• De draagwijdte van een keuze

    De draagwijdte van een keuze

    Soms krijgt een auteur een verhaal in de schoot geworpen. Het overkomt David Grossman (1954) meer dan twintig jaar geleden als een onbekende vrouw hem belt over een krantenartikel dat hij heeft geschreven. Haar naam is Eva Panic Nahir, een joodse vrouw geboren in Kroatië. Het telefoongesprek is niet alleen het begin van een vriendschap, het resulteert ook in het recent verschenen Het leven speelt met mij, dat niet zonder Nahirs levensverhaal geschreven had kunnen worden.

    Grossman, geboren in Jeruzalem, publiceert sinds de jaren tachtig romans, essays en kinderboeken en heeft met Zie: liefde (1986), Het zigzagkind (1994) en Komt een paard de kroeg binnen (2016) een internationaal publiek aan zich weten te binden. Ook Het leven speelt met mij is inmiddels in meerdere talen vertaald, bijvoorbeeld in het Duits als Was Nina wusste.
    Geen gekke titel trouwens. Van alle personages is Nina, de dochter van Vera, het meest onpeilbaar en ook het meest tragisch. En die tragiek heeft vooral te maken met een keuze die haar moeder in het leven heeft gemaakt.

    In Joegoslavië

    Eva Panic Nahir (1918 – 2015) heeft voor Vera model gestaan. Ze is partizaan in dienst van Tito, vecht samen met haar geliefde Milos, tegen het Italiaanse fascisme en het Duitse nazisme. Na de Tweede Wereldoorlog en de breuk tussen Tito en Stalin wordt Milos gearresteerd op verdenking van heulen met de Sovjet-Unie. Milos pleegt in zijn cel zelfmoord en Vera wordt gearresteerd. De geheime dienst wil haar dwingen om een bekentenis te ondertekenen die Milos tot staatsvijand zou maken. Ze weigert, verdedigt hartstochtelijk Milos, haar grote liefde, en roemt zijn trouw aan Tito. Ze is te trots om haar dode echtgenoot te verraden. Als straf wordt ze naar een vrouwenkamp op Goli Otok gebracht, een kaal en guur eiland in de Adriatische zee. Haar jonge dochter Nina blijft alleen achter.
    De onvoorwaardelijke trouw aan haar man en de keuze die ze maakt, tekent niet alleen haar eigen leven, maar heeft ook verstrekkende gevolgen voor de generaties na haar. Op de eerste plaats voor Nina die zonder moeder opgroeit en zich door haar in de steek gelaten voelt – een wond die haar leven bepaalt, maar ook voor Gili, haar kleindochter. Vanuit Gili’s perspectief wordt deze roman verteld.

    Haat en woede

    Het boek begint vóór de geboorte van Gili. Vera is vanuit Joegoslavië aangekomen in Israël, woont in een kibboets en trouwt Toevja die sinds kort weduwnaar is. Zijn zoon Rafaël heeft ondertussen een kopstoot opgelopen bij de jonge Nina – het weerhoudt hem er niet van, integendeel misschien, om halsoverkop verliefd op haar te worden. Een liefde die niet verdwijnt, zelfs niet nu ze formeel zijn stiefzus is geworden. Ze trouwen en krijgen een dochter, Gili. De geschiedenis herhaalt zich – maar nooit op eenzelfde manier. Nina verdwijnt, zoals ooit haar moeder verdween. Ze leidt een onordelijk bestaan, zwerft over de wereld, heeft verschillende banen en vele mannen. Ze kan zich aan niemand binden, voelt zich overal onveilig en ongewenst. Zelfs nu haar moeder de negentig is gepasseerd, en overigens nog steeds bijzonder vitaal is, is Nina’s woede en haat niet geluwd. Een haat en woede die bindt, want zo gaat het, loslaten kan ze Vera nu ook weer niet. Gili wordt grotendeels opgevoed door haar vader Rafaël.  Van hem leert ze documentaires maken.

    Op Vera’s negentigste verjaardag komt iedereen samen. Het besluit valt om een film te maken over Vera’s leven in voormalig Joegoslavië en over haar gevangenschap op Goli Otok. Het is een samenwerking tussen Rafaël en Gili. De camera wordt het instrument voor bekentenis, confrontatie en herstel.
    Onwillekeurig denk je aan Eva – a documentary van Avner Faingulernt die aan het begin van deze eeuw is gemaakt over Eva Panic Nahir.

    Ode aan verzoening

    Het leven speelt met mij blinkt uit in scherpe dialogen, waar – tussen de regels – de pijn in de onderlinge relaties voelbaar is: tussen de drie vrouwen en tussen Rafaël en Nina. Uiteindelijk is de zoektocht in het boek een ode aan verzoening, verzoening tussen generaties.

    Toch kleven er ook nadelen aan deze laatste Grossman. Als Vera spreekt, krijgen haar zinnen een Kroatisch bedoeld accent, waardoor je ten onrechte het idee krijgt dat er een typetje is gecreëerd met een grappig bedoelde tongval. Daarnaast is Het leven speelt met mij, ondanks de heftigheid van het onderwerp, toch ook een tikje langdradig en dat heeft te maken met de structuur waarin Grossman zijn verhaal heeft gegoten. Het gegeven dat Gili, de kleindochter, samen met haar vader gedurende het grootste deel van het boek een filmportret van Vera en Nina maakt, haalt veel spanning uit het drama dat zich in deze familie afspeelt. De camera wordt geïnstalleerd en er wordt weer een flard van de moeilijkheden die tussen de familieleden bestaat, uit de doeken gedaan. Het wordt een voorspelbaar patroon. Het gezamenlijk verblijf op het verlaten eiland Goli Otok wordt dan ook vooral gered door een radicale ingreep in het verhaal. In een ander lettertype wordt een historisch bedoeld verslag gegeven van Vera als krijgsgevangene op het eiland.

    Ze wordt daar elke dag naar een plek geleid om de hele dag in de volle zon te staan zonder in eerste instantie te weten waarom. Een bewaakster houdt haar in de gaten en geeft aanwijzingen. Op dit onherbergzame eiland moet van de hoofdcommandant een plantje bloeien en Vera’s rol is ervoor te zorgen dat het in de schaduw blijft.

    ‘De bewaakster praat: “Heb je niet weleens het gevoel dat hij de hele tijd naar je kijkt?”
    “Kameraad Tito?” vraagt Vera voorzichtig.
    “Nee,” lacht bewaakster zacht, diep in haar keel, “dit plantje hier. Heb je niet het idee dat hij het begrijpt?”
    “Dat hij wat begrijpt, commandant?”
    “Deze waanzin” zegt ze, “en hoe ze hier beesten van ons maken.”’

    De kwetsbaarheid van dat plantje, Vera’s toegewijde zorg om het in leven te houden en de symbolische reikwijdte van deze geschiedenis, zorgen ervoor dat Het leven speelt met mij meer is dan een roman leunend op ware feiten, hier toont Grossman zijn meesterschap.

     

     

  • In de verhalen van Keret is alles mogelijk

    In de verhalen van Keret is alles mogelijk

    De verhalen van Etgar Keret (Tel Aviv, 1967) verschijnen in vierendertig talen. Naast schrijver is Keret ook filmmaker en universitair docent. Zijn nieuwste verhalenbundel, Mijn konijn van vaderskant, vertaald uit het Hebreeuws door Ruben Verhasselt, valt behalve door de intrigerende titel op door het wat afwijkende formaat en blijkt als bonus ook een lichtblauwe boekenlegger in de vorm van een wortel te bevatten. De bundel bevat tweeëntwintig verhalen die met elkaar gemeen hebben dat ze de lezer direct enorm weten te boeien. Qua beleving doen de personages in een aantal verhalen denken aan de foute personages uit de sketches van de komische serie Little Britain, ooit uitgezonden door de VPRO.

    In het titelverhaal, Mijn konijn van vaderskant, blijkt de vader van een meisjesdrieling ‘van vorm veranderd’ te zijn. De meisjes beschouwen het konijn dat ze in hun vaders leunstoel aantreffen zonder meer als hun vader, ook al houdt hun moeder haar dochters voor dat hun vader ‘weg is gegaan’. De moeder wil dan ook niet dat de meisjes het konijn houden en daarom gaan zij het dier verstoppen bij een jongen wiens vader ook in een konijn veranderd blijkt te zijn. Het verhaal is exemplarisch voor hoe de werkelijkheid door Keret beschreven wordt. Enerzijds is er het gegeven van de echtgenoot die het gezin volgens moeder verlaten heeft en anderzijds is er het geloof van de dochters dat hun vader veranderd is in een konijn. Beide werelden bestaan in een verhaal van Keret op gelijkwaardige en geloofwaardige wijze naast elkaar en dat is ongelofelijk knap.

