de werkelijke voedingsbodem van de would-be-moordenaar. Hoe kon hij zo haatdragend worden dat hij ervan overtuigd was dat hij de schrijver van een boek (De duivelsverzen) dat hij niet eens had gelezen, moest vermoorden? ‘Jij bent een boze jongen’ zegt ondervrager Rushdie: ‘Zes miljard vijanden, nul vrienden, nog minder geliefden. Woedend. Zoveel wrok. Ik vraag me alleen af wie je eigenlijk wilde vermoorden. Een meisje dat je afwees? Een jongen op de sportschool of aan de Israëlische grens? Je moeder misschien? (…) Wiens gezicht zag je voor me toen je me stak?’
    Het is een psychologie die Rushdie ontleent aan schrijfster Jodi Picoult. Zij vertelt in haar roman De tweede dochter dat eenlingen er niet voor kiezen eenzaam te zijn, maar voortdurend zijn teleurgesteld in hun pogingen om in harmonie met de wereld te leven.

    Leert de lezer daardoor ‘de A.’ echt kennen? Diens drijfveren zien we natuurlijk zoals Rushdie ze zich probeert voor te stellen. Veel overtuigender is de les die Rushdie voor zichzelf trekt over zijn schrijverschap na deze hypothetische ontmoeting: ‘Kunst is geen luxe. Ze is de essentie van onze menselijkheid en vraagt geen speciale bescherming, afgezien van het recht om te bestaan. Ze accepteert discussie, kritiek, zelfs afwijzing. Maar ze accepteert geen geweld. En uiteindelijk overleeft ze degenen die haar onderdrukken’.

    Rushdie hoefde nadat hij dat inzicht had verwoord zijn aanvaller niet meer in levende lijve te ontmoeten. De tragedie is mede door het schrijven van Mes tot een ‘afsluiting’ gekomen. Maar ook realiseert hij zich de grootste schade: ‘Ik ben een vreemde vogel geworden, niet zozeer beroemd om mijn boeken als wel om de incidenten in mijn leven’.

     

     

  • Videogesprek met Salman Rushdie in De Balie

    De stem van Rushdie is er nog: Luister naar dit gesprek in de Balie met Chris Keulemans en Asis Aynan, zei vertellen over hun (zeer verschillende bevindingen) over Rushdie’s laatste boek Mes. Yoeri Albrecht is gespreksleider en interviewt Salman Rushdie via een videoverbinding. Rushdie spreekt over zijn antwoord op geweld en censuur als kunstenaar en beantwoordt vragen uit het publiek.

    Voor het eerst na de moordpoging op Salman Rushdie (12 augustus 2022) in de VS, spreekt hij in Nederland over zijn werk en over de aanslag.

  • Oogst week 17 – 2024

    Een ander leven

    Als Bart Moeyaert met zijn moeder bij haar thuis komt na een bezoek aan zijn dementerende vader in het ziekenhuis overhandigt ze hem een oranje schoenendoos met agendaatjes waarin ze een soort dagboek heeft bijgehouden: ‘Ze drukt me op het hart dat ik er niet met mijn broers over mag praten. Ik mag alles lezen, maar liever niet morgen. Bij voorkeur na haar dood, als ik er klaar voor ben. Ik zeg dat ik de dagboeken op een veilige plek zal bewaren. Daarop mag ze rekenen. Ik herhaal dat ze bij mij veilig zijn.
    Onderweg naar huis staat de schoenendoos op de passagiersstoel. Ik leg er af en toe mijn hand bovenop. Er zit een half leven naast me. Op een bepaalde dag, op een bepaald moment, zal ik het deksel van de schoenendoos halen en aan het verleden van mijn moeder beginnen (…) Thuis sla ik een van de agendaatjes open, de dag nadat ik de doos heb gekregen. Ik doorblader het jaar haast met afgewende ogen. Ik wil – voor nu even snel – alleen maar te weten komen op welke manier mijn moeder notities heeft gemaakt. Houdt ze het kort of schrijft ze hele volzinnen?
    Natuurlijk houdt ze het kort. Natuurlijk vertelt ze haast niets ’.

    De aantekeningen van de moeder vormen maar een deel van het pas als Privé-domeinreeks 328 verschenen Een ander leven van Moeyaert. Hij beschrijft daarin zijn positie als jongste in een gezin met zeven kinderen, waarin hij zich niet gezien voelde. Er was een dominante vader en een bescheiden moeder. Toen zij 70 werd nam Bart haar mee naar Parijs in de hoop wat meer van haar te weten te komen. Dat lukt aanvankelijk niet. Tot een toevallige ontmoeting met een Amerikaanse vrouw haar confronteert met haar eigen levensloop en zij Bart vertelt dat ze ‘een ander leven’ had gewild.

