• *Fotosynthese 1 – Achtergrond bij de achtergrond

    *Fotosynthese 1 – Achtergrond bij de achtergrond

     


    Dit is Alexandrië in de jaren dertig/veertig vorige eeuw. Alexandrië of het huidige لإسكندرية al-Iskandariyyah in Egypte is een van die klassieke smeltkroezen van verschillende culturen. Het was een Griekse nederzetting, een voorpost van de Helleense beschaving, het Kalifaat regeerde er een poos, Napoleon kwam langs, Turkse Joden uit Constantinopel verhuisden er heen, de Britten maakten er een poos de dienst uit. In het eind van de 19e en het begin van de twintigste eeuw was het een vrijhaven voor Europese kunstenaars en dichters. Voor mij verwijst dit plaatje naar een aantal goede boeken. In de eerste plaats is dat Alexandria Quartet van Lawrence Durrell, vier boeken die voorgoed de sfeer van het vroeg twintigste eeuwse Alexandrië weergeven, een heel erg fraai, wat dromerig stel boeken rond een vriendengroep die leeft en droomt in Alexandrië.

    In 1957 verscheen al heel snel een vertaling (Johan W. Schotman) van de vier boeken, mooie delen die je bijna nooit ziet. Dit zou opnieuw uitgegeven moeten worden (maar is omvangrijk – en is het niet te ouderwets?), ik citeer de hele eerste bladzijde om een indruk van het werk te geven van het tweede van de vier boeken, Balthazar:

    IMG_1146‘LANDSCHAPSTINTEN: bruin tot bronskleurig, hoge horizon, lage wolken, parelmoeren grond met oesterkleurige schaduwen en violette weerglans. Het leeuwenstof van de woestijn: profetentomben aan het oude meer, die bij zonsondergang overgaan in zink en koper. Zijn geweldige breukvlakken van zand als waterpeilstrepen van de lucht; groen en citroen overgaand in geschutbrons; tot aan een enkel pruimdonker zeil, vochtig, trillend als een nimf met plakkerige vleugeltjes. Taposiris is dood te midden van zijn omgestorte zuilen en zeebakens, verdwenen zijn de Harpoeniers … Mareotis onder een hemel van gloeiend lila.
    zomer: geel zand, hete marmeren hemel
    herfst: gezwollen-kneuzing blauw-grijzen
    winter: bevroren sneeuw, koel zand
    heldere hemelpanelen, glinsterend van mika
    gewassen-delta groenen prachtige sterrenluchten

    En het voorjaar? 0! er is in de Delta geen voorjaar, geen gevoel van opfrissing en vernieuwing in de dingen. Je wordt de winter uitgegooid in een wassen namaak van een zomer, te heet om te ademen. Maar hier, in Alexandrië, redden de zeewinden, over de golfbreker tussen de oorlogs-schepen door aankruipend, om de gestreepte zonneschermen van de café’s op de Grande Corniche te doen flapperen, ons tenminste van de tijloze druk van zomerse nietigheid. Ik zou nooit…
    De stad, halfverzonnen (en toch volkomen werkelijk), begint en eindigt in ons, wortelt diep in onze herinnering. Waarom moet ik er avond na avond weer naar terugkeren, als ik hier bij het vuur van johannesbrood-boomhout zit te schrijven, terwijl de Aegeïsche wind aan dit huis op het eiland rukt en de cypressen als bogen krom achterover buigt? Heb ik niet al genoeg verteld over Alexandrië? Moet ik opnieuw worden aangestoken door de droom ervan en de herinnering aan zijn inwoners? Dromen, die ik veilig dacht vastgelegd te hebben op papier, weggeborgen in de kluis van mijn herinnering! Je denkt misschien dat ik me er te veel aan overgeef. Maar zo is het niet.’

     

     

    *De eerste fotosynthese verscheen op 4 februari 2016. Intussen zijn er 35 fotosyntheses verschenen. Om ze weer onder de aandacht te brengen, plaatsen we elke maand een van deze fotosyntheses.


    De rubriek ‘Fotosynthese’ naar een genre-idee van Rudy Kousbroek, geeft informatie over de afbeelding die als achtergrond op deze website staat. 
    In fotosynthese gaan beeld en tekst een verbinding met elkaar aan. Spreekt het u aan en heeft u ook een idee? Lever dan een afbeelding (rechtenvrij), met context. Dan kijkt de redactie of het voor plaatsing in aanmerking komt. Suggesties kunt u mailen naar: redactie@literairnederland.nl

     

  • Met een volstrekte eerlijkheid

    Met een volstrekte eerlijkheid

    Jan de Rooy heeft met Ethel in Wonderland een hybride vorm tussen biografie en autobiografie uitgebracht. In een traditionele biografie beschrijft de biograaf het leven van degene die in de biografie centraal staat. In een autobiografie wordt uiteraard het eigen leven verteld. De Rooy heeft echter een biografie in de ik-vorm geschreven. Hij staat als auteur op omslag en titelpagina, maar heeft zich vervolgens uit de biografie geschreven. Zijn hybride biografie is dan ook gebaseerd op een jarenlange vriendschap tussen biograaf en hoofdpersoon, op vele gesprekken die ze gevoerd hebben en op de (dagboek)aantekeningen van Ethel zelf. Wat bij lezen meteen opvalt is de volstrekte eerlijkheid waarmee het verhaal zich ontrolt: vrienden en familie worden niet gespaard in dit goudeerlijke en daardoor waardevolle document. Wat verder opvalt is de geringe aandacht voor de boeken die Ethel geschreven heeft. Het is geen auteursbiografie: niet haar boeken, maar de gebeurtenissen uit haar leven staan centraal. De hybride biografie heeft daardoor een sterk anekdotisch karakter.

    Ethel Portnoy (1927-2004)

    De Ethel uit de titel van het boek is de in Amerika geboren schrijfster Ethel Portnoy, dochter van Russisch-Joodse immigranten. Op school schrijft ze een opstel: mijn eerste zoen. Het is de gewoonte dat opstellen voorgelezen worden in de klas. Na het voorlezen van de titel gaat er een schok door het leslokaal. Portnoy wacht even voor ze verdergaat. De leerlingen hangen aan haar lippen. Ze bouwt de spanning op door te vertragen naarmate het moment van de zoen dichterbij komt. Ze geniet van de aandacht die haar ten deel valt, en begrijpt in één klap de macht van het woord.

    Portnoy studeert in Amerika letterkunde en Frans en vertrekt in 1950 met een Fulbrightbeurs naar Parijs. In die stad ontmoet en trouwt ze de Nederlandse schrijver Rudy Kousbroek. Via hem komt ze in contact met Nederlandse schrijvers (de Vijftigers) en schilders (Cobra) die na de Tweede Wereldoorlog naar Parijs zijn gegaan: op dat moment nog het centrum van de (kunstenaars)wereld.

    Portnoy studeert bij Claude Lévi-Strauss en Roland Barthes en werkt bij het International Theatre Institute van Unesco. In die tijd krijgt ze ook twee kinderen (Hepzibah en Gabriel). Ze verhuist in 1970 naar Den Haag waar haar echtgenoot af en toe opduikt, terwijl hij in de Parijse woning blijft wonen. Ze hebben een vrij huwelijk en beiden maken daarvan gebruik om er minnaars en minnaressen op na te houden. Ook dit deel van haar leven wordt volstrekt eerlijk verteld. Portnoy ontwikkelt zich in Den Haag tot een veelgelezen schrijfster waarbij ze put uit de vele volgeschreven archiefkaartjes.

    Ook na de scheiding van Kousbroek blijft hij aanwezig in het leven van Portnoy. Ze schrijft af en toe liefdevol over hem, maar soms ook vilein, bijvoorbeeld over de ruzie tussen Kousbroek en hun zoon Gabriel over haar mémoires (op z’n Frans geschreven) en de tekst die op haar grafsteen moet komen te staan. Portnoy is bang dat Kousbroek met de aantekeningen aan de haal gaat of dat Hepzibah alles naar het Letterkundig Museum (het huidige Literatuurmuseum) zal brengen. Daarom geeft ze het materiaal aan Jan de Rooy die het voor de hybride biografie heeft aangevuld met informatie uit de eerste hand van zoon Gabriel en van nog levende vrienden en vriendinnen.

