• Een uitdaging

    Een uitdaging

    De Duitse filosoof en historicus Rüdiger Safranski voegde aan zijn indrukwekkende biografieën over een aantal grote denkers en schrijvers, zoals Nietzsche en Goethe, een boek toe over eenling zijn. Een individu zijn, dat zelfstandig denkt, zijn/haar eigenheid ontwikkelt op een zelfbewuste manier.

    In grote lijnen schetst Safranski eenlingen vanaf de Italiaanse renaissance tot nu. Een in wezen traditionele opvatting, waarin wordt uitgegaan van het ontwaken van individualiteit in de renaissance. Hoewel aan die opvatting al geruime tijd wordt gemorreld. Bijvoorbeeld door kunsthistoricus Merlijn Hurx, die aantoonde dat al in de late middeleeuwen bouwmeesters van de gotische kathedralen méér waren dan dat; ze waren individuen met een eigen naam, zelfbewust als ze waren. We kennen zelfs namen, zoals die van de familie Keldermans.

    Tegenstellingen tussen geloof en ratio

    Safranski staat om te beginnen stil bij onder anderen de humanist Pico della Mirandola, die hij met één pennenstreek neerzet als een ‘Don Juan met het aura van een kuise monnik’. Met Pico beschrijft Safranski één kant van het eenling zijn: het zich verheffende individu. Met Machiavelli gaat hij in op de keerzijde hiervan: eenzaamheid.

    Dit is de opzet van Safranksi’s boek: het als dichotomieën, tegenstellingen, tegenover elkaar plaatsen van telkens twee denkers. Zo vergelijkt hij Luther met de filosoof Montaigne. Martin Luther wordt met meer nuances dan Pico della Mirandola ten tonele gevoerd. De auteur beschrijft hoe de reformator zichzelf als eenling ontdekt. In het klooster waarin hij intrad, zocht hij volgens Safranski een ‘exercitieplaats voor zelfdiscipline. Hij wilde zichzelf, en ook zijn vader, bewijzen dat hij niet het gemak, maar de zelfoverwinning zocht’. En God natuurlijk. Eén ‘die zich niet verborg achter instituties (…), maar een God die je persoonlijk kon ervaren’. In de visie van Safranski wil dat zeggen: ‘een God die een eenling van je maakt, omdat je hem als eenling moet ondergaan’.

    Montaigne daarentegen riep een eeuw later niet het geloof, maar de ratio te hulp. Safranski somt allerlei denkbeelden van Montaigne op, die men in zijn eigen tijd eigenaardig vond. Hij gebruikt daarbij het begrip ‘identiteit’, wat op zich óók eigenaardig mag worden genoemd, omdat dit woord pas in 1950 door de psycholoog Erik Erikson voor het eerst werd gebruikt.
    Montaigne schreef weliswaar Over de eenzaamheid, maar of hij ook werkelijk eenzaam was, valt te betwijfelen; hij had aan zichzelf en zijn rijke innerlijke wereld genoeg, net zoals Rousseau, die schreef dat hij in zijn ‘eenzaamheid duizendmaal gelukkiger [was] dan [hij] tussen de mensen zou kunnen zijn.’

    Het lege midden

    Toch is er een verschil tussen beide denkers. Rousseau zocht namelijk de vervulling niet in zichzelf, ‘maar in het wij van de staatsgemeenschap’, aldus Safranski. Daarin stond hij lijnrecht tegenover Diderot, de volgende denker waarop Safranski ingaat. ‘Het ware zelf’, schrijft hij, is voor Diderot ‘een leeg midden waar niets te vinden is dat houvast biedt’.
    Het lege midden moet dan – zo begrijpen wij uit de tekst – worden opgevat als iets diep van binnen. Iets dat doet denken aan de betekenis die de twintigste-eeuwse theoloog Karl Barth eraan gaf: een plek (Hohlraum) die niet is opgevuld met bijvoorbeeld een beeld van God, zoals bij Luther.

    Stendhal en Jaspers

    Dat je er met die tegenstelling tussen telkens twee denkers niet helemaal komt, blijkt uit het hoofdstuk over Stendhal. Stendhal is een schrijver die zichzelf niet als een eenheid beschouwde, die vanuit één centraal punt dacht, maar als ‘een man van de geest of een domkop, moedig of een lafaard’. Dan weer het één en dan weer het ander, een romanticus met een analyserende inslag eigen.
    Safranksi heeft het in dit verband over ‘authenticiteit’, wat nog weer een facet is dat hij aan het begrip eenling toevoegt. Om te vervolgen met Stendhals verlangens: vrouwen, schrijversroem en geld. Overal wilde de schrijver het beste zijn. In die zin was hij volgens Safranski een egotist, iemand die zichzelf weet te ensceneren.

