• God kan niet zonder de duivel

    God kan niet zonder de duivel

    Al maanden staat Ik ga leven van Lale Gül in de bestsellerlijsten. Haar roman is een (voorlopige) afrekening met het verstikkende Turkse gezin waarin ze werd geboren en waarin de strenge uitleg van de Islam dogmatisch is. Ik ga leven kent diverse voorgangers van in Nederland opgegroeide kinderen van niet-westerse ouders. Die trokken minder de aandacht. Ook zij deden, al dan niet in romanvorm, verslag van hun worstelingen met het geloof en de cultuur van hun ouders. Zo publiceerde Dina Perla (Portnaar) in 2017 Exodus uit de vuurtoren over haar jeugd in een orthodox joods gezin en deed Rahma El Mouden dat twee jaar later in Rahma. De weg naar mijn vrijheid over het Marokkaanse moslimgezin waarin ze was geboren. Nog verdere voorlopers waren in Nederland Maarten ’t Hart en Jan Wolkers over hun gereformeerde jeugd en de losmaking daarvan. Die laatste twee waren enigszins de inspirators voor de roman De dagen van Sjaitan van Said el Haji (1976), die in 2000 verscheen en nu, juist tijdens het succes van Lale Gül (die eveneens ’t Hart en Wolkers las), is herdrukt.

    Wolken

    In de roman van Said El Haji is de hoofdpersoon Hamid het enige in Nederland geboren kind in een Marokkaans islamitisch gezin in het fictieve Berkerode, dat duidelijk verwijst naar de woonplaats van de auteur, Berkel en Rodenrijs. Het gezin woont er met naast Hamid nog een oudere zoon, Omar – een dochter is in Marokko blijven wonen. De vader is fanatiek religieus en treedt hardvochtig op tegen zijn kinderen van wie hij verlangt dat zij trouw bidden en de Koranschool bezoeken om er de onbegrijpelijk soera’s in hun hoofd te stampen. Hamid tekent liever (wolken bijvoorbeeld, omdat figuren door Allah zijn verboden) en voelt zich meer thuis onder Nederlandse jongens. Zijn vader straft hem echter voor elke neiging af te dwalen van de islamitische leer. Hamid is daar niet tegen op gewassen en groeit op in een alsmaar groeiende angst voor zijn vader wiens wil samenvalt met die van Allah. Hij noemt Hamid een moederskindje omdat hij bij steeds troost zoekt bij zijn moeder Fatima. In zijn dromen baant Hamids wrok tegen zijn vader zich een uitweg in een alter ego als Sjaitan (Satan). In die rol gaat hij stevige discussies aan met zijn vader en de imam over het geloof en de opvoeding.

    Klokken

    Sjaitan is er met zijn vrienden Tofik en Abd Razaq op uit openlijk te shockeren. Hij drijft bijvoorbeeld de imam tot grote woede met een (vermakelijk) verhaal over Allah die de mensen verstand toebedeelde omdat hij zijn toorn niet wist te beheersen. De imam vindt het een grove belediging, waarop Sjaitan zegt: ‘Ik beledig niet, ik houd gewoon een preek, net zoals jij dat doet (…) “Vrije meningsuiting” heet dat. Wat loop je nou te zeuren, jullie doen hetzelfde vanuit jullie minaretten (…) oproepen tot het gebed is een achterhaald gebruik, man. Het stamt uit de tijd dat mensen nog geen klok hadden en niet wisten hoe laat het was (…) jij leeft nog tussen de schapen en de ezels’.
    De roman doet in sommige van die dialogen boeddhistisch aan. Het dualistische van het fundamentalisme en van misschien wel elke theïstische religie verwerpt Hamid/Sjaitan. Er is niets uitsluitend goed en al het andere slecht; die twee kunnen niet zonder elkaar en ze zijn in elk mens aanwezig, vindt hij. Daarover hieronder meer.
    Over de generatiekloof praat hij al even onomwonden. Sjaitan verwijt de oudere geïmmigreerde Marokkanen dat ze nog steeds dromen van een terugkeer naar de Maghreb: ‘En daarom is jullie er alles aan gelegen om onze integratie hier ten koste van alles tegen te gaan – omdat jullie nog altijd een terugkeer in het verschiet zien! Maar jullie kinderen leven híér en dromen niet met jullie mee. Hun enige reële basis is hier’.