    Terug naar Amerika

    Op 25 mei 2004 overlijdt Portnoy, 77 jaar en 77 dagen oud. Drie dagen later organiseren Hepzibah en Gabriel voor haar vrienden en vriendinnen een bijeenkomst om afscheid te nemen. Een dag later begeleiden haar kinderen haar naar New York waar ze op 30 mei tussen haar vader en moeder begraven wordt.

    De schrijfster

    1978 was een belangrijk jaar voor de schrijfster die Portnoy wil zijn: ze richt met Hanneke van Buuren en Hannemieke Postma het feministische tijdschrift Chrysallis op, een blad dat openstaat voor alle vrouwen die over literatuur en kunst willen schrijven. Het blad wil laten zien hoe vrouwen zouden kunnen schrijven als ze alle kansen kregen om dat te doen en zich kunnen bevrijden van opgeplakte verwachtingen. Hetzelfde jaar verschijnt haar toneelstuk Belle van Zuylen ontmoet Cagliostro én haar bekendste boek Broodje Aap waarin ze bizarre verhalen opdist die als waarheid gepresenteerd worden, maar waarvan iedereen wel kan weten dat het om verzinsels gaat. Het titelverhaal gaat bijvoorbeeld over een hotdog-verkoper die apenvlees in zijn hotdogs verwerkt zou hebben. De titel is een gevleugeld woord in het Nederlands geworden: een broodje-aapverhaal.

    Wonderland

    In het begin van het boek verklaart De Rooy wat hij bedoelt met het begrip wonderland uit de titel: Portnoy gaat van het leven genieten wanneer ze de wondere wereld van film, theater en literatuur ontdekt (met ongetwijfeld een verwijzing naar Alice). De ondertitel van het boek luidt: Hoe de Amerikaanse Ethel Portnoy een Nederlandse schrijfster werd. Portnoy schrijft namelijk in het Engels en haar teksten worden in het Nederlands vertaald door onder anderen Rudy Kousbroek en hun dochter Hepzibah. Dit is waarschijnlijk de reden dat ze – hoewel ze zich een Nederlandse schrijfster voelt – geen Nederlandse literatuurprijzen heeft gekregen. Wel krijgt ze in 1991 de Annie Romeinprijs van het feministische maandblad Opzij, een bekroning voor schrijfsters wier werk bijdraagt aan de ontplooiing, bewustwording en emancipatie van vrouwen.

    Op het omslag van de (auto)biografie staat een foto van Portnoy met zoon Gabriel. Dat Rudy Kousbroek verliefd is geworden op deze sprankelende vrouw hoeft geen verbazing te wekken. Het boek bevat een schat aan illustraties (waarvan de foto’s helaas in zwart-wit afgedrukt zijn). Het uitgebreide personenregister laat zien hoe innig haar leven verbonden is geweest met de culturele elite in Nederland. Uiteraard is iedereen in het register gealfabetiseerd op de achternaam, maar in de tekst worden vrienden en vriendinnen vaak aangeduid met uitsluitend hun voornaam. Gelukkig staan zowel hun voor- als achternamen op pagina 387 vermeld in het dankwoord zodat de lezer eenvoudig kan nagaan naar wie de voornamen Yolanda of Thérèse verwijzen.
    Blijft over de vraag: waar blijft de biografie van Rudy Kousbroek?

     

     

  • Van bange jongen tot volwassen beschouwer

    Van bange jongen tot volwassen beschouwer

    Op het conto van Adriaan van Dis, een van de belangrijkste Nederlandse schrijvers, staan romans, (reis)verhalen, essays, poëzie, toneelstukken, documentaire televisieseries, literaire non-fictie en zelfs een libretto. Voor zijn gehele oeuvre kreeg hij in 2015 de Constantijn Huygensprijs. Huidskleur is een terugkerend motief bij Van Dis, vooral in zijn boeken en reisreportages over Afrika en in zijn ‘Indische’ boeken. Zijn belangstelling voor Zuid(elijk)-Afrika kwam voort uit bewondering voor de Zuid-Afrikaanse schrijver Breyten Breytenbach. De beschouwende blik op afkomst en sociale ongelijkheid is bij Van Dis nooit ver weg.

    Veel van zijn romans hebben te maken met Indonesië en de Nederlands-Indische achtergrond van zijn ouders. Ze waren beiden Nederlanders; zijn moeder was eerder getrouwd met een Molukse KNIL-militair waardoor de drie halfzussen van Van Dis half-Indisch zijn. Omdat hij zelf wit is en geboren in Nederland voelde hij zich een buitenstaander in het gezin, ook omdat behalve hij alle gezinsleden een Nederlands-Indisch oorlogsverleden hadden. Zijn boek Indische duinen daarover werd een groot succes.

    De oorlog

    Ook in Naar zachtheid en een warm omhelzen ruist oorlog. De negenjarige Adriaan wordt voor langere tijd naar zijn grootvader Huibert gestuurd om in diens ‘hoge huis’ rust te krijgen van zijn vaders oorlogstrauma, van zijn getier, de slaag en de demonen. Hij is een zenuwachtig kind met sproeten. De stugge grootvader praat weinig, weet niet hoe hij met een kind moet omgaan. Bij huishoudster Jans daarentegen, die Adriaan na een tijdje uit zichzelf Ommie gaat noemen, mag hij op schoot zitten, krijgt hij aaien over zijn hoofd en armen om zich heen. De verre herinnering aan haar was voor Van Dis de aanleiding tot dit boek.

    Ommie is in dienst bij Adriaans grootvader. Ze woont in het hoge huis, krijgt niets betaald, is afhankelijk van hem – al is de afhankelijkheid wederzijds. Zij is ook zijn concubine, maar daar wordt in huis niet over gepraat. Ze dient, doet het huishouden, verzorgt grootvader en bedient de vrienden en zakenmannen die op bezoek komen. Het is de tijd van De Koude Oorlog, de komst van de Russen dreigt. Restanten van de Tweede Wereldoorlog zijn nog aanwezig: in ruïnes van dorpsgebouwen, in het op straat tikkende houten been van de dagelijks langslopende Melita, in flarden van gesprekken die Adriaan opvangt. Voor hem is het allemaal spannend. Mondjesmaat krijgt hij over de oorlog iets los van Ommie. Ze praat er liever niet over. Van haar heeft hij een verrekijker gekregen die hij Maresch noemt, naar de naam in de voering van het foedraal. Maresch is de vriend die hem de wereld laat zien
    – zelf durft hij nog niet goed naar buiten. Hij observeert er de straat mee, de langslopende mensen, en in huis de plafonds, kastdeuren, ieder randje of vlekje. ‘Sproet’ is nieuwsgierig, opgewonden en bang voor wat hij ontdekt en niet begrijpt. Ommie stelt hem gerust: ‘Je bent veilig.’ Later hoort hij van haar dat Maresch de achternaam is van de Tsjechische Jan, gevlucht voor de nazi’s en in het verzet, ondergedoken bij Ommie in het hoge huis.

    Intermezzo’s

    Van Dis is inmiddels zevenenzeventig jaar oud en zo presenteert hij zich ook in Naar zachtheid en een warm omhelzen. Over dat heden vertelt hij in een ander lettertype in kleine intermezzo’s tussen de hoofdstukken door. Met een kapotte heup zit hij op een bankje in het park, dagelijks na altijd dezelfde wandeling. Hij ontmoet er onder andere ‘twee vingervlugge kameraden, Hamza en Ricardo, die samen langs de winkels slierden. Al kletsend merkte ik dat ik erg op mijn woorden moest letten. Wat was een roman precies? Wat bedoelde ik met “teruggaan in de tijd”?’ Boeken lezen doen ze niet, nooit. Met deze jongens toont Van Dis zijn beschouwende oog voor andere ontwikkelingen, voor het asociale van een samenleving. In het park peinst hij ook over de tijd in zijn grootvaders huis. ‘Soms kan ik het niet laten even tegen de stam te leunen, zoals Ommie deed na het schoffelen.’

