• Een mooi palet aan literaire kleuren en smaken

    Een mooi palet aan literaire kleuren en smaken

    De zomer is voorbij maar de zomereditie van literair tijdschrift Tirade is er nog. Een editie met veel ruimte voor poëzie, verschillende essays en verhalen. In deze tijd heeft de geest nood aan een breed palet van kleuren en smaken om te beseffen dat het leven niet eenduidig te verklaren is. Toepasselijk is dan ook dat Lodewijk Verduin het in zijn inleidende ‘Redactioneel’ heeft over het verspreiden van literaire ‘spaanders die terechtkomen in humus, andere planten weer doen groeien, of bloeien’. En ‘viert Tirade […] de literatuur met wildgroei van teksten uit alle genrehoeken, geschreven door auteurs van uiteenlopend, veelkleurig pluimage.’

    Het essay, ‘Het demasqué der standpunten’ van Mathijs Sanders komt uit de letterkundige hoek en heeft als uitgangspunt een ontmoeting tussen de twee tijdgenoten Menno ter Braak en F. Bordewijk. Hoe beide schrijvers tezelfdertijd op een bijeenkomst waren om het honderdjarig bestaan van hun uitgeverij Nijgh & Van Ditmar te vieren. Of ze toen werkelijk kennis met elkaar maakten, is niet zeker. ‘Spraken de twee schrijvers elkaar die middag? Ik probeer het mij voor te stellen.’ Naar zo blijkt was de ontmoeting, ‘tussen twee van de belangrijkste prozaschrijvers van het interbellum [..] vooral een ontmoeting op papier’.

    Leessporen

    Via leessporen in de boeken die Ter Braak en Bordewijk van elkaar lazen en die zich in hun huisbibliotheek bevonden – welke sinds enkele jaren ‘gebroederlijk’ naast elkaar in de kelder van de Leidse universiteitsbibliotheek staan – volgt Sanders de aard van de onderzoekingen die beiden in elkaars boeken ondernamen. Een prachtige speurtocht waar de lezer in meegenomen wordt om als een detective de aantekeningen en onderstrepingen in beider boeken te volgen. En de herkenbare twijfels over zijn eigen interpretatie, ‘Lees ik in Ter Braaks potloodaantekeningen iets wat er niet staat? Zie ik bijna een eeuw na dato iets wat de criticus zelf destijds niet onder woorden kon of wilde brengen? Ben ik bevangen door de hoogmoed van de hermeneut, over wie de filosoof Schleiermacher begin negentiende eeuw schreef dat het diens opdracht is om de auteur beter te begrijpen dan hij zichzelf begreep?’ Dit fijne essay is een bewerking van een lezing gehouden door Mathijs Sanders in de Universiteitsbibliotheek van Leiden op 24 nov. ‘22.

    Anja Sicking geeft in ‘Wachten op de clou’, een mooie lezing van de dystopische roman Onder het asfalt (2022) van Maarten van der Graaff. Ze merkt op dat Van der Graaffs ‘fascinatie voor het wegvallen van de bestaande ordening van het landschap’ niet nieuw is in zijn oeuvre, en heeft het onder meer over schrijvers en hun rijbewijs halen, over wat zoal tijdens het rijden wordt waargenomen. Van een rijleraar hoorde zij datvan alle beroepsgroepen, schrijvers het langst erover doen hun rijbewijs te halen. ‘Dat is omdat ze geen onderscheid maken ‘tussen hoofd- en bijzaken, hun aandacht blijft vaak aan iets onbenulligs hangen.’ Zelf slaagde ze na tachtig rijlessen voor haar rijbewijs, op een zaterdagochtend, toen de wegen bijkans leeg waren, ‘op een verdwaald konijn na’. Weet dat een onbenullig detail voor een schrijver van groot belang is.

    Samen zwaluwstaarten

    Van Tomas Lieske drie gedichten met een adelijke Charlotte De Bourbon in de hoofdrol. Het gedicht, ‘Charlotte De Bourbon leest poëzie’, opent meesterlijk met: ‘Vivat Astrid Lampe, vivat Piet Gerbrandy, vivat. // Kunnen die twee niet samen zwaluwstaarten daar moet letterlijk / gesproken iets moois uit groeien van het hardste hout’ / (…) En over de wantsen in het bed van de kasteelvrouw, ‘als kleine letters die zich rennend verbergen’. In het woord ‘zwalustaarten’ ontstaat zonder meer een beeld van bovengenoemde dichters samen, dat daar iets goeds uit voortkomt.

    In vijf gedichten van Lies Gallez gaat het over verlangen, ‘aanraakpunten’ die verbinden en het belang van het benoemen van de dingen. Waaronder het veelzeggende gedicht, ‘Pogingen om een moeder gelukkig te maken’. 