    Tyfusturk

    Hoewel De dagen van Sjaitan hier en daar wat vervalt in clichés en uitleggerige zinnen (‘Het doosje vloog door de lucht over de wel twee meter hoge preekstoel (die in de hoek stond) en zou bijna een parabool hebben beschreven, indien het zich hierin niet halverwege belemmerd zag door een luie muur, die niet van wijken wilde weten’) zijn de literaire ambities toch wel herkenbaar. En geslaagd, zeker als je bedenkt dat de roman El Haji’s debuut was. Tekstueel blijkt dat uit de karakterschetsen van bijvoorbeeld de imam of de dwaas Amar en in de soms subtiele steekjes naar Nederlanders die ‘buitenlanders’ op één hoop vegen en dus een Marokkaan voor ‘tyfusturk’ uitschelden. Het geldt vooral voor de opzet van de roman: de keuze voor de alter ego’s natuurlijk, maar ook voor de compositie. Die begint met een mythisch aandoende vertelling Val der Engelen, waarin de Vader zijn laatste engel die net als in de roman Hamid heet tevergeefs probeert te behoeden voor zijn val. Ook daarin zegt Hamid al dat de wereld niet zwart-wit is: ‘Is het niet naïef te denken dat het goede over het kwade zegeviert? Is dat niet een al te oppervlakkige gedachte? Vader?’ Daartegenover staat aan het slot het Klaaglied der Verlossing waarin Hamid steeds beelden terugziet van zijn vader als een soort Sjaitan.
    Maar ook binnen de aldus omsloten roman vormen twee hoofdstukken met dezelfde titel Hedendaags weer een cirkel. In het eerste daarvan vraagt Hamid zich na een ontmoeting met de imam op zijn fiets af: ‘Ligt Sjaitan niet in de mens zelf besloten – opgesloten, vastgeketend aan de zwaarste kettingen van goedheid: God?’ In het tweede deel met die titel keert hij dit om als hij dezelfde imam in de trein ontmoet: ‘[Allah ligt] ook in hem besloten – opgesloten, vastgeketend aan de zwaarste kettingen van zijn slechtheid: Sjaitan’.

    Naïef

    Tekenend in dit verband is dat El Hajid zijn roman, ondanks alle haat jegens zijn vader, aan hem opdraagt. Die stierf in het jaar van de verschijning van de roman, 2000, maar de opdracht is in 2021 blijven staan. Nieuw is in deze herdruk een Nawoord van de auteur, waarin hij noteert: ‘Ik dacht oprecht dat mijn Marokkaanse generatiegenoten zich door mijn boek gesterkt zouden voelen om korte metten te maken met hun dubbele levens, gewetensnood en schaamte. Ze hadden niets anders te vrezen dan hun eigen angst, meende ik. En dat was naïef van mij. Wat ik onderschatte was hun loyaliteit en trots’. Een jaar na zijn debuut vlogen de vliegtuigen de Twin Towers in. Dat tastte niet alleen het Westen aan, ‘maar ook mijn interpretatie’, besluit hij.
    Die zelfreflectie laat een mildheid en relativering zien waaraan Lale Gül wellicht nog toe zal komen.

     

     

  • Elke anderstalige cursist krijgt een stem

    Elke anderstalige cursist krijgt een stem

    Het leven als docent is veelvuldig op schrift gesteld en verfilmd. Om op te vallen binnen het genre moeten onderwijsverhalen dus origineel zijn. Theo Thijssen bezingt op lichtvoetige wijze een welwillende groep en schuwt daarbij het zoetsappig sentiment niet: De gelukkige klas. Ferdinand Bordewijk doet droog en kaal verslag van een fascistoïde regime, uitgeoefend door een bullebak van een rector en zijn knokploeg uit de bovenbouw: Bint. Meester Bart compileerde in het soundbite-achtige ik hoef niet op te letten ik weet alles al grappige opmerkingen van zijn pubers uit de Bijlmer. Een leuk project, maar vergeleken met Said El Haji’s nieuwe boek ietwat karikaturaal. 