    Afschuwwekkend

    Keret is een meester in het schrijven van openingszinnen met een grote informatiedichtheid die bijna terloops gepresenteerd wordt. Het verhaal Morgen de kassa begint als volgt: We vieren zijn verjaardag de dag erna. Altijd een dag erna of ervoor, nooit op de dag zelf. Altijd dezelfde shit. Waarom? Omdat meneer de rechter heeft bepaald dat een kind op zijn verjaardag bij zijn moeder moet zijn, ook al is dat een liegend kreng dat plat gaat met elke idioot die op haar werk naar haar lacht. Een vader is minder belangrijk.’ De vader in kwestie gaat met zijn dus net niet meer jarige zoon naar het winkelcentrum voor een verjaardagscadeau. Hij heeft minachting voor iedereen in zijn omgeving. Zijn ex-vrouw noemt hij bij zichzelf ‘kutwijf’, de eigenaresse van de speelgoedwinkel wordt het ‘dwergvrouwtje’ genoemd, de jongen die hem helpt ‘puistenkop’ en de beveiliger waar hij mee te maken krijgt vanwege zijn gedrag wordt beschreven als een ‘blubberige vetzak met een snor’ en een ‘dikzak’, redenen waarom hij erg antipathiek overkomt. Het zoontje mag voor zijn verjaardag van zijn vader in de speelgoedwinkel uitzoeken wat hij wil. Van alle dingen waaruit hij kan kiezen wil de jongen het enige wat niet verkocht kan worden: de kassa. De zoon is met geen mogelijkheid van zijn keuze af te brengen en de vader stelt alles in het werk om de wens van zijn zoon in vervulling te doen gaan, tot onbegrip van zowel het personeel in de winkel als van de lezer. 

    Buitenaardse wezens

    De personages in het werk van Keret zijn soms ronduit afschuwwekkend, maar zonder uitzondering boeiend. Er komen virtuele figuren, ambitieuze engelen en zelfs buitenaardse wezens voor, maar ook klonen, pesterige ventjes die elkaar het bloed onder de nagels vandaan treiteren en engelachtige meisjes die zich ontfermen over wollige konijntjes. In het universum van Keret zijn er geen grenzen aan wat mogelijk is en dat geldt in zekere mate ook voor de vorm van de verhalen. Tussen de tweeëntwintig verhalen door wordt op verschillende plaatsen in het boek een uitgebreide emailwisseling weergegeven tussen de eigenaar van een escaperoom en een klant die daarvan gebruik wil maken op een dag dat de escaperoom vanwege een nationale feestdag gesloten is. De wending die het gesprek neemt is tenenkrommend en even onverwacht als origineel. 

    Te kort

    Keret creëert een eigen, veelzijdige wereld waarin alles mogelijk is. In een lichtvoetige stijl neemt hij de lezer mee naar een omgeving waarin het onmogelijke waarschijnlijk lijkt, waarin soms zwaarte en duisternis heersen, afgewisseld door absurditeit en humor en waarin personages die je niet graag als buren zou willen hebben het voor het zeggen hebben, maar waar je onwillekeurig wel vaak om moet lachen. Het enige minpunt aan de verhalen zou hun geringe lengte zijn; je zou wensen dat Keret op sommige verhaallijnen in romanvorm doorborduurt. Dat zou zeer zeker mogelijk zijn met het langste verhaal uit de bundel, Pineapple crush. Het is vernoemd naar een drug die ‘zo sterk was dat je, als je er genoeg van rookte, verliefd kon worden op een ananas.’ Ook in dit verhaal komt weer een bijzonder personage voor: een ik-figuur die op een BSO werkt, maar er een ziek genoegen in schept om kinderen te treiteren. Hij deelt op een dag zijn dagelijkse joint met een vrouw die nogal geheimzinnig doet, maar waar hij desalniettemin als een blok voor valt. Alhoewel het verhaal een redelijk gesloten einde heeft, bevat het genoeg ingrediënten om een roman op te kunnen baseren. Helaas heeft Keret vooralsnog geen aanstalten gemaakt in die richting.

     

  • Oogst week 8 – 2020

    Mijn konijn van vaderskant

    Het is altijd een plezier te vernemen dat er weer een boek van de Israëlische schrijver Etgar Keret (1967) naar het Nederlands vertaald is. Zijn nieuwste boek dat onlangs bij uitgeverij Podium verschenen is, heet Mijn konijn van vaderskant en wordt weer kenmerkend genoemd: warm, verrassend, origineel, fantasievol, geestig en onvoorstelbaar. In het titelverhaal bijvoorbeeld zien drie zusjes in een konijn hun net vertrokken vader, tot ongenoegen van de verdrietige moeder. Als het konijn wordt ondergebracht bij een jongen die in zíjn konijn eveneens een afwezige vader ziet, dan ga je je afvragen wat hier aan de hand is.
    Kerets personages worstelen met ouderschap en familie, oorlog en games, marihuana en pancakes, herinneringen en liefde.

    Het is een mooi initiatief van uitgeverij Podium om het werk van Keret die elders al wereldfaam geniet, ook voor de Nederlandse lezer toegankelijk te maken.

     

     

     

    Mijn konijn van vaderskant
    Auteur: Etgar Keret
    Uitgeverij: Podium Uitgeverij

    Gratie

    De Indiase schrijver Aravind Adiga (1974) is vooral bekend van zijn boek De witte tijger waarmee hij in 2008 de Man Booker Prijs won. Adiga werd geboren in Madras 1974, emigreerde naar Australië en studeerde daarna in New York en Oxford, woont nu in Bombay en werkt als journalist.

    Gratie is zijn nieuwe boek. Het gaat over Danny – (Dhananjaya Rajaratnam) – die gevlucht is uit Sri Lanka en illegaal in Sydney woont. Hij woont weinig comfortabel, werkt als schoonmaker, en is al drie jaar bezig een nieuwe identiteit voor zichzelf te creëren. Het normale leven ligt bijna binnen handbereik.
    Maar dan hoort hij dat een van zijn klanten is vermoord. Danny kende haar goed, en hij heeft een sterk vermoeden wie het gedaan heeft. Moet hij bekennen wat hij weet met het risico het land uitgezet te worden? Of moet hij zijn mond houden en rechtvaardigheid de rug toe keren? Terwijl de uren verstrijken, laat hij alles de revue passeren: het gewicht van zijn verleden, zijn toekomstdromen, en de onvoorspelbare, vaak absurde realiteit van een onzichtbaar leven zonder papieren. Danny moet diep in zijn geweten tasten om een antwoord te vinden. Heeft iemand zonder rechten wel verantwoordelijkheden?

    Gratie
    Auteur: Aravind Adiga
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam

    Cliënt E. Busken

    Het nieuwe boek van Jeroen Brouwers heet Cliënt E. Busken. Het beschrijft een dag van het verblijf van de hoofdpersoon in de psychiatrische instelling. Deze E. Busken zit hier tegen zijn zin. In een rolstoel op een gesloten afdeling, maar hij neemt nog scherp waar wat er om hem heen gebeurt, en inwendig voorziet hij zijn medebewoners en het personeel van commentaar.