    ‘je moet dit leren: de miserie van je moeder kun je niet oplossen. zelfs niet door
    een eeuwige glimlach met je mee te smokkelen, zelfs niet door voetstappen zo
    licht als het licht zelf op zondagochtend, zelfs niet met koppen koffie’

    Goed verhaal en essaydebuut

    In het goed geschreven verhaal ‘The Timekeepers’ van Jonathan van der Horst gaat het over de tijd. ‘Hoe alles wat vandaag van belang lijkt, morgen alweer verdwenen kan zijn. Opgeslokt door de tijd.’ Over vriendschap waar een uiterste houdbaarheidsdatum op zit. Als twee van de drie oude vrienden elkaar na lange tijd weer ontmoeten, zegt de een, ‘ We gaan het niet over Pepijn hebben. Dat is voorbij. Afgelopen. We zijn hier niet om oude koeien uit de sloot te halen.’
    ‘Wat ben ik dan?’
    ‘Een oude vriend. Dat is iets anders. Een oude koe sterft een langzame dood. Een oude vriend verwaarloos je alleen maar.’ 

    Verder in deze Tirade het essaydebuut ‘Ik geloof dat mensen planten zijn’, van Marijke Vos. Van Sander Kollaard werd de reactie die hij in januari van dit jaar voorlas tijdens een avond in Spui25 over ecokritiek in zijn roman Uit het leven van een hond en in de Nederlandstalige literatuur, opgenomen. Van Kyrke Otto de zeer ritmisch lezende gedichten, ‘Drie gedichten voor Sophia’. Van Rodante van der Waal het gedicht ‘Krijg een kind met mij’ in zes afleveringen. Van Yasmin Namavar drie gedichten. Twee gedichten van Piet Gerbrandy en Lilian van Ooyen met ook twee gedichten. Van Rozalie Hirs staat er met een serie van vijf gedichten, ‘Als je aanwezigheid’ in, en van Pieter Franciscus M. vier gedichten onder de titel, ‘Merlin’. Werner Valk schreef het verhaal ‘Vogelbot’. Kortom een Tirade met niets dan mooie bijdragen die met genoegen gelezen werden.

    De illustraties zijn van Rein Klomp.

     

    Tirade verschijnt vijf keer per jaar.

     

  • Zingen in de bus

    Zingen in de bus

    Het gebeurde tijdens een korte busrit. Bij het winkelcentrum stapte een stel jongens in die achterin plaatsnamen en een nummer van Kanye West begonnen te rappen: ‘Poop! Poop’ klonk het door de bus. Een halte verder kwam er een stel, luid met elkaar pratende meisjes bij die halverwege in de bus bleven staan. De buschauffeur vond dit alles bij elkaar waarschijnlijk herrie genoeg, en drukte elke keer als op een bandje de afkondiging van de komende halte begon, dit na de haltenaam meteen weg. Een van de meisjes vulde hardop en mechanisch het ontbrekende deel aan: ‘U kunt hier overstappen op stads- en streekvervoer. Vergeet u niet uit te checken.’ De andere meiden keken haar bewonderend aan en zij zei luchtig dat ze zoiets, als ze het een keer had gehoord, nu eenmaal niet vergat. Niets bijzonders.

    De rappers en de meisjes voerden mij in gedachten naar een aankondiging van de presentatie van de nieuwe dichtbundel van dichter/componist Rozalie Hirs, verdere bijzonderheden, die voordat ik van huis ging tussen mijn e-mail zat. Daarin werd opgeroepen om de gedichten hardop te ontdekken, ‘zing ze als het ware, in de bus, bij je oma, wandelend in het bos, op reis, thuis, in bad. Lees ze voor jezelf, voor je geliefde, je zus, vriendin, huisgenoot, vader, broer of moeder. Of laat ze je voorlezen. Zing ze op steeds andere wijze. Op eigen tempo, ademend, denkend door je eigen stem.’ Ik ben alleen bang dat als ik dat in de bus zou doen, de kakofonie nóg groter wordt, en de chauffeur nog stressvoller, dus houd ik me stil.

    De rappende jongens en meisjes in het middenpad waren inmiddels uitgestapt en de rust in de bus keerde terug. Ik mijmerde verder en dacht aan een masterclass blokfluit die ik eens aan de toenmalige Muziek Pedagogische Academie in Leeuwarden bijwoonde. De docente, niemand minder dan de blokfluitiste Jeanette van Wingerden, behandelde enkele variaties van de Utrechtse componist/beiaardier/blokfluitist Jacob van Eyck op de in zijn tijd bekende teksten en melodieën. Je moest volgens Van Wingerden de onderliggende tekst als het ware, terwijl je hem speelde, met je tong uitspreken. Pas dan zou je volgens haar de intentie van Van Eyk ‘pakken’.

    Nog een stapje verder denkend – ik was tenslotte nog niet op mijn bestemming aangekomen – in het voorwoord van zijn strijkkwartet Fragmente-Stille, an Diotima, noteerde de componist Luigi Nono vele eeuwen na Van Eyck, dat de vier musici geacht werden de in de partituur opgenomen tekst van Hölderling innerlijk te zingen. Hij bracht me op een idee en misschien ga ik dat maar doen met de gedichten uit de nieuwe bundel van Rozalie Hirs: innerlijk zingen of uitspreken. Al dan niet in de bus, dat maakt dan immers niet meer uit.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.