    In Gemeente zegt ik Nederlands leren volgen we schrijver en NT2-docent Said El Haji, die nieuwkomers doceert in door de gemeente gesubsidieerde taallessen. Het is een eerlijk, kwetsbaar boek dat fijntjes balanceert op de grens tussen teleurstelling en verwachting. Daarnaast werpt het een nieuw licht op respect, dat een cliché dreigt te worden. Incidentele uitglijders doen nauwelijks afbreuk aan de charme van zijn docentschap: hij begint voortvarend, faalt, baalt en behaalt succesjes. Een ontwikkeling waar je ‘u’ tegen zegt. 

    Bedompte lokalen 

    Leraar zijn is niet zoals in Dead Poets Society. Tranentrekkende taferelen waar leerlingen ineens op een tafel gaan staan en ‘Captain, oh my captain’ salueren, bedwelmd door het ‘Carpe diem!’ van een bevlogen literatuurdocent, zijn zelfs een utopie te rooskleurig. Dit begrijpt Said El Haji: ‘Lesgeven is opvoeden, je probeert van alles en je ziet wel wat ervan komt.’ De cursisten móéten Saids lessen bijwonen, want anders worden ze op hun uitkering gekort; een hardvochtige erfenis van Klaas Dijkhoff en consorten. Bovendien geeft hij geen les op een Angelsaksische jongensschool voor gegoede kringen. Een rijke verzameling immigranten uit allerlei windstreken leert Nederlands in bedompte lokalen met een systeemplafond. 

    Hoewel de schrijver zijn kwaliteiten als docent schromelijk onderschat, ‘Ik ben een onbekwame NT2-docent’, laat hij verrassend veel pedagogisch en didactisch inzicht zien. Met het engelengeduld van een ervaren rot ondersteunt hij Malika, een analfabete die de letter ‘k’ als ‘w’ opschrijft. Wat te denken van Casimir uit Slowakije, aan wie de auteur maar niet uitgelegd krijgt dat een veertigjarige geen opa kan hebben van drieënveertig jaar. De oprechte verbazing die op zo’n ogenblik Said in bezit neemt, zal menig docent herkennen. De doelen die hij zichzelf en zijn cursisten stelt, zijn realistisch. En als ze in uitzonderlijke gevallen onhaalbaar blijken, stelt hij die bij, waardoor hij teleurstelling en verbittering – vaak spelbedervers voor beginnende docenten – afwendt. 

    Hollandse humor en botheid

    Droogkomische passages, gecombineerd met een ongepolijste, enigszins verbeten schrijfstijl, plaatsen El Haji in een traditie van Hollandse humor. Het fragment met de hierboven genoemde Casimir sluit hij af met een opmerking die bij De luizenmoeder niet zou misstaan: ‘Misschien is hij zwakbegaafd. Maar wat doet het ertoe? Zwakbegaafden moeten ook Nederlands leren.’ Zelfs Jiskefet komt bovendrijven, ten eerste wanneer een man die weinig praat, voor de luttele woorden die hij wél spreekt, enorm veel volume produceert: ‘Het stomme geval wil dat ik, zonder dat ik dat van mezelf door heb, heel hard terugpraat. (…) , dat ik het pas merk als het al te laat is en ik mijn stem zo goed als kwijt ben.’ Ten tweede doet de auteur het cultlied van de Lullo’s, Er zit een haar in mijn glas, dunnetjes over. Over een drukke, explosieve leerling uit Iran merkt hij op: ‘Er zit een vulkaan in mijn klas.’