    ‘[…] Het blijft wel droog, meent ze. Er is zon voorspeld. Hier beneden waait het niet. Staat hij op de rem? Dat controleert ze. Ja, met die dragonderstem, u staat geblokkeerd. Hetgeen klopt. Geblokkeerd, ik. Geblokkeerder dan de wielen van de rolstoel, die ze ergens achter me, waar ik niet bij kan, heeft vergrendeld. Die wielen gaan gewoon weer draaien als ze niet meer zijn geblokkeerd, ikzelf ben niet als die wielen, want ik kan niets meer, wat wil je ook. Alleen nog zitten en liggen. En waarnemen. Denken. Piekeren. Malen. Bedoelen. Kleuren zien die er niet zijn, althans door anderen niet worden gezien. Ze heeft me met een riem om mijn middel in de stoel gefixeerd, de metalen gesp op mijn navel is niet door mij te openen. Mijn woede daarover en mijn verzet worden met injecties en pillen platgekookt. Wat nog kan bewegen zijn mijn handen en onderarmen. Met mijn benen, mijn voeten, kon ik schoppen, tot die ook aan de stoel werden vastgeknoopt. Hebt u uw saffies? Aansteker? Fluitje zit hier in het linkerzakje van uw overhemd, meneer Busken. Als u voelt dat u moet, meteen blazen. Dat er weer geen ongelukjes gebeuren. Ik denk dat ze niet beseft dat ze schreeuwt. Haar fraaie verschijning is als die op dat schilderij, doch haar decibels verstoren mij. Ze kijkt naar me. Ja meneer Busken? U hoort me wel. Meneer Busken? Antwoord geven kan u ook best. Hier raakt ze mijn hoofd aan, bij mijn slaap, met haar gesloten slanke hand een duwtje bij mijn oor, niet hard, maar toch dat ik het voel, een lichtgevend stompje. […]’

     

     

    Cliënt E. Busken
    Auteur: Jeroen Brouwers
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Indrukwekkend interview met een groot schrijver

    Indrukwekkend interview met een groot schrijver

    Op de vraag waar zijn verhalen vandaan komen antwoordt de Israëlische schrijver en vredesactivist Amos Oz: 
’Wat is een appel? Waar is hij van gemaakt? Water, aarde, zon, een appelboom en een beetje mest. Maar hij lijkt op niets van dat alles. (…) Zo is het ook met een verhaal. Het is ongetwijfeld gemaakt van een totaal aan ontmoetingen, ervaringen en observaties.’ 
Het is een van de vele uitspraken van Amoz Oz (1939 – 2018) in de gesprekken die hij had met zijn Israëlische redacteur Shira Hadad tijdens en na hun samenwerking bij het uitbrengen van zijn roman Judas (2014). 
Die gesprekken zijn opgenomen, uitgewerkt en geredigeerd en vormen de hoofdstukken van een mooi zelfportret van de Israëlische schrijver.

    De hoofdstukken zijn naar onderwerp gerangschikt en Oz vertelt onbeschroomd over zijn eenzame jeugd, de zelfmoord van zijn moeder, het kibboetsleven, de seksualiteit aldaar, de toename – bij het ouder worden – van humor en relativering in zijn boeken en ten slotte de onvermijdelijk naderende dood. Ook zijn positie als voorstander van de twee-landen-oplossing in het steeds meer verhardende politieke klimaat in Israël komt uitvoerig ter sprake.

    ‘Eigenlijk heb ik altijd proberen te praten tegen Edith, de vrouw van Archie Bunker uit de televisieserie All in the family. Archie was een soort buurt-Donald Trump, die altijd racist zal blijven en alles met geweld zal willen oplossen. Zijn dochter Gloria en schoonzoon Michael zullen altijd gematigd en verlicht zijn en hoefden dus niet te worden toegesproken . Alleen Edith, door velen herinnerd als een belachelijke domme gans – juist zij staat af en toe open om overtuigd te worden, dan weer de ene kant op, dan weer de andere. (…) tot haar wendde ik me in mijn artikelen, tot haar sprak ik toen ik me nog liet interviewen en in discussie ging op tv.’

    Het meest wordt in Wat is een appel gesproken over het schrijven, waar Oz zijn eigen routines bij heeft; elke ochtend vroeg startend en kladje na kladje na kladje schrijvend en weggooiend tot hij iets geschreven heeft dat hem bevalt. Maar ook dat hoeft niet de definitieve versie van die scène te zijn, alles kan eindeloos herschreven worden. En eventueel zelfs na jaren arbeid toch weggegooid. Tevreden is hij eigenlijk nooit, maar je moet er als schrijver op een gegeven moment in berusten dat je niet beter kan dan wat er voor je ligt als eindproduct.

    ‘Weet je Shira, in elk boek zitten ten minste drie boeken: het boek dat jij hebt gelezen, het boek dat ik heb geschreven, dat noodzakelijkerwijs anders is dan het boek dat jij hebt gelezen, maar er is nog een derde boek: dat is het boek dat ik had geschreven als ik genoeg kracht had gehad. Genoeg vleugels. Dat boek, het derde, is het beste van de drie. Maar op de hele wereld is er behalve ik niemand die dat boek kent en behalve ik niemand die erom rouwt.’
    Wat is een appel is een indrukwekkend afscheidsinterview geworden van een groot schrijver die niet alleen dacht met zijn hoofd, maar ook met zijn hart.

     

  • Belcampo revisited

    Belcampo revisited

    Etgar Keret is een internationaal veelgeprezen Israëlische verhalenschrijver van wie een aantal titels in het Nederlands is vertaald (bv. Superlijm en Zeven vette jaren).
    Uitgeverij Podium heeft nu een heruitgave uitgebracht van de verhalenbundel Verrassing uit 2011, aangevuld met een aantal nieuwe verhalen, wellicht om deze schrijver weer eens onder de aandacht van de Nederlandse lezer te brengen. Keret is immers wereldberoemd, waarom dan niet in Nederland?

    Keret staat bekend om zijn absurdistische verhalen, waarin hij de werkelijkheid elke keer weer naar zijn hand weet te zetten. Een meisje ontdekt een rits in de mond van haar vriend. Een man verdwaalt letterlijk in zijn leugens. Een man wordt ontvoerd, krijgt zijn kinderkleren aan en wordt bij zijn moeder afgeleverd die hem als een schooljongen behandelt. En zo verder. De verhalen hebben geen duidelijke pointe, ze lijken geschreven te zijn op het effect van onverwachte en absurdistische feiten.
    Wat is de boodschap van deze verhalen? Dat je het leven naar je hand kunt zetten? Dat je de regie van je leven moet pakken en houden? Dat absurd hetzelfde is als humoristisch?

    Deze verhalen doen in een aantal opzichten denken aan die van Belcampo, een bijna vergeten (Nederlandse!) schrijver die in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw talloze verhalen schreef waarin ook zulke absurdistische zaken een rol speelden. Bijvoorbeeld het verhaal De dingen de baas, waarin letterlijk gebeurt wat de titel zegt. Overigens: Belcampo schreef een verhaal dat De surprise heet.
    De verhalen van Belcampo zijn, ondanks het feit dat ze in de jaren vijftig en zestig zijn geschreven, nog heel goed leesbaar.  De verhalen van Keret wringen: namen en plaatsen zijn voor ons als Nederlandse lezers nietszeggend, onderlinge verhoudingen tussen de personages anders dan wij kennen, de couleur locale is afwijkend van die van ons. En dat maakt deze verhalen lastiger leesbaar dan die van Belcampo.

    Maar het is ook zeker zijn gevoel voor humor dat de lezer dwarszit. De verhalen zijn weliswaar absurd, maar ook erg gezocht: de absurditeit is tot doel verheven en is geen middel om een boodschap over te brengen, tenzij de boodschap juist de absurditeit is. Want dat is wat je kunt bedenken: het leven is absurd en niets is merkwaardig. Positief is dat zijn dialogen levendig en boeiend zijn: ad rem, bevlogen.

    Keret staat bekend als een schrijver die in het dagelijks leven geen blad voor de mond neemt over de politiek. In een recent interview laat hij zich ontvallen dat de literatuur een belangrijke rol speelt in het Joods-Palestijnse vraagstuk. Opvallend dus dat hij in deze bundel daar weinig woorden aan besteedt, nergens neemt hij een standpunt in over links of rechts in de politiek, over de keuzes die het land maakt in de omgang met Palestijnen. Nergens zijn deze verhalen maatschappijkritisch. Natuurlijk: het is zijn goed recht om een ander soort verhalen te schrijven en geen maatschappelijk belangrijke onderwerpen te behandelen. Keret is echter wel erg uitgesproken over zijn wereldbeeld op allerlei fronten, waarom dan niet in deze bundel?

    In 2004 publiceerde Keret samen met de Palestijnse schrijver Samir El-Youssef de verhalenbundel Gaza Blues. Dat was ten tijde van de Tweede Intifada een statement dat er niet om loog: in een boek konden een Israëli en een Palestijn vreedzaam samenleven. Merkwaardig dus dat er in deze bundel nauwelijks een standpunt is te destilleren over deze kwestie.

    Verrassing bevat leuke verhalen, maar ook niet meer dan dat. Ze lezen gemakkelijk weg, maar de inhoud beklijft niet.

     

     

  • Dingen in de tijd

    Dingen in de tijd

    David Grossman heeft recht van spreken, meer dan menigeen. Hij heeft het land waar hij woont lief, maar ziet ook in dat er bloed aan kleeft. Dat is de basis van zijn genuanceerde essays en toespraken over Israël uit 2006-2015 die door Christoph Buchwald zijn gebundeld.

