• Een eerste zin hoeft niet altijd goed te zijn

    Een eerste zin hoeft niet altijd goed te zijn

     

    Verhalenschrijfster Roos van Rijswijk (1985), debuteerde in 2016 met de roman Onheilig waarmee ze de Anton Wachterprijs won. Onlangs verscheen De dwaler, een verhalenbundel met een dystopische en surrealistische inslag.

    Roos van Rijswijk (1985) studeerde Nederlandse taal & Cultuur en Literatuurwetenschap. Ze is literair recensent voor het NRC, interviewt schrijvers en is schrijfdocent aan de Schrijversvakschool Amsterdam. Voor Literair Nederland zocht ik haar op in Amsterdam waar ze een zolderkamer in een voormalig zusterhuis bewoont. Bovenin het trappenhuis word ik opgewacht. Door een lange gang en ruime keuken komen we in de gemeenschappelijke woonkamer. Er ging wat mis, de schrijfster trok de thermostaat onbedoeld van de keukenmuur, die wil ze er nu weer even aanmaken. Er is iets met de temperatuur, in de woonkamer staan de ramen open. Op tafel staat de thee klaar. We spreken over de sfeer in haar verhalen, hoe ze ontstaan en hoe een roman zich (wel/niet) laat schrijven, zich ontwikkelt. Over eerste zinnen, de tijd waarin we leven en de fascinatie met spookverhalen. 


    Hoe gaat het, na de publicatie van je verhalenbundel?

    ‘Buiten het gebruikelijke pandemie chagrijn, gaat het wel goed. Het opgesloten zitten en de constante zorg om familie, inkomsten en de vraag of de wereld wel weer wordt zoals we hem kenden, dat houdt me wel bezig.’


    Komt dat ook in je verhalen terecht, die bezorgdheid?

    ‘Sommige verhalen waren al voor de pandemie geschreven, sommige tijdens. De twee laatste verhalen schreef ik september vorig jaar. Het was toen heel warm en er waren veel bosbranden. Dan krijg ik al gauw een soort apocalyptisch gevoel. Dat is wel mijn aard, en daar word ik ook wel een beetje weemoedig van.’ 


    In een van je verhalen gaat een man op het trottoir liggen omdat hij zo moe is van het leven, hij vergroeit met de omgeving. Hoe kom je daarop?

    ‘Dat verhaal schreef ik in een periode dat ik al heel lang heel moe was, als ik dan over straat liep dacht ik wel eens, zal ik hier gewoon gaan liggen? Dat doe je natuurlijk niet, maar als schrijver heb je het geluk dat je er wel over kunt schrijven. Ik heb het verhaal vrij vlug geschreven, voelde me ook aanzienlijk beter daarna. Ik had het niet verwacht, maar het is wel het eerste verhaal waar iedereen over begint. Misschien omdat het gevoel herkenbaar is, dat je erbij wilt gaan liggen.’


    Gebruik je vaker ervaringen van jezelf voor je verhalen?

    ‘De laatste twee verhalen zijn autobiografisch. Ik heb ook echt met mijn moeder die wandeling over begraafplaats Zorgvlied gemaakt. Mijn moeder kreeg aan het begin van de pandemie een hartaanval, het was niet helemaal zeker of ze het zou redden. Alles was toen net helemaal dicht. Dan fietste ik door zo’n dichte stad dagelijks naar het ziekenhuis. Nu, een jaar later, is ze er weer helemaal bovenop. Toen dat met mijn moeder gebeurde, was dat ook de eerste keer dat ik weer op de fiets stapte. Ik kon heel lang niet meer fietsen, iets tussen tussen gekheid en overspannen zijn. Dat alles heeft veel impact op me gehad.’ 

    ‘Dat ik met mijn moeder over Zorgvlied liep, daar ben ik over gaan schrijven. Een verhaal waar ik al die dingen heb ingestopt, maar wel net anders natuurlijk. Ik heb gevraagd of ze dat goed vond. In het verhaal wordt ze bijna doodgereden door een AH bezorger. En zelf ben ik lang niet zo gek geweest als in dat verhaal, en die stoet van moeders, geesten van voorouders die daar verschijnen, is natuurlijk verzonnen. In het allerlaatste verhaal loop ik als personage rond, niet een op een, maar ik ben er wel.’