    Niet iedere grap of beschimping is even geslaagd. Said trekt fel van leer tegen de Turkse Nermin, die weliswaar lijdt aan een depressie, maar er daarom nog niet als een zombie – het staat er echt – bij hoeft te lopen. Hier en daar lijkt de schrijver zijn lezers te onderschatten, bijvoorbeeld wanneer hij de weldaad van het lesgeven verwoordt: ‘Week word ik ervan. En ik hoef de cursist niet eens aan te raken of in de ogen te kijken om door zo’n weldadig gevoel overmand te worden. En ik haast me erbij te zeggen dat het geen seksuele of erotische sensatie is.’ Nogal wiedes, hoop ik? Totdat hij zich even later laat ontvallen: ‘…de cursist moet lekker ruiken. Als een cursist niet lekker ruikt, werkt dat averechts. Zo iemand mijd ik tegen wil en dank.’ Bij de komst van één nieuweling blijkt dat zijn ontzenuwing van zo-even inderdaad betekenisloos is: ‘Nu ben ik weer in de ban van een cursist uit Burundi. Een aantrekkelijke vrouw.’ Het zal menigeen vrijpostig in de oren klinken. Professioneel is het hoe dan ook niet.

    Respect: behagen of uitdagen?

    Om zijn leerlingen optimaal te laten renderen houdt Said rekening met hun gevoelens – ook met die van de Iraanse wervelwind Nassim. Helaas is zijn taalniveau erbarmelijk. Hier legt hij zich niet bij neer. Elke kritiek beantwoordt hij met een woede-uitbarsting: ‘Bij zo’n overweldigende, instinctieve kracht kun je niet anders dan buigen en ja en amen roepen. (…) Toevallig een werkwoord correct vervoegd? Een verdwaald leesteken per ongeluk op de juiste plaats gezet? Ik aai hem over zijn rug,(…), ik noem hem kampioen. De vulkaan moet bezworen worden.’ Met name de mannelijke cursisten zijn faalangstig. Ze willen gezichtsverlies voorkomen. Hun trots maakt hen gevoelig voor schaamte, wat het leerproces dwarsboomt. Over de Somalische Hamdi schrijft El Haji: ‘Wat als nou blijkt dat hij, de enige man in de klas, (…) de enige is die het persoonlijk voornaamwoord niet snapt?’ 

    Nu eens gaat El Haji er met gestrekt been in en confronteert hij de heren met hun passiviteit, dan weer ontziet hij hen. Het begrip ‘respect’, dat tegenwoordig weinig inhoud heeft, is van belang in Gemeente zegt ik Nederlands leren. Is respect hebben leven en laten leven, elkaar ontzien? Of is het juist tegen elkaar in durven gaan? Welke vorm van respect stuwt ons voort, welke vorm brengt ons juist tot stilstand? Het is een uiterst relevante kwestie in een tijd waarin bepaalde lieden zich bij het minste tegengas persoonlijk aangevallen voelen. Said El Haji toont aan dat dat niet nodig is: ‘Niet alleen mijn (…) cursisten moeten leren hun eigen kwetsbaarheid te verdragen, zelf moet ik ook aan de slag.’

    Onderwijzen is verbinden

    Omdat El Haji elke anderstalige cursist een stem geeft, blijft zijn werk voortdurend boeien. Hartverwarmende gesprekken en onderonsjes vergroten de menselijkheid die de schrijver tot lesgeven inspireert: ‘Interactie is het toverwoord. (…) wie de verspreiding van het Nederlands een koud hart toedraagt, moet lekker blijven hameren op die schitterende grammatica. Dat is net zoiets als gemakkelijk de weg weten in het programmeren en hacken van computers, maar niet eens open durven doen als de bel gaat.’ Gelukkig weerstaat El Haji de verleiding om zijn boek suikerzoet te maken. Lesgeven behoeft namelijk geen romantisering: het is gewoon een verrukkelijk beroep.