    Genuanceerde stem
    Grossman probeert te duiden hoe het komt dat men in Israël aan de kant blijft staan en toekijkt, ‘als gehypnotiseerd, terwijl de waanzin, de alledaagsheid, het geweld en racisme zich meester maken van ons thuis?’ Hij vraagt zich af hoe het komt dat de joden in Israël het slachtoffer zijn geworden van angst en wanhoop. Hij is bang voor de prijs die hiervoor wordt betaald.
    De dood van zijn zoon Uri, augustus 2006, geeft Grossman niet automatisch het privilege om zijn stem in het debat te verheffen. Wel bracht ‘de confrontatie met dood en verlies een nuchterheid en helderheid met zich mee’ die, zoals de lezer van boeken en artikelen over Israël kan concluderen, veel stemmen in dat debat missen.

    Grossman is in staat de dialoog aan te gaan, boven elke vorm van fanatisme verheven. De dialoog met gematigde, zachte krachten – die volgens Henriëtte Roland Holst immers zullen winnen –, en met oog voor het lijden van de Palestijnen. Zonder te verdoezelen dat zij medeschuldig zijn aan de uitzichtloze situatie waarin het land verkeert. Maar erkennend dat, wanneer Israël in juli 2006 bij het begin van de Israëlisch-Libanese oorlog (waarmee het boek opent) een staakt-het-vuren van enkele dagen had aangekondigd, de situatie er nu wellicht anders zou hebben uitgezien.
    Dat geldt ook voor de gevangenenruil vier jaar later (2010). Israël zou toen een akkoord hebben kunnen ‘voorstellen dat een volledige wapenstilstand omvat, de stopzetting van alle terreuractiviteiten vanuit Gaza en de opheffing van het beleg.’ Het zijn gemiste kansen. Maar wie zijn wij in het Westen om te zeggen dat dit niet realistisch is? Het echte gevaar zou volgens Grossman wel eens in de verlammende, angstige houding van Israëlische politici kunnen schuilen. Waarin niet met elkaar wordt gesproken, laat staan naar elkaar wordt geluisterd. Waarin de politici hun stemmers, en zichzelf, ophitsen ‘met verwijzingen naar de Holocaust, het joodse lot en de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen.’
    En toch lijkt de auteur in het chronologisch verloop van de essays en toespraken te geloven dat Israël wijzer wordt. ‘Bedroefd, gekwetst, tandenknarsend, maar wel degelijk verstandiger – althans, omdat het niet anders kan.’

    Profetisch en hoopvol boek
    Het is aan de ene kant ook een griezelig, profetisch boek om te lezen. Bijvoorbeeld wanneer van Netanyahu wordt gezegd dat hij in staat is feiten uit te vlakken. Achter deze woorden doemt ook de president elect van de Verenigde Staten op. Dat maakt de wereld er niet veiliger op.
    Aan de andere kant ademt de bundel ook hoop. Grossman ziet zichzelf als deel van een schrijverswereld, van bondgenoten die samen ‘dat onontwarbare web vormen dat een geweldige kracht heeft, een kracht die de wereld kan maken en veranderen, een kracht die de stommen kan doen spreken, een kracht die verbeteringen kan aanbrengen.’ Wie zijn wij in het Westen om te zeggen dat dit niet realistisch is? Het is een tekst die, toeval of niet, precies in het hart, het midden van de uitgave staat. Zoals het in Uit de tijd vallen pas tegen het eind van het boek gebeurt: ‘En ik (…) ben eindelijk weer aan het schrijven. / Alle vingers in de rulle aarde / kneed ik, schrijf ik het verhaal.’ En een stukje verder: ‘Ik bezweer mezelf met woorden (…), opdat ik zelf niet stilval en versteen (…). Mijn hele leven hangt nu / aan het puntje van mijn pen.’

    Dingen die veranderen
    Boeken, schrijven, daar gaat het Grossman om, want die zetten ons als het goed is in beweging. ‘Dieptegesteenten verschuiven. Iets in onze starre, kunstmatige definities verzacht als we worden aangeraakt door een literair personage waarin volheid van leven, soepelheid en innerlijke tegenstellingen schuilen’ aldus Grossman in zijn 5 mei-lezing 2015 in de St. Jacobskerk in Vlissingen.
    Grossman heeft met deze lezing in Nederland een ruimere bekendheid gekregen. Die had hij natuurlijk al door zijn romans, zoals de ook op deze website besproken en het eerder genoemde Uit de tijd vallen (2012) en Een vrouw op de vlucht voor een bericht (2009).
    Beide genres (romans en essays) vormen qua thematiek bij Grossman vaak een eenheid. In Uit de tijd vallen, een haast toneelmatig opgebouwd, meerstemmig verhaal over de verwerking van het verlies van een kind (als gezegd verloor de auteur in 2006 zijn zoon Uri), gaat het bijvoorbeeld op een gegeven moment over het feit dat alleen dingen in de tijd te begrijpen zijn. ‘Mensen, bijvoorbeeld, of gedachten, verdriet / of vreugde, paarden, honden, woorden, liefde. / Dingen die verouderen, veranderen en zich vernieuwen.’
    De veelstemmigheid in Uit de tijd vallen benoemt Grossman ook in zijn openingsrede voor het Internationale Literatuurfestival in Berlijn (2007): ‘De afgemeten, precieze stem die me bereikt van buitenaf, wekt ook stemmen op in mij – stemmen die misschien onmondig bleven tot die andere stem, of dat bepaalde boek, hen aanwakkerde.’
    Moge dit boek, deze indrukwekkende en in prachtige stijl geschreven essays en toespraken samen met Grossmans romans mensen in beweging zetten om de haast uitzichtloze situatie die hij beschrijft te keren! Inderdaad: dat zijn literatuur een kracht moge zijn ‘die de wereld kan maken en veranderen, een kracht die de stommen kan doen spreken, een kracht die verbeteringen kan aanbrengen.’ 


  • Kafka voorbij!

    Kafka voorbij!

    ‘Om schrijver te zijn is een zeker talent voor schrijven niet de enige voorwaarde. Als je niet verbonden bent met je ouders en je grootouders, en via hen met de stam, ben je een scribent en geen schrijver’, verzucht Ernst op een avond tegen zijn huishoudster Irene. Hierin besloten ligt eigenlijk de kern van het magistrale verhaal dat Aharon Appelfeld ons vertelt. Irene leert Ernst leven, dus schrijven, door hem in contact te brengen met zijn roots.

    Ernst
    Ernst is een 70-jarige intellectuele man met een Joodse achtergrond afkomstig uit Gallicië, Oost-Polen. Voor de oorlog heeft hij al vroeg gebroken met de, wat hij noemt, achterlijke sjtetlmentaliteit van de wereld van zijn ouders, die zich voortdurend hullen in zwijgzaamheid en met wie hij maar geen contact kan krijgen. Hij blijkt echter te beschikken over de gave van het woord. Na het publiceren van wat romantische gedichten, sluit hij zich aan bij de communisten voor wie hij de propaganda mag gaan verzorgen, heel bijzonder voor een Joodse jongen.

    Een jaar voor het uitbreken van de oorlog treedt hij in het huwelijk met zijn geliefde Tina. Samen krijgen zij een dochtertje, Helga. Als de Duitsers het land binnenvallen, vertrekt Ernst met het Rode Leger naar het oosten. Zijn ouders, Tina en de kleine Helga worden door Roemeense en Duitse militairen opgejaagd en de rivier de Boeg in gedreven om daar jammerlijk te verdrinken. Na de oorlog belandt Ernst min of meer toevallig in Jeruzalem. In de avonduren schrijft hij. Na een stormachtig huwelijk met zijn tweede vrouw gaat hij met pensioen om zich te wijden aan het schrijven. Zijn zwakke gezondheid dwingt hem huishoudelijke hulp in te roepen.

    De verschijning van Irene
    Irene is vlak na de oorlog geboren in een Amerikaans opvangkamp in de buurt van Frankfurt. Haar ouders, ook Polen, zijn kort na de oorlog naar Israël verhuisd. Zij heeft altijd bij hen gewoond en is ook na hun dood in het ouderlijk huis blijven wonen. Irene beschikt over de gave de geesten van de overledenen te kunnen oproepen en met hen te praten. Op deze wijze blijft zij in contact met haar ouders en zij besluit haar oude leefwijze voort te zetten in precies dezelfde setting als voorheen en met inachtneming van de Joodse tradities.  Om toch een beetje te ontsnappen aan de eenzaamheid, besluit zij een dienstje te nemen bij Ernst Blumenthal. En daar ontwikkelt zich de romance, het thema van het boek.