    Je beginzinnen hebben een bepaalde urgentie, zoals ‘Je moet je fiets binnen zetten.’ Is dat bewust? 

    ‘Het verhaal “Een zee” begon wel met de eerste zin, “Ze had de zee nog nooit gezien”. Maar het begon ook met een idee. Als ik schrijf kom ik er gaandeweg achter wat ik aan het doen ben, de eerste drie alinea’s zijn een soort voorwerk. In veel boeken over schrijven is het toch wel een tip dat je eerste zin lezers moet trekken. Terwijl ik denk, als de lezer al begonnen is met lezen, dan wil die ook best een paar alinea’s doorlezen. Bij korte verhalen wil je natuurlijk wel snel weten waar het over gaat. Maar dat je met een eerste zin de lezer moet trekken? Je bent geen reclameschrijver. Er is niets op tegen, maar het is beter je niet al te veel met de lezer bezig te houden.’


    Werk je een idee eerst uit op papier?

    ‘Ik vind het een heerlijk idee om met pen en papier te schrijven, maar ik ben er te ongeduldig voor. Toen ik pas met schrijven begon en nog niet zo snel kon typen, schreef ik liever met de hand. Maar zo gauw mijn typesnelheid op denksnelheid lag, typte ik alleen nog. Toen ik het verhaal ‘Zorgvlied’ schreef, deed ik mee aan een onderzoek van het Huygens Instituut over het schrijfproces van schrijvers op een computer. Er zijn veel oude manuscripten met de hand geschreven, met doorhalingen en dan zie je hoe zo’n verhaal geschreven is, met alle kladversies erbij. Nu deden ze onderzoek naar hoe dat digitaal gaat. Toen het onderzoek gestart werd, kon ik eerst helemaal niet schrijven omdat elke toetsaanslag geregistreerd werd. Van de weeromstuit begon ik een soort schaduwadministratie bij te houden, ging ik met de hand schrijven (schaterende lach).’


    Je schreef ook een verhaal over het uploaden van het bewustzijn van iemand die dood is, hoe kom je daar op?

    ‘Ik wilde een modern spookverhaal schrijven. Toen dacht ik, wat is nu de modernste variant van een geest die we kennen? Naar hoe je het geheugen en bewustzijn van de mens kunt bewaren is al veel onderzoek gedaan. Er bestaan al een soort chatrobots van mensen die dood zijn, naar aanleiding van hun posts op social media. Ik heb onderzocht of zo’n chatrobot werkelijkheid kan worden, nu blijkt dat die dus al bestaan. Het inscannen van hersenen  in relatie met het ‘bewaren’ van iemands brein, is ook onderzocht. Ik heb me helemaal verloren in dat onderzoek, toen moest er nog een gegeven zijn, een verhaal. Ik was er wel over uit dat het iemand moest zijn die zijn bewustzijn bewaart en vervolgens een soort klopgeest wordt. Toen dacht ik aan wat het ergste is dat je kan overkomen, en dat is toch wel je eigen kind bijna de dood injagen. Ik heb wel gepuzzeld met de vraag, wat wil zo’n personage? Over dit verhaal heb ik heel lang gedaan, ik moest er verschillende vormen voor vinden.’


    Wat heb je met spookverhalen?

    ‘Als schrijver vind ik het interessant dat een spook geen lichaam heeft. Het is een mens, maar ook weer niet. Een spook roept veel emoties op; angst, weemoed, verdriet, of liefde. Je kunt er ontzettend veel kanten mee op. Maar wat het voor de schrijver moeilijk maakt is dat een spook oneindig is. Ik heb wel eens geprobeerd een roman te schrijven vanuit een geest. Mike McCormack (Ierse schrijver / Dag der zielen Iv/dG) heeft het gedaan, een verhaal vanuit een gestorven man. Dat lukt mij dus niet, omdat het nooit stopt, een geest is oneindig. Ik heb zelf geen aanleg voor geloof in het hogere, maar als iemand mij vertelt dat hij een geest heeft gezien, geloof ik dat wel. Ik vind het geweldig dat mensen zingeving vinden in het ontastbare.’