    Een laatste voorbeeld. Nog een andere vorm van eenling zijn vindt Safranski bij psychiater en filosoof Karl Jaspers. Door een ernstige longaandoening was hij hiertoe volgens Safranski van jongs af aan veroordeeld. Of je hier Jaspers’ hele filosofie uit kunt verklaren, is nog maar de vraag. Een feit blijft namelijk dat Jaspers ook is opgevoed met het idee altijd onafhankelijk te denken, zoals Jozef Waanders in zijn boek over Jaspers (Sporen van transcendentie, 2018) schrijft.

    Hiermee heeft Safranksi het eenling zijn beperkt tot wat hij omschrijft als het ‘van een feit (…) een taakstelling [maken] voor je leven en denken’. Dat is iets dat te denken geeft. En hoewel er een facet kan zijn dat daarbij overheersend is, heeft een identiteit altijd meerdere kanten.

    Door deze kanttekeningen en vooral door de compacte schrijfstijl is dit boek als introductie op de thematiek van eenling zijn wellicht wat onbevredigend. Voor lezers die meer vertrouwd zijn met het thema, nodigt het boek evenwel uit tot het zelf leggen van dwarsverbanden. Terug naar de door Safranski niet behandelde middeleeuwen, dwars door de tijd en tot nu. Een uitdaging. Inderdaad, maar dan op een andere manier.

     

     

     

  • Oogst week 25 -2020

    Hölderlin

    Dit jaar is niet alleen het Beethovenjaar en in Nederland het Multatulijaar, het is ook nog eens 250 jaar geleden dat dichter Friedrich Hölderlin (1770-1843) werd geboren. Ter gelegenheid daarvan verschenen er twee boeken over zijn leven. Karl-Heinz Ott schreef Hölderlins Geister en Rüdiger Safranski voegde aan zijn studies over Nietzsche, Goethe, Schiller, Heidegger en Hoffmann nu Hölderlin toe.

    Het verscheen nu ook in het Nederlands onder de titel Hölderlin. Biografie van een mysterieuze dichter. Van Hölderlin verschenen in Nederlandse vertaling gedichten, het meest recent in 2011, en toneel, zoals Hyperion in 1991, maar toch is hij min of meer een vergeten dichter. Safranski vindt dat hij meer aandacht verdient.

    Hölderlin
    Auteur: Rüdiger Safranski
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Mathilde

    In een interview zegt Leïla Slimani (1981): ‘Tot voor kort was het in het Westen (…) onmogelijk schrijfster te zijn zonder rebels te zijn (…) Ze mag zich niet uitspreken, niet choqueren, ze is gevoelig, niet in staat de grote geschiedenis te begrijpen, metafysische vragen te stellen. Vrouwen die ervoor kiezen te schrijven, weten dat ze zullen worden verafschuwd of zelfs verstoten (…). Je accepteert het idee dat je mishaagt. Voor een vrouw is niet in de smaak vallen veel ingewikkelder dan voor een man’.

    Slimani is een Frans-Marokkaanse journalist en schrijver die door de befaamde Kamel Daoud (van Moussa of de dood van een Arabier) ‘de Française van de toekomst’ werd genoemd. Nu is er van haar Mathilde, het eerste deel van wat een trilogie (Het land van de anderen) zal worden, gebaseerd op Slimani’s eigen familiegeschiedenis tegen de achtergrond van de Maraokkaanse onafhankelijkheidsstrijd.

    Mathilde
    Auteur: Leïla Slimani
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam

    Kwaad bloed

    Schrijver, journalist en columnist Henk van Straten publiceert boeken met een frequentie van gemiddeld één per jaar: Het waren er tussen 2007 en 2019 precies twaalf. Dit jaar komt daar Kwaad bloed bij. Hoewel, een nieuw boek is het strikt genomen niet. De thriller is een ‘remake’ van Van Gogh sneed hier nooit een oor af uit 2019 naar aanleiding van de plannen voor een verfilming daarvan.

    Kwaad bloed is een thrillerachtige novelle, zoals al snel duidelijk wordt: ‘We woonden in Nuenen, een weinig noemenswaardig dorp, los van het feit dat Vincent van Gogh er ooit woonde (…) Gelukkig heeft hij niet hier maar in Arles een oor afgesneden. Ik zeg gelukkig, want sinds alle nieuwsberichten over mijn ouders wekt ons dorpje al genoeg sinistere associaties op’.

    Kwaad bloed
    Auteur: Henk van Straten
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar
  • De kunst van een eenling

    De kunst van een eenling

    De hoofdpersoon in de roman De speler van Dostojewski omschrijft een Duitse familie: een fatsoenlijke Vater die ’s avonds samen met zijn gezin zit te lezen, terwijl ‘boven het huisje de olmen en kastanjes ruisen. De zon gaat onder, de eiber zit op ’t dak.’ Zulke beschrijvingen kom je in de recent verschenen Nederlandse vertaling van de biografie van Johann Wolfgang von Goethe door filosoof en historicus Rüdiger Safranski niet tegen; Safranski beschouwt soortgelijke omschrijvingen als ‘weinig vleiend’ (p. 369). Sterker nog, het lijkt bijna alsof Goethe qua familie in het luchtledige hangt. Het zou zomaar kunnen, dat Safranski daarmee wil benadrukken dat Goethe ‘de kunst verstond een eenling te blijven’ (p. 17). Zoals de auteur dingen niet zonder reden weglaat, schrijft hij ook niet zomaar iets zonder bedoeling op.