    Toenadering
    Irene geeft Ernst het leven terug door hem in staat te stellen opnieuw in contact te komen met zijn verleden, met zijn ouders en grootouders. Hij heeft deze band indertijd bewust door gesneden. Tegen zijn ouders had hij een grote wrok opgebouwd vanwege hun lijdzaamheid en eeuwig stilzwijgen. De jonge Ernst keek verlangend uit naar een nieuwe wereld in een nieuwe toekomst met een ‘nieuwe mens’ , los van remmende Joodse tradities. Het communisme leek hem die mogelijkheid te bieden. De oorlog gaf hem een doel, namelijk de bestrijding van het kwaad van het fascisme (kapitalisme). Dat dit af en toe gepaard ging met individuele slachtoffers bij de boeren in de dorpen waar het zegevierende Rode Leger langs kwam, mocht geen bezwaar zijn. De soldateske kameraderie gaf hem de warmte die hij thuis zo miste en de discipline van het leger bood de structuur die nodig was om de toekomst vorm te geven. De confrontatie met de gevolgen van de shoah bij de bevrijding van de slachtoffers in de kampen bracht zijn geordende wereldbeeld aan het wankelen: hij begreep steeds meer dat hij altijd dat joodse jongetje zou blijven. Hij wilde eigenlijk een nieuw leven opbouwen in Australië, maar het toeval bracht hem naar Jeruzalem.

    Zoals Ernst in hun dagelijkse ontmoetingen steeds meer onder de indruk komt van de onbevangenheid, aanhankelijkheid en eenvoudige godsvrucht van Irene, zo wordt Irene steeds meer gegrepen door de inwendige strijd van deze intellectuele reus en zijn onvermogen te schrijven en eenvoudig gelukkig te zijn. Irene wist: ‘zijn strijdperk was het schrijven.’ Bijna elke nacht verscheurde hij wat hij overdag geschreven had. Hij had, sedert de breuk met zijn ouders, gestreefd naar het schrijven van het verhaal van ‘de nieuwe mens’, los van etniciteit en bekrompen provincialisme tot Irene hem deed beseffen dat literatuur ‘begint bij de bron waar je je in je kindertijd overheen buigt en de duistere angst die je dan aanstaart vanuit de diepte, bij zijn moeder, zijn vader.’ Irene liet hem terugkijken naar zijn kinderjaren bij zijn opa en oma in de Karpaten, naar zijn ouders, zijn altijd maar zwijgende ouders, en tenslotte naar Tina en Helga, die allemaal ‘leefden in de schoot van de Boeg’.  Ernst gaat steeds beter begrijpen dat het zwijgen van zijn ouders juist zo veelzeggend was. Op zijn vraag waarom haar ouders haar niet veel verteld hadden over de oorlog, vertelt Irene hem dat zij ‘van haar ouders geleerd had dat je over lijden zonder betekenis (zonder zin) beter kon zwijgen’. Ook voor zijn eigen ouders begrijpt Ernst de diepe betekenis van deze gedachte en: ‘Als hij hun stilte hoorde, kromp hij ineen en rilde’.

    Plotseling, liefde
    Ernst gaat steeds eenvoudiger schrijven en Irene gaat hem steeds beter begrijpen. Hij schreef oorspronkelijk in het Duits, maar mengt er steeds meer Hebreeuwse zinnen door. Dat legt zij uit als een goed teken. Aanvankelijk droomden zij beiden hun eigen dromen over hun jeugd in de Karpaten, maar tenslotte dromen zij elkaars dromen.

    Kafka
    Wat een prachtig boek is dit! Aharon Appelfeld zou je een meester op de vierkante millimeter kunnen noemen. In tweehonderdvijftig pagina’s weet hij in kraakheldere bewoordingen twee door de geschiedenis getekende levenslijnen ineen te vlechten tot één sterk koord. De psychologische diepgang van het boek is dan ook groot. Ernst en Irene zijn beiden slachtoffer en gevangene van hun verleden, maar hun redding is ook gelegen in de geschiedenis, hun eigen roots. Als Ernst dat beseft, durft hij weer vrijuit te schrijven. Appelfeld zegt het zo: ‘Vroeger had Kafka’s werk over Ernst geheerst en was zijn eigen stemgeluid verstikt. Godzijdank was hij onder de vleugels van de grote schrijver vandaan gekomen.’

    Appelfeld schrijft omdat hij wat te zeggen heeft en dat is klasse!!

  • Oogst week 17

     

     

     

    Morgenvroeg in New York

    Bij uitgeverij Cossee is onlangs Morgenvroeg in New York verschenen, het debuut van de Franse Adrien Bosc (1986).

    Morgenvroeg in New York gaat terug naar oktober 1949 als van de Parijse luchthaven Orly een vliegtuig, de Constellation, vertrekt met bestemming New York. Aan boord tal van bijzondere mensen waaronder de geliefde van Edith Piaf, de bokskampioen Marcel Cerdan, de geniale dertigjarige violiste Ginette Neveu, de man achter het wereldwijde succes van de Walt Disney-merchandising, een wereldberoemde mode-illustrator, maar ook een groepje Baskische herders die hun geluk in Amerika gaan beproeven.

    Bosc raakte gefascineerd door wat krantenknipsels en is vervolgens gaan speuren naar de levens van de mensen aan boord en heeft er dit boek over geschreven.

    Morgenvroeg in New York was een groot succes in Frankrijk. Het is bekroond met de Grand Prix du roman de l’Académie française 2014, de Prix littéraire de la Vocation 2014 en de Prix Gironde Nouvelles Écritures 2014. De roman wordt wereldwijd vertaald, onder andere in het Engels, het Italiaans en het Duits. In Nederland is het vertaald door Carlijn Brouwer, een van de vaste recensenten van Literair Nederland.

     

     

    Morgenvroeg in New York
    Auteur: Adrien Bosc
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Het is stil waar het niet waait

    In de boeken van de Belgische schrijfster Elisabeth Marain (1943) zitten vaak autobiografische elementen. Zo ook weer in haar nieuwste roman Het is stil waar het niet waait waarin ze het leven beschrijft van een zeeman en dat van zijn gezin aan wal. Marains eigen vader was zeekapitein en dus soms lang van huis.

    Ook Gustave is veel van huis. Hij en Julia worden in de Eerste Wereldoorlog verliefd en trouwen met elkaar. Hij is veel weg, zij krijgt zijn kinderen en voedt die voor het grootste gedeelte alleen op. Tijdens de Tweede Wereldoorlog voelt Gustave zich gedwongen om voor de Duitsers te werken wat hem na de oorlog blijft achtervolgen.

    Het is stil waar het niet waait
    Auteur: Elisabeth Marain 
    Uitgeverij: Uitgeverij Vrijdag

    Plotseling, liefde

    Ruben Verhasselt is vertaler van Jiddische en Hebreeuwse literatuur. Hij vertaalde boeken van o.a. Meir Shalev, David Grossman, Sayed Kashua, Judith Katzir, Dorit Rabinyan, Etgar Keret, S. Yizhar. Ook vertaalde hij het onlangs bij Ambo|Anthos verschenen boek Plotseling, liefde van de grote Israëlische schrijver Aharon Appelfeld.

    Plotseling, liefde  gaat over de groeiende liefde tussen een oudere schrijver die met zijn dramatische oorlogsverleden worstelt en zijn jonge ongetrouwde hulp. De Israëlische Ernst, in de zeventig, woont alleen. Zijn eerste vrouw en dochter zijn door de nazi’s vermoord, van zijn tweede is hij gescheiden. Hij wordt verzorgd door Irena, dochter van Holocaust-overlevenden. Langzaamaan geven ze zich bloot en ze beseffen dat ze meer voor elkaar betekenen dan ze dachten wanneer Ernst in een depressie belandt.

     

    Plotseling, liefde
    Auteur: Aharon Appelfeld
    Uitgeverij: Ambo | Anthos
  • Grootse kroniek over lot, moord, boetedoening en liefde

    Grootse kroniek over lot, moord, boetedoening en liefde

    In het begin van de 20ste eeuw heeft Zeëv Tavori grond gekocht in een nieuwe kolonie in Palestina; de staat Israël bestaat nog niet. Hij wil er een kwekerij beginnen. Staande op zijn nog onbebouwde grond, ziet hij in de verte een wagen aankomen, getrokken door een os. Er achter stapt een koe voort. Op de wagen staat een moerbeiboom en op de bok zitten Zeëvs grote broer Dov en de jonge vrouw Roet Blum. Dov haalt, bij Zeëv aangekomen ook nog een geweer uit de wagen. Hij is gekomen om in opdracht van hun vader het geweer, de koe, de boom en de vrouw te brengen: ‘Alles wat een man nodig heeft voor een begin.’