    Was schrijven een keuze?

    ‘Als kind las ik puur als tijdverdrijf. Later werd ik geraakt door de poëzie van Leo Vroman. Maar ik had nooit het idee dat iemand zomaar schrijver kon worden. Er waren mensen die boeken schreven en mensen die ze lazen, zo zag ik het. Dat je die schrijver zou kunnen zijn, kwam niet bij me op. Ik schreef wel heel graag. Vanaf mijn zestiende schreef ik voor een theatergroep. En toen ik op mijn vierentwintigste ging studeren, schreef ik columns voor het universiteitsblad. Maar nog steeds dacht ik niet, ik ga schrijven. Pas nadat ik een kort verhaal geschreven had, dacht ik, Oh, dit kan gewoon.’

    Toen het verhaal ‘Een zee’, dat in bewerkte versie ook in de bundel staat, werd opgenomen in literair tijdschrift Revisor, werd Roos van Rijswijk benaderd door verschillende uitgevers. 

    ‘Daar schrok ik wel van. Ik dacht, wat heb ik nou aan mijn broek hangen. Ik ben wel met verschillende uitgevers gaan praten, maar ook gezegd dat ik het nog niet wist, dat ik eerst wilde afstuderen. Uiteindelijk ben ik bij uitgeverij Querido terecht gekomen. En afgesproken dat ik me zou melden als ik dacht daadwerkelijk een boek te kunnen schrijven.’


    Ging het gelijk om een roman?

    ‘Ik heb nog gevraagd of het een verhalenbundel mocht zijn, maar daar werd niet heel juichend op gereageerd. Ik snap ook wel waarom, verhalen verkopen gewoon niet goed. Met deze verhalenbundel wist ik ook dat het geen verkoopknaller zou worden. Zelfs als ik hier een prijs mee zou winnen, dan nog zal het niet een ‘warme broodjes boek’ worden. Het is geen populair genre. Het meest gehoorde argument is, ‘Ik wil zo graag verdwijnen in een roman.’ Pleitbezorgers van het korte verhaal vergelijken het dan weer met een serie op Netflix kijken. Dan denk ik, Nee! Korte verhalen vraagt echt wel wat meer dan een serie kijken. Maar goed, toen ik een idee had voor een roman, heb ik weer contact opgenomen. En dat is uiteindelijk Onheilig geworden.’


    Hoelang heb je daaraan gewerkt?

    ‘Dat is moeilijk te zeggen, ik heb er niet elke dag aan gewerkt. Ik moest ook gewoon voor een inkomen zorgen. Ik werkte toen in een boekhandel, daarmee kwam ik niet rond, wat op zich een tragisch gegeven is. Daarna ben ik op een kantoor gaan werken, vier dagen per week. Toen Onheilig uitkwam, had ik genoeg gespaard om een half jaar te overleven. (Lacht) Wel op water en brood hoor. Nadat ik gedebuteerd was, ben ik gaan freelancen, begonnen met interviews, recenseren.’


    Je won er de Anton Wachterprijs mee.

    ‘Ja, dat was fantastisch natuurlijk. Ik wist al een beetje hoe de literaire wereld in elkaar stak, dat je als debutant nergens op moet hopen, en dat deed ik ook niet. Ik vond het überhaupt al geweldig dat ik een boek af had. Ik ben een notoire ‘niet afmaker’ van projecten. Dus daar was ik al zo mee in mijn nopjes. Het boek werd ook goed ontvangen, en toen won ik ook nog die prijs.’


    Je schreef daarna verschillende korte verhalen, werkte aan kleine projecten, dacht je nog wel eens aan een roman schrijven? 

    ‘Ik heb wat turbulente jaren gehad, relatie verbroken, verhuisd naar een zolderkamer, maar ben wel steeds blijven schrijven. Maar om iets groters te maken, dat lukte me niet. Ik hoor wel eens van schrijvers die zeggen,”De eerste drie uur van de dag zijn heilig.” Maar het lukt mij niet om te schrijven als er honderd andere dingen zijn die me dwarszitten. Ik kan dat niet uitzetten. Dus ik moet heel erg mijn eigen bedje spreiden, en dat lukt niet altijd, maar wel steeds beter.’