     

     

  • Oogst week 40 – 2020

    De overvloed

    De Amerikaanse schrijfster Annie Dillard (1945) selecteerde voor de bundel De overvloed haar beste en beroemdste essays – waaronder het magistrale stuk over een zonsverduistering. Dillard staat bekend om haar diepgaande, vrijmoedige denken waarin de verwondering over wat ze waarneemt tot op het bot wordt uitgeplozen. In De wezel gaat ze tijdens een wandeling op een boomstam om zich heen zitten kijken en ontwaart naast zich op de grond een wezel. Zij ziet hem en hij ziet haar. ‘Ik heb een minuut lang in die wezenloze hersens gezeten, en hij in die van mij,’ schrijft ze over de ontmoeting. Dillard is iemand die kijkt en kijkt, nadenkt en ongeremd schrijft over dat wat ze waarneemt. In een hotelkamer ziet ze een reproductie van een tronie in fruit, het bekende schilderij van Arcimboldo: ‘Zo’n afbeelding waar je eigenlijk niet naar wilt kijken maar die je tot je chagrijn niet uit je hoofd krijgt. Ze wordt je opgedrongen door een of ander van smaak gespeend pratend fatum: ze wordt onderdeel van de complexe innerlijke meuk die je overal met je meesleept.’ De taal waarin ze haar bespiegelingen weergeeft is intens, krachtig en toch licht van toon, niet zonder humor. Maar niet geschikt voor luie lezers.

     

     

    De overvloed
    Auteur: Annie Dillard
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Gemeente zegt ik Nederlands leren

    Saïd El Haji is schrijver, columnist en publicist. Hij studeerde in Leiden Nederlandse taal en letterkunde. In 2000 won hij de El Hizjra-aanmoedigingsprijs voor De kleine Hamid, een kort verhaal dat hij uitwerkte tot zijn debuutroman De dagen van Sjaitan (2000) waarmee hij roem oogstte. In dit boek rekent hij af met zijn strenge, gelovige vader tegen wie hij al jong in opstand kwam. Als NT2 docent geeft El Haji les aan vluchtelingen en andere anderstaligen. Daarover gaat Gemeente zegt ik Nederlands leren. El Haji stelt zijn leerlingen vrijpostige vragen als: Spreken Marokkanen beter Nederlands dan Turken, Waarom moet je nog steeds Nederlands leren als je al dertig jaar in Nederland woont, en Wie ben jij? El Haji’s leerlingen zijn soms weinig of niet naar school geweest, of al op oudere leeftijd. Maar hij stimuleert ze allemaal om ook vragen te stellen, want van vragen stellen word je wijzer en van nieuwsgierigheid ga je praten. De soms wrange resultaten tekent hij op met humor en mededogen. Gemeente zegt ik Nederlands leren is Saïd El Haji’s vijfde boek.

     

     

    Gemeente zegt ik Nederlands leren
    Auteur: Said El Haji
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas

    Duel

    In Duel, het dertiende boek van Eduardo Halfon (Guatemala, 1971) reist de schrijver behalve van de Verenigde Staten naar Guatemala en van Polen naar Italië af naar zijn geest. Overal waar hij komt stuit hij op zijn eigen onbeantwoorde vragen, over wat het is om mens te zijn in de wereld, en wie hij zelf eigenlijk is. De verteller is net als de schrijver ingenieur en heeft dezelfde familieachtergrond. In zijn autofictie komen mysteries uit zijn jeugd bovendrijven en schrijft hij over broers en zussen en Joodse voorouders uit Egypte, Syrië, Polen en Libanon. Geworstel met de eeuwige herinneringen aan de holocaust ontbreken niet. De ingewikkelde familiegeschiedenis vormt voor Halfon een bron voor de zoektocht naar zijn eigen identiteit. In een van de verhalen meent hij de ooit gestolen ring van zijn grootvader te ontdekken aan de vinger van een douaneambtenaar. Verlies is een terugkerend thema; in de mix van journalistieke verhalen en een speurtocht naar de betekenis van zijn persoonlijke ervaringen kan alles en iedereen plotseling verdwenen zijn. Eduardo Halfon won vele literaire prijzen en wordt gezien als een van de beste Latijns Amerikaanse schrijvers van het moment.