    Een geweer, een koe, een boom en een vrouw is de ook de titel van de sprankelende nieuwe roman van Meir Shalev. In interviews vermeldt de auteur graag dat hij via de lijn van zijn moeder uit een familie van verhalenvertellers komt. De bewijzen daarvan zijn terug te vinden in al zijn boeken. In deze nieuwe roman staat een opvallende passage die de kracht van die verhalen toelicht. Roeta, de kleindochter van Zeëv en lerares Bijbel op de landbouwschool in de kolonie, wordt op 85-jarige leeftijd (de staat Israël is er intussen dus), geïnterviewd door Varda Canetti, die de geschiedenis van deze nederzetting onderzoekt. Meer specifiek: genderspecifieke kwesties binnen de kolonie. Roeta bewandelt, verhalenverteller als zij is, in het interview steeds zijpaden en als Varda haar daarbij onderbreekt omdat ze graag op haar onderwerp ‘gefocust’ wil blijven, antwoordt Roeta:

    De geschiedenis van de Joodse nederzetting bestaat, met alle respect, niet alleen uit congressen, scheuringen, waarden, de status van de vrouw, de houding tegenover de Arabieren, Ben-Goerion. De geschiedenis bestaat in de allereerste plaats uit liefdes en haatgevoelens, geboorten, sterfgevallen en wraaknemingen, en families – vader en moeder, zuster en broeder, schoonzoon, schoondochter, klein- en achterkleinkinderen -, en niet zoals in het liedje in een gouden keten, maar op een houten wagen, met een geweer, een koe, een boom en een vrouw. Dat is wat overal de geschiedenis heeft gevormd en dat is wat die hier heeft gevormd.

    De werkelijke geschiedenis is niet te vinden in statistieken en politiek maar in verhalen, zo is de lezer duidelijk.

    Aan de hand van wat Roeta (ze heet eigenlijk Roet, net als haar grootmoeder) aan Varda vertelt, maar ook op basis van de geschiedenis van haar familie die ze voor zichzelf heeft opgeschreven, krijgt de lezer stukje bij beetje een qua sfeer bijna mythisch verhaal voorgeschoteld vol wreedheid, wraak en geheimen, maar ook vol vriendschap en liefde. Door te kiezen voor Roeta als de vertelster die wordt geleid door de vragen van een interviewster, kan Shalev heen en weer springen in de tijd en de lezer stukje bij beetje details geven van een geschiedenis waarvan de volle impact pas op de laatste bladzijden voor de lezer wordt ontsluierd. En zelfs dan nog blijft er veel over dat hij zelf mag invullen.

    Vertelster Roeta is het kleinkind van opa Zeëv en oma Roet (de vrouw op de wagen). Haar eigen ouders zijn nagenoeg afwezig in de roman. Pas tegen het einde blijkt dat Roeta haar vader verloor toen ze een klein meisje was – meer dan een zin wordt daar niet aan gewijd. Haar moeder is evenmin erg aanwezig. Duidelijk is dat ze naar Amerika is vertrokken en de opvoeding van haar kinderen, Roeta en haar broer Dovik, heeft overgelaten aan hun opa en oma.

    Op de bruiloft van haar broer Dovik (hij trouwt met Dalia), ontmoet Roeta haar toekomstige man Etan. Opa Zeëv en Etan raken onafscheidelijk. Ze hebben een band met elkaar waarvan de lotsbepaling ook voor Roeta zelf pas veel later duidelijk wordt: pas ‘twaalf jaar na de ramp’, zoals deze episode steeds wordt aangeduid. Shalev onthoudt de lezer lang zicht op wat met die ‘ramp’ wordt bedoeld, al is snel duidelijk dat zij te maken heeft met Neta, het enige kind van Roeta en Etan.

    De ‘ramp’ blijkt parallellen te hebben met een groot drama in het leven van opa en oma, volgend op een jaar waarin drie boeren zelfmoord pleegden. Dat het zelfmoord was, daarin berust iedereen althans, want ‘de vuile was hang je niet buiten’. Bovendien heeft de politie nooit achterhaald wat er werkelijk is gebeurd.

    Shalev beneemt de lezer af en toe de adem in de opbouw van zijn roman, die ondanks de spanning en de tragiek toch een lichte toon houdt en zelfs af en toe humoristisch is. Zo laat Shalev opa zeggen dat ‘koeienmest stinkt, ook als ze van socialistische kalveren of zionistische koeien is’.

    Daarnaast zit het boek vol symboliek en prachtige metaforen en is het prachtig van taal. Dat zit in de keuze van namen (de vader van Zeëv heeft zijn zonen Zeëv, Dov en Arjee genoemd, Hebreeuwse woorden voor wolf, beer en leeuw), in de krachtige kenschetsingen (‘Zeëv Tavori was lang van stuk, kort van lont’), in het spelen met woorden (Etan is in zijn diensttijd ‘gehard’, maar Roeta ‘gezacht’) en de beeldende vergelijkingen (‘De berg [Tabor] is mooi, bijzonder, als een vrouwenborst vol melk, als een buik in de zevende maand’), maar vooral in de verwevenheid van landschap en familiegeschiedenis. Het leven is in de vertelwijze van Shalev letterlijk vergroeid met de planten op de kwekerij van opa waarop Etan en Roeta ook werken. Zeëv weet alles van zaden. Zijn familie die verspreid is geraakt vergelijkt hij met het kruiskruid waarvan de zaden door de wind naar geheel nieuwe groeiplaatsen worden gevoerd. En de tragische gebeurtenissen spelen zich af rond drie bomen die prominent figureren in de roman, de moerbeiboom die al op de kar stond, een acacia in de Negevwoestijn en de johannesbroodboom in opa’s favoriete wadi.

    Van W.F. Hermans is vaak gezegd dat in zijn werk geen mus van het dak valt zonder dat dat gevolgen heeft. Misschien gaat dat wel op voor elke goede roman. Het geldt zeker voor Een geweer, een koe, een boom en een vrouw. Er staat geen detail in het boek dat zonder betekenis blijft. Zo neem je als lezer aanvankelijk tamelijk achteloos tot je dat opa Zeëv een oog verloren heeft omdat hij er ooit een tak in heeft gekregen. En dat hij dat aanvankelijk afdekte met een zeeroverslapje, zoals de Israëlische staatsman Moshe Dayan droeg, tot Roeta dat vervangt door lapjes met bloemversieringen. Of hoe onderhoudend opa kan vertellen over spoorzoeken in de natuur en hoe je kunt zien of een steen op zijn oorspronkelijke plek ligt. Maar vele, vele pagina’s verder blijken de tak, het zwarte lapje, de bloemetjes en de steen geladen te zijn met betekenis.

    Een geweer, een koe, een boom en een vrouw is een vol boek, hard en ontroerend. Een grootse kroniek over lot, moord, boetedoening en liefde. Een roman die lang blijft nazinderen.

     

    Een geweer, een koe, een boom en een vrouw

    Auteur: Meir Shalev
    Vertaald uit het Hebreeuws door Ruben Verhasselt
    Verschenen bij uitgeverij Ambo Anthos (2014)
    Aantal pagina’s: 366
    Prijs: € 19,99

  • Zo mooi dat het bijna pijn doet

    Zo mooi dat het bijna pijn doet

    Het verhaal van Chirbet Chiz’a van S. Yizhar speelt zich af tijdens de Arabisch-Israëlische oorlog van 1948. Vlak na deze oorlog is het ook gepubliceerd. Een groep Israëlische soldaten moet een Palestijns dorp ontruimen en de bewoners wegvoeren. De enorme spanningen binnen de groep en de onverbloemde weergave van de gedachten en daden van de soldaten maken het lezen van deze novelle tot een fantastische ervaring.

    Het boek leest alsof S. Yizhar er zelf bij is geweest, alsof hij de soldaat is die het verhaal vertelt. Een verhaal dat deze soldaat eigenlijk niet van plan was om te vertellen, maar eerder wilde vergeten, of te ‘verdrinken in de drukte der dagen’. Het lukt hem echter niet datgene dat hij heeft meegemaakt te bagatelliseren, hij moet er iets mee. In prachtige zinnen van soms een halve pagina lang blikt hij terug op de dag die hij niet kan vergeten.

