Een natuurramp heeft verwoestende gevolgen, maar kan ook ten voordele werken voor wie iets te verbergen heeft. Of wanneer het iemand van harte gegund is dat alle sporen worden gewist van een daad die per ongeluk gepleegd werd. Zoals in de novelle Een dagje in de stad van Ru de Groen.
Evenals in zijn debuut, Anna, Ode aan een kattenstaart (2014) en Zonen van De Farao (2017) toont De Groen zich een voortreffelijk verteller die met soepele pen de wereld van weleer oproept. Nu en dan roept het boek een sfeer op die doet denken aan de boeken van Thomas Rosenboom. Verzorgd taalgebruik en een goed oog voor historische details die als een natuurlijk gegeven zijn opgenomen in het verhaal kenmerken het werk van De Groen. ‘Op tafel lag een stapel tijdschriften. (…) Jaap pakte het bovenste nummer eraf. De Spiegel las hij, Christelijk Nationaal Weekblad, 1952.’ En: ‘Ze liep naar het dressoir en zette de radio uit.’
Luchtige verteltrant
Het betreft een familiedrama dat wordt verteld in een nacht en een dag, in korte zinnen en korte hoofdstukken. Aan de vooravond van de watersnoodramp op 1 februari 1953, krijgt de in Rotterdam woonachtige Stoffer Picavet, onverwacht bezoek van twee kinderen. Het zijn de kinderen van zijn broer, (Jaap van veertien en Anna van acht) van het eiland Goeree-Overflakkee. Picavet en zijn broer zijn al jaren gebrouilleerd. In de nacht die volgt vertelt Jaap aan zijn oom waarom ze gevlucht zijn. Er is sprake van incest en moord op de vader, (die Jaap steevast ‘de boer’ noemt). Er spreekt een zekere luchtigheid uit de wijze waarop deze ernstige gebeurtenissen te berde worden gebracht. Er wordt niet uitgeweid over hoe de kinderen zelfstandig het eiland hebben kunnen verlaten, hoe ze bij de boot kwamen, of ze geld voor de reis hadden.
Een dagje uit
Picavet vangt de kinderen liefdevol op en ziet in zijn neef een dappere jongen die zijn zusje heeft gered. ‘Verantwoording nemen voor je daden’ wordt een leidend thema in het verhaal. En – zoveel is duidelijk – Jaap wil terugkeren naar het eiland om onder ogen te zien wat er allemaal gebeurd is.
Maar eerst neemt Picavet de kinderen mee de stad in. Ze gaan op bezoek bij zijn vriendin Mimi – garderobejuffrouw in een huis van lichte zeden – en een bezoek aan Blijdorp en de Kuip staan op het programma. Voor Jaap heeft Mimi – een wat bevreemdend gegeven in het verhaal – een verrassing in petto. Ze laat hem kennis maken met een van de prostituees op haar werk. De gedachte is – met het oog op zijn wellicht sombere toekomst – dat hij in ieder geval de lijfelijke liefde gekend zal hebben. Met het incestverleden van de jongen in het achterhoofd voelt dit wel wat geforceerd aan. Het is niet iets waar de jongen om staat te springen. Toch vergeef je dit de schrijver, omdat je voelt dat hij ergens heen wil, en als lezer wil je mee.
Een dagje in de stad is zeer prettig geschreven, het leest vlot en na afloop denk je: wat een pareltje is deze novelle eigenlijk. Ondanks de gruwelijke geschiedenis van de kinderen en het prostitueebezoek is het een zeer sympathieke vertelling. Gaandeweg leef je zo met ze mee dat je hoopt dat de kinderen bij hun oom en zijn vriendin kunnen blijven.
De terugweg
Als Picavet aan de vooravond van die beruchte watersnoodramp alleen met Jaap naar Goeree-Overflakkee reist, ontwikkelt de wind zich tot een storm. Tijdens de autorit van Rotterdam naar Hellevoetsluis, vraagt Picavet zich af of de boot nog zal varen in deze storm. Wanneer ze aankomen in de haven zijn de laatste regels van het boek:‘“Jaap we zijn er,” zei hij [Picavet] tevreden. “Kom snel nu. De boot wacht niet.” Morgen zou het alweer februari zijn.’ Einde verhaal.
