• Schermeriaanse wijze

    Schermeriaanse wijze

    Marijke Schermer staat op de shortlist van de Librisprijs. Ik veerde op van de bank toen de goednieuwsbrenger met het goudkleurige tasje van de Libris Literatuurprijs bij haar de trap opliep. Schermer zei, ‘Oh, oh, oh, oh’ (vier keer). Toen vroeg ze of ze de eerste was die ze bezochten (maandagochtend voor 9 uur). ‘Uhm’, zei de goednieuwsbrenger en het beeld ging van Marijke Schermer naar een opname van Maurits De Bruijn, die uit eenzelfde tasje een pakket boeken haalde, bij opening Schermer bovenop vond. ‘Oja, Marijke Schermer met in het oog’. 

    Ik riep naar de man in de keuken dat het een geweldig boek is. Over een vrouw, (Nicola) pragmatisch als een  timmerman die bij het zien van een losse trapleuning hamer en spijkers pakt. Nicola deed me wel wat aan de man denken. Vooral in de conflictoplossing. Ik liep naar de kast, legde In het oog naast me op de bank. Keek naar de beelden van de andere genomineerden. Daar was Schermer weer in beeld. Voor haar op tafel lagen de vijf boeken. Ze tikte ze een voor een aan. Zei, (tik op Joost de Vries) ‘Ik heb deze gelezen’, (tik op Ellen Faun), ‘Deze gelezen’, (bij Safae el Khannoussi) ‘deze heb ik al wel maar nog niet gelezen’. Bij het eerste en laatste boek, ‘Niet gelezen, niet gelezen’. ‘En wie wordt de winnaar?’, vroeg de goednieuwsbrenger alsof hij met een van de juryleden sprak. ‘Tsja’ zei Schermer (ik zag haar denken), ‘Daar zeg ik… daar doe ik geen uitspraak over.’ 

    Ik houd van de romanfiguur Nicola, om haar onconventionele manier van leven. Haar relaties lijken niet te slagen omdat ze niet op zoek is naar geborgenheid (weten we eigenlijk wel wat geborgenheid doet met de mens?). Haar geliefde ‘trekt’ dat niet meer, verlaat haar. In een poging het uit te praten, dacht Nicola: ‘Bee zag er mooi uit en een beetje verhit en ze had al een tijdje niets gezegd, geloof ik. Of was ik aan de beurt? (..) ‘Zullen we naar bed gaan vroeg ik.’ Ze dacht als we tegen elkaar aanliggen, komt het wel goed. Vertel mij wat. In elke relatie is er een natuurlijke verdeling. De een houdt de boel in beweging, de ander beweegt mee, of niet. Niks mis mee. Tot die ene vindt dat die ander ook weleens in beweging mag komen. Ik denk geregeld aan Rudger Koplands ‘Geluk is gevaarlijk’. Toen ik dat voor het eerst las, leefde ik ervan op. Door In het oog moest ik daar weer aan denken.

    Over liefdesrelaties schrijft Schermer: ‘…begeerte is vaak de motor achter liefdesrelaties en daarmee ook het net waarin je gevangen kunt raken. Het opent allerlei zuchtigheid, of wakkert die aan, zoals het verlangen naar geborgenheid bijvoorbeeld.’ Zie hier, geborgenheid in de betekenis van geestdodend middel. En ‘zuchtigheid’, wat een prachtig woord om verlangen, aanbidding mee te vervangen.
    Marie, de dochter van Nicola is actievoerder voor het klimaat. Hoe Schermer het doet weet ik niet, maar naast het belang van liefde, dringt de teloorgang van alles dat vaststond, waar we op bouwden, tot ons door. En dan het einde, dat niet het einde is. ‘Dit is nog maar het begin.’, schrijft ze. Ik bewonder de schrijfster die zulke boeken schrijft. Dat je hoopt dat op 19 mei, als… dat dan… Omdat het een knap boek is, met verhaallijnen die steeds kantelen, ten goede, ook als het niet goed gaat.
    Lees dit boek. Wordt gelukkig op Schermeriaanse wijze.