    Melita met het houten been fascineert Adriaan, net als het gevaarlijke woord ‘razzia’ dat hij in verband met haar opvangt. Haar invalide zoon duwt ze in een kar voort. ‘Ze leefde voor hem, dat was ze verplicht aan zijn vader, een verzetsheld.’ Adriaan bekijkt moeder en zoon door het raam nieuwsgierig en medelijdend met zijn verrekijker. Op een ochtend vallen ze, de zoon met zijn hoofd op de stenen. Hij krijgt een spasme en een hersenschudding, moet naar een tehuis, wordt haar afgenomen. ‘Ze begon door de straten te dwalen. (…) Soms schreeuwde ze luid zijn naam. (…) Niet meer het tikken van haar been kondigde haar aan, maar haar stem. Hoog en schor. (…) Adriaan riep Ommie als hij haar hoorde. (…) Hij zou haar nooit meer “manke” noemen.’

    Onder de stijl schuilt het drama

    Gedurende het verhaal blijkt hoe sociaal Ommie is. Ze probeert iets te betekenen voor Melita, heeft onderduikers geholpen en houdt Huiberts familie bij elkaar. Langzaamaan hoort Adriaan meer over de oorlog, al proberen grootvader en Ommie dat te vermijden. Zijn huisleraar – Adriaan krijgt thuis les -laat vallen: ‘“De moffen lieten ons verrekken”. Nou, toen begreep Adriaan het wel. Meneer Van Look (…) dicteerde er nog een hele trits bij: “vechtbereid”, “verhoortechniek”, “vernietigingskamp”. Ook die woorden schreef Adriaan met een bibberpotlood op. Hij kon het echt niet helpen, was zelf niét over de oorlog begonnen. (…) Hij stelde vele vragen. Verboden vragen. Betrad verboden terrein. Maar hij genoot ervan. O, wat verlangde hij naar dapperheid.’

    De hedendaagse Van Dis gaat op zoek naar informatie over de vrouw die zijn Ommie was. Hij spreekt verre familieleden, vindt documenten. Zijn moeders nalatenschap levert een paar brieven van Ommie op. ‘Geruststellingen over mijn schoolvorderingen en strijd tegen galbulten (…) Bij tweede lezing viel mij een passage op die ineens meer betekenis kreeg: Wat is dat toch met Adje? Hebben jullie er veel met hem over gesproken? Hij tekent al dagen tanks in zijn tekenschrift en schietende soldaten in plassen bloed.’

    In Naar zachtheid en een warm omhelzen neemt de waarnemer Van Dis de lezer in treffende bewoordingen mee naar de ervaringen van de kleine, bangelijke jongen van toen. Het boek leest moeiteloos. Maar onder de heldere, haast lichtvoetige stijl van de auteur schuilt het drama. De verbeelding en empathie van de lezer worden aangesproken dankzij levendige personages, invoelbare dialogen en het perspectief van de kleine Adriaan. Af en toe is er een alwetende verteller aan het woord. De hedendaagse intermezzo’s zijn in de eerste persoon geschreven.

    Rudy Kousbroeklezing

    Vorig jaar kon Adriaan van Dis dan eindelijk de Rudy Kousbroeklezing houden die wegens corona een paar jaar was uitgesteld. In de tussenliggende jaren schreef hij verder aan de lezing. Zijn onderzoek breidde zich uit, de artikelen stapelden zich op, er kwamen steeds meer gegevens bij. Veel te veel voor een lezing. Daarom is er nu wederom een boek; De kolonie mept terug is de neerslag van al dat materiaal. Opnieuw is Van Dis’ beschouwende oog gericht op het koloniale verleden en de gevolgen ervan, op racisme en de witte kijk op de wereldgeschiedenis.

  • Prachtige verhalen over vertalen en vertaalde literatuur

    Prachtige verhalen over vertalen en vertaalde literatuur

    Filter, tijdschrift over vertalen, onderzoekt in deze derde editie van dit jaar de andere kant van de vertaling, die van de ontvanger, de lezer. Een twintigtal vooraanstaande lezers werd uitgenodigd hun boekenkast te onderzoeken op wat hun favoriete vertaling is, of zelfs ‘hun favorietste aller tijden’. De vraag is even interessant als persoonlijk (welke vertaling bleef je bij, veranderde je leven). Vertalen is een ambachtelijk werk waarbij vakkundig aan een tekst gesleuteld wordt, maar een vertaler moet ook creatief en origineel. Een vertaler is voor alles een literatuurvorser, niemand leest een boek zo grondig als de vertaler, vertalers zijn analyserende lezers. Maar wat merkt de lezer van een vertaling?

    Een buiging

    Joyce Roodnat opent deze Filter met een eerbetoon aan de vertaler, getiteld ‘Saluut’. Voor haar zijn vertalers poortwachters en bruggenbouwers. Ze studeerde Italiaans, maar had Umberto Eco ‘nooit kunnen volgen zonder vertaling.’ En zonder vertalers had ze de romans van Margaret Mazzantini niet gekend. Ze vertelt hoe enthousiast ze wordt als ze een schrijver ontdekt, die ze dankzij de vertaler, kan lezen. Zoals Nicola Pugliese, van wie dit jaar uit zijn roman Malacqua een hoofdstuk in tijdschrift Terras stond, vertaald door Annemart Pilon. Roodnat was enthousiast over de schrijver, en over de vertaler, die op voorhand uit gedrevenheid een stuk vertaald had, in de hoop dat een uitgever het zou oppakken. Daarvoor maakt zij een buiging, voor dat enthousiasme, het vertaalwerk, het publiceren. Een buiging, ‘Met mijn neus tot de grond.’

    Dichteres Vicky Francken zocht in haar boekenkast niet naar de beste vertaling, maar naar de vertalingen die haar eigen zijn geworden. Ze schrijft, ‘De vertalingen die me dierbaar zijn, werpen vaak een licht op iets dat onbegrijpelijk is maar instinctief wáár, iets waar ik zelf nog geen taal voor had.’ Het mooiste boek dat ze ooit las is van Amos Oz, Het verhaal van liefde en duisternis, vertaald uit het Hebreeuws door Hilde Pach. 

    Kousbroek als vertaler

    Een vermakelijke stuk, getiteld, ‘Lijn spestien op het zituur’ is van literair vertaler Spaans Lisa Thunnissen. In haar pubertijd ontdekte ze Stijloefeningen van Raymond Queneau, in vertaling van Rudy Kousbroek. Al voorlezend aan haar moeder en zusje werkte het haar op de lachspieren, ‘In lijn spestien op het zitsuur ontmande ik een jongewaard met een nange mek en een hare roed.’ Over het vertalen van zulke taalgrapjes, daar is iets over te zeggen, maar becommentariëren doet ze de vertaling niet, ‘want Kousbroek is niet de minste’.

    Publicist en redacteur van tijdschrift Terras Tommy Van Avermaete vraagt zich af hoe je een vertaling beoordeelt en volgens welke maatstaven. In ‘De boel naar je hand zetten’, onderzoekt hij aan de hand van, Het meisje dat te veel van lucifers hield, van de Canadese schrijver Gaétan Soucy (1958-2013), vertaald door Han Meijer. Hoe een boek, geschreven in een ‘nogal onalledaagse taal’ (waarbij de associatie: onvertaalbaar opkomt) verklaard kan worden. Overigens een titel, die je na lezing van deze bijdrage, onmiddellijk wilt lezen. 

    Zorg en ongemak

    Literair vertaler en vertaalwetenschapper Désirée Schyns, benadrukt in ‘Vertalen is ongemak’ de complexiteit van vertalen. Dat het bij vertalen niet alleen gaat om het behoedzaam omgaan met het werk van een ander. Ze haalt daarbij de vertaalrelletjes aan die zich het afgelopen jaar hebben afgespeeld rond de vertaling van Amanda Gormans gedichten, en het weglaten van een stuk uit Dantes Inferno bij een vertaling voor jonge lezers. Zij benadrukt ook  dat vertalen steeds meer gewaardeerd wordt met begrippen als ‘zorg’ en ‘zorgzaamheid’. Schyns ontdoet het vertalen van de wat muf makende opvatting dat vertalen ‘vreugde schenkt’. Terwijl het niets meer of minder is dan hard werken dat gepaard gaat met ‘ongemak, onzekerheid, mankementen en mislukking’. Daarbij haalt ze onder meer de Britse schrijver Max Porter aan. Porter associeert vertalen ‘met tussendoor glippen, met reizen zonder grenzen, met verplaatsing, soepelheid, behoedzaamheid en liefde, maar ook met gevaar, kwetsbaarheid, misbruik, luiheid, toondoofheid, censuur.’ Een interessant en genuanceerd stuk dat de kijk op vertalen doet bijsturen.