Wassend water
Maar daar kun je het als lezer niet bij laten. Die korte laatste zin lijkt een bezwering te bevatten. Alsof de schrijver je ertoe wil aanzetten er meer uit te halen dan wat je gelezen hebt. Je bladert terug, op zoek naar iets wat je gemist hebt om te weten waar dit einde toe leidt. Je leest nog eens het laatste hoofdstuk getiteld ‘Schoonschip’. Leest hoe Anna aan Mimi vraagt wat ozewiesewozewiesewallakristalla betekent. Mimi zegt dat het betekent ‘gered worden door het water’. Waarop Jaap reageert: ‘Water wast de zonden weg.’
En dan zie je ze daar opnieuw staan aan de haven, wachtend op de veerboot en begrijp je dat – of ze die boot nu halen of niet – alle sporen van het drama uitgewist zullen worden door het wassende water. Er zal geen spoor overblijven dat te herleiden is naar een moord. Een prachtig eind goed al goed. Het wordt duidelijk dat De Groen vanaf het begin hierop aanstuurde: alle zonden zullen worden schoongewassen zodat er opnieuw begonnen kan worden. Deze novelle heeft iets van een sprookje. Verrassender en mooier kon de schrijver het niet bedenken.
Voordat de Peruaanse regisseur en presentator Renato Cisneros in staat was zijn eigen familiegeschiedenis te onderzoeken en over zijn vader – ‘de beruchte ‘El gaucho’, een controversieel, machtig en gewelddadig politicus’ – te schrijven, moest er tijd verstrijken en had hij het nodig om ook letterlijk afstand te nemen. Cisneros woont inmiddels in Madrid en is inmiddels vooral schrijver. In De afstand die ons scheidt onderzoekt hij de relatie met zijn vader en vraagt hij zich af of hij ooit in staat zal zijn hem te begrijpen. Om van verzoeken nog maar niet te spreken. Zijn (zelf)onderzoek levert behalve het verhaal van een vader en een zoon ook het verhaal over een land dat lijdt onder een fout regime.
De afstand die ons scheidt werd genomineerd voor de Premio Vargas Llosa en de Prix Médicis.
Auteur: Renato Cisneros
Uitgeverij: Uitgeverij De Geus (2018)
Een dagje in de stad
Een jongen en zijn zusje vluchten eind januari 1953 naar Rotterdam waar ze hopen onderdak te vinden bij hun door hun vader vanwege onzedelijk gedrag van Goeree-Overflakkee verbannen oom. De oom herkent zijn neefje en nichtje nauwelijks, maar stelt zich gastvrij op, gaat een dagje gezellig met de kinderen op stap. Maar ondertussen weegt de familiegeschiedenis zwaar (de vader blijkt een grotere zondaar dan zijn broer) en dan weten ze nog niet eens wat hen te wachten staat.
Een dagje in de stad is een kleine roman over grote tijdloze thema’s die speelt in een roerige periode in de Nederlandse geschiedenis.
Auteur: Ru de Groen
Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot (2018)
Want de avond
‘Want de avond is het volstrekt opzichzelfstaande vervolg op Kwartet (2014)’, staat er op de flaptekst van de nieuwe roman van Anna Enquist. Dat is natuurlijk niet helemaal waar, want Want de avond volgt de personages uit Kwartet nadat zij tijdens een repetitie het slachtoffer zijn geworden van een aanslag op een woonboot. Ze moeten met de gevolgen dealen, en hoe ze dat doen, beschrijft Anna Enquist in haar nieuwe roman.
Die personages werden in Kwartet achtervolgd door verlies en vonden troost bij elkaar en in de muziek. De vraag is of zij nog meer tegenslag kunnen verwerken en niet opnieuw op zichzelf teruggeworpen worden.
Wat drijft iemand te willen schrijven, om schrijver te worden. Is het de romantiek of is het noodzaak? Er schijnen in Nederland een miljoen mensen te zijn die een boek willen schrijven, je kunt er een hard hoofd in hebben of gewoon gaan schrijven. Want met alleen ‘willen’ kom je er niet, de pen moet ter hand genomen worden en dan moet er nog een uitgever te vinden zijn die met je in zee wil. Uitgegeven te worden is één ding, opgepikt door de media en een lezersschare vergaren, een tweede. En niet elk boek wordt met eenzelfde enthousiasme ontvangen. Ook dat is bekend. Daarom een beginnend schrijver onder de aandacht.