    ‘Als ik schrijf wil ik niets aan mijn hoofd hebben, en dat is heel onhandig als je als freelancer werkt. Toen ik al een tijdje aan Onheilig werkte, stukje schrijven, weer weggooien, en op de helft was, ben ik een paar weken naar Duitsland geweest en daar heb ik het boek in één keer afgeschreven. Zo werk ik het liefst, me helemaal begraven in iets, als een soort maniak. Dan leef ik op een heel ongewoon ritme. Ik was ook gewoon vies en verwaarloosd na die weken. Maar het was heerlijk.’ 

    ‘Dat maniakale heb ik ook in mijn andere werk. Als ik een schrijver moet interviewen, sluit ik me op om alles van die schrijver te lezen. Alsof ik een expert moet zijn op het gebied van degene die ik ga interviewen. Wat natuurlijk helemaal niet hoeft!’


    Is het voor een schrijver een interessante tijd waarin we leven?

    ‘Ik vind de discussie over toe eigening heel interessant. Zou ik, als witte vrouw over een zwarte man kunnen schrijven? Ik weet het niet. Ik denk dat ik het niet zou doen omdat ik me niet genoeg kan verplaatsen in een zwart personage, dat personage loopt tegen bepaalde dingen aan waar ik nooit tegen aanloop. Maar ik ben er niet tegen. Als een witte schrijver vanuit een zwart personage schrijft vind ik het oneerlijk om te zeggen, doe maar niet. Het hangt er heel erg vanaf of het goed gedaan wordt. Maar ik weet ook niet of ik dat kan beoordelen. Ik vind het, zoals gezegd een interessante discussie die me er wel bewust van heeft gemaakt dat als je een personage niet beschrijft, de lezers ervan uitgaan dat het een witte man is rond de 30-40 jaar.’

    ‘Als schrijver ben ik me bewust dat ik wat kleur moet aanbrengen, en dan bedoel ik niet gelijk huidskleur, maar een soort reliëf, zodat er niet alleen een soort Matt Damons in rondlopen. Het is niet dat ik het er bewust inschrijf, het is wel meer in mijn bewustzijn gekomen.’


    Is de buitenwereld niet meer te negeren?

    ‘De thema’s en discussies die in deze tijd spelen zijn wel in mijn bundel terechtgekomen. Ik heb er wel een zekere diversiteit in aangebracht binnen mijn eigen comfortzone. In twee verhalen noem ik niet of het om een vrouw of man gaat. In twee recensies werd de protagonist van het titelverhaal ‘De dwaler’ verschillend ingekleurd. In het Parool was het een vrouw, de recensent in Trouw had er een jongen van gemaakt. Ik denk wel dat het voor schrijvers belangrijk is te weten hoe ze erin staan, erover nadenken. Sommige witte mannen roepen, “Mag ik dan helemaal nergens meer over schrijven?” Zo werkt het natuurlijk niet. Maar je kunt ook niet doen alsof de buitenwereld niet bestaat.’


    Uit je verhalen klinkt ook een zweem van fatalisme, waar komt dat vandaan?

    ‘Ik ben heel fatalistisch. ik denk al snel, wat heeft dit voor zin. Wat voor mij zin heeft, is kunst, maar om dat te maken moet ik wel eerst twintig drempels voor over. Als ik schrijf ben ik minder fatalistisch, maar het komt er wel in. Ik begin de bundel dan ook met het einde van de mensheid, dat vond ik wel leuk. En ik eindig met het einde van de literatuur (lacht hard), dat verhaal begint met, “Ik heb niets te vertellen. Alles wat er aan de hand is, is er al.”’


    Je bent schrijfdocent, schrijver, recensent en interviewer, wat heeft je voorkeur?

    ‘Als ik met het mes op de keel zou moeten kiezen, dan wel schrijver. Maar ik ben ook wel blij met de afwisseling. Schrijfdocent vind ik fantastisch om te doen en recenseren doe ik graag, maar ik zou wel meer tijd willen hebben voor schrijven.’