    De groep soldaten waarvan hij onderdeel is komt ‘op een prachtige, heldere wintermorgen’ aan op de heuvelrug boven het dorp Chirbet Chiz’a. De lezer heeft dan al kennisgemaakt met een aantal van de soldaten. Schoon gewassen en gevoed zijn ze ’s ochtends op pad gegaan, lopend door het landschap en de natuur die prachtig wordt beschreven.  Tijdens het wachten op het bevel om in actie te komen maken we ook kennis met de haat van de soldaten jegens de Arabieren. ‘Het zijn geen mensen.’ Dit blijkt ook op het moment dat de groep in actie komt. Tijdens de beschieting van het dorp wordt op vluchtelingen geschoten alsof het een wedstrijd is. De verteller die zich ook laat meeslepen door zijn ‘jachtinstinct’ merkt dat hij opgelucht is als er alleen misgeschoten wordt. Tegelijkertijd ervaart hij dat echter ook als verraad.

    Uiteindelijk trekken de soldaten het dorp in om de achtergebleven bewoners te verzamelen. ‘De stilte van een troosteloze verlatenheid. Je hart kromp ineen…hief dat grote, sombere dorp een lied van ontzielde voorwerpen aan; een lied van menselijke daden,…’ De frustratie van de soldaten en die van de verteller worden de lezer langzaam duidelijk. Ze willen niet dorpen ontruimen, ze willen vechten of naar huis, naar hun geliefden. Het opjagen en verzamelen van weerloze burgers en hun sjofele spulletjes is geen eervolle taak. Sterker nog: ‘Al mijn snaren waren aangeroerd. De aanklacht van ons volk tegen de wereld: ballingschap! Ik had het kennelijk met de moedermelk ingezogen. En wat richtten we hier vandaag eigenlijk aan? Wij, Joden, legden hun die ballingschap op.’

    S. Yizhar weet de enorme gespannenheid, frustratie en haat van de soldaten fantastisch te beschrijven. Het hele boek is vervuld van een onheilszwangere sfeer en talloze verwijzingen naar de bijbel, afgewisseld met prachtige natuurbeschrijvingen. Het gedrag van de Palestijnse boeren, die zich niet lijken te beseffen hoe labiel de soldaten zijn en hoe dicht zij daardoor soms bij de dood zijn is fascinerend beschreven. De vertaling van Ruben Verhasselt is zeer goed op een enkele kromme zin na (‘Uit de nood werden we gered door de…’) die misschien ontstaan doordat hij zich zo laat meeslepen door de bijna poëtische taal van Yizhar. Lees ook het stuk van Michaël Zeeman achter in het boek over Yizhar. Het boek is in de woorden van Ian McEwan en Michaël Zeeman inderdaad ‘Pijnlijk belangrijk’, maar ook zo mooi dat het bijna pijn doet. Een prachtig kleinood.

     

    Het verhaal van Chirbet Chiz’a

    Auteur: S. Yizhar
    Vertaald door: Ruben Verhasselt
    Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum
    Aantal pagina’s: 96
    Prijs: € 14,95

  • ‘Afdalen in de innerlijke onderwereld’ 

    ‘Afdalen in de innerlijke onderwereld’ 

     Schrijven over de dood van je kind. Het moet een van de moeilijkste opgaven zijn voor een schrijver, maar het kan hem ook helpen zijn verdriet te verwerken. A. F. Th. van der Heijden bracht vorig jaar zijn in 2010 overleden zoon Tonio tot leven in de indrukwekkende, gelijknamige roman die bekroond werd met de Libris Literatuurprijs. In Uit de tijd vallen, de vertaling van Grossmans Nofeel mi-choets la-zeman, heeft de dood van het kind een algemener gezicht gekregen.

    Grosmanns roman wordt bevolkt door kleurrijke personages die allen – recentelijk of in een ver verleden – een kind verloren hebben. Deze personages, waaronder een stotterende vroedvrouw, een oude rekenonderwijzer en een gefrustreerde centaur, hebben de dood van hun kind nog niet verwerkt. Met behulp van hun dagelijkse bezigheden onderdrukken ze de pijn die hen van binnen opvreet. Op een zekere dag houdt één van deze personages, ‘de lopende man’, het niet langer vol en besluit hij zijn zoon op te zoeken in de ‘innerlijke onderwereld’. Hij neemt afscheid van zijn vrouw en laat huis en werk achter. Tot zijn grote verbazing sluiten vele andere ouders van overleden kinderen zich bij hem aan.

    Al in het begin van de roman wordt duidelijk dat Grosmann het thema van het overleden kind niet op een realistische manier heeft uitgewerkt, zoals Van der Heijden dat doet in Tonio. De personages hanteren een poëtische taal waarin zij beter hun sterke emoties en gedachtekronkels kunnen uitdrukken. Soms leidt dat tot prachtige passages, zoals ‘Tot een ongekende eenzaamheid veroordeelt de rouw de levende, die als een zieke door zijn ziekte wordt gehuld in eenzaamheid’. Andere passages hebben een nogal cryptisch karakter, zoals ‘Ik kon het toen niet, durfde niet te kijken in je oog, dat ene, het waanzinnige, in je verdwenenheid’. In de loop van het verhaal maakt het poëtische taalgebruik plaats voor meer prozaïsche zinnen, waardoor Uit de tijd vallen doet denken aan een Griekse tragedie: ook daarin wordt het innerlijk van de personages breed uitgemeten en is sprake van een externe vertelinstantie (het koor), die in Grossmans roman wordt belichaamd door de stadschroniqeur.

    Het beeldende en abstracte taalgebruik van de personages hangt samen met de ongedefinieerde, tijdloze ruimte waarin ze zich bevinden. De stadschroniqeur, die aanvankelijk alleen de gebeurtenissen registreert maar in de loop van het verhaal ook meer over zichzelf gaat schrijven, schetst een donkere, verlaten stad die bevolkt wordt door eenzame zielen. Eén van hen is de centaur, die – omringd door de kinderspullen van zijn overleden kind – al schrijvend zijn leed probeert te verwerken. In een stoet lopen de personages in een cirkel om de stad heen, behalve de centaur, die als schrijver aan de zijlijn staat.

    David Grosmann schreef dit boek op basis van eigen ervaringen. In de zomer van 2006 sneuvelde zijn zoon in Libanon toen zijn tank slechts een paar uur voor de wapenstilstand werd getroffen. De Israëlische auteur had ervoor kunnen kiezen om er een persoonlijk verslag van te maken, maar in plaats daarvan maakte hij de ‘rouw om het verloren kind’ in het algemeen tot thema. Grossman verenigt in zichzelf zo twee personages uit zijn boek, namelijk de centaur en de stadschroniqeur. De centaur als creatieve geest die zijn eigen verdriet en herinneringen op papier zet, de stadschroniqeur als verslaggever die het leed van anderen probeert te vangen en te begrijpen. Ironisch genoeg raken juist deze twee personages met elkaar in conflict, omdat de stadschroniqeur geen toegang krijgt tot de herinneringen van de centaur en de centaur de stadschroniqeur een gebrek aan authenticiteit verwijt. Toch is het juist deze combinatie van creativiteit en het vermogen om andermans leed te verwoorden, die Uit de tijd vallen tot zo’n waardevol boek maakt.

    Natuurlijk, je kunt Grossman kwalijk nemen dat hij zijn personages niet dieper heeft uitgewerkt. Want veel over hen komen we niet te weten. Het zijn types, mythische figuren die leven in een donkere, tijdloze wereld. Maar dat maakt Uit de tijd vallen niet zozeer tot een slechte roman, als wel tot een heel bijzondere, ongewone roman. Grossmans nieuwste boek is eigenlijk meer een gedicht rond het thema van het overleden kind, een aaneenschakeling van mantra’s (de ondertitel van Uit de tijd vallen is ‘Een verhaal in stemmen’). Vertaler Ruben Verhasselt heeft dit hybride literaire werk in krachtige, afgeronde volzinnen omgezet die je – zowel door ritme als woordkeuze – de pijn van de personages van dichtbij doen voelen.

     

  • ‘Het is moeilijk een verhaal te verzinnen met de loop van een geladen pistool op je gericht.’

    Het is moeilijk een verhaal te verzinnen met de loop van een geladen pistool op je gericht. Maar de kerel staat erop. “In dit land,” verklaart hij, “moet je, als je iets wilt hebben, dwang gebruiken.”’

    (…)

    ‘“Er zitten twee mensen in een kamer,” begin ik. “Ineens wordt er aan de deur geklopt.”’