In gesprek met Ru de Groen (1957) die in 2014 debuteerde met de roman Anna. Ode aan een kattenstaart en in maart van dit jaar zijn tweede roman De zonen van De Farao uitbracht, beiden bij De Geus. In het dagelijks leven is De Groen zelf uitgever van jubileumboeken voor bedrijven bij Uitgeverij Krikke Special Books. Daarvoor was hij jarenlang agent van kinderboekenschrijver Max Velthuijs en bedenker van de merchandising (Kids at Work) waar onder meer een reeks van Kikkers, Eenden en Varkens, spelletjes, posters, ansichtkaarten en bekers ontstond die dankbaar aftrek vond in boekhandels. Maar De Groen wilde meer dan het handelen in aanverwante artikelen van de literatuur.
We treffen elkaar op een maandagmorgen in Arnhem bij café Momento ondergebracht bij cultuurhuis Rozet; hij vanuit een parkeergarage, wandelend door de stad, ik vanaf het station, hem opwachtend. Bij de entree bewondert hij het indrukwekkende gebouw, een bolwerk voor kunst, talen en de letteren. Op de vraag of hij het kon vinden antwoordt hij: ‘Jaja’, en er volgt iets over een verkeersomleiding en de gps die dat niet oppikte, ‘Maar je kunt gelukkig nog altijd de weg vragen. Je hebt altijd je mond nog,’ besluit hij. Met gerinkel van vaatwerk op de achtergrond en Indie muziek – mengeling van Twin Oaks en Norah Jones – uit de speakers, bestellen we twee cappuccino’s en een kan water.
Hij wilde altijd al schrijven maar het kwam er niet van. Wel schreef hij liedteksten, en natuurlijk voor de uitgeverij, de jubileumboeken. Zoals laatst een boek over Grolsch dat 400 jaar bestond en waar familie van zijn vaderskant ook nog eigenaar van is geweest. Maar een roman schrijven werd op de lange baan geschoven. Tot hij enkele jaren terug als meelezer een beginnend schrijver adviseerde. Tijdens het meelezen en overleggen over het manuscript, besefte hij, dat wat hij nu voor een ander deed, zelf wilde.
‘Het was op een maandagavond, 19.12 uur’, herinnert hij zich, als was het de markering van een belangrijk moment. Die avond begon hij te schrijven aan een verhaal dat zich al lange tijd en meerdere malen in zijn hoofd had afgespeeld. De aanleiding was een voorval zoals dat onder scholieren kan voorkomen.
‘Ik fietste met een vriendje door een straat toen er een meisje, gekleed in een plissé rokje en met een lange vlecht, aan kwam lopen. Dat vriendje riep opeens: ‘Hee! Pies Kattenstaart!’ Ik schaamde me daarvoor maar ik zei niets. Het is me altijd bijgebleven. En ook wat dit voor dat meisje betekend moest hebben want op school werd ze nog lang zo genoemd.’
Uit deze herinnering ontstond zijn debuutroman Anna. Ode aan een kattenstaart, dat bovenaan de lijst belandde van ‘De debutanten top 5’ van best verkochte debuut bij boekhandel Athenaeum in Amsterdam. Dezelfde boekhandel waar hij in 1976 als student Nederlands voor de etalage stond en dacht: ‘Hier kom ik een keer te liggen.’
De Groen heeft een optimistische instelling en praat makkelijk over zijn boeken en kan, niet alleen in zijn schrijven maar ook in zijn spreken, lichtelijk archaïsch genoemd worden. Om nu te zeggen dat hij aan een ‘hang naar vroegere tijden’ lijdt, is misschien teveel gezegd, maar dat er in zijn boeken geen mobiel verkeer zal voorkomen, is geen toeval.
Hoe begin je te schrijven?