    Is er een schrijver, een boek waarvan je wenst zo te kunnen schrijven?

    ‘Oeh, heel veel. De dag van de zielen van Mike McCormack, dat had ik graag willen schrijven. Ik herlees bijna nooit iets, maar eens per jaar herlees ik Boven is het stil, van Gerbrand Bakker. En Faxen aan Ger van Mizee, vind ik geweldig, maar zou nooit zoiets schrijven. En Eva Meijer, die als schrijver zegt dat het altijd wel komt, dat schrijven. Dat zou ik ook wel willen. En ik zou heel graag een Gothic Novel willen schrijven, vrouwen spelen daarin een sterke rol. Ik vind het een heerlijk genre, zoals Shirley Jackson ze schrijft. Ik heb een heel plot liggen, ben er weken mee bezig geweest. Maar dan heb ik het plot, dan denk ik, nu weet ik al wat er gaat gebeuren, en schrijf er niet aan verder. (Lachend) Ik moet mezelf blijkbaar ook verrassen tijdens het schrijven.’

     

     

     


     

     

     

     

     

     

     

    Foto auteur: Herman van Bostelen

     

     

  • Overgebleven dingen

    Overgebleven dingen

    Eind april was ik eindelijk weer eens in Amsterdam. Vanaf Centraal station nam ik tram 2, (of 12) naar het Leidseplein, vandaar moest ik een stuk lopen. Ik had een interviewafspraak met een schrijfster van geweldig bizarre verhalen. Het was stil in de tram. Bij het Leidseplein tegenover het American hotel stapte ik uit, vlakbij was een brug, moest ik links of rechts? Ik liep eerst een stuk naar links, tot ik begreep dat ik rechts moest. Het regende alsmaar, ik droeg een afgrijselijk grijze, lange regenjas, capuchon over mijn hoofd. Een gele tas dwars over mijn schouder. Ik werkte me door de straten heen, keek uit naar een bloemenwinkel, voor de schrijfster. Toen ik die niet vond, kocht ik bij een buurtwinkel een fles wijn, een rode wijn. Er was geen speciale verpakking voor de fles. Wel een papieren zak, waardoor ik aan New York moest denken. Waar ze in parken en portieken uit papieren zakken hun alcoholische drank drinken. Het was zo guur en koud in de stad dat ik dat ook wel wilde doen. 

    Er waren weinig mensen op straat, enkel daklozen, die  aan de roep om thuis te blijven geen gehoor konden geven. Ik zag ze in groepjes in portieken, in voorportalen van winkels die gesloten waren, voor de ingang van een AH. De lange mouwen van trui of jas waarin handen verdwenen, afhangende schouders, plastic tasjes. Als waren de daklozen achtergebleven voorwerpen, vergeten. De stad als een rommelige zolder nadat die was opgeruimd, heerlijk overzichtelijk gemaakt. De overgebleven dingen waarvan je niet weet wat je ermee moet kwamen in beeld. In de verhalen van de schrijfster waarnaar ik op weg was, figureren mensen die nergens bij horen, niet meer mee doen. In het verhaal, ‘De dag dat Alfred besloot te gaan liggen’heeft een man er genoeg van. Van stoplichten die maar niet op groen springen, vervelende gesprekken op de zaak, een wasmachine die het opgeeft net nadat de koelkast vervangen is, onbegrijpelijke brieven van de Belastingdienst.

    Tijdens een wandeling door een sjieke buurt gaat de man op het trottoir liggen. ‘Zijn ledematen spreidde hij uit. Een bleke zeester in een grijze pantalon en groen-blauw ruitjesoverhemd. De bestrating was al een beetje warm van de vroege lentezon’. Hij vindt het wel lekker zo. Er wijst een kind naar hem, ‘niet aanzitten’, zegt de moeder. ‘”De jottem”, murmelde Alfred, en hij lachte zachtjes om zichzelf.’ Er snuffelt een hondje aan hem. Een dakloze zegt ‘goede morgen’, de postbode rijdt met zijn postkarretje over zijn enkels, een oude man denkt dat hij onderdeel is van een kunstroute. Alfred verdwijnt in de omgeving, straatvegers vegen opgehoopte bladeren uit zijn oksels. ‘Hij was, mijmerde hij onder een stofstorm die tachtig jaar duurde, de laatste en enige man op aarde, en dat was nooit anders geweest.’ Een fantastische zin in een, ja, toch wel opbeurend verhaal, waarna hij voorgoed de ogen sluit.