    In het oog / Marijke Schermer / 191 blz. / Van Oorschot
    Lees ook: interview Marijke Schermer


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest.

     

     

  • Voetbal en poëzie

    Voetbal en poëzie

    Nu de biografie van Hugo Claus (1929-2008) verschenen is, werd zijn stem weer uit  het geluidsarchief gehaald. Op radio 4 was te horen hoe Claus poëzie vergeleek met voetbal. Verontwaardigd vond hij dat wie een toegangsticket voor een voetbalwedstrijd kocht, voor datzelfde geld een boekwinkel kon binnenstappen om twee of drie dichtbundels te kopen. Dat men meer waar voor zijn geld zou hebben. En waarom ‘men’ dat dan niet deed. Men zou willen dat het zo eenvoudig lag. Er zijn er die van voetbal en poëzie houden, er zijn er meer die enkel aan voetbal tijd en geld spenderen. Liefde kan niet gedwongen worden. Ofschoon literair tijdschrift Het liegend konijn een goed begin is voor wie zich aan de poëzie wil wagen. 

    Het liegend konijn verschijnt tweemaal per jaar met gedichten die nog glanzen van de nieuwigheid. Gevestigde dichters als Erik Lindner, ‘Dromen zijn rommelige verhalen’,  Tomas Lieske met ‘Vier gedichten over Charlotte de Bourbon (1547-1582), Halverwege gaan de paarden spreken, hun taal is Pools en halverwege.’ Eva Gerlach, ‘Er is geluid dat ons bereikt ook als we / niet luisteren, niets horen. Tik, tik, tik,’. Bernard Wesseling met negen gedichten: ‘Iemand moet zijn uiterste best doen en jammerlijk falen / opdat jij kunt uitblinken’. En Florence Tonk: ‘We weten het / allemaal wel / dat stralen van sterren / veelal / signalen zijn / uit het hiernamaals / (…).’ 

    De nog niet alom bekende, maar wel veel geprezen Alara Adilow stond drie gedichten af over verwondingen, bedriegen en liefde. Adilow is een veelbelovende Nederlandse dichteres van Somalische afkomst. Haar debuutbundel Mythen en stoplichten werd vorig jaar bekroond met de Herman de Coninckprijs, de C. Buddingh Prijs en stond op de shortlist van de Grote Poëzieprijs. Haar stijl is overrompelend. ‘haar verwonde mond lag in mijn adem / Lag stil, stil lag ik daar genaakt in haar / en ik dacht adem en ik ademde en adem’.
    Er zijn jonge dichters die, zoals een goed dichter betaamt, in de voetsporen treden van dichters die hen voorgingen. Kevin Amse schreef, geïnspireerd door Hugo Claus, het gedicht ‘Drang’. Elk couplet begint met, ‘Hoe’. ‘Hoe we de dagen als een kamerjas van ons af laten glijden / dit vermetel vrijen, je ranke vingers als kluiven in mijn mond.’ Een gedicht van twaalf coupletten, de stem van Claus klinkt er in door. Er zijn meerder dichters die in reactie op, of in de geest van de oude dichters schrijven. Strofen die gedragen worden op de wind die eerdere dichters hebben aangewakkerd, verrijkt de poëzie van nu. In reactie op Dylan Thomas schrijft Bo Vanluchene, ‘zo razen wij razend uit alle macht / gapen wij tot tranen, de dag / is niet van ons, alleen de goede nacht’.

    Anne Louïse van den Dool verwerkte de aankoop van een huis in vier gedichten: ‘Onderpand, ‘Fundering’, ‘Vochtdoorslag’ en ‘Meerwerk’. Uit een ‘onafhankelijk opgesteld bouwkundig’ rapport blijkt de dreiging van een miskoop.
    ‘terwijl we de pagina’s omslaan vult onze blik zich met optrekkend vocht / tussen onze beglazing wordt condensatie aangetroffen / zwijgend zetten we parafen onder veertig papieren / we bedanken voor de buitenkans’. Een meesterlijke gedichtenreeks, gretig uit voor te dragen aan huiszoekende vrienden en familieleden. Er valt zowaar een les te leren uit poëzie.