‘Ik schrijf ’s avonds, op het moment dat een ander op de bank gaat zitten om naar het nieuws te kijken, ga ik naar boven aan het werk. Ik begin pas aan een boek na een lange tijd van nadenken. Als ik dan begin te schrijven heb ik de grote lijnen al wel in mijn hoofd. Ik schrijf direct op de computer en begin met het laatste hoofdstuk. Ik moet weten waar ik naartoe schrijf, het is een soort ankerpunt voor me. Ik tik een pagina per dag. Pas daarna maak ik er goed Nederlands van in mooie zinnen. Dat is wat ik het liefste doe, mooie zinnen maken, daar zit mijn voldoening. De volgende dag hoef ik haast niet meer te herschrijven. Wat mij er niet van weerhoudt dat wel te blijven doen. Maar dat is meer polijsten. Tijdens het schrijven luister ik altijd en afwisselend, naar dezelfde muziek. Satie door Reinbert de Leeuw, Köln Concert van Keith Jarrett en Kind of Blue van Miles Davis en dat keer op keer. Het boek waar ik op dat moment aan werk, is geen moment uit mijn gedachten.’
Wat betekent taal voor jou en welke schrijvers wekken je bewondering?
‘Taal is voor mij een eeuwig spel. Ik speel er de hele dag mee. Of dat nou in gesprekken, in mijn hoofd, in mails of een sms is, ik ben altijd met woorden en taal bezig. Ik hou van pure stylisten als Gerard Reve en Nescio, Theo Thijssen, Elschot. Ik vind dat Reve een van de laatste werkelijke stylisten in de Nederlandse literatuur is.
Maar ik lees ook graag biografieën en memoires. Dit jaar nog Flaubert, Stefan Zweig, Thomas Mann, Paustovsky, Nabokov. Een roman die ik zou willen aanraden is Reunion van de Duits-joodse schrijver Fred Ullman. Daarin wordt alles samengebald in de laatste zin. Erg dun boekje, maar prachtig. Van de hedendaagse romanschrijvers vind ik Stefan Hertmans en Jan Vantoortelboom goed. Zal er wel mee te maken hebben dat hun verhalen veelal in het verleden spelen.’
De zonen van De Farao speelt in de jaren rond de Tweede Wereldoorlog en gaat over een bedrijf, sigarenfabriek De Farao, van een adellijke familie. Het bedrijf kent een roemrijk verleden maar na de tweede Wereldoorlog moeten de bakens verzet worden om het te redden van de ondergang. Aan de tweeling Ewout en Jaap, zonen van de eigenaar de taak om die klus te klaren. Uiterlijk lijken de broers op elkaar in karakter zijn ze elkaars tegenpolen. Waar Jaap, de jongste, zich even miskend voelt als Kain uit de bijbel, een harde werker is maar geen dromen heeft, is Ewout de charmante bon vivant die binnen het bedrijf de kantjes er van afloopt.
Pleeg je onderzoek voor je romans?
‘Mijn debuutroman speelde in Breda, waar ik ben opgegroeid en dus goed ken, daar kon ik zo over schrijven. Met mijn tweede, De zonen van De Farao was dat anders. Ik heb zelf ooit één keer gejaagd, (er is een jachtscene in het boek). Ik wist gelijk dat ik dit nooit meer moest doen, het is veel te aantrekkelijk. Ik heb de jacht, de sigarenfabriek, de oorlog en het studentenleven van Jaap dan ook vooral als decorstukken geplaatst.’
De sfeer in het boek is goed weergegeven, specifieke tijdsbeelden en hoe het er in adellijke families aan toe gaat. Hoe heb je je ingeleefd in de karakters van de tweeling?
‘Ik ken het adellijke milieu alleen uit gesprekken met mensen die er deel van uitmaken. Toen ik Kids at Work nog had, werkten er in het magazijn in Leiden twee studenten, een graaf en een jonkheer. Tijdens de middagpauze vroeg ik hen de oren van het hoofd over omgangsvormen en dergelijke. En ik hoorde een keer op een feestje hoe een jongeman zich beklaagde over het feit dat hij aan alle mores en verplichtingen van de familie moest voldoen terwijl zijn oudste broer, als naamdrager alle credits kreeg. Ik wilde de fabriek en de oorlog alleen als decor, als aanzetten. Wel heb ik Hooggeboren van Ileen Montijn gelezen en Een schitterend isolement van Olga Majeau.’
Werk je tijdens het schrijven met beelden, stereotypen?