    Een ander leven
    Auteur: Bart Moeyaert
    Uitgeverij: Arbeiderspers

    Mes

    Salman Rushdie werd op 12 augustus 2022 met vijftien messteken toegetakeld door een moslim-fundamentalist, op het moment dat hij zich klaar maakte voor een lezing. Rushdie overleefde de aanslag wonderbaarlijk. Sindsdien mist hij het zicht in één oog en kan hij een hand niet meer goed gebruiken. Een half jaar lang was hij zo aangedaan dat ook schrijven niet meer lukte.

    Tot hij begon aan Mes, waarin hij verslag doet van de moordaanslag en welk effect die had op zijn persoonlijk leven. Ook probeert hij zich te verplaatsen in de dader door een fictief gesprek met hem aan te gaan: ‘Ik wil zijn naam niet gebruiken in dit verslag. Mijn Aanvaller, mijn would-be-Assassino, de Achterlijke man die Aannames over mij maakte, die met mij een bijna dodelijke Afspraak had… Ik merkte dat ik hem in gedachten, het zij me misschien vergeven, Asshole noemde. Maar ten behoeve van deze tekst zal ik hem iets welvoeglijker ‘de A.’ noemen. Hoe ik hem in de privacy van mijn huis noem is mijn eigen zaak.
    Deze ‘A.’ nam niet de moeite iets te weten te komen over de man die hij had besloten te vermoorden. Hij gaf zelf toe dat hij nauwelijks twee bladzijden van mij had gelezen en een paar YouTube-video’s van mij had bekeken, meer was niet nodig. Hieruit kunnen we opmaken dat de aanslag in elk geval niet over De duivelsverzen ging.
    In dit boek zal ik proberen te begrijpen waarover dan wel’.

     

    Mes
    Auteur: Salman Rushdie
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Tijdelijke helden

    De ondertitel van Tijdelijke helden van H.W. Auden, Verzamelde gedichten, is niet helemaal terecht. De selectie bevat niet alle gedichten maar een, met meer dan zeshonderd (tweetalige) pagina’s,  zeer ruime bloemlezing. De gedichten bestrijken een breed spectrum van politiek tot religie en van puur menselijke tot culturele thema’s. Al zijn beroemde teksten zijn er in terug te vinden, zoals het bij een breed publiek bekende ‘Funeral Blues’ dat gebruikte is in de film Four Wedddings and a funeral uit 1994, waarvan de eerste strofe luidt:
    Stop all the clocks, cut off the telephone,
    Prevent the dog from barking with a juicy bone,
    Silence the pianos and with muffled drum
    Bring out the coffin, let the mourners come.

    Het werd al meerdere keren in het Nederlands vertaald. Willem Wilmink bijvoorbeeld maakte ervan:
    Zet stil die klokken. Telefoon eruit.
    Verbied de honden hun banaal geluid.
    Sluit de piano’s, roep met stille trom
    de laatste tocht van deze dode om.

    De vertalingen in Tijdelijke helden zijn van Han van der Vegt. Bij hem begint ‘Funeral Blues’ zo:
    Zet stil de klokken, hoorn nu van de haak
    zorg met een sappig bot dat de hond geen heibel maakt,
    sluit de piano’s en, met trom omfloerst,
    draag uit de baar te midden van de stoet.

    Tijdelijke helden
    Auteur: W.H. Auden
    Uitgeverij: Van Oorschot
  • Oogst week 7 -2024

    De wachters

    In reactionaire tijden delven intelligentsia als eerst het onderspit. Sinds 1989 rust er een fatwa op Salman Rushdie, die een aanslag in 2022 ternauwernood overleeft. Anderen vergaat het slechter: Tahar Djaout (1954) wordt vóór zijn veertigste levensjaar geliquideerd door Algerijnse extremisten. Deze schrijver – tevens dichter, journalist en wiskundige – had immers het lef seculiere zinnetjes in zijn oeuvre te stoppen. Schrijver en werk hoeven niet per se dezelfde ideeën te uiten, maar bij fanaten van de Schrift vindt die stelregel geen weerklank. Djaout moest dood.

    Eén van zijn boeken die tegen fundamentalisme ingaan, luidt De wachters (Les vigiles, uit 1991). Centraal staat de geharde, verzuurde veteraan Menouar Ziada. Deze lepe opportunist scant zijn omgeving als een woestijnvalk. Ook de goedaardige uitvinder Mahfoudh Lemdjad verliest hij geen moment uit het oog. Druk bezig met bureaucratische klusjes, formulieren en patenten vormt Lemdjad een levensgevaarlijke dreiging voor Ziada en andere oud-veteranen. Althans, dat geloven zij. En die overtuiging doet rare dingen met hen. Tahar Djaout zou het later zelf ervaren.

