• Overleven, daar draait het om

    Overleven, daar draait het om

    Natuurlijk schreef Roxane van Iperen eerder vlot leesbare boeken, maar in haar meest recente roman Dat beloof ik ontpopt ze zich als iemand die schijnbaar achteloos de ene na de andere schitterende zin op het papier werpt, geen moment de spanning in de tekst laat varen en zware, aangrijpende scènes zodanig weet te suggereren dat ze als een vuist in je buik aankomen.

    In thematiek doet Dat beloof ik denken aan Vallen is als vliegen (Querido, 2020) van Manon Uphoff. Bij Van Iperen gaat het echter minder over seksueel misbruik, al overkomt haar alter ego M. dat wel degelijk ook. Van Iperen schrijft vooral over geestelijke en lichamelijke mishandeling. In die zin zou een vergelijking met Mijn vaders hand (Bezige Bij, 2022) van Bart Chabot voor de hand liggen. Chabot beschrijft in dat boek hoe hij werd geterroriseerd door zijn ouders, maar waar Chabot vooral vertelt hoe afgrijselijk zijn jeugd was, daar laat Van Iperen ons de afschuwelijke geschiedenis van het meisje M. naar adem snakkend meemaken.

    In het begin heb je als lezer van Dat beloof ik misschien wat moeite met het schijnbaar ontbreken van ‘een grote wil’; het hoofdpersonage M. lijkt niets te willen; alle ellende overkomt haar en dat is volgens de eerste literaire hoofdwet van de Nederlandse schrijver Nicolien Mizee een hoofdzonde. Zonder grote wil komt een verhaal niet op gang, betoogt ze in haar gebundelde schrijflessen onder de titel De grote wil en andere schrijflesverhalen (Nijgh & Van Ditmar, 2020). Maar dan, na een pagina of vijftig in Dat beloof ik dringt het door: M.’s grote wil is te overleven. Dat is misschien wel de meest elementaire drijfveer van de mens die onder de erbarmelijkste omstandigheden als laatste overblijft. Niet eten, niet warmte of geborgenheid, niet erkend of gezien worden, nee – overleven. Daar draait het om.

    M. is voortdurend bang voor haar vader, een onberekenbaar gevaar dat als het losbreekt letterlijk dwars door merg en been ramt. Ook het geestelijk beperkte broertje en M.‘s moeder zijn slachtoffer van dit monster. M. probeert ze zoveel mogelijk te beschermen, hoewel ook de moeder haar voortdurend in de steek laat, kleineert en verwaarloost.

    De angst voor haar vader overheerst niet alleen het leven van M., maar ook het proza zelf. Angst spat van de pagina’s. Het meisje staat strak gespannen als een veer, de tekst spiegelt dat zowel in de inhoud als in de vorm. Veel korte zinnen. Bepaalde herhalingen. En een enorm palet van metaforen die telkens opnieuw duidelijk maken hoe diep haar angsten zijn doorgedrongen in buik, hoofd en hart. Pesterijen op school zijn erg, maar kunnen vrij gemakkelijk door M. worden verdragen omdat ze in het niet vallen bij het geweld dat haar thuis te wachten staat.

    Semi-autobiografisch is dit boek, zoals Van Iperen bij de lancering van haar boek in de Volkskrantverklaarde. Het is nauwelijks voor te stellen dat ze werkelijk zo’n soort jeugd heeft doorgemaakt, maar wie Dat beloof ik heeft gelezen kan achter de vrouw met haar schijnbaar zelfbewuste welbespraaktheid ineens óók een flits opvangen van het angstige, magere en zelfbewuste meisje dat zich vast heeft gebeten in de grote wil om te overleven.

     

     

  • Aangeraakt

    Aangeraakt

    ‘Lees drie maanden lang goede boeken en je bent een ander mens,’ stelt schrijver Roxane van Iperen in een interview in HP/de Tijd. Het is haar versie van een boodschap die al langer rondzingt: dat we fictie nodig hebben om de wereld, en dus elkaar, beter te begrijpen. Het is ook een noodkreet van een groep die van die veranderende mensen leeft: de schrijvers zelf. Daar bedoel ik niets cynisch mee. De lezer die een ander mens wordt (of ten minste een vermáákt mens) kan prima samengaan met een schrijver die, naast zijn of haar nobele ambities, graag wat aan het geschreven woord verdient.
    Waar het om gaat en waar de schoonheid van lezen in zit, is de aanraking. Iemand die leest, is op zoek naar wijsheid, naar nieuwe inzichten, afleiding, plezier, maar wil bovenal geraakt worden, betrokken worden. De schrijver steekt met zijn of haar woorden een hand uit, kom, ik neem je mee, raakt je aan – of nodigt daar toe uit. Iedere ontmoeting verandert je, ook een ontmoeting op papier.

    Daar moest ik aan denken tijdens het lezen van Kleine brandjes overal van Celeste Ng en De onsterfelijken van Chloe Benjamin. Twee lijvige wervelwinden van romans met een veelheid aan personages, stemmen, het grote vlechten van thema’s. Ng werpt een paar grote lijnen uit – adoptie, immigratie, de druk en verwachtingen van het Amerikaanse gezinsleven (ook wanneer dat gezin afwijkt van de norm) – maar de kern van het verhaal is ontroerend klein: een moeder en een dochter die elkaars uitgestoken hand steeds maar weer mislopen. Als je niet oppast, lees je er overheen. En blijft er nog steeds genoeg over.
    Benjamin gebruikt een intrigerende onderzoeksvraag – wat als je weet wanneer je sterft? – als ketting om de kralen van het verhaal, twee zussen en twee broers, aan te rijgen. Maar het gaat helemaal niet om die vraag, het gaat over familie en hoe die kralen tegen elkaar aanliggen of juist niet. Over de afstand ertussen en wat het betekent om met elkaar verbonden te zijn. Over aanraken, dus.

    Nu kan ik me niet voorstellen dat beide schrijvers zichzelf met een opdracht aan het schrijven zetten, dat zou de lezer immers direct doorhebben: o, hier komt een Boodschap of een Moraal aan, nee hoor, dank je, daar heb ik er thuis ook al een van rondlopen. Wanneer zou Ng, tijdens het schrijven van dit verhaal, erachter zijn gekomen dat het om Mr. Richardson gaat? En om Izzy? En op welk moment zou Benjamin hebben beseft dat ze, tussen al die schitterende sprongen door, een familieverhaal schreef? Jezelf zo te verrassen, wat een feest moet dat zijn. Minstens zo groot als het feest, lijkt me, te ontdekken dat je uitgestoken hand wordt aangenomen. Je hebt en bent aangeraakt. In mijn geval voel ik nog de afdruk die de Goldkinderen, de Warrens en de Richardsons achterlieten. Ze gloeien. Wie weet word ik door hun ontmoeting weer een ander mens.

     


    Marijn Sikken mijmert over boeken en verhalen en schrijft daarover. In 2017 debuteerde ze met de roman, Probeer om te keren bij Uitgeverij Cossee.