    Dit tijdschrift is niet alleen voor vertalers en literatuurwetenschappers interessant, maar voor iedereen die graag vertaalde literatuur leest. Literaire vertalingen maken het verschil, zoveel is na lezing wel duidelijk. Vertalers als ‘poortwachters en bruggenbouwers’, volgens Joyce Roodnat, een mooie gedachte. Mooie bijvangst is dat veel van de auteursnamen die in deze Filter zijn gevallen, nieuwsgierig maken naar hun werk.

     

    Overige bijdragen zijn van: Cees Koster  met Ton Naaijkens, Riet Schenkeveld-van der Dussen, Peter Nijssen, Janneke van der Meulen, Maarten Asscher, Lia van Gemert, Ger Groot, Maurits Lesmeister, Barber van de Pol, Dirk Schoenaers, Miek Zwamborn  Derek Crook, Jos Vos, Rob Zweedijk, Erik Bindervoet, Lieke van Deinsen en Beatrijs Vanacker.

    Kijk ook op: Filter, tijdschrift over vertalen.

     

  • Oogst week 25 – 2021

    De huilende molenaar

    Een hele rits aan titels heeft hij geschreven, een van Finlands meest bekende auteurs, Arto Paasilinna (1942 – 2018). Een aantal van zijn boeken is in vertaling bij uitgeverij Wereldbibliotheek verschenen maar veelal alleen nog tweedehands verkrijgbaar. Dat is jammer want Passilinna lezen is plezier hebben. Ondanks de thematiek. Passilinna neemt in zijn boeken de Finse moderne samenleving kritisch onder de loep, daarnaast zijn de dood, vrijheidsdrang en wraak belangrijke thema’s in zijn werk, maar hij beschrijft deze op licht-ironische en droogkomische manier.

    In De huilende molenaar gaat het om een eenling die in gedrag afwijkt van de dorpsbewoners. Waren zij eerst blij met zijn komst, – hij blijkt vriendelijk en behulpzaam-, gaandeweg keren zij zich tegen hem. Hij heeft namelijk de bijzondere gewoonte om, als hij somber wordt, te gaan huilen als een wolf.

    Het lijdt geen twijfel of Paasilinna maakt er weer een virtuoze vertelling van.

     

    De huilende molenaar
    Auteur: Arto Paasilinna
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    De meteoriet en het middagdutje

    Vandaag 23 juni 2021 verschijnt bij uitgeverij Boom De Meteoriet en het middagdutje.

    Vijftig zwart-witfoto’s vormen de basis voor De meteoriet en het middagdutje. Aan de hand van die foto’s schreef Maarten Asscher korte, verhalende essays van achthonderd woorden. Het zijn onvermoede geschiedenissen, verrassende details en merkwaardige belevenissen. In de traditie van Rudy Kousbroeks ‘fotosyntheses’ waarin steeds beeld en tekst met elkaar in verbinding staan, roept de auteur zijn eigen verbazende wereld op, waarin een Japanse rotstuin, een neerstortende jachtbommenwerper, mijnwerkers in een liftkooi en een verdwenen watertoren onderling gaandeweg met elkaar verbonden raken.

    Om een indruk te krijgen kunt u hier op Literair Nederland drie fotosyntheses lezen, Personen, Bedrog en Stilleven, van Maarten Asscher in onze eigen, gelijknamige rubriek.
    Andere bijdragen in die rubriek vindt u hier.

    Maarten Asscher (1957) is schrijver van romans, verhalen, essays, gedichten en poëzievertalingen. Zijn meest recente boek is Een huis in Engeland. Roman van een kleinzoon (De Bezige Bij, 2020). Voor zijn vertalingen van de 35 Engelse sonnetten van Fernando Pessoa werd Asscher in 2011 genomineerd voor de Filter Vertaalprijs. In 2019 ontving hij de vijfjaarlijkse J.H. Donnerprijs vanwege zijn bijzondere verdiensten voor het Nederlandse boekenvak.

    De meteoriet en het middagdutje
    Auteur: Maarten Asscher
    Uitgeverij: Uitgeverij Boom

    De trotse bedelaars

    Een van de successen van het Schwob-initiatief, ‘de mooiste vergeten klassiekers’ is Albert Cossery. Hij werd geboren in Egypte, woonde het grootste deel van zijn leven in Parijs, maar bleef zich zijn hele leven een Egyptische schrijver voelen.
    Lezers die hem ontdekt hebben willen méér. Gelukkig kan dat. Na het succes van Grote Dieven Kleine Dieven, verscheen al snel De luiaards in de vruchtbare vallei, en nu komt daar ook De trotse bedelaars bij.

    In zijn column ‘Herontdekte meesters‘ schrijft Mathijs van den Berg op deze website dat de boeken van Cossery geschreven zijn in een ‘gebeitelde stijl’ met een ‘humoristische toon en bijtende maatschappijkritiek’.

    Het oevre van Cossery is klein, 10 boeken. De trotse bedelaars verscheen voor het eerst in 1955 in Parijs. Het speelt zich af in de broeierige schaduw van de steegjes, straten en pleinen in een grote Egyptische stad, in het milieu van hele en halve intellectuelen, anarchisten, dichters en revolutionairen, die uit overtuiging bedelaars zijn geworden.
    Voor hen betekent de gewelddadige moord op de prostituee ­Arnaba eigenlijk niet zoveel. Maar wie is de moordenaar? Rechercheur Nour El Dine, gekweld door zijn onfortuinlijke liefdesleven, verdenkt met name de eigenzinnige Gohar. Die houdt zichzelf maar net in leven met het bijhouden van de boekhouding van een bordeel en het schrijven van brieven voor de ongeletterde hoertjes. Gaandeweg groeit niet alleen de verdenking van de rechercheur voor deze zonderlinge figuur, maar ook de fascinatie die hij voor hem opvat

    Vic Veldheer schreef op deze website een recensie over Grote dieven kleine dieven, Rik van der Vlugt besprak hier De luiaards in de vruchtbare vallei.  

    De trotse bedelaars is vertaald door Rosalie Siblesz

    De trotse bedelaars
    Auteur: Albert Cossery
    Uitgeverij: Jurgen Maas
  • Hij was een voortreffelijk schrijver

    Hij was een voortreffelijk schrijver

    Giuseppe Tomasi di Lampedusa (1896 – 1957) is vooral bekend van zijn postuum verschenen roman Il gattopardo, in het Nederlands vertaald met als titel De Tijgerkat. Tijdens zijn leven werd het manuscript door meerdere Italiaanse uitgeverijen geweigerd, maar toen het na zijn dood uiteindelijk toch verscheen werd het een groot succes en vele malen herdrukt en in 1963 verfilmd door Luchino Visconti. Het gaat over de teloorgang van de Siciliaanse adel tijdens en na de inval van Garibaldi in 1861 en de daarmee gepaard gaande opkomst van de nieuwe rijken, de burgerij. Lampedusa schreef behalve deze roman slechts enkele verhalen, die nu onder de titel ‘Mijn kindertijd en andere verhalen’ fraai zijn uitgegeven in de vertaling van Yond Boeke en Patty Krone en met illustraties van Charlotte Schrameijer. De inleiding is van Gioacchino Lanza Tomasi, de adoptiezoon van Lampedusa. 

    Waar ooit gewoond werd

    Het eerste verhaal, ‘Mijn kindertijd’ is een ode aan de Palazzo’s, de Italiaanse paleiswoningen waar  Lampedusa zijn jeugd doorbracht. Met grote precisie beschrijft hij kamer na kamer en salon na salon van het grote huis van zijn adelijke familie aan de Via Lampdusa 17 in Palermo. ‘Alles eraan bevalt me: de ongelijkvormigheid van de muren, de vele salons, het stucwerk op de plafonds, de vieze lucht in de keuken van mijn grootouders, het vleugje viooltjesparfum in het boudoir van mijn moeder, de bedompte hitte in de stallen, de lekkere geur van gepoetst leer in de zadelkamer, het mysterie van een aantal slechts half voltooide vertrekken op de tweede verdieping, het immense koetshuis waarin rijtuigen werden gestald – een wereld vol zoete geheimen en steeds weer nieuwe aangename verrassingen. Ik was daar heer en meester en doorkruiste onafgebroken op een holletje de enorme ruimtes.’