    De wachters
    Auteur: Tahar Djaout
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas

    Het boek van de zwaan

    Zwanen inspireren niet alleen Tsjaikovski en Aronofsky tot kunst. Alexis Wright schrijft in 2013 The Swan Book, dat tien jaar later in Nederland verschijnt onder de titel Het boek van de zwaan. In Australië geniet Wright grote vermaardheid: haar fictie en non-fictie winnen vele prijzen. Haar literaire bijdrages aan het erfgoed van de Aboriginalcultuur (waar zij zelf een afstammeling van is) leveren zelfs de Lifetime Achievement of Literature op. In Het boek van de zwaan volgen we het meisje Oblivia. Zij leeft in een dystopisch Australië dat ten onder dreigt te gaan aan klimaatverandering.

    Klimaatfictie is actueel. Klimaatfictie vanuit het perspectief van tweedegraads onderdrukten, zoals vrouwelijke Aboriginals, is nog actueler. Achtergestelde bevolkingsgroepen wereldwijd ondervinden immers al decennia de fatale gevolgen van global warming. Wright combineert traditionele verhaalelementen met magisch-realisme, orale verteltraditie en passages over zwarte zwanen, aan Oblivia verteld door de Europese vluchteling Bella Donna. Deze zwanen inspireren de getraumatiseerde Oblivia tot een vlucht die ze nooit voor mogelijk hield. En dat is nodig ook, na een brute ontvoering.

    Het boek van de zwaan
    Auteur: Alexis Wright
    Uitgeverij: Uitgeverij Orlando

    Moet het zo

    Tegenwoordig lijkt ieder onderwerp een podcast te verdienen in plaats van andersom. Voor een goede poëziepodcast kun je gelukkig terecht bij dichter, vertaler en performer Daan Doesborgh (1988). Sterker nog: hij maakte er al vijf! Vijf jaar lang was hij bovendien stadsdichter van Venlo (2006 – 2011). Daarnaast trad hij op bij diverse festivals en werden zijn gedichten door onder meer NRC en Het Parool geprezen. Ilja Leonard Pfeijffer en Gerrit Komrij reserveren zelfs plek voor Doesborghs gedichten in hun bloemlezingen van de 21ste-eeuwse poëzie. Moet het zo is de recentste bundel van de Tirade-redacteur.

    De titel Moet het zo klinkt als een spagaat tussen experimentele en traditionele dichtkunst. Hoe zelfverzekerd Doesborghs verzen ook lijken, zijn twijfel is nooit ver weg. Zowel thematisch als stilistisch wisselt de dichter dan ook regelmatig van benadering. Nu eens ouderwets, strak en klassiek, dan weer avant-gardistisch, vrij en associatief. Bovendien blijkt Doesborgh verfrissend geëngageerd: gedichten mogen heus wel ergens over gaan. Een dichter hoeft niet alleen maar ijdel doch wereldvreemd te navelstaren. Moet het zo gechargeerd? Geen idee. We mogen het eind februari ontdekken!

    Moet het zo
    Auteur: Daan Doesborgh
    Uitgeverij: Uitgeverij G.A. Van Oorschot
  • Een stad als een verhaal

    Een stad als een verhaal

    ‘Woorden zijn de enige overwinnaars,’ luiden de laatste woorden van Pampa Kampana, de 247-jarige protagoniste van Victoriestad, de nieuwste roman van Salman Rushdie. Eindelijk is Pampa Kampana oud geworden en mag ze sterven.
    Victoriestad is een mythe van een mythe, of een mythe bovenop een mythe, zoals gecreëerd door Rushdie, opgeschreven door Pampa Kampana en selectief herverteld door de naamloze alwetende verteller. Dit is niet de eerste roman waarin Rushdie vrijelijk jongleert met geschiedenis en bestaande verhalen en personen, wel misschien een van de boeken in zijn rijke oeuvre met de meest opengewerkte constructie. Wat we lezen, waarschuwt zijn verteller keer op keer, is niet te vertrouwen, alleen te geloven.

    Mythe én geschiedenis

    Het verhaal van Pampa Kampana is gelijk aan de opkomst en ondergang van Vijyanagara, de hoofdstad van een Zuid-Indiaans rijk dat werkelijk heeft bestaan. Vijyanagara stond van halverwege de veertiende tot halverwege de zestiende eeuw op de grens tussen de huidige deelstaten Karnataka en Andhra Pradesh. De ruïnes van de stad zijn door Unesco erkend werelderfgoed en dragen nu de naam Hampi. De ‘victoriestad’, een letterlijke vertaling van Vijyanagara, ontstaat in Rushdie’s versie door de magische kracht van Pampa Kampana. Als haar grote liefde, de Portugese paardenhandelaar Domingo Nunes, over de naam struikelt en er Bisnaga van maakt, aarzelt zij niet de stad zo te hernoemen. Zo krijgt de mythische stad krijgt een naam, die berust op een verspreking: een even ludieke als veelzeggende ingreep van Rushdie.