    Honderdzeventig gedichten van zesendertig dichters. Het Liegend konijn heeft er patent op dat wanneer je erin duikt, onderdompelend de poëzie ondergaat, er met moeite uitkomt. Dat de verwondering, het genieten en de bewondering de kop opsteken. Werd in eerdere edities, haast traditie, werk opgenomen van een enkele (jonge) debutant op de laatste pagina’s van het tijdschrift, is er nu werk van een tiental nog niet met een bundel gedebuteerde dichters opgenomen (jong en oud).

    Dat het afhangt van hoe je de bal legt voor je schiet, of hoe een dichtregel wordt aangevlogen om de toeschouwer/lezer te bereiken. ‘overgiet de jonge sla / met afwaswater, trek alle leven / en vierendeel de spliterwten.’ Zo weet Ludwig van de Voorde ‘jonge sla’ slim op te voeren in zijn poëzie, dat (voorgezaaid door Kopland) altijd goed wordt verstaan.



  • De dood schittert als het leven

    De dood schittert als het leven

    In een van de eerste decennia van de vorige eeuw verscheen bij uitgeverij De Wereldbibliotheek een Nederlandse vertaling van Leaves of Grass. Het was een wonderlijke – niet verantwoorde – keuze uit dit werk door Maurits Wagenvoort. Het duurde lang voordat in Nederland een nieuwe vertaling van dit boek verscheen. In juni was het zover.

    Walt Whitman publiceerde zijn eerste uitgave van Leaves of Grass in 1855. En bleef zijn leven lang hetzelfde boek opnieuw uitgeven, vermeerderd en verbeterd. Zo begint het:

    I Celebrate myself,
    And what I assume you shall assume,
    For every atom belonging to me as good belongs to you.

    I loafe and invite my soul,
    I lean and loaf at my ease… observing a spear of summer grass.

    En het loopt uit in een poging het heelal, de hele kenbare wereld in poëzie te vatten. Het mondt uit in een enorme opsomming van al het zijnde, een bejubeling van elke atoom die de dichter als zijn bezit ervaart en wil delen. Dit is poëzie van het grote gebaar. Het is eigenlijk wonderlijk dat in de jaren ’80 niet een goede vertaling van dit werk is verschenen. De dichters die zich Maximalen noemden en Nederland wilden bevrijden van poëzie waarin de betekenisvolle stilte van een dubbele witregel voor het hoogst haalbare stond – hebben zij Whitman als held op het schild getakeld?
    Het heeft iets geweldig naïefs dit gedicht, deze verbale waterval. Er was een periode dat een schrijver kennelijk nog kon proberen zijn Divina Commedia te scheppen, zijn Paradise Lost. Het Al omvattend kunstwerk is na zekere datum geproblematiseerd. Wanneer was dat? Na Mei van Gorter? Is er een ideologisch probleem?
    Whitman staat in New York en voelt de wereld door zich stromen, hij heeft het allemaal gezien, hij heeft Borges’ Aleph in de hand gehad, de lezer heeft hem in de hand. Of wat alledaagser: de ervaring van de Unox-worst reclame: de lezer krijgt in een enorm tempo een shot beelden toegediend.

    De verslaving van het noemen

    Heel de nacht dwaal ik door mijn droombeeld,
    Lichtvoetig stappend, snel en geruisloos stap ik en stop,
    Met ogen wijdopen buig ik over de gesloten ogen van de slapers;
    Verdwaald en verward, in mezelf verloren, niet op mijn plaats, ten prooi aan tegenstrijdige gevoelens,
    Ik houd stil en staar en buig voorover en stop.