    Kousbroek schreef ooit ‘Heimwee is de weg kennen in een huis dat niet meer bestaat’. Het huis van Lampedusa werd op 5 april 1945 verwoest door Amerikaanse bommen en het heimwee dat Lampedua er naar had is te voelen in zijn liefdevolle beschrijvingen, verlucht met door hemzelf getekende plattegrondjes. Behalve het huis in Palermo had de familie nog vier dependances op het platteland, waarvan dat in het dorp Santa Margharita door Lampedusa ook in detail en met warmte wordt beschreven. Net als bij het paleis in Palermo wekken de beschrijvingen van de ruimte ook herinneringen bij hem op aan gebeurtenissen, familieleden en andere personen die er een rol bij speelden. 

    Drie nagelaten verhalen

    En zo geeft Mijn kindertijd een fraai beeld-in-aquareltinten van het leven van de adellijke Siciliaanse familie Lampedusa, waarvan hij de laatste prins was. In de bundel zijn ook drie fictie-verhalen opgenomen die in zijn nalatenschap werden gevonden.  ‘De vreugde en de wet’ vertelt in een mooie lakonieke stijl over de vreugdevolle tocht naar huis van een boekhouder die van zijn baas een bonus heeft gekregen en ook nog een panettone (kerstbrood) van liefst 7 kilo. Maar die – eenmaal thuis – merkt dat er weinig van die rijkdom overblijft. 

    Diezelfde precieze en lakonieke stijl is ook te bewonderen in ‘De Sirene’, waar de hoofdpersoon – een journalist – in zijn stamcafé een oude en wat kribbige man treft die een bekende senator en Hellenist blijkt te zijn. Deze vertelt hem over een jonge vrouw die hij als jongeman tijdens een boottochtje tegenkwam en met wie hij enkele weken verkeerde. ‘Met een verbazingwekkende kracht kwam ze tot haar middel uit het water omhoog, sloeg haar armen om mijn hals, omhulde me met een nooit geroken parfum en liet zich in de boot glijden: iets lager dan haar liezen, onder haar billen, had ze een vissenlichaam dat bezaaid was met piepkleine paarlemoeren en azuren schubbetjes en uitliep in een gevorkte staart die traag op de bodem van de bood sloeg. Het was een Sirene.’

    Een wonderlijk verhaal met een wonderlijke afloop, uiterst geloofwaardig beschreven. ‘De blinde katjes’, het vierde verhaal, gaat over een landeigenaar die langs slinkse weg zijn eigendom vergroot. Het had de aanzet moeten zijn voor een tweede roman van Lampedusa, maar het bleef bij dit begin. En dat is jammer. Want dat Lampedusa een voortreffelijk schrijver was, dat blijkt op elke pagina van deze bundel.

     

     

  • Zij huilt

    Zij huilt

    Wim Brands fietste als jongen naar Zutphen om het NRC te kopen, niet voor thuis, daar lazen ze geen kranten, maar voor zichzelf. Soms fiets ik de weg die hij toen fietste, vermoed ik. Voor de NRC vrijdageditite moet je vanuit Brummen en de buitengebieden, waar Brands opgroeide, nog steeds naar Zutphen. Brands fietste voor de krant om een stukje van Rudy Kousbroek te scoren, stukjes die hij als jongen verslond. Ik voor het ‘Cultuur’ katern en voor de ‘Achterpagina’, met Frits Abrahams. Abrahams signaleert, schrijft over zijn onwil in de pas te lopen, zijn tekortkomingen. Ik lees ze graag. Afgelopen vrijdag schreef hij over een plan J, dat de lockdown overbodig zou maken, bedacht door uitgever Menno Hartman en journalist Henk Peter Steenhuis. Een plan waarbij de bevolking in vier leeftijdsgroepen wordt ingedeeld, iedere leeftijdsgroep krijgt een deel van de dag om zich te verzetten, te chillen, theater, horeca te bezoeken. Geen gek plan. Of we het nodig zullen hebben hangt af, eindigt Abrahams zijn column, ‘van “het vaccin”, wat bijna een andere naam voor God is geworden.’

    Op een van die keren naar de stad fietste Wim Brands met zijn vader toen deze een epileptische aanval kreeg en in een ondiepe sloot viel. Hij liet hem daar liggen, fietste weg. Daar schreef hij een gedicht over, over die vader in een ondiepe sloot en de schaamte daarover. In zijn gedichten en korte prozastukken herken ik veel uit de omgeving waar ik nu acht jaar woon, waar Brands zijn jeugd verdeelde tussen insider en outsider zijn. Insider was hij als kind in het bos, outsider werd hij op school, in de stad. Ik herken de boerderijen, de ruïnes, vergeten schuren. De oude boer die steeds naar achteren loopt als ik voorbij fiets, nooit groet, had zomaar in een gedicht van Brands kunnen voorkomen. De telefoon is een terugkerend onderwerp in zijn gedichten. ‘Soms pakt ze de telefoon om te controleren / of er nog een kiestoon is – er valt / niet veel te kiezen -‘.  Of zoals in deze regels:

    ‘Te schrijven zoals mijn grootouders
     een telefoongesprek voerden.

    Ze belden nooit, ze werden
    een doodenkele keer gebeld

    en konden tot aan het einde
    van hun leven niet geloven

    dat hun stemmen ook elders
    klonken.’

    Geweldig te willen schrijven zoals zij ‘een telefoongesprek voerden’, en ‘hun stemmen ook elders klonken’. Een van zijn gedichten begint zo:
    ‘Ze hebben kaartjes voor het ballet maar zijn eigenlijk doodmoe / en willen naar bed. Hij heeft haast, zij treuzelt, de vlucht uit de dag begint met strijd. / Zijn jas is te krap, zij huilt, terwijl ze dat later pas wil, / Zij kent hem. Hij vindt het overdreven / dat twee mensen zo ongelukkig van elkaar houden /(…).’
    Er is een terugtrekken, een ontsnappen aan, in veel van zijn gedichten. Als ik over onverharde wegen in de buitengebieden van Tonden en Voorstonden fiets, dan zie ik nog wel eens zo’n jongen die een is met het land, op weg naar de stad.

     

     

    Uit: Wim Brands, Verzamelde gedichten / samengesteld door Monique Edelschaap en Thomas Verbogt / 521 blz. / Van Oorschot (2017). Lees hier meer over Plan J.


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, zoekt naar een goed verhaal.

     

     

  • Fotosynthese 13 – Boekmutilatie

    Fotosynthese 13 – Boekmutilatie

     

    Vijf kinderen met een boek. De fotograaf zal in 1918 dit beeld zorgvuldig gecomponeerd hebben want zo gegroepeerd en aandachtig lezend zul je kinderen niet snel aantreffen zonder enige regie van buiten af. Toch schijnen de kinderen het niet onplezierig te vinden. Op een andere foto uit 1935, te vinden op de site van Het Geheugen van Nederland, ziet lezen eruit als een taaie plicht. Zo’n veertig kinderen buigen zich over een boek – een enkeling kijkt naar de fotograaf. Aan de zijkant van het lokaal staan twee vrouwen die als cipiers toezien.
    Gezamenlijk lezen zal in die tijd vooral functioneel bedoeld zijn geweest. Ik herinner mij in dit verband een zin die ik aanstreepte in Ik ben dynamiet van Sue Prideaux waarin ze Nietzsche, als criticus van zijn tijd, laat zeggen dat het verband tussen intelligentie en eigendom blijkbaar om snelle educatie vraagt. Zo kan er met grote vaart een geldverdiener worden geproduceerd: ‘De mens wordt slechts de afgemeten hoeveelheid cultuur vergund die verenigbaar is met de belangen van het gewin’. Hij waarschuwde anderhalve eeuw geleden al, maar het (neo)liberalisme is er doof voor.

    De staande vrouwen op de foto uit 1935 doen vermoeden dat orde handhaven hoger in het vaandel stond dan het aanmoedigen tot genieten. Er zal nauwkeurig op zijn gelet of er geen ezelsoren in de pagina’s kwamen, dat er niet in werd getekend, dat het lezen geruisloos verloopt en bladzijden voorzichtig worden omgevouwen.