     

     

    Duel
    Auteur: Eduardo Halfon
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek
  • Een Tirade waardig…

    Een Tirade waardig…

    Wie plaats neemt in de redactie van een literair tijdschrift, doet dit om de schitteringen in de literatuur mede prijs te mogen geven. Aankomend schrijvers die ‘het’ in zich hebben voor het voetlicht te schuiven. Zelfs als ze volledig onbekend zijn. Alles uit liefde voor de literatuur. Want voor een dagelijks goed belegde boterham (of biologische salade) hoef je het niet te doen. Zo liet ook Jeroen Brouwers in 1979 (Kroniek van een karakter, Dl. 1) weten in een lange brief  aan Geert van Oorschot. Een van de redenen dat hij niet in de redactie wilde plaatsnemen was dat er niet genoeg mee te verdienen valt. Een andere, meer doorslaggevender lijkt het, is dat Brouwers niet tevreden is over de koers die Tirade vaart. Hij verwijt Van Oorschot onder meer dat er in Tirade stukken worden opgenomen die evengoed in welk ander blad hadden kunnen staan; Tirade onderscheidt zich te weinig van andere bladen was de grote kritiek van Brouwers. Het was in de volgende bewoordingen dat Brouwers het verzoek van Van Oorschot afwees:
    “Ach Geert! Ik ambieer dat niet, maar ik zou het wél kunnen.(…) Mijn opvattingen zijn anders dan jouw opvattingen. Alle achting en alle vriendschap voor jou, dat weet je wel – maar als ik ‘Tirade’ zou doen, dan zou ik ‘Tirade’ doen, en niet jij-en-ik.”

    Hoe Brouwers dat zou doen, welke bijdragen hij het keurmerk Tirade waardig vindt, zullen we nooit weten. Wel wat de huidige redactie als keuze criteria heeft; Het gaat om het werk en niet om de (gevestigde) naam, schrijft Anja Sicking in een redactioneel stukje. De mailbox van de redactie stroomt elke keer weer vol met werk van debutanten, gevestigde schrijvers en van ‘mensen die nooit zullen worden uitgegeven’. Waarbij opgemerkt wordt dat die laatste categorie het grootst is. Iemand afwijzen is niet een fijn ding, maar wel noodzakelijk. Wat er dan uiteindelijk uit die berg teksten gefilterd wordt en in Tirade verschijnt zijn stuk voor stuk teksten die, zoals gewenst, een Tirade waardig zijn.

    Editie 468 is een nummer met literaire sciencefiction. Zes verhalen van o.a. Anoek Nuyens, Wytske Versteeg, Said El Haji, Renée van Marissing. De verhalen zijn geschreven in opdracht tijdens de workshop De geschiedenis van morgen (februari dit jaar), en georganiseerd door SLAA en Monnik. Mooie verhalen, zelfs voor wie niet van sciencefiction houdt. Van de dichter en prozaschrijver Ian McLachlan (Londen) een zestal (sciencefiction) gedichten in vertaling van Maarten Buser. Die zo prettig lezen dat je je afvraagt of we niet nu al in de tijd vooruit leven, in sciencefiction. 

     

    In Tirade 467 een verhaal, Eindhoven, van Rob van Essen (gevestigd schrijver en recensent) en het essay; Olaf Hendriks, Een essay in de derde persoon, van Tiemen Hiemstra (onbekend). Door de redactie aangemerkt als ‘origineel’. Over een wereld waarin aanslagen en bedreigingen als standaard worden gezien. Horror scenario’s op het netvlies van de jongeman Olaf die lijdt aan hyperventilatie en hartkloppingen en die het woord ‘gootsteen’ gebruikt om zijn angst te bezweren. Want ja, de kans is groter dat je bij het ontstoppen van een gootsteen gewond raakt (‘bij het lostrekken van de plopper achterovervallen en met je hoofd op de rand van het een of ander terechtkomen.’) dan dat je een terroristische aanslag meemaakt. Waarin een voetbalwedstrijd het qua belangstelling, wint van een boekpresentatie. Het leven zoals we dat kennen in beschouwingen en meldingen in de media en inderdaad zeer origineel  in voorbeelden en .
    Een ronduit prachtig verhaal is Meneer Sjandoor van student aan de schrijversvakschool, Ilona Barsony; een zo goed verteller , dat je voor de duur van het verhaal bent weggevoerd.