    Dit droombeeld is een verslavend droombeeld. Het is niet makkelijk na te voelen waarom het werk door contemporaine critici vuig gevonden werd, naar de schok zoek je dus tevergeefs, maar Leaves of Grass verslaaft in zijn poging volledig te zijn, de maniakale opsomming die Whitman geeft, alles recht willen doen door het maar te noemen, de cadans van de oudtestamentische opsommingen, Abraham gewon Isaac om het allemaal maar niet te vergeten. Het grote hart voor al wat leeft. Het is deze ‘verzamelaarspoëzie’ deze drang aan het woord te blijven met het schuim op de lippen die een vertaler als Pfeiffer moet hebben aangetrokken, Dat wat een lezer aanspreekt in dit werk trekt hem ook door In de naam van de hond heen. Ook Arjen Duinker’s fascinatie – een van de 20 andere vertalers laat zich dan makkelijk raden. En die van Astrid Lampe. Maar Kopland? En Anne Vegter?

    Jacob Groot en Kees ’t Hart haalden 21 dichers bijeen voor dit project. ‘Zo is de Nederlandstalige primeur van deze pionier niet alleen een bevestiging van Whitman’s stemmentheater, ze versterkt het temperament van zijn verteller, de meervoudige acteur pur sang. Daarbij is het ook nog eens een volstrekt unieke bloemlezing uit het taalarsenaal van de moderne Nederlandse poëzie geworden.’

    Met deze claim zijn de samenstellers in elk geval zelf dicht bij de Pionier gebleven: ze willen teveel. Ze hadden er met een veel geruster hart aan kunnen toevoegen dat hiermee waarschijnlijk de eerste tweetalige uitgave in Nederland verschijnt waarin bijna op elke spread beide talen worden gelezen.
    Het idee is namelijk alleen productief in de zin dat het heel leuke voorleessessies oplevert, onlangs op Poetry. Verder moet het geweldig zijn als je Whitman al heel goed kent. Dan lees je vooral Nederlandse dichters.
    Onbekend met dit werk blijf je echter met een voor de vertaalwetenschap vast heel boeiend fenomeen zitten. Je bent zeer gefascineerd geraakt door een gedicht, en opeens is het weg, de aria waarnaar je op de radio luisterde is weggedraaid voor een smartlap. Niet omdat Whitman het zo wilde, maar omdat daar toevallig de samenstellers de schaar hadden gezet.

    Zo beland je opeens bij een dichter die

    Who need be afraid of the merge?
    Undrape… you are not guilty to me, nor stale nor discarded,
    I see through the broadcloth and gingham wether or no,
    And am around, tenacious, acquisitive, tireles… and can never be shaken away.

    vertaalt met:

    Wie durft zich niet over te geven?
    Toe, toon jezelf… het ligt echt niet allemaal aan jou, je make-up liep niet uit, je bent geen afdankertje,
    En door je katoentjes kijk ik toch wel heen,
    Hou er rekening mee dat ik hardnekkig ben, hebberig, onvermoeibaar… en dat je met me zit opgescheept.

    Dan begin ik al te denken dat het misschien 20 vertalers hadden moeten zijn. Dan maar wat minder bloemlezing uit het taalarsenaal van de moderne Nederlandse poëzie.
    Een mooi bijeffect is wel dat je na lezing denkt: nu wil ik een versie helemaal vertaald door Toon Tellegen, en een helemaal vertaald door Astrid Lampe, en ook maar een hele Pfeiffer, toch een van de weinige die een vertaling aflevert die zowel recht doet aan Whitman alsook zeer onmiskenbaar Pfeiffer is.

    Genoeg gezeurd. Dit is een heel mooi boek. Dit moet onmiddelijk aangekocht worden, vooral om Whitman. Alle eer aan het samenstellend duo, omdat het onbegrijpelijk hoog tijd werd dat de Nederlandse poëzie verrijkt werd met Whitman.
    Dat is natuurlijk de ware gedachte achter deze opzet: er zijn alvast 21 dichters geïnfecteerd.