‘De figuur van Jaap is gebaseerd op verschillende personen die ik ken. Mensen die nooit een beslissing nemen, het leven overkomt hen. Ze hebben geen ambities en schikken zich naar alles. Dat zijn mooie karakters om uit te werken. En daar kan ik dan herinneringen bij gebruiken zoals die van een man in een verzorgingstehuis die als een zombie in een stoel zat terwijl zijn vrouw hem vertelde hoe thuis de boel veranderd werd (aan het eind van het boek bevindt Jaap zich in een vergelijkbare situatie Iv/dG). En aan de filmacteur Marcello Mastroianni, die in al zijn films de rol van toeschouwer speelt, dat heb ik wel voor ogen gehad tijdens het schrijven. En een moeder van een vriendje, lag altijd in bed, wist niets van haar leven te maken (in het boek is een moeder die altijd in bed ligt of anders afwezig is). Dat blijft me bij en dat schrijf ik uit als ik het gebruiken kan.’
In de klacht van de adellijke jongeman op dat feestje, zag De Groen een Ezau en Jacob verhaal, een Kain en Abel. Maar waar Kain, Abel doodde, sterft Ewout, de oudste van de tweeling, door een ongeluk.
Waarom geen broedermoord?
‘Dat had ik eerst ook wel zo bedacht, maar later vond ik dat de relatie tussen Jaap en zijn broer, genuanceerder moest. Want pas als Ewout dood is, beseft Jaap wat zijn broer voor hem betekent. Dat hij, ondanks de kritiek die hij altijd op hem had, niet zonder hem kan. Arme Jaap, die niet met, maar ook niet zonder zijn broer kon leven.’
Wat doet je schrijven, wat is je drijfveer?
‘De verhalen ontstaan in mijn hoofd. Ik heb veel verhalen in mijn hoofd en die moet ik opschrijven, het moet eruit. Daarbij voel ik geen behoefte de lezer te onderwijzen of te wijzen op misstanden. Ik heb geen missie die ik vervullen moet met schrijven. Het gaat om het creëren van mijn romanpersonages. Ik wil ze leren kennen en zien optreden in relatie met andere personages en hoe ze omgaan met de situaties die ontstaan, dat is een spel dat ik al schrijvende graag speel.’
Publiceren blijft te allen tijde een samenspel van lanceren op het juiste moment, de stand van de maan (wellicht) of de goede luimen van een recensent en vergeet niet de plaats van het boek in de boekhandel. Een idee voor een volgend boek is er in ieder geval al.
“Gelukkig is schrijven voor mij geen lijdensweg. Ik vind het heerlijk om te doen.” De Groen is van mening dat blijven schrijven het beste is wat je kunt doen, zolang er zich verhalen aandienen om verteld te worden, blijft de schrijver schrijven.
Zonen van Farao is een familiesaga die uit twee delen bestaat en afwisselend switcht tussen de jaren voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Het verhaal draait om de tweeling Ewoud en Jaap, jonkers in een adellijke familie van sigarenhandelaren. Het vertelperspectief is vanuit Jaap, de jongste van de tweeling en het personage dat het meest uit de verf komt. Plaatsen van handeling zijn het kantoor van sigarenfirma De Farao, een pand aan de Amsterdamse Herengracht waar de familie woont, een studentenhuis aan het Singel en een verblijf – in de buurt van Baarn – aangeduid als het Grote huis.
Tijdens de oorlog wordt dit laatste huis gevorderd door de Duitsers. Eén van de Duitse militairen is vertegenwoordiger bij een tabaks- en sigarettenfabriek in Dresden. Sigaren verbroederen, meent de vader. ‘Wij sigarenrokers herkennen elkaar nu eenmaal. Of we nu tot de overwinnaars of tot de overwonnen behoren.’ Dit maakt hem tot wat Chris van der Heijden in zijn boek Grijs verleden zou noemen: niet fout, maar ook geen verzetsman.
Enige suspense zit in de figuur van de moeder, die merendeels van haar leven het bed houdt. ‘Wat was er toch gebeurd dat ze zo angstvallig voor ons verborgen hield?’ vraagt Jaap zich af. Maar deze spanning wordt niet uitgebouwd en komt wat snel tot een ontknoping wanneer Jaap van zijn moeder openheid van zaken eist.