    In de rubriek Zestig jaar Tirade, verschijnt deze jaargang ter gelegenheid van het zestig jarig jubileum in elke editie van Tirade, een essay of verhaal dat teruggrijpt op de geschiedenis van het blad. In nr. 468 reageert Julie Benschop met het essay De opwaartse kracht van J.J. Voskuil op Hanny Michaelis’ artikel ‘Mirakuleuze herrijzenissen’ uit Tirade 300, over de heropleving van een boek, zoals Bij nader inzien (1963) van Voskuil, dat in 1985 een heropleving kende. Benschop vraagt zich af of herrijzenissen wel zo mirakuleus zijn als Michalis wil doen geloven.

    Schrijver Marijn Sikken inspireerde haar bijdrage, Notities over Huub, in deze rubriek op het stuk Notities, van K. Schippers uit Tirade 200. De koppen boven de (elf )stukken zijn van Schippers. Het verhaal met de titel ‘Geluid’ begint zo: “Het eerste wat wij meekrijgen van Huub, zijn z’n schoenen. Huub draagt gewone sneakers, wit met grijze streep, broer en ik vermoeden dat ze een maat te klein zijn.” Waarmee Sikken de lezer meeneemt  en niet stopt voor de laatste punt is gezet.
    Een mooie Kroniek van een roman van Carel Peeters, die Het einde van de eenzaamheid van Benedict Wells samenvat als, een roman ‘over de gevolgen van het op jonge leeftijd verliezen van je ouders’. Het mooiste verhaal uit beide edities is het toekomstverhaal van Maurits de Bruijn, Het geheugen van smartphones. Waarin de geschiedenis van alles wat we weten verwijderd wordt en de geschiedenis herschreven wordt. Misschien is er nog een weg terug, Na dit gelezen te hebben wens je bijna dat er nog een weg terug is. Misschien wordt dat wel de sciencefiction van de toekomst; een weg terug.

    En De Tirade van… is van Roos van Rijswijk, waarin ze haar enthousiasme over optreden bij leesclubs toelicht en dat je daat eigenlijk niet enthousiast over mag zijn; ‘(…) er zijn lezers die dingen opvallen waar ik zelf helemaal niet aan gedacht had. (…) soms zijn er tien mensen van wie er vijf het boek enigszins hebben gelezen, en van die vijf mensen is er dan altijd één iemand die het helemaal niks vond en de hele tijd heel zuur zit te kijken met haar ogen rolt.’

    Twee edities Tirade, het lezen meer dan waard want, andere inzichten! Te koop bij de betere boekhandel, (de nieuwe editie Nr. 469, ligt overigens al weer klaar), maar misschien is een abonnement beter. En kijk vooral ook op: Tirade.nu.

     

  • Door de ogen van een grootvader

    Door de ogen van een grootvader

    Al direct bij het ter hand nemen van De aankondiging rijzen er vragen. Wat wordt er aangekondigd en wat is de relatie met de olifant die op de omslag staat afgebeeld? Er zit maar één ding op, het boek lezen. Dat is een heel plezierige en vooral interessante bezigheid. Er zijn 50 korte hoofdstukken en het verdient aanbeveling ze gedoseerd te lezen. Er is dan voldoende tijd om een en ander te laten bezinken en aanvullende informatie te verzamelen. Said El Haji doet verslag van het dagelijks leven in de voor-islamitische periode, de Jahiliyya, die veelal wordt aangemerkt als een tijd van onwetendheid en immoraliteit.