    Bij dit eerste verhaal in de bundel van Etgar Keret denk ik onmiddellijk aan het wereldberoemde toneelstuk La cantatrice chauve (De kale zangeres). Het is inderdaad maar een hele kleine stap terug naar het Théâtre de l’Absurde van Eugène Ionesco (1909-1994) en naar dit eerste absurdistische toneelstuk dat in 1950 voor de eerste keer opgevoerd werd en dat nu nog steeds speelt in Théâtre de la Huchette in Parijs! Hierin komt een brandweerman aanbellen om te informeren of er echt niet een klein brandje is om te blussen. Zijn opdracht is alle branden te doven in de stad (…). En de zaken gaan slecht, er zijn geen serieuze branden meer. Dus is de premie ook laag. De anderen in de kamer voeren sinds het begin van het stuk een dialogue de sourds, kort gezegd, het is alsof zij redelijke dingen zeggen, maar zij lijken elkaar niet te horen, hun antwoorden raken kant noch wal en het loopt uit in complete wartaal. De absurditeit ten top! Maar wel heel komisch! De spiegel die ons op deze manier wordt voorgehouden geeft in wezen een heel tragisch beeld van de mensheid!  Voldoende stof om over na te denken.
    Zo ook bij Keret.

    Keret beschrijft in 39 korte verhalen een ons vertrouwde, bekende, hele gewone wereld. Het is alsof wij de mensen over wie hij schrijft al kennen. Het zou de buurman kunnen zijn. Of je directeur, je leraar, misschien wel je vader of je zoontje. Al spoedig echter, neemt het verhaal een onverwachte wending en eindigt het nog verrassender. De lezer heeft even met de personen mogen meelopen. Maar mag het zelf verder uitzoeken.
    Kerets eerst zo realistische beschrijving van de beginsituatie gaat ongemerkt over in een gefantaseerde, gedroomde, leugenachtige en soms zelfs surrealistische werkelijkheid. Zijn humor hierbij is ongeëvenaard! Keret vindt het heerlijk om de wereld om hem heen te bespotten. In eenvoudige woorden, in weinig zinnen, weet hij door zijn gekke, absurde beschrijvingen meedogenloos de zwakke punten in de samenleving aan te wijzen.

    Hoewel er geen onderling verband is tussen de verhalen of de personen, is er wel degelijk een duidelijke leidraad te ontdekken. Al zijn personen proberen zich te onttrekken aan de realiteit die hen benauwt, angstig maakt, die ze kost wat kost willen ontvluchten. Ze belanden ook vaak ‘naast het verhaal’ door bijvoorbeeld hun reïncarnatie. Maar, ze weten steeds een oplossing te vinden voor hun ongelukkige situatie. Ze gaan over tot actie, bewust of onbewust, want ze geloven nog in het leven en dat is positief!
    Misschien zou je daarom zelfs kunnen zeggen dat deze 39 verhalen eigenlijk 39 ‘therapeutische’ oefeningen zijn om te ontsnappen aan de ons omringende negatieve wereld, om anders te leren leven, om beter om te kunnen gaan met de dood, met een scheiding, een ongelukkige liefde, met eenzaamheid, met zinloos geweld. 39 Levenslessen dus.

    Zoals hiervoor reeds opgemerkt, zijn de verhalen van Keret doortrokken van veel sarcastische humor, soms zelfs morbide humor die overigens op geen enkel moment tranen trekkend is. In sommige verhalen vindt men ook de zo specifieke joodse humor terug. Heerlijk! ‘En Osjri zei gedag met een knipoog, want als je rechterarm is verlamd zit handen schudden er niet in (…).’

    Vanaf het eerste tot en met het laatste verhaal is het duidelijk dat de achtergrond Israël, het Midden-Oosten is. In elk verhaal is ofwel de schaduw, de dreiging of de gevolgen van terrorisme merkbaar. De aanwezigheid van engelen en diverse positieve reïncarnaties zorgen daarbij voor een tegenstrijdig beeld die de werkelijkheid verzachten.
    Keret schrijft over Israëlische mannen, vrouwen en kinderen.
    Niet verwonderlijk, als je weet dat Etgar Keret in Tel-Aviv in 1967 geboren werd, en dat zijn hele leven vanaf het begin een politiek oormerk draagt. Overigens schuwt Keret karikaturale beschrijvingen van zijn geboorteland zeker niet. Lees bijvoorbeeld het begincitaat en het eerste verhaal.

    Alle 39 verhalen zijn zeer de moeite waard! Deze stuk voor stuk bespreken is dan ook niet aan de orde, maar toch, om de nieuwsgierigheid te prikkelen…:

    In ‘De Teef’ ziet een weduwnaar in een hondje het gezicht van zijn overleden vrouw Chalina. En zij praat met hem!
    ‘“Ben je nu blij?” vroegen de ogen van de poedel. “Het gaat” Hij keek terug. “Het is moeilijk alleen te zijn. En jij?” “Niet slecht”. De poedel opende zijn bek in wat bijna een glimlach leek. “Mijn bazin zorgt goed voor me, ze is een goede vrouw. Hoe gaat ’t met onze dochter?”’

    Hoofdpersoon Osjri in ‘Slecht Karma’ probeert in zijn nachtelijke dromen de coma opnieuw te beleven waarin hij zes wekenlang heeft gelegen na een ongeluk. ‘Hij herinnerde zich de kleuren en de smaak en de frisse lucht die zijn gezicht verkoelde. Hij herinnerde zich de afwezigheid van herinnering. (…) Hij wist niets, alleen dat hij leefde. En alleen die wetenschap vervulde hem van een enorm geluk.’ (…) ‘Je behoort geen geluk te beleven aan je coma terwijl de vrouw en dochter zich aan je bed de ogen uit hun kop huilen. Dus toen zij vroegen of hij zich er iets van herinnerde, zei hij van niet.’

    In ‘Pudding’ droomt Avisjai dat hij weer kind is en bij zijn moeder woont die heerlijk eten voor hem klaar maakt… Hij stelt het moment van wakker worden uit om dit gelukzalige gevoel te laten voortduren.

    In ‘Goudvis’ maken we kennis met een goudvis die de drie wensen van Sergei laat uitkomen. Maar wat wordt nu zijn derde wens?

    In ‘Guave’ verscheen 40 seconden vóór Sjkedi aan zijn eind kwam, een engel, helemaal in het wit, die hem meedeelde dat hij een laatste wens kreeg. Wat wenst Sjkedi? ‘Vrede op aarde!’.
    En hoe gaat het verhaal dan verder?

    Zou de lezer dezelfde beslissing hebben genomen als de patholoog-anatoom in  ‘Verrassingsei’ toen hij bij autopsie van een slachtoffer van een zelfmoordterrorist bemerkte dat deze jonge vrouw van 32 jaar binnen zeer korte tijd een onvermijdelijke dood zou zijn gestorven? De echtgenoot het wel vertellen of niet? De filosofische gedachten van deze arts zijn zeer de moeite van het lezen waard. Misschien is dit wel het mooiste verhaal van de bunde! Het enige verhaal overigens dat een opdracht heeft ‘Voor Danny’ en al eerder verschenen is in Gaza Blues (2006).

    Verrassing van Etgar Keret verscheen oorspronkelijk bij Kinneret Zmora-Bitan Dvir als PitomDfika Ba-Delret. Deze verhalen werden uit de Amerikaans-Engelse vertaling (Suddenly, a Knock on the Door) vertaald door Adriaan Krabbendam onder supervisie van Ruben Verhasselt, die de tekst vergeleek met de Hebreeuwse brontekst. De Nederlandse vertaling is erg eigentijds. Korte, simpele zinnen. Veel spreektaal. Als korte scenario’s voor een film.

    Nog een laatste citaat, uit ‘Verrassingsei’. Veel van de genoemde pluspunten zijn hierin verenigd.

    ‘Slachtoffers van aanslagen worden voor autopsie overgebracht naar het Instituut voor Forensische Geneeskunde (…). Veel mensen met sleutelposities in de Israëlische samenleving zetten vraagtekens bij deze procedure (…)  “Een lijk is geen verrassingsei dat je openmaakt zonder te weten of je er een zeilscheepje, een raceautootje of een koalabeertje in zult aantreffen. Want als ze sectie verrichten, vinden ze altijd dezelfde dingen: kogeltjes, spijkers of metaalscherven. Kortom, heel weinig verrassingen. Maar in dit geval. (…)’

    Van Etgar Keret verscheen onder meer de bundel Pizzeria Kamikaze. Zijn boeken verschijnen in meer dan 30 landen en hij publiceert onder andere in The New York Times en Le Monde. Naast schrijver en universitair docent is Keret filmmaker.