     

    De vertalers zijn:
    Huub Beurskens, Anneke Brassinga, Tsead Bruinja, Geert Buelens, Maria van Daalen, Arjen Duinker, Jacob Groot, Kees ’t Hart, Judith Herzberg, Gerrit Komrij, Rutger Kopland, Jan Kuijper, Astrid Lampe, Hagar Peeters, Ilja Leonard Pfeijffer, Toon Tellegen, Anne Vegter, Hans Verhagen, Peter Verhelst, Simon Vinkenoog, Elly de Waard en Menno Wigman

     

  • Al die jaren daar zat ik te kijken

    Al die jaren daar zat ik te kijken

    Door Wouter de Vries

    Op het terras in Schipborg heerst een serene sfeer. In de voordagen van de lente, op een voor de tijd van het jaar warme dag, kijk ik over het stroomdal. De Drentse Aa kabbelt tussen haar wallen. Voor het riviertje onzichtbaar, zo’n halve meter boven haar dal, strekt de heide en het grasland zich uit en wordt opgeslokt in lage bebossing. Dit is de omgeving waar Rutger Kopland (70) zich zo thuis voelt:

    ‘Al die jaren dat ik zat te kijken
    op het terras aan de rivier
    dacht ik: zoals hier, zo moet het zijn’

    Op het terras dacht ik aan de week daarvoor. Ik reed van kerk naar kerk in de provincie Groningen. Een aantal van deze kerken hebben een schitterend geheim. Dat geheim verbergt zich niet lang; het is volop aanwezig in het schip en openbaart zich in volle glorie als het toevallig bespeelt wordt. De orgels van Arp Schnitger, die zich uitstekend lenen voor de barokke orgelkunst van Johann Sebastiaan Bach. Ook over het orgel (en over J.S. Bach) spreekt Kopland zijn bewondering uit:

    ‘je hoort het eeuwenoude mechaniek, het gekreun
    van scharnieren, het geklepper van toetsen
    het gekraak van de vloer, het zuchten van wind
    hoe er van lucht muziek wordt gemaakt

    en er een koraal langzaam door de ruimte zweeft
    als een onzichtbare gewichtloze vogel
    Leichtigkeit’

    Toen ik in de kerk was, zag ik daar het preekgestoelte, de bijbel, het kruis… Terwijl ik langzaam wegdroomde in deze stille heiligheid, dacht ik aan het ontwaken van Kopland:

    ‘Toen ik al bijna ontwaakt was herinnerde ik mij
    dat ik die nacht in het verleden had geleefd
    en zonder de geringste verbazing weer
    geloofd had dat God bestond’

    Aan het einde van het gedicht ontwaakt hij en concludeert dat ‘God weer was verdwenen, ergens in mijn hersenen.’

    Het bedachtzame, verbazende, verwonderde, waarnemende karakter van de poëzie van Kopland zorgt ervoor dat aan elk onderwerp betekenis wordt gegeven, die doorgaans maar al te vaak over het hoofd wordt gezien. Na de zware kritiek op zijn werk van Ilja Leonard Pfeiffer in zijn essay ‘De mythe van de verstaanbaarheid’, die is opgenomen in de bundel Het geheim van het vermoorde geneuzel*, heeft Kopland wel weer bewezen dat hij zijn lezers geen vals sentiment opdringt. Hij spreekt in zijn poëzie met oprechte bewondering. En, zoals Kopland zelf zegt, mag het verstaanbaar zijn. Alles met ‘Leichtigkeit’, herhaalde hij enkele malen tijdens een interview met prof. dr. Gillis Dorleijn in een Groningse boekenhandel.

    Die leichtigkeit is in deze bundel volop aanwezig. Kopland transformeert bijvoorbeeld ‘mooie gesprekken’ tot gedichten, haast zoals Bernlef en Schippers het in Barbarber deden. Maar er is meer betekenis; de anekdotische gesprekken dienen zonder meer een doel, ze zoeken naar zin. Soms komt het gesprek bedrogen uit, soms had het net zo goed niet gevoerd kunnen worden, soms is het te moeilijk om te volgen. In die gesprekken rolt de dichter van de ene verbazing in de andere.