    Ik was te vroeg, wachtte tot het tijd was, belde aan. Beklom de vijf (ik was gewaarschuwd) inderdaad lange trappen van een oud zusterhuis, werd verwelkomd.

     

     

    De dwaler, verhalen/ Roos van Rijswijk / 204 blz. / Uitg. Querido


    Inge Meijer reist met het OV, vergeet geregeld haar mondkapje, leest boeken uit.

     

  • Oogst week 13 – 2021

    De eerste vrouw

    In De eerste vrouw van Jennifer Makumbi groeit het leergierige kind Kirabo op te midden van familie. Haar moeder heeft ze echter nooit gekend en ze is opgegroeid bij haar grootouders. Haar omgeving in het Oegandese dorpje Nattetta lijkt haar te dwarsbomen als ze op zoek gaat naar de vrouw uit wie ze voortkwam. Zelfs van haar vader, die ze wel kent, wordt ze niets wijzer. Kirabo is ook een merkwaardig kind. Ze kan bijvoorbeeld uit haar lichaam treden.

    In het eerste hoofdstuk van de roman besluit ze de blinde dorpsheks Nsuuta te raadplegen. Die weet haar het vertrouwen te geven dat haar uittredingservaringen haar in staat stellen de oorspronkelijk vrouw te vinden die nog niet is gekneed voor de mannenmaatschappij. De roman is gebaseerd op het Oegandese scheppingsverhaal van de eerste vrouw.
    De eerste vrouw begint in 1975 als dictator Idi Amin aan de macht is. Het is de tweede roman van Makumbi van wie in 2020 Kintu in het Nederlands verscheen.

    De eerste vrouw
    Auteur: Jennifer Nansubuga Makumbi
    Uitgeverij: Cossee

    Beer

    In april verschijnt Beer van de Canadese schrijfster Marian Engel (1933-1985). Het origineel is al uit 1976 en is nu in het Nederlands vertaald door Barbara de Lange. Het boek oogstte nogal wat kritiek om de seksuele en spirituele relatie die de 27-jarige bibliothecaresse Lou krijgt met een beer. Dat gebeurt als ze op een verlaten eiland, waarop ze zich heeft teruggetrokken om de bibliotheek van een excentrieke kolonel te catalogiseren, ontdekt dat er buiten haar nóg een bewoner is, de beer.

    Margaret Atwood loofde het als een vreemd en wonderlijk boek en een verontrustend sprookje.

    Beer
    Auteur: Marian Engel
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik BV

    Revisor Binnenpost

    ‘Als ik ’s ochtends aan het fietsen ben, trap ik alle tegenstrijdige gedachten, alle onzekerheid, alle schuldgevoelens en frustratie er even uit en ben ik gewoon lichaam, een steeds makkelijker heuvel op fietsend lichaam. Ja, dit jaar is het jaar van het lichaam. Van medelichamen (…) Is 2020 niet ook een jaar geweest waarin jij je juist geconfronteerd zag met je lichamelijkheid en met een zekere blindheid? Door jouw ervaringen met ziekte en isolatie kan ik me dat goed voorstellen, maar misschien heb ik het verkeerd. Is jouw glas halfvol of halfleeg? En heb jij nog woorden, voor nu de échte, allerlaatste brief?’

    Het is een fragment uit een brief van Alfred Schaffer aan Bernke Klein Zandvoort, één van de bijdragen aan Binnenpost, het nieuwste nummer van De Revisor. Daarin schrijven zes auteurs elkaar in 2020 vanuit vier landen 22 brieven over wat de coronapandemie voor hen betekent. Naast de twee genoemden zijn dat Roos van Rijswijk, Sander Kollaard, Bernard Wesseling en Neske Beks. Ook opgenomen is Aantekeningen uit het moeras van Eva Gerlach.