    Zelfs de veelvuldig voorkomende gedachtestreepjes lijken weggelopen uit het werk van Goethe zelf. Evenals de tussenbeschouwingen die doen denken aan de eerste versie van Wilhelm Meister Wanderjahre van de meester zelf. Voorts zijn citaten zó raak gekozen, dat ze bevestigen wat Safranski over Goethe schrijft: ‘Hij ensceneert zijn liefdesperikelen in zijn brieven, verlengt en intensiveert ze en creëert in het schrijven een imaginair toneel’ (p. 53). Dit citaat ligt in het verlengde van de rode draad die Safranski door zijn biografie weeft: Goethes ‘verlangen een leven te leiden volgens de literatuur, dat pregnanter en betekenisvoller kan zijn dan het leven zelf’ (p. 96). Het schrijverschap is bij Goethe volgens Safranski ondergeschikt aan zijn leven (p. 220). Waarbij het eerste hem gemakkelijker afging dan het tweede. Safranski benadrukt het eerste, terwijl de moeizame wordingsgeschiedenis van Faust ook iets anders laat zien.

    Safranksi heeft Goethes werk, zijn primaire bron, gelezen vanuit dat uitgangspunt, het leven. Werther is bijvoorbeeld een jongeman ‘bij wie de gevoelens meer uit zijn lectuur dan uit het leven zelf stammen’ (p. 252). En passant haalt Safranski overigens de opvatting onderuit dat deze roman tot nabootsende zelfmoorden zou hebben geleid. Hoewel Goethes zelfmoordneigingen uit zijn vroege jaren en de zelfdoding van één van de dochters van kolonel Von Lassberg verderop in het boek wel met Werther in verband worden gebracht …

    Eén van de andere primaire bronnen naast Goethes eigen werk zijn brieven. Onder meer van Karoline Herder. Volgens hem had ook zij het met soortgelijke observaties over leven en werk als hijzelf maakte, het bij het rechte eind. Zij schreef aan haar man, als dichter, filosoof en theoloog de geestelijke tegenpool van Goethe: ‘Hij leeft nu eenmaal zoals de dichter met het geheel of het geheel in hem’ (p. 364). Hetzelfde geldt ook voor de kunsten die Goethe liefhad, en op zijn reizen in Italië leerde waarderen, en de natuurkunde, die hij een even warm hart toedroeg. Ook deze zuilen krijgen, net als Goethes werkzaamheden als criticus, jurist en politicus relatief veel aandacht. Safranski trekt uit deze veelzijdigheid de conclusie, dat Goethe voor alles een grenzeloos nieuwsgierig mens was, vol van het ‘machtige gevoel alles te kunnen assimileren wat hem de moeite waard leek’ (p. 431). Een beetje zelfzuchtig dus, maar zo ver gaat de bewonderende biograaf niet. Wel hield Goethe het daarbij klein, meent hij; Goethe hing, in tegenstelling tot Schiller, die ‘aan de mensheid dacht’, aan zijn ‘kleine kring van kunstvrienden’ (p. 465). Over Schiller schreef Safranski overigens eerder enkele in de pers goed ontvangen studies, evenals over Nietzsche, Heidegger, Schopenhauer en E.T.A. Hoffmann.

    Concluderend schreef Safranski met Goethe een meesterlijke biografie over één van de grootste meesters uit de wereldliteratuur. Hij baseerde zich op het werk van Goethe zelf en werkt consistent en evenwichtig het slechts in een enkel geval als een mal werkende idee uit dat Goethe een leven leidde volgens die literatuur. Daarbij wijst hij telkens momenten in zijn leven en werk aan die er een bepaalde wending aan gaven. Momenten die in een kroniek achter in het boek nog eens op een rijtje zijn gezet. Safranski weet die momenten, het leven en werk van Goethe op grond van primaire bronnen binnen de context van zijn tijd te plaatsen. Dit geeft het grootse boek dat – zoals het cliché zegt – leest als een roman meerwaarde en tilt het uit boven de zoveelste biografie over Goethe. Daarbij komt dat de studie ook nog eens mooi is vertaald door Mark Wildschut, die eerder boeken van Safranksi vertaalde.

     

    Goethe. Kunstwerk van het leven
    Biografie

    Auteur: Rüdiger Safranski
    Vertaald door: Mark Wildschut
    Verschenen bij: Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 704
    Prijs: € 44,99