    Wat water achterliet

    De bundel opent met de cyclus ‘Wat water achterliet’, die al eerder als bundel verscheen ter gelegenheid van Gedichtendag 2004. Kopland stapt meteen de wereld in van materie en geest met het prachtige openingsgedicht ‘Een koraal’ (waar hierboven ook uit is geciteerd). Hij verbaast zich over het proces van de samenkomst van het grijpbare en ongrijpbare, of ‘hoe er van lucht muziek wordt gemaakt’. Over de samenkomst van materie en geest lees je vaker in deze bundel en overigens in zijn gehele oeuvre. Een niet zo’n verwonderlijk thema voor een emeritus hoogleraar biologische psychiatrie. De manier waarop hij er mee speelt maakt het luchtig, evenals Bach zijn muziek speelt: ‘zo / licht dat het was alsof het geen handen waren / die speelden’. En Kopland sluit het gedicht betekenisvol af met het woord, dát woord dat de gehele bundel typeert: ‘Leichtigkeit’.

    Het titelgedicht van de cyclus ‘Wat water achterliet’ beschrijft een ogenschijnlijk toevallig door Van Hoogdalem geschilderd tafereel dat bewaard bleef:

    ‘je kunt zien dat hij het papier doordrenkte
    met water ? water dat nu is verdampt
    en de dingen achterliet zoals ze
    daar waren, in dat licht’

    Later haalt hij de schilder Westerik aan, die over zijn eigen ambacht spreekt:

    ‘een truc van de oude meesters, zegt hij
    het wit daaronder werkt als een spiegel
    het geeft een mysterieus gloeien
    van binnenuit’

    ‘en het is waar ?’, besluit Kopland, ‘je ziet in de verf / een mysterieus gloeien van onderhuids / vreugde en verdriet’.

    Het luchtige ‘De God in mijn hersenen’ beschrijft een droom, waarin Kopland ‘zonder de geringste verbazing weer / geloofd had dat God bestond’. Daarom ‘wilde hij hem eindelijk wel eens spreken’ en hij belt God op. Na een keuzemenu wordt gezegd dat er nog ‘één wachtende voor u [is, wdv] en die ene bent u’. Deze mededeling doet hem eindeloos nadenken. Maar bij het ontwakend beseft hij dat God in zijn hersenen is. In het eerder genoemde interview wees Kopland betekenisvol met zijn vinger naar de zijkant van zijn hoofd en zei: ‘Daar zit Hij, in mijn hersenen… en nergens anders’. Deze gedachtetheorie wrijft hij er nog eens goed in met dit gedicht, dat uitblinkt van kienheid. Want ondanks het nogal naïeve karakter wordt de theorie stevig gemaakt door de mededeling over de wachtende. De redenatie van de wachtende is als een het symbool van een cirkel en grijpt wederom terug op het thema materie en geest.

    In ‘Een anatomisch verslag’ bewandelt hij het landschap van hersenen, de wereld waar zijn overleden moeder had gewoond en ‘ook ik woonde hier’. Kopland vertelt waar het geluid van een cello hem aan doet denken en geeft in ‘Eva, zandsteen, twaalfde eeuw’ en schitterend pure visie op de oorsprong: ‘Voor de steenhouwer was zij de eerste vrouw / op aarde’. En na deze en enkele onvermeld gebleven aardige tot schitterende verzen sluit de cyclus af met twee ‘Mooie gesprekken’ over de ziel en over de mens in de mens.

    Het orgel begon te spelen, die middag in die kerk. Dat zuchten, dat kreunen van het mechaniek. De zuivere tonen van ‘Wo soll ich fliehen hin’ die echoden in de stilte ‘en ik ? ik begon hevig te verlangen naar / de troost van een sigaret’.