    Alles wat eenmaal ontstaat, verdwijnt weer: zoals Bisnaga, kent ook het lange leven van Pampa Kampana meerdere cycli. Na de dood van Domingo Nunes volgt haar tweede roodharige Portugees, en als ook hij overleden is, nog een Venetiaan. Zij hebben een voor hun tijd gebruikelijk kort leven. Alleen Pampa Kampana leeft voort als de jonge vrouw die ze eens was, want de goden zijn aan haar kant en beschermen haar tegen ouder worden. Althans, tot het onvermijdelijke gebeurt en ook zij een grijsaard wordt, nadat ze haar zicht en daarmee haar magische krachten kwijt is geraakt.

    Liefde, samen met het verzet van Pampa Kampana tegen de naargeestige, door mannen en hun onvermogen overheerste samenleving, mag naast het onwrikbare vertrouwen in de kracht van het vertellen, gerust het hoofdmotief van het boek genoemd worden. Rushdie rekt het verhaal wijd en breed op, maar vaart en spanning zitten er eigenlijk alleen in het eerste deel. Die slordige honderd pagina’s zijn een weergaloze vertelling die alle natuurwetten teistert, overeenkomstig het ontembare karakter van Pampa Kampana. Daarna neemt het tempo af en volgen er passages die, hoewel nog steeds aardig, het niveau van het begin bij verre niet halen. Of dat daadwerkelijk de bedoeling van Rushdie is geweest, valt te betwijfelen, al is het idee dat hij met Victoriestad de kracht van de jeugd bezingt, misschien niet heel ver gezocht.

    Ingehaald door werkelijkheid

    Met de kennis van nu doet de blindheid van Pampa Kampana onheilspellend aan. In augustus vorig jaar, een paar weken nadat hij de drukproeven van Victoriestad had gecontroleerd, werd Rushdie net voor het begin van een openbare lezing aangevallen door een jonge moslim. Binnen een halve minuut stak hij de schrijver twintig keer met een mes. Ook in zijn rechteroog. Dat Rushdie de aanval overleefde, lag aan een gelukkig toeval. Zoals hij aan David Remnick van The New Yorker vertelt in het eerste interview dat hij vier maanden na de aanslag gaf, werd hij gered door een duim. Na dertig seconden kwamen omstanders in beweging en lukte het iemand zijn vinger op de bloedende slagader van Rushdie te leggen, terwijl ze wachtten op de helikopter die hem naar het ziekenhuis zou brengen.

    ‘Ik heb altijd gedacht is dat mijn boeken interessanter zijn dan mijn leven. Helaas lijkt de wereld anders te denken,’ zegt Rushdie tegen Remnick. De hetze tegen zijn persoon, met als culminatie de fatwa die op hem werd uitgeroepen na de publicatie van de roman Satansverzen, heeft zijn gevoel voor ironie niet kunnen aantasten. Hoewel hij zijn oog voorgoed kwijt is, blijvend moe is en niet weet of hij ooit nog een boek zal schrijven, is hij net zo strijdbaar als altijd.

    Dat wordt ook duidelijk in Victoriestad. De roman leest even goed als een bespiegeling op de huidige tijd: er zitten talrijke verwijzingen in naar de groeiende intolerantie in het India van premier Modi, een hindoenationalist, die de Indiase geschiedenis graag presenteert als één grote strijd tussen hindoes en anderen. De werkelijkheid is veel ingewikkelder en rommeliger, zoals overal. Ook in het hindoeïstische deel van India zijn er talloze voorbeelden van culturele invloeden en overnames van gebruiken, net zo goed van moslims en sikhs als van christenen, in werkelijkheid en in de roman.

    Als een van Bisnaga’s koningen, de eigengereide Krishnadevaraya, zich toont in een kostuum van noordelijke moslim-heersers, steken zijn toekomstige vrouw en schoonmoeder hun afschuw niet onder stoelen of banken. Een Zuid-Indiase koning hoort een bloot bovenlijf te hebben, laten ze hem weten. Op de achtergrond wrijft Pampa Kampana in haar handen van plezier: zij is de belichaming van tolerantie en culturele versmelting. En van vrouwenrechten. Trouwen doet ze alleen uit strategische overwegingen. Ze trouwt drie keer met drie koningen, waarvan de eerste twee, de broers Hukka en Bukka, geënt zijn op historische figuren: de eerste twee koningen van het Vijyanagara-rijk.