    Toen ik zou oud was als deze kinderen woonde ik in een klein katholiek dorp. Er was een parochiebibliotheekje waarin je niet zelf in de kasten mocht neuzen. Een juf aan de balie taxeerde wat goed voor je was. Ik kreeg boekjes mee over de jeugdige Jezus, al vroeg had ik kennis genomen van het leven van een zekere Damiaan, een Belgische pater die met lepralijders werkte. En er was een stripboek: over Bernadette Soubirous, die in Lourdes Maria zag verschijnen toen ze hout aan het sprokkelen was. Ik las de boeken onbekommerd om de opgedrongen keuze. Ik genoot van het wonder dat letters woorden vormen, woorden zinnen en zinnen verhalen en dat ik ze kon ontsleutelen; naar de ethiek erachter vroeg ik niet. Toe al leerde ik boeken te koesteren, boodschappers die ik met respect behandelde. Ze waren zo belangrijk in mijn kinderleven dat ze welhaast deel werden van mijn identiteit. Een boek vertegenwoordigt geestelijk houvast, is een deel van het leven en een toegang tot ongekende werelden. 

    Een aanslag op een boek is geestelijke terreur. Wie herinnert zich niet het hartverscheurende tafereel uit Ciske de Rat waarin zijn moeder het boek verscheurt dat Ciske heeft gekregen van zijn invalide vriend Dorus (ik gebruik bewust in één zin hartverscheurend en boek verscheurend). De fatale gevolgen zijn bekend voor wie het boek kent. 
    Een ander voorbeeld van een dergelijk optreden van ouders is te vinden in Otmans zonen van Peter Buwalda. Als de kinderen Egon en Frida ruziën om Pluk van de Petteflet, scheurt hun vader het boek ‘met een verbeten gezicht langs de rug in twee stukken’ en gooit het in de open haard. En in De verboden tuin van Wessel te Gussinklo wordt Ewout het slachtoffer als zijn moeder zijn moeizaam bij elkaar gespaarde Dick Bosboekjes vernielt. Deze ouders hebben blijkbaar in de gaten hoe ze hun kind in het hart kunnen raken: door de deur naar de buitenwereld dicht te trappen.

    Ik kan er plaatsvervangend woest om worden. Zo ga je niet om met kinderen die van boeken houden. Ook niet met boeken zelf trouwens. Geert Wilders wist hoe hij gelovige moslims kwetste toen hij in de film Fitna door een ingemonteerd geluid de suggestie wekte dat de Koran werd verscheurd. En onlangs nog dacht een NRC-lezeres Tommy Wieringa in het hart te kunnen raken toen zij naar eigen zeggen en als wraak op een column van Wieringa over het Forum voor Democratie, alle romans van hem die ze had, zou verscheuren.

    Op de middelbare school mocht je zelf de boeken uitzoeken. Het leidde tot nieuwe ontdekkingen, nieuwe kennis. Helaas waren er ook teleurstellingen als ik weer eens op een boek stuitte dat gemutileerd was: pagina’s uitgescheurd of platen uit geknipt. Soms viel iemand door de mand als zijn werkstuk verfraaid bleek met een illustratie die iemand anders nu juist in zijn boek had gemist.

    Uit de literatuur zelf ken ik in elk geval één voorbeeld van een dergelijke wandaad: in de magisch-realistische roman Als op een winternacht een reiziger van Italo Calvino, waarin de Lezer en de Lezeres een bepaald boek niet meer kunnen bemachtigen. Omdat er maar één exemplaar van bestaat hebben studenten, zoals één van hen zegt, ‘dat onder elkaar verdeeld, het was een nogal omstreden verdeling, het boek is in stukken gescheurd, maar ik geloof echt dat ik het beste stuk bemachtigd heb’.
    Aanranding van boeken is onvergeeflijk, en er blijkt veel meer te worden gescheurd dan ik verwachtte.

    Ik heb het niet over een tekening van tekenaar Stefan Verweij, waarop een man zijn boek dichtslaat en het met de uitroep ‘Uit!’ in de open haard gooit. Inderdaad: het is een spotprent! Maar dat zelfs iemand als Marsman een dergelijke wandaad beging, vind ik ongelooflijk. Arthur Lehning schrijft in H. Marsman, de vriend van mijn jeugd dat de door mij toch hooggeachte dichter in 1934 in een Spaanse trein elke bladzijde van een roman van Albert Helman die hij gelezen had uitscheurde en naar buiten gooide. En hij blijkt niet de enige. In een interview in NRC Handelsblad van 29 maart 1991 vertelt Frits Bolkestein dat hij alle pagina’s die hij had gelezen in Moby Dick hetzelfde lot toebedeelde: weg door het raam. 

    Dergelijk vandalisme zou Helene Hanff en Frank Doel een gruwel zijn geweest. Zij correspondeerden jarenlang met elkaar, hij de antiquarische boekhandelaar van Marks & Co in Londen en zij schrijfster in Pennsylvania op zoek naar zeldzame boeken. Hun brieven tintelen van liefde voor boeken. Het is allemaal beschreven in Charing Cross Road 84. Ik herken hun liefde voor boeken.

    Hoopvol denk ik dat er op zijn minst toch wel een paar kinderen in die leeszalen van 1918 en 1935 zullen zijn geweest die een sprankje van dat gevoel beleefden, dat ze bevriend raakten met een boek en bij wie het in hun leven latere nooit zou opkomen ze te mishandelen.

     

    Lees hier over nog een vernielzuchtige boeklezer op Renzo Verwers blog.
    Afbeelding: Frans Ferdinand van der Werf (1903-1984).


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan. Deze rubriek wordt verzorgd door verschillende medewerkers van Literair Nederland.

     

  • Achter glas

    Achter glas

    In het Franse vakantiehuis waar een deel van mijn volgende roman zich moet gaan afspelen, lees ik de helft van de correspondentie tussen Rudy Kousbroek en Gerard Reve. Van laatstgenoemde zijn de brieven niet in het boek opgenomen, iets met de rechten, onhandig maar helaas. Wat overblijft leest haast als een literaire ingreep: juist omdat Reves vragen en antwoorden ontbreken, is de lezer gedwongen om een en ander zelf in te vullen.
    Steeds is duidelijk, hoe intiem en openhartig Kousbroek ook lijkt, dat publicatie van deze brieven altijd al een doel op zich was. Daarom maakten beide schrijvers, we hebben het nu over de periode 1979-1989, steeds een doordruk van elkaars brieven. Alles voor het nalatenschap.
    En zodra je schrijft om gelezen te worden, om nog meer gelezen te worden dan alleen door diegene tot wie je je richt, schrijf je anders. Dan speel je een spel. Ook dat is een ingreep. Afstand wordt bewaard. Maar is dichterbij komen niet juist wat we willen, zodra we overgaan tot het lezen van brieven en dagboeken? 

    ‘Het lukt niet meer, ik zit vast als een muur (of, zoals me nu invalt: dat iemand met zijn hoofd naar beneden tussen twee Amsterdamse huizen in is gevallen – je weet wel, van die huizen in de binnenstad met 20 cm ruimte ertussen – en dan op de hoogte van de eerste etage klem is komen te zitten. ’t Is soms net of ik wat hoor, zegt de bewoonster ’s avonds tegen haar man) en het uiteindelijke resultaat is dat ik helemaal niets meer doe.’ Dit stukje, waarin Kousbroek aan Reve uitlegt waarom hij niet schrijft, laat het dubbele zien: het is blootgeven en bedekt houden tegelijk, je mag dichterbij komen, toe maar, maar je blijft wel achter het glas. Kousbroeks taal, zijn weloverwogen woordkeuze en de zorgvuldige uitwerking van zijn metafoor, is dat glas. 

    Tegelijkertijd lees ik in Ik bestaat uit twee letters, het ‘Privédomein’ van A.H.J. Dautzenberg. Nergens in het boek, al ben ik nog niet op de helft van de meer dan zeven honderd pagina’s, heb ik het idee dat het te intiem is wat ik lees, dat ik getuige wil zijn van iets waarin ik geen plaats heb. Met het bedoelde hertekenen van een jeugd en van een broer lijkt de materie behoorlijk persoonlijk en precair, maar ik word er niet door belemmerd – tot ik bij de brieven aan Gerbrand Bakker aankom. Pas hier, in de steekjes en de grapjes in de brieven die Dautzenberg stuurt, komt ongemak aangewaaid. Natuurlijk, ook hier is sprake van ingreep, van spel. Bakkers brieven zijn niet in het Privédomein opgenomen. En toch.
    Ben ik te dichtbij gekomen – is het glas door de een weggetrokken zonder dat de ander daar iets over te zeggen had? Waar is de wand die alle partijen beschermt? Dichterbij wil ik, in het lezen, altijd dichterbij – maar het hoeft nooit zo heet te worden dat ik me kan branden. Achter glas zie ik goed genoeg. 