    Raveel

    In de volgende cyclus, ‘Raveel’ vergelijkt Kopland in vijf gedichten beelden met gedichten. Elk gedicht begint met het woord ‘zoals’ en sluit af met de woorden ‘zo wil’ en ‘zo moet(en)’. Tussen het begin en het einde geeft hij de vergelijking weer, beeldt hij hem uit. Als een bewonderaar van beeldhouwkunst projecteert hij deze kunst op de poëzie. Hij wil dat ook gedichten ergens beginnen iets te beschrijven, ‘de gaten laten zien in / de taal waar voor de dingen geen plek is’. Een gedicht ‘moet het iets zeggen / en dat niet zeggen en opnieuw zeggen’ en ‘ergens ophouden iets te beschrijven.’ Net zoals beelden dat doen. De nadruk ligt overigens op het woord ‘zijn’ in ‘zíjn beelden’. Dat zijn de beelden van Roger Raveel, die beschouwd wordt als één van de belangrijkste Belgische kunstenaars na 1950. Kopland maakt van Raveel een beeldhouwer van gedichten, hij slaat ze in wezen uit hout. De essentie van Koplands bewondering wordt duidelijk in het laatste gedicht; de gevonden waarheid:

    V

    Ik las dat de werkelijkheid niet bestaat

    er stond: de dingen zijn niet zoals ze kijken
    te zijn ? maar ze zijn ook niet anders

    vreemde uitsprak
    en die ik niet kan vergeten
    ik blijf zoeken naar hun waarheid

    en soms vind ik die ? in zijn beelden
    een onbegrijpelijke waarheid

    Een man in de tuin

    Evenals de gehele bundel, is de derde cyclus ‘Een man in de tuin’ getiteld. In deze bundel vind je ook het gedicht waarin de titel van de bundel én de cyclus de bedachtzaamheid van Kopland beter dan elders weergeeft. In het gedicht ‘Zelfportret’ verbeeldt hij exact wat een zelfportret verbeelden moet. Met gepaste afstand bestudeer je jezelf van dichtbij om een stap achteruit doen om het overzicht te bewaren. Je staat voor je ik, desalniettemin geportretteerd, peinzend, denkend over wie je bent: een man in de tuin. Kopland bedenkt dat nog nooit iemand zichzelf heeft gezien. En nee, letterlijk niet. Je bent het ook niet, op dat portret. Het is de verbeelding, een weerspiegeling. En precies zo verwoordt hij het verlangen naar het onzichtbare ik:

    ‘je zoekt in wat er van je
    overbleef een man in de tuin’

    Na dit besef neemt Kopland je mee naar de wereld van Caeiro, Giacometti, Ovidius. En naar een tafel bij het raam, naar de plek waar je woonde. Hij leert je kijken en vertelt wat de kunst is van het doodgaan. In welk gedicht deze onderwerpen ook naar voren komen, hij bewaart de gepaste afstand. Alsof je in een museum een schilderij bekijkt, of je zelfportret. Het is een kwestie van focussen en achteruit gaan. Overzicht bewaren door de details te koppelen. En die kleine details zorgen voor het grootse, het allesomvattende. Hij bewondert de koralen ‘Wo soll ich fliehen hin’ en ‘Nun komm’ der Heiden Heiland’, de eerste naar het leven en de tweede naar de dood. En ondanks het zoekende en verwonderende besluit hij het schitterende ‘De kunst van doodgaan’ met de twijfel:

    ‘ik hoop dat dit het is want ik ben bang
    dat het anders zal zijn’

    In deze cyclus zijn het derde en vierde deel uit de ‘Mooie gesprekken’ opgenomen, getiteld: ‘Maaltijd’ en ‘Het ontelbare’. Het gedicht ‘Maaltijd’ is vrolijk, bijna melig. Want hoe zouden op ‘poëtische wijze heerlijke gerechten / kunnen worden gemaakt’? Het vierde en laatste deel ‘Het ontelbare’ is serieuzer van toon. Men filosofeert over het aantal vogels dat als een zwerm overvliegt, over ontelbaar grote getallen en sluit af met de ‘gebruikelijke hemellichamen’ die enerzijds clichématig worden aangevoerd maar anderzijds onvermijdelijk zijn in het gesprek. Want het ontelbare is niet beter aan te wijzen wanneer het donker is en de sterren schijnen.