Tijdsgeest en scheiding Het begin van deze tweede roman van Ru de Groen doet denken aan de roman Karakter van Bordewijk. In beide gevallen, zowel bij De Groen als Bordewijk, begint het verhaal in een kantoor. In beide gevallen speelt een man die rechten heeft gestudeerd een hoofdrol en ook de namen blijven je bij: Katadreuffe en Dreverhaven bij Bordewijk, Ambrosius bij De Groen. En tenslotte het taalgebruik van De Groen. Een omschrijving als ‘beurde de telefoon op’ lijkt uit de tijd van Bordewijk te komen. En dan de tweeling, zonen van de sigarenfabrikant Van Arckel d’Oubray. De één een bonvivant, de ander een serieuze jongen. Zij mogen in die tijd, de jaren vijftig, een woord als ‘blieven’ niet gebruiken, terwijl hun stand wel woorden als ‘motten’ en ‘effe’ bezigt. Inclusief de wat flauwe humor die de auteur rondstrooit, zoals op het moment dat zoon Jaap besluit op handelsmissie naar Amerika te gaan, zodat ‘er een nieuwe wereld’ voor hem opengaat. Een manier van spreken die overigens niet het hele boek wordt volgehouden.
Vanaf het moment dat de jongste, Jaap, thuis moet blijven en zijn broer en beste vriend Ewout naar Amerika wordt gezonden als vertegenwoordiger van De Farao sigaar, gaat het schuren tussen de twee. Ze zouden moeten samenwerken, maar omdat hun karakters erg uiteenlopen, wordt dit steeds moeilijker. Ewout staat op een lichtzinnige manier in het leven, terwijl Jaap een harde werker is en aast op succes. In de loop van het boek wordt dit verschil steeds duidelijker. Hun relatie loopt uiteindelijk dramatisch af. Daar is Jaap enigszins debet aan, een handje geholpen door zijn vrouw Gusta.
Taalgebruik en metaforen Je kunt er niet omheen dat de personages uit de beschreven kringen (corpsballen en van adel) een bepaald jargon bezigen dat weliswaar in die kringen gebruikelijk was, maar dat er ook toen mensen waren die daar afstand van namen. Bijvoorbeeld hoe er over vrouwen werd gesproken in termen van: ‘spleten’, ‘gleuven’ en ‘leveren’ (voor baren). Je kunt stellen dat dit in die tijd gebruikelijk was, al valt het niet goed te praten. De metaforen komen rechtstreeks uit deze wereld; inclusief jachttaferelen en fuifjes: ‘Ik draaide me om en bezag de donkere ramen van het Victoria Hotel, die me aanstaarden met de doffe blik van geschoten haas.’ Of: ‘De eerlijkheid in deze familie rustte in mijn ogen op cocktailprikkers.’
Het tweede deel van het boek bevat meer diepgang en ontwikkeling dan het eerste. Symbolisch komt dit tot uiting in de verschuiving van Jaaps voorliefde voor jazzmuziek naar de Beatles, wat een geslaagd tijdsbeeld is. Dit door toedoen van een collega die de popgroep bewondert. Wat op zich wel opvallend is; dat de muzieksmaak van de werkende klasse die van de adel binnendringt, zoals het woordgebruik van de adel de werkende klasse binnendringt.
Reminiscenties Het verhaal doet enigszins denken aan de geschiedenis die De Groen eerder schreef over het biermerk Grolsch: 400 jaar karakter, een bierbrouwerij die in handen van zijn familie was. Maar ook lichtelijk aan Het verborgen stadspaleis van Elisabeth de Waal: het leest vlot, verhalen over de high society voor en na de Tweede Wereldoorlog die doen alsof de oorlog niet zo erg was, over jachtpartijen en al dan niet gelukkige liefdes. Het biedt een inkijk in een leefstijl waarmee de meeste lezers niet vertrouwd zullen zijn. Hoewel het boek in een vlotte stijl is geschreven is het tijdsbeeld te vluchtig beschreven waardoor het boek moeilijk beklijft.
Wie de roman Anna. Ode aan een kattenstaart ziet liggen, zal de titel wellicht nauwelijks iets zeggen. In het gunstigste geval roept hij vragen op en maakt nieuwsgierig. Maar wie het boek uit heeft, weet hoe mooi en liefdevol de titel is. Anna is het romandebuut van de bedrijfskundige en neerlandicus Ru de Groen. Het is een mooie liefdesgeschiedenis van twee oudere pubers, die pas laat in hun leven zijn uiteindelijke betekenis ontsluit, maar ook een boek dat tintelt van plezier in taal.