    Tijdelijkheid

    Rond haar tweehonderdste, tijdens de afwezigheid van Krishnadevaraya, haar derde en laatste echtgenoot, lukt het Pampa Kampana eindelijk haar ideale Bisnaga te creëren, met scholen voor meisjes, rijkdom, goederen uit alle windrichtingen en, vooral, ‘talen, die tot extatische hoogte werden verheven door de grote dichters die huizen om in te wonen en podia om op te spreken hadden gekregen.’ Die wensdroom van iedere literatuurbeminnende geest is helaas net zo kortstondig als al het andere in het leven – in het leven van gewone stervelingen althans – en als al het moois met een onverklaarbare droogte verdwijnt, is ook het leven van Pampa Kampana over.

    Victoriestad, misschien wel de laatste roman van Salman Rushdie, zit bol van plezier, het soort plezier waarvan Rushdie in het interview met David Remnick zegt dat het wat hem betreft best het uiteindelijke doel van alle kunst zou kunnen zijn. Hij laat zijn Pampa Kampana gelijk in het begin van het boek constateren dat als het leven te veel wordt, het tijd is dat de verbeelding het overneemt van de herinnering. Ondanks de oneffen kwaliteit van de hoofdstukken is Victoriestad een lust om te lezen, was het alleen al om de vele grappen en verwijzingen naar andere verhalen en personages uit alle tijden, tot en met – een spoiler – The Pirates of the Caribbean.

     

     

  • Onder de toonbank

    Onder de toonbank

    Op 1 september 1989 kocht ik de Nederlandse vertaling van Salman Rushdies The Satanic Verses. De datum vind ik terug op het titelblad, de reactie van de boekverkoper –  in de kiosk van station Hilversum –  is in mijn geheugen gegrift.
    Ik vroeg naar het boek en de man, begin veertig en grijzend, veerde bij mijn vraag iets naar achter. Zijn gezicht verstrakte en tegelijkertijd speurden zijn ogen de directe omgeving af.
    Er was niemand, er waren alleen boeken.
    Hij leek te twijfelen. Toen haalde hij van onder de toonbank De Duivelsverzen tevoorschijn, met een hand het omslag afschermend, voor als er toch iemand plotseling de kiosk binnen zou stappen.
    ‘Het is het enige exemplaar dat ik heb,’ zei hij. Hij klonk opgelucht.
    ‘Ik hoef er maar eentje.’
    Een luchtig antwoord, maar eenmaal in de trein zocht ik bewust een stil plekje op om ongezien te kunnen lezen. Bonkend hart. Dreigtaal reikt ver. Toen al.

    Zoals dat gaat. Na de aanslag op Rushdie op 12 augustus jl pakte ik De Duivelsverzen weer uit de kast. Een boek zonder leesvouwen, toentertijd haakte ik na vijftig pagina’s af, de draad volledig kwijt. Maar nu, volwassener, zie ik opeens hoe luchtig en speels het boek opent, moet ik zelfs lachen om de eerste scène, hoe Djibriel Farisjta en Saladin Chamcha naar de aarde duikelen.
    Zo gaat het.
    Zonder die aanslag was het boek in de kast gebleven.
    Zonder die aanslag geen herdrukken, geen nieuwe lezers.
    Wat aandacht krijgt groeit.

    Ik hoopte na de mes-aanval op een plottwist. De Iraanse pers spreekt haar afschuw uit over de daad, jubelt niet, geeft Rushdie niet zelf de schuld. Er is meer begrip voor de vrijheid van expressie en minder voor wraak. Er is de oprechte wens dat niemand hoeft te lijden. Hoe verder de problemen van me afstaan hoe gemakkelijker de oplossing lijkt. Kom op, mensen even je best doen, straks danst iedereen de horlepiep.

    Dat komt ook door Meer dan een mens kan doen, de verzamelde Zen-toespraken van Ton Lathouwers. Ik kreeg het dit jaar cadeau.  Lathouwers ontmoet in Kyoto een Zen-leraar die door een eenvoudige uitspraak iets in hem opent: ‘Iedereen is aanvaard, precies zoals je bent, hier en nu, zoals hij of zij is.’
    Het zijn warme woorden. Toegegeven, ik behoor tot die groep mensen die graag aanvaard zou willen zijn en anderen graag aanvaardt.
    Natuurlijk gun ik iedereen dezelfde uitkomst.
    Ook de aanvaller op Rushdies leven.
    Ook de goedpraters van deze geweldsdaad.
    Gered en aanvaard. Hè, fijn.
    Eerlijk oversteken, dat wel. Dank u wel!

    Want ik leg mijn eigen leven onder het spreekwoordelijk vergrootglas en de goedwillende glimlach van aanvaarding verstart. Van duim naar pink tel ik met gemak de mensen waarbij ik denk: Gered? Ik weet het niet. Het mag van mij, maar zeker niet op stel en sprong. En zo zit je midden in je eigen strijd, tuimelen, onzichtbaar voor iedereen, Farisjta en Chamcha door je eigen hoofd. ‘De hemel zwijgt. Je hebt alleen het geloof van je hart’ citeert Lathouwers uit de Legende van de Grootinquisiteur (uit De Broers Karamazov van Dostojevksi). Mooi. Alleen soms is dat eigen hart toch ook een probleemgeval.