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

  • Culturele toe-eigening, maar dan anders

    Culturele toe-eigening, maar dan anders

    Op 11 april 1947 scheepte mijn moeder in Amsterdam in op het MS Oranje voor haar passage naar Indië. Van die reis deed zij verslag. Ze maakte er een verhaal van in de vorm van een dagboek. Dat verhaal zit keurig uitgetypt in een plakboek, verlucht met onderweg gemaakte foto’s, menukaarten en nog wat parafernalia die helpen bij het koesteren van eerste indrukken.
    Dat verhaal over haar eerste zeereis schreef ze vooral voor zichzelf. Slechts weinigen zullen er weet van gehad hebben. Misschien liet ze het haar collega’s lezen: de andere Marva’s aan boord die net als zij onderweg waren naar Batavia dat twee jaar lang hun standplaats zou zijn. Of het thuisfront ooit kennis nam van haar wederwaardigheden aan boord en tijdens het passagieren…

    Wanneer ik haar verhaal voor het eerst mocht lezen, weet ik niet meer. Ik weet nu wel dat ik toen nog niet oud, wijs en belezen genoeg was om te doorgronden wat er tussen de regels stond. Ik was me er ook nog niet van bewust hoe veel er van mijn moeder in dat verhaal zit. Ik weet alleen nog dat ik af en toe schrok van haar nogal boude uitspraken en ongenuanceerde opvattingen.
    In plaats van mijn moeder vragen te stellen – in eerste instantie kwam dat niet in me op, daarna was het te laat om er nog op terug te komen – las ik me haar verleden in. Probeerde ik via de literatuur vat op mijn moeder te krijgen. Ook op de avontuurlijke moeder die ik nooit gekend heb.
    Ik dacht dat de sleutel in Indië lag. Het Indië van Louis Couperus, Maria Dermoût en Hella Haasse, maar De stille kracht, Oeroeg en De tienduizend dingen brachten mij niet nader tot mijn moeder. Hun band met dat land was inniger. Zij waren er geworteld, mijn moeder was maar een passant.

    Toen mijn moeder op 1 mei 1947 voet aan wal zette in Batavia was van een idyllisch Indië geen sprake meer. Tempo doeloe was voorgoed voorbij. Er braken andere tijden aan. Die geschiedenis werd bij ons thuis niet opgerakeld. Wat mijn moeder – en de man die mijn vader werd: ze ontmoette hem daar en trouwde ter plekke – in Indië moest, is een vraag die ik mezelf met enige regelmaat stel.
    Ik kan het haar niet meer vragen, en troost mezelf met de gedachte dat zij hoe dan ook een ontwijkend antwoord zou hebben gegeven.

    Indië is voor mij altijd het land van anderen gebleven. Ik ben er niet geboren en ook niet gemaakt, maar mijn ouders voelden zich er ooit thuis. Dat rechtvaardigt dat ik me via de literatuur nog altijd een pad naar hun verleden probeer te banen. En dat ik plaatjes kijk in Een passage naar Indië van Rudy Kousbroek in de hoop dat die over de woorden van mijn moeder schuiven.
    Dat ik me tijdens al dat gelees af en toe het kleine zusje waan van Nathan Sid is een milde vorm van culturele toe-eigening die volgens mij geen kwaad kan.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Vernieuwend essayist geworteld in een traditie

    Vernieuwend essayist geworteld in een traditie

    Rudy Kousbroek (1929-2010) wordt vooral herinnerd vanwege zijn essays. Hij ontving daarvoor meerdere prijzen, waaronder de Essayprijs van de gemeente Amsterdam (1969), de P.C. Hooftprijs (1975) en de Jan Hanlo Essayprijs (2005).
    Sinds 2010 wordt er ieder jaar op initiatief van uitgeverij Augustus, NRC, De Gids en De Rode Hoed een Kousbroek-lezing georganiseerd, uitgesproken door een toonaangevend essayist en aansluitend bij thema’s uit het werk van Kousbroek. Hiermee wordt de herinnering aan van de belangrijkste essayisten die Nederland heeft voortgebracht levend gehouden.

    Dat Kousbroek na zijn dood nog actueel is, blijkt uit de in december 2017 verschenen dissertatie van Rudy Schreijnders Rudy Kousbroek in de essayistisch-humanistische traditie. De belangrijkste vraag die Schreijnders in zijn promotieonderzoek stelt is: ‘In hoeverre kan de essayist Rudy Kousbroek worden beschouwd als representant van de essayistisch-humanistische traditie waartoe ook Montaigne en Multatuli kunnen worden gerekend?’
    Schreijnders typeert zijn onderzoek als een literair- of cultuurhistorische studie. Hij maakt een interpretatieve historische en vergelijkende reconstructie van het essay en plaatst het essay in de humanistische tradities. Het definiëren van ‘essay’, ‘humanisme’ en ‘traditie’ blijkt echter nog niet zo eenvoudig. ‘Wat een essay precies is, is moeilijk te zeggen,’ schrijft hij.

    De definitie van essay
    Voor de theorievorming maakt hij onder andere gebruik van De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 200 essays, de bloemlezing die Joost Zwagerman in 2008 samenstelde. Schreijnders citeert uit Zwagermans inleiding: ‘Bij Nederlandse essayisten wijst Joost Zwagerman (…) op continuïteit: Multatuli is erflater en voorbeeld voor auteurs als Gerrit Komrij, Hugo Brandt Corstius en Willem Frederik Hermans en Zwagerman ziet Multatuli’s Ideeën als een oerbron voor de essayistiek in Nederland.’ Zwagerman omschreef in zijn inleiding tot de bloemlezing het essay zo: ‘Denken op persoonlijke titel, zonder strikt wetenschappelijke pretenties maar met des te meer aandacht en liefde voor de vorm, de stijl – dát tekent doorgaans de essayist.’

    Schreijnders vindt bij de (taal)filosoof Ludwig Wittgenstein in zijn Philosophische Untersuchungen een alternatief voor het eenduidig definiëren van begrippen. Wittgenstein gaf als voorbeeld dat familieleden op elkaar kunnen lijken en van elkaar kunnen verschillen, maar dat er toch een samenhang is. Hij noemt dat ‘familiegelijkenissen.’ Voor zijn definitie van het essay laat Schreijnders het bij de constatering dat er ‘familiegelijkenissen’ tussen essays bestaan, waardoor ze soms het ene dan weer het andere kenmerk met elkaar gemeen hebben.

    Het doorgeven van waarden
    Ook ‘humanisme’ blijkt lastig te definiëren. Een belangrijk kenmerk is het recht van de mens om alles te bevragen en te bekritiseren zonder inmenging van staat of kerk. Het zijn de ideeën uit de Verlichting en uit het vrijdenken. Het zoeken naar waarheid staat centraal. Schreijnders betoogt dat het essay als vertegenwoordiging of belichaming van humanisme kan worden opgevat. Traditie en humanisme hangen nauw samen, want in het humanisme is het doorgeven van waarden van wezenlijk belang. Traditie komt uit het Latijn: trádere. Dat betekent overleveren, doorgeven. Het belangrijkste argument om bij essays te kunnen spreken van een traditie is dat ‘essayisten zich bewust zijn van en reageren op eerdere essayisten’.

    Aan de hand van vijf kenmerken toont Schreijnders aan dat zijn drie essayisten als representanten van de essayistisch-humanitistische traditie beschouwd kunnen worden. Bij hen is de blik gericht op de wereld en de mens. Een kritische kijk op die wereld en op zichzelf is daarbij cruciaal. Bovendien kijken zij ‘over de grenzen’ van literatuur en filosofie heen. De waarheid zoekende en autonoom denkende essayisten koppelen stijl en ironie aan het schrijven van hun essays; stijl om te overtuigen en ironie om te bekritiseren.
    Aan de hand van deze kenmerken bespreekt Schreijnders werk en leven van zijn drie Michel de Montaigne, Multatuli en Rudy Kousbroek. Met deze structuur lijkt de dissertatie een invuloefening geworden: kruisjes zetten om de verwantschap tussen de drie auteurs in kaart te brengen. Maar het is meer dan dat: Schreijnders slaagt er in dat te doen aan de hand van sprekende voorbeelden en goed gekozen citaten.