    Aan de hand van de belevenissen van Sjaïba, de in Yatrib (het latere Medina) geboren jongeling, wordt de lezer ingewijd in de wereld van de zoon van de verkruimelaar Haasjim, de heer en gebieder van de vallei. Onder de hoede van zijn oom Moetalieb vertrekt Sjaïba naar Mekka waar hij rondzwerft in het gezelschap van zijn jeugdvriendin Hafsa. Na het overlijden van zijn oom neemt Sjaïba de naam Moetalieb aan. Hij zal later de grootvader van de profeet Mohammed zijn.

    Om de lezer te helpen de familieverwikkelingen te kunnen blijven volgen is vóór in het boek een namenoverzicht opgenomen. Bepaald geen overbodige luxe want in het verdere verloop van het verhaal zal blijken dat Moetalieb meerdere malen trouwt en tenslotte de trotse vader zal worden van vele zonen en dochters. De woeste branding van de jeugd ebt weg op het strand van het huwelijk na de geboorte van de eerste zoon Harith. Echter na een nacht van vreugde en dronkenschap ter gelegenheid van een familiefeest, belandt Moetalieb in de sponde van een jonge maagd Fatima. Dit blijft niet zonder gevolgen, zij wordt zijn tweede vrouw.

    Tijdens momenten van rust en zelfonderzoek droomt Moetalieb over een eerbiedwaardig heer die moet kiezen tussen twee vrouwen. Zijn echtgenote die hem aanvankelijk geen zonen kan schenken en de slavin aan wie het geluk van een vruchtbare schoot is toebedeeld en haar heer een zoon schenkt. De slavin weigert haar kind af te staan hetgeen grote spanningen te weeg brengt. Uiteindelijk wordt de slavin met haar zoon verbannen naar de woestijn. Tot drie keer toe droomt Moetalieb over de verbannen slavin en de verstoten zoon. Gemakkelijk zijn in deze dromen aartsvader Abraham en zijn vrouw Sara te herkennen, de slavin Hazjar heet in de christelijke traditie Hagar en haar zoon was Ismaël, van hem werd gezegd: ‘Smaël zal een wilde ezel van een mens zijn. Zijn hand zal tegen allen zijn en de hand van allen tegen hem’. De lezer zal zich hier ongetwijfeld afvragen in hoeverre deze profetie is uitgekomen.

    Wanneer Moetalieb kennis maakt met Akiel, een in lompen gehulde vluchteling uit Yemen vat hij voor deze kleine bescheiden barbier een warme genegenheid op. Met Akiel bespreekt hij de ideeën van de Haniefen, een monotheïstische stroming onder de Arabische stammen. Zij zochten hun toevlucht, in tijden van afgoderij, tot de voor hen enige god, Allah.

    In het laatste gedeelte van het boek gaat El Haji uitvoerig in op de veldtocht van de door de Negus van Abbesinië op pad gestuurde generaal Abraha, die met een groot aantal olifanten er op uit was om Mekka, met al haar heiligdommen, met de grond gelijk te maken. Geen van hun driehonderd goden schijnt de Mekkanen nog van de ondergang te kunnen redden. Als door een wonder wordt Abraha verjaagd door een geheimzinnige macht van miljoenen krijsende vogels. Het machtige leger wordt uiteen gedreven en vernietigd. Moetalieb ziet na al deze gebeurtenissen in dat de aanbidding van dode stenen alleen maar leidt tot een domme krachtmeting van domme instincten in handen van domme goden.

    Saïd El Haji heeft getracht de gedachten, gevoelens en de vragen zoals die in een wereldgodsdienst als de Islam tot uitdrukking komen, voelbaar te maken. Er is duidelijk een behoefte om alle tegenstellingen te overstijgen. In ieder geval zal de nieuwsgierigheid van de lezer gewekt zijn en dit zal wellicht tot verdere oriëntatie leiden.