    Stroomdal

    De bundel sluit af met een doorlopend thema in Koplands werk. Het inmiddels overbekende landschap van de Drentse Aa wordt beschreven in de cyclus ‘Stroomdal’. Het riviertje, het terras, de weide, de landerijen, de bossen. De plek waar Kopland zichzelf vindt, verenigd met het landschap. In elf gedichten verbaast Kopland zich over de schoonheid van het landschap, maar:

    ‘niet om het mooie
    moet ik blijven kijken

    maar omdat dit landschap mijn zijn rivier
    aan niets anders doet denken
    dan aan zichzelf’

    Gedicht voor gedicht komt Kopland dichter bij de essentie. Het lijkt alsof hij zich langzaam één begint te voelen met de omgeving. Nee, beter: hij wórdt één met het stroomdal. Het is daar goed, het is daar zoals het is en zoals het daar is, kan het niet anders. En Kopland kijkt en ‘het is alsof ik mijn lichaam verlaat’. Hij raakt welhaast in een extase, als niemand weet waar hij is, wat hij ziet en hij dat ook zelf al niet meer weet. Hij is er zelf niet meer want ‘Dit zien is weten hoe het is zonder mij’ en hij benadrukt nog eens hoe vanzelfsprekend het is dat het is zoals het is.

    Kopland blijft beschrijven, het lijkt alsof hij er niet meer uitkomt. De gedichten staan bol van de tegenstellingen, eerst is hij er wel, dan niet: ‘of ik hier nu ben en het zie, of niet’ En wanneer je bijna zat lijkt te worden van al die omzwervingen in zichzelf en in dat landschap, pakt hij een schilderij erbij: ‘het is er, zoals / een schilderij er is, het laat zich zien / en het kent geen verlangen’. Even treedt hij buiten zichzelf, even grijpt hij mis. Het schilderij is hier haast te statisch, maar voor kort. Want de dichter wordt nieuwsgierig, hij wil weten hoe het is als híj er niet is. En dan is daar het negende gedicht, dat begint met: ‘Hoe lang al zat ik hier ?’ om vervolgens weer verder te filosoferen: ‘al voor de tijd dat de tijd begon’. Maar toch, het zijn ‘onzinnige waarheden, maar er zijn geen betere’. We komen aan het einde, dichter bij het landschap. Zijn ogen moeten het landschap loslaten. Het is tijdloos, niet te vatten. Nee, Kopland heeft het geprobeerd, maar:

    ‘het landschap met de rivier
    ik zal het nooit kennen’

    Moet ik nog meer zeggen? Dit is Kopland op z’n best. Mijmerend, twijfelend, beschouwend, bewonderend. Ach, welk woord moeten we ervoor vinden. Laat staan dat Kopland het zelf zou kunnen beschrijven. Misschien moeten we het, net zoals hij, vergelijken met een beeld, een beeld van Raveel: ‘Zoals zijn beelden laten zien, hoe toevallig en eenmalig de dingen zijn.’

    Op het terras kijk ik verschrikt op. Had het landschap mij nu ook meegenomen? Was ik er ook, of niet? Ik bestelde maar een biertje. Want ook ik zal het nooit kennen.

    * Ilja Leonard Pfeiffer, Het geheim van het vermoorde geneuzel: Een poëtica. Uitg. Arbeiderpers, Amsterdam, 2003

    Rutger Kopland
    Een man in de tuin
    ISBN 9028240357
    Poëzie, 72 pagina’s
    Verschenen in 2004
    Ingenaaid €14,50

    Je bent van harte welkom in de online leesclub om mee te praten over de besproken bundel. Vanaf volgende week gaan we van start. Je kunt je opgeven door in de online leesclub op de omslag van de bundel te klikken en daarna een bericht achter te laten. Dus als je genoten of gewalgd hebt, hetzij vragen hetzij opmerkingen hebt, er alles dan wel niets van snapt: geef je op! Iedereen is welkom.