    Kritische kijk op religie
    Schreijnders wijdt aan elke auteur een hoofdstuk. Dat over Kousbroek is het uitgebreidst en het overtuigendst. Naast het beschrijven en het afvinken van de vijf kenmerken gaat Schreijnders in op vijf beslissende momenten – kantelpunten – in het leven van Kousbroek. Een daarvan is de ‘afval van het geloof’. Al op zeer jonge leeftijd is Kousbroek kritisch op het geloof.
    Het belangrijkste onderwerp in zijn essays blijkt de strijd tegen religie. Religie biedt volgens Kousbroek valse hoop: ‘religie speldt mensen wat op de mouw. Het steekt hem dat gelovigen vinden dat ze wel het recht hebben niet-gelovigen de morele les te lezen (en het liefst de wet voor te schrijven), maar menen zelf gevrijwaard te zijn van kritiek.’ In Hoger honing zijn zijn essays over religie verzameld. Bekender zijn de bundelingen Anathema’s (negen delen) en Fotosynthese (drie delen) die Kousbroek zelf samenstelde.

    Stendhal en Lucebert
    Schreijnders schrijft met aanstekelijk enthousiasme over de diverse onderwerpen in Kousbroeks essays. Mooi zijn de passages over schrijvers die hij bewonderde, zoals de Franse schrijver Stendhal en de Nederlandse dichter Lucebert. Bij Stendhal herkende hij de grote afkeer van religie en de liefde voor dieren. Lucebert bewonderde hij om zijn poëzie. Kousbroek stopte met het schrijven van gedichten nadat hij die van Lucebert las. Hierin valt de kritische kijk van de essayist, ook op zichzelf, te herkennen. Kousbroek: ‘Wedijveren met iemand als Lucebert, dat kon ik absoluut niet. De weinige navolgers die hij had zijn dan ook allemaal roemloos ten onder gegaan. Hij was een profeet, iemand die stemmen hoort. Hij was in elk geval zó’n komeet aan de hemel, dat hij mij als dichter volledig tot zwijgen heeft gebracht.’

    ‘Familiegelijkenissen’
    In het laatste hoofdstuk komt Schreijnders terug op de ‘familiegelijkenissen’ tussen zijn drie essayisten. Hij concludeert dat de essays van Montaigne, Multatuli en Kousbroek inderdaad in de essayistisch-humanistische traditie passen. Van grote betekenis is daarbij dat Multatuli zich heeft uitgelaten over Montaigne, en Kousbroek over Montaigne en Multatuli.
    Schreijnders schrijft dat alle drie in de essaytraditie vernieuwers genoemd kunnen worden: Montaigne is de grondlegger van het genre. Multatuli en Kousbroek vonden een nieuwe vorm; Multatuli presenteert zijn Ideeën als genummerde invallen en Kousbroek neemt in zijn Fotosyntheses een illustratie of foto als het beginpunt van het essay. De drie waren hun tijd vooruit. Montaigne schrijft voor het eerst over zichzelf. Dat was in de zestiende eeuw niet gebruikelijk. Multatuli kiest eveneens nieuwe onderwerpen, zoals feminisme en onderdrukking. Denk aan de inheemse bevolking in Nederlands-Indië. Kousbroek schrijft al heel vroeg stukken over brein en computer.

    Inspiratie
    Ondanks het schematische karakter van zijn dissertatie – elk hoofdstuk heeft dezelfde opbouw met de vijf kenmerken en een conclusieparagraaf – heeft Schreijnders een zeer leesbare dissertatie met goedgekozen citaten en voorbeelden afgeleverd.

    Hij sluit zijn proefschrift af met de woorden: ‘Ik spreek tot slot de hoop uit dat de essays van Kousbroek, net als die van Montaigne en Multatuli, niet alleen voor mij maar voor een grotere groep humanisten en vrijdenkers inspirerend zullen zijn.’

    Zijn gedegen boek zorgt ervoor dat Kousbroeks werk weer onder de aandacht komt. Het laat ook zien dat de essays van Kousbroek over onderwerpen gaan die ook nu nog actueel zijn. En wellicht inspireert hij nieuwe onderzoekers om andere essayisten in de traditie te plaatsen. Een voorzetje geeft hij al: Karel van het Reve en Bas Heijne. Een biografie over Kousbroek is er nog niet. Schreijnders heeft al veel interessant biografisch materiaal verzameld. Hij schrijft dat hij zijn archief met artikelen en boeken van en over Kousbroek daarvoor graag beschikbaar stelt. Hij zou die biografie natuurlijk ook zelf kunnen schrijven.

    Rudy Schreijnders (1950) is literatuurhistoricus. Hij schreef dit boek als proefschrift bij het J.P. van Praag Instituut en de Graduate School van de Universiteit voor Humanistiek.

     

  • Hoop en leven

    Hoop en leven

    Toen bekend werd dat schrijver Renate Dorrestein ernstig ziek is, was ik bezig in twee boeken. Het een, 99 stories of God van Joy Williams, is een bundel die precies doet wat het belooft: negenennegentig zeer korte verhalen, variërend van twee pagina’s tot twee regels, waarin het zoeken naar god is. Soms komt Hij letterlijk aan het woord, soms sluimert er iets op de achtergrond, de verhalen lezen als literaire ‘Waar is Wally’s’s. Zo bestaat er een verhaal alleen uit de zin, ‘When God abandoned the Aztecs, He turned their chocolate trees into mesquite’. Bijzonder is niet alleen het gebrek aan paginanummers, maar ook dat de titel onder het verhaal staat, waardoor het gelezen verhaal postuum een ander licht krijgt.
    Ondertussen las ik weer een Coupland. Waar ik dacht alles van hem te kennen, bleek dit bij nader inzien niet zo te zijn, wat voelde alsof verlate verjaardagscadeautjes een voor een binnenkwamen en geduldig wachtten tot ik ze uitpakte. Ik kocht Girlfriend in a coma in vertaling en lang na de laatste bladzijde dacht ik nog over het hysterische einde na. Misschien is dit boek Couplands meest religieuze roman, een uitspraak waar ik uiteraard voorzichtig mee moet zijn, maar het komt door het idee dat het leven, de ander, serieus genomen moet worden.

    Rudy Kousbroek, nog zo’n favoriet, geloofde heel stellig niet in God nadat hem duidelijk werd gemaakt dat dieren niet naar de hemel zouden gaan – een gedachtegang waar ik volledig in mee ga, al ga ik er vanuit al mijn vorige huisdieren na mijn overlijden weer te zien, evenals mijn oma’s, opa en iedereen die er niet meer is. Toch kreeg ik bij het lezen van Kousbroeks essays heel sterk het vermoeden van een religieus denker: iemand die erg aansloot bij de wezens en de wereld om hem heen. Is dat niet ook geloven, je verbonden voelen met dat wat – of hen die – je niet kunt verklaren?
    Dorrestein bleef maar in mijn hoofd zitten.

    Sommige schrijvers, zoals Grunberg en Houellebecq, werken vanuit een idee en alles staat in functie van dat idee. Anderen schrijven vanuit het personage. Stephen King bijvoorbeeld plaatst zijn personages in extreme omstandigheden en kijkt dan hoe ze reageren. Ook Renate Dorrestein is zo’n schrijver. Als vroege lezer kwam ik erachter dat de methode personage, om het zo maar even te noemen, mij het meest aanspreekt – misschien vanuit het idee dat het leven, de ander, serieus genomen moet worden. Dat laatste is iets waar Dorrestein, met of zonder gebruik van ironie in haar proza, in excelleert.
    Ik heb 99 stories nog niet uit, dagelijks lees ik enkele verhalen. Schrijft Williams vanuit het idee of vanuit haar personages? Ik weet het niet zeker, al sluit ik duidelijk ergens op aan. Met regelmaat blader ik terug, misschien zoek ik wat Dorrestein al blijkt te hebben gevonden. In een interview zegt ze: ‘Alle geloof is hoop, hoor.’ Hoe heetten die twee prachtige romans van haar ook alweer? O ja: Zolang er hoop is en is er leven.

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.