     

  • Te veel tegeltjeswijsheden

    Te veel tegeltjeswijsheden

    In Nederland bestaat nauwelijks belangstelling voor Indiase literatuur. Een uitzondering daarop vormen Salman Rushdie of V.S. Naipaul die in het Engels schreven of via Engelse vertalingen de wereld over gingen. Lodewijk Brunt heeft zich jaren beijverd om onbekende teksten rechtstreeks uit vooral het Hindi hier onder de aandacht te brengen. Hij schreef ooit op zijn weblog dat alleen al het kiezen van vertalenswaardig werk geen sinecure is: ‘In India verschijnen naar schatting jaarlijks zo’n 100.000 boeken, de helft in het Engels, een kwart in het Hindi en een kwart in een van de vele andere talen (…) We zoeken naar werk dat nog niet in het Engels of een andere Europese taal is vertaald, dus je bent voor ideeën en suggesties afhankelijk van recensies, tijdschriften, uitgeverijen’. En dan nog moest hij, als hij met zijn collega-vertaler Dick Plukker aan een nieuw project was begonnen, meerdere keren tot de conclusie komen dat het werk niet interessant genoeg was.

    De meest recente vertaling van het duo is de vorig jaar – tevens het jaar van overlijden van Brunt – verschenen bundel van de jonge Indiase schrijfster Anu Singh Choudhary (1979), De blauwe sjaal. Hij bevat twaalf korte verhalen van deze multitasker, die onder meer journalist, filmmaker, regisseur en vertaler is. In die laatste functie bewerkte ze de Nederlandse tv-serie Penoza in het Hindi. De blauwe sjaal was ook in India haar eerste verhalenbundel (2014).

    Belerend

    Om maar met deur in huis te vallen: de verhalen zijn in het Nederlands geen onverdeeld genoegen. Dat heeft niet zozeer te maken met de grote culturele verschillen tussen India en het westen – als lezer dien je de bereidheid te hebben die met een open geest tot je te nemen – maar met de soms wat slordige en belerende pen van de schrijfster.
    Bijna alle verhalen gaan over vrouwen in het moderne India. Zelfbewuste vrouwen soms, maar ook vrouwen die vermalen worden binnen verschillen tussen kasten, door totaal verschillende leefwijzen in de grote steden en het vaak nog feodale platteland, of binnen relaties waarin ze door werkgeefsters worden uitgebuit of door echtgenoten klein gehouden. Slechts een enkele vrouw weet zich daaraan te ontworstelen. De verhalen geven dan wel inzicht in maatschappelijke verhoudingen, maar ze lijken soms meer geschreven om vrouwen in India bewust te maken van hun achterstelling dan dat ze literair interessant zijn. 

    In het openingsverhaal Kamergenoten bijvoorbeeld, wordt het ontstaan van een vriendschap tussen twee van de vier vrouwen die op een kamer samenwonen op een nogal ongeloofwaardige manier neergezet. Blijkbaar begrijpen de twee elkaar na een paar woorden al terwijl de lezer nog nauwelijks in de vriendschap is meegenomen. 
    Ook in het titelverhaal De blauwe sjaal wordt de lezer weinig subtiel geleid naar waar de verteller hem of haar wil hebben, ditmaal in het schrijnende leven van een vrouw in een huwelijk met een berekenende man (de man dwingt haar tot een abortus en heeft totaal geen oog voor wat dat voor haar verdere leven betekent). Maar dat gebeurt op zo’n explicerende manier dat je als lezer het gevoel hebt te luisteren naar iemand die een gemoraliseerd feitenverslag uitbrengt. Het wemelt, net als in de meeste andere verhalen, van de tegeltjeswijsheden als ‘Anderen vergeven is makkelijk, jezelf en de jouwen vergeven is het moeilijkst’ en ‘Iemand troosten is de moeilijkste taak die er bestaat’ of open deuren: ‘Als we weinig met elkaar praten, dan zeggen we dikwijls de verkeerde dingen op het verkeerde moment’. Let wel: die citaten zijn de prekerige woorden van de verteller, niet de gedachten van de hoofdpersoon zelf.