Anna Stoffel, tot dan toe een in zichzelf gekeerd meisje uit een gebroken gezin in een deftige buurt in Breda, is 17 jaar als ze valt voor klasgenoot Willem Havelaar. Hun eerste werkelijke ontmoeting op straat is omineus geladen: Anna passeert een Poolse tank en als de twee elkaar aanspreken gaat net de sirene van het oefenalarm af.
Ook Willem Havelaar komt uit een weinig stabiel gezin, maar is juist extrovert. Hoewel: hij is net zo onzeker, maar weet dat te verbergen achter exuberante fantasieën en uitingen waarmee hij anderen vooral wil imponeren. Hij zorgt ervoor dat Anna uit haar wereld breekt, maar zelf laat hij zich nauwelijks aan haar kennen. Wanneer ze te dichtbij komt slaat hij op de vlucht. Hij vernedert Anna zelfs in het bijzijn van klasgenoten omdat hij daarmee applaus oogst. Daarmee gooit hij zijn gevoelens voor haar te grabbel: ‘Ik behoor tot die groep van mensen die keer op keer kapot moeten maken waar ze het meest van houden’, zal hij haar 40 jaar later bekennen.
Groots is de manier waarop Anna op die vernedering reageert. Ze lijkt er eerst aan onderdoor te gaan en is bereid haar uiterlijk te veranderen (haar kattenstaart is de metafoor voor haar eigenheid) om onder de pesterijen uit te komen. Ze zint op wraak, maar komt op het juiste moment tot het inzicht dat zij sterker uit de strijd komt door de macht die ze heeft juist niet te gebruiken.
Daarbij moet je het als recensent laten wat het verhaal betreft. Het is zonde om teveel weg te geven van het verhaal van de ontwikkeling die Anna (en Willem) doormaken.
Maar er valt nog zoveel meer te beleven aan dit sterke debuut. De Groen speelt een prachtig spel van werkelijkheid en fictie. Natuurlijk is het een roman, maar de lezer krijgt zoveel exacte informatie mee dat de gebeurtenissen akelig realistisch worden. De ligging van huizen in Breda en hun inrichting wordt bijvoorbeeld met precisie beschreven. En zelfs het moment dat Anna voor het eerst bij Willem thuis verschijnt wordt minutieus benoemd: ‘woensdag 6 september om vier minuten over drie’.
De lezer wordt voortdurend gekieteld. Willem loopt rond met idee om een sleutelroman te schrijven (het zal er niet van komen) en de toespelingen daarop zijn zo dwingend dat je als lezer argwaan krijgt bij de roman die je zelf in handen hebt. Dat komt mede door de literaire verwijzingen door het verhaal heen. Je gaat je van de weeromstuit bijvoorbeeld afvragen wie bedoeld kan zijn met de ‘domgeer’ die een paar keer wordt aangehaald? Matthijs van Boxsel? Midas Dekkers misschien?
Een genot vormt de soepelheid van taal die Ru de Groen gebruikt. De soepele stijl is doorspekt met humor en woordspelletjes. Elk hoofdstuk krijgt een vierregelig versje mee (Anna heeft ze leren schrijven in navolging van haar vader) dat meestal cabaratesk van aard is en vooral Willem dartelt in zijn taalgebruik van zijn opa ‘Max’ die zijn naam gefantaseerd had (!) naar ‘de moerenmannetjes in het schroefjestheater’ en een lijst met woorden die niet meer kunnen, zoals ‘pips’. Ook de omschrijving in het geval van de bewaarder van een begraafplaats die ‘van elk graf het onderliggende verhaal’ kende, werkt op de lachspieren.
Zo is Anna een duidelijk met plezier geschreven verhaal over de ontwikkeling van twee pubers die verliefdheid en de valkuilen daarvan ervaren, op weg naar zelfkennis.
‘Wie is er eigenlijk nog zichzelf?’ vraagt een klasgenote van Anna op een gegeven moment. Het slot van de roman biedt liefdevolle troost. Ooit breekt het inzicht door en kunnen we vrede hebben met wat we ooit als ongeluk zagen.