    Spin

    In een ander verhaal zijn het weer de metaforen die storen. In Het leven, de ziekte en de behandeling heeft een zwangere vrouw met een slecht huwelijk een gesprek met een gynaecoloog. Liggend op bed ziet ze in een hoekje boven zich een spin in zijn web zitten, terwijl de arts haar adviseert over haar depressieve gevoelens. Ze beseft ineens: ‘Een leven dat er kleurloos uitziet, moet je zelf kleur geven’ en symbolisch geeft ze met ‘de bezem de spin die aan het plafond hangt de vrijheid’. Het was misschien een werkzaam beeld geweest als ze een vlieg uit het web had bevrijd, maar of de spin zich verlost gevoeld zal hebben…?

    Toch is het niet moeilijk voorstelbaar waarom de bundel voor de vertalers interessant was. Alle verhalen illustreren wel op een of andere manier de hectiek van het moderne Indiase leven, vooral in de steden. Daarnaast laten ze de enorme botsingen zien tussen conventies en rituelen op het platteland die zwaar leunen op het oude kastensysteem, en de jongste generatie die via moderne media een venster op de wereld krijgt. Wie daar meer over wil lezen zal wellicht met wat minder moeite over de stilistische tekortkomingen heen stappen.

     

     

  • Rushdie en het einde van de waarheid en de wereld

    Rushdie en het einde van de waarheid en de wereld

    Het jaar 2016 wordt wel gezien als het jaar waarin fake news volwassen werd: het Brexit-referendum werd gewonnen door ‘Leave’ met aantoonbare leugens en de Amerikaanse presidentsverkiezingen werden gewonnen door iemand die ook niet bekend staat om zijn voorliefde voor feiten. In Quichot thematiseert Rushdie in feite de periode van post-truth waar we ons thans meer dan drie jaar in bevinden. Het hedendaagse Amerika is daarvan het decor. In dit verhaal over twee ‘Indiaas-Amerikaanse mannen, de ene echt en de andere fictief, allebei lang geleden geboren in wat toen Bombay heette, in naburige appartementen, die allebei echt bestonden’, gaat Rushdie (die je de derde man zou kunnen noemen, zij het dan Brits-Amerikaans) in op de vervaging tussen fictie en werkelijkheid.

    De roman gaat over Sam DuChamp, een weinig succesvol auteur die een boek aan het schrijven is over de queeste van een oudere heer die zichzelf Quichot noemt, verslaafd is aan televisie kijken en verliefd wordt op de eveneens Indiase Salma R, een voormalig actrice en nu talkshowhost.

    Wat is echt?

    DuChamp laat Quichot met zijn wagen door Amerika rijden, op zoek naar zijn heilige graal: een ontmoeting met Salma R. Zoals het een goede queeste betaamt maken Quichot en later ook zijn imaginaire zoon Sancho van alles mee. Zo worden de Indiase mannen abusievelijk (fake news!) voor islamterroristen aangezien en raken ze verzeild in een dorp dat getroffen wordt door een tamelijk absurde plaag.

    Sancho heeft als eerste de dubbele laag van het boek door: ‘Het lijkt net, op die momenten dat ik me een vreemde voel, alsof er iemand onder schuine streep achter schuine streep boven de oude man zit. Iemand – ja – die hem maakt zoals hij mij heeft gemaakt.’ Maar ook een familielid van DuChamp, een niveau hoger in het verhaal maar evengoed fictief, heeft vergelijkbare gedachten: ‘Misschien was het menselijk leven werkelijk fictief, in zoverre dat degenen die het leefden niet begrepen dat het niet echt was.’ Zodoende is de lezer getuige van het wordingsproces van de queeste van Quichot, opgetekend door DuChamp. Daardoor vloeien die twee werelden ook steeds meer in elkaar over: ‘Nu zijn Quichot en ik niet langer twee verschillende werelden, de een geschapen, de ander scheppend (…) Nu ben ik deel van hem, net zoals hij deel van mij is.’

    Op een zeker moment zijn de hoofdstukken niet meer netjes verdeeld tussen het ‘Quichot-universum’ en dat van DuChamp. Gebeurtenissen van de één hebben bovendien ook plotseling hun weerslag op de ander. De ene werkelijkheid wordt de andere en dat is buitengewoon verwarrend voor de personages.

    Te expliciet

    Quichot overtuigt uiteindelijk niet helemaal omdat Rushdie geen moment onbenut laat de lezer bij de hand te nemen. Hij laat DuChamp pagina’s lang reflecteren over wat hij Quichot nu weer zal laten doen. De verwarring van de personages dringt nooit echt door tot de lezer. Was het hem niet juist daar om te doen? Is de vervlechting tussen nep en echt nieuws niet soms juist subtiel? De uitleg over de vraag op welke plekken fictie en werkelijkheid door elkaar heen lopen is met andere woorden wel erg expliciet.
    Actueel is het boek wel: het zijn buitengewoon verwarrende tijden. Nepnieuws is aan de orde van dag en zelfs politieke instituten verzinnen alternative facts, zodat het zicht op de, voor hen mogelijk negatieve, werkelijkheid troebel wordt. De schrijver laat met het eveneens verzonnen Quichot zien dat dit onwenselijk is. Zoals de aantasting van het milieu onze aarde verschroeit, zullen leugens en verdraaiingen dat met onze wereld doen.

     

  • Meer dan een magische vertelling

    Meer dan een magische vertelling

    Wat gebeurt er als de grenzen tussen onze wereld en de wereld van de fictie vervagen? Dan ontstaat er een oorlog waarin zelfs het onmogelijke mogelijk wordt. Twee jaar acht maanden en achtentwintig nachten doet verslag van de Oorlog der Werelden en zijn effect op de menselijke realiteit. Met zijn nieuwe roman weet Salman Rushdie thema’s als geloof en rede naar een hoger plan te tillen.’

    Dit zijn de eerste regels van de recensie die Ruby Wolthuis voor Literair Nederland schreef. Haar recensie was nog niet af toen zij begin januari onverwachts overleed. Ruby Wolthuis was nieuw bij Literair Nederland. Als eerbetoon aan haar en als dank voor haar bespreking over het nieuwste boek van Salman Rushdie, publiceren wij hier hieronder delen uit die eerste versie van haar recensie.

    Duizend-en-één-nacht
    Rushdie slaagt erin de Arabische mythologie hedendaags te maken. Zowel de traditionele geest in de fles als een tot leven gekomen digitale stripfiguur komen voorbij. Hij toont aan dat verhalen tijdloos zijn, omdat ze altijd in een moderne vorm kunnen worden gegoten.’

    In Twee jaar acht maanden en achtentwintig nachten is er sprake van ‘Peristan, een wereld parallel aan de aarde, [die] wordt bevolkt door de jinns, die tegen alle wetten van de menselijke realiteit ingaan. Jinns kunnen in geestverschijning voorkomen, een menselijke gestalte aannemen of zelfs een mensenlichaam overnemen. Jinns kunnen zich razendsnel verplaatsen, voor mensen onhoorbare tonen waarnemen en maandenlang slapen. Verder zijn jinns onaandachtig, grillig en individualistisch.’

    De roman wemelt van de verschillende verhalen en personages. Als voorbeeld neemt Wolthuis het verhaal van de jinn Dunia die verliefd wordt op een aardbewoner en vele kinderen met hem krijgt.
    ‘Wanneer Dunia één van haar verre nazaten, hovenier Geronimo, ontmoet, herkent zij meteen het uiterlijk van haar grote liefde in hem. Op haar beurt probeert ze Geronimo’s wensen te vervullen door de gestalte van zijn overleden vrouw aan te nemen.

    Hij legde zijn handen om haar gezicht, en plotseling, ondraaglijk, voelde het verkeerd. Haar kin: een onverwachte verlenging. Je bent haar niet, zei hij, wie of wat je ook bent, je bent haar niet. Ze luisterde onder zijn woorden en veranderde iets. Probeer het nog eens, zei ze. (…) Zij kleedde zich in het lichaam van zijn geliefde vrouw, en hij besloot niet te merken dat Dunia’s stem niet die van Ella was, dat ze zich niet gedroeg als zijn vrouw, en dat de gedeelde herinneringen die een liefdespaar verenigen grotendeels ontbraken in haar gedachten.”

    Wolthuis schrijft dat Rushdie zijn personages door middel van een eigen taalgebruik herkenbaar neerzet. Ze vindt dat hij dat soms zo ver doorvoert dat het hinderlijk wordt, ‘bijvoorbeeld bij een jong personage dat wel heel erg ‘hip’ praat en veel ‘fuck’ gebruikt. Gelukkig gaat het om korte passages en is de rest van de roman prachtig geschreven, met relevante thema’s die Rushdie afwisselend groots en subtiel beschrijft.’

    Wolthuis sluit af met de volgende alinea:

    ‘Twee jaar acht maanden en achtentwintig nachten is meer dan een magische vertelling: het gaat om de tegenstelling tussen liefde en haat, tussen feit en fictie en tussen geloof en rede. De roman laat ons zien tot welke gruwelen zowel liefde als haat kunnen leiden. Maar het laat ons vooral zien wat er gebeurt als we de rede laten varen en blijven geloven in de grote verhalen.’

     

    Ruby Wolthuis had een bachelor Psychologie en een bachelor Nederlandse taal en cultuur behaald in Nijmegen en was dit studiejaar begonnen aan een master Neerlandistiek, Redacteur/editor aan de Universiteit van Amsterdam.
    Zij had zich november 2015 aangemeld bij Literair Nederland als recensent. Uit haar CV en een meegestuurde proefrecensie bleek dat zij een aanwinst zou zijn voor onze website. Ruby Wolthuis werd 24 jaar.