    Revisor Binnenpost
    Auteur: Diverse auteurs
    Uitgeverij: Querido
  • Bovenburen en stilte

    Bovenburen en stilte

    De Wereldgezond- heidsorganisatie heeft helemaal gelijk: als je de bron van geluid vervelend vindt, ervaar je dat geluid ook eerder als storend. Ik kan het beamen. Het stoorde mij nogal dat de kinderen van mijn nieuwe buren er een genoegen in scheppen om op z’n tijd van de bank af te springen of met een skate board over de drempel op het balkon te belanden. Het is zoiets als met de bovenburen van Roos van Rijswijk zoals ze dat in De olifant van de bovenbuurman  beschrijft. Die bovenburen doen een stoelendans op polkamuziek waarvan ze ‘de klanken zo lekker op hun borstkas voelen’.

    Tot er opeens een meisje van een jaar of twaalf voor mijn deur stond met een vraag. We babbelden wat en nu ik de andere leden van het gezin, waaronder haar twee jaar jongere broertje ook ken, vind ik dat gespring of gebonk lang zo erg niet meer. Met een minuut of wat is het over. Laat ze. Het zijn kinderen.
    Sterker nog: ik werd nieuwsgierig. Met name naar hun muziekkeus. Waar zouden Syrische vluchtelingen naar luisteren? Op een dag hoorde ik muziek en spitste mijn oren. Het klonk als lichte muziek, met een vleugje traditionele klanken. Wat had ik dan verwacht? Syrische volksmuziek, zoals componist Merlijn Twaalfhoven die wel in zijn werk integreert? Ik sprak mezelf vermanend toe: wat een vooroordeel! Alsof ik dagelijks draaiorgel- of carillonmuziek afspeel, volgens een van de hoofdpersonages in de detective Startpunt Amsterdam van Helen McInnes, zo’n beetje het ergste wat je je kunt voorstellen.

    Misschien is de les die Roos van Rijswijk mij leerde, om met de oude man in Shakespeares Macbeth te spreken: Make good of bad and friends of foes. Als je dat doet, wordt niet alles beter, maar wel anders. Omdenken heet dat geloof ik. Gespring als een olifant betekent dan: we moeten onze opgekropte energie kwijt. Het gebonk met het skateboard over de drempel is trouwens voorbij, dat was té erg moeten ook mijn buren inmiddels gedacht hebben. Nachtmerries van het broertje, die mij wakker doen schrikken, betekenen wellicht: ik doorleef de ellende in Syrië weer alsof het hier-en-nu gebeurt. Maar dat is inlegkunde en hoeft helemaal niet zo te zijn. Geschreeuw tegen me van het oudste meisje, al bijna volwassen, kan ik niet plaatsen, maar zou ik wel willen begrijpen. Is het misschien een uiting van onmacht?

    Hoe dan ook, voor het vervolg moet ik het boekje Als stilte steekt van Désanne van Brederode er nog maar eens op naslaan. Zij is ervaringsdeskundige, ik nog maar een leek die graag wil leren én – vooral – afleren, dat in ieder geval. Misschien wordt deze column over vijfentwintig jaar net zo gelezen als het verhaal ‘Homo’ (1968) van Kees van Kooten (opgenomen in Van Kooten Sterk verdund): als een tijdsbeeld en voor alles als een beschrijving van gekoketteer, zoals de auteur het bij De Wereld Draait Door zelf omschreef. Wie zal het zeggen.

     


    Els van Swol leest wat los en vast zit en slaat geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw en schrijft daarover in haar columns.

  • Campert-nummer

    Campert-nummer

    Volgend jaar wordt de dichter negentig. Een gedenkwaardige leeftijd die dit jaar met het verschijnen van zijn biografie gevierd wordt als een voorschot op de dood. Die biografie had ik als Campertadept al in huis moeten hebben. Maar dat heb ik niet. Ik behoed mezelf voor ontluistering door me de inzage in het leven van een dichter die we op een voetstuk hebben geplaatst, vooralsnog te ontzeggen. Afstand is een mooi ding in de literatuur, verhalen en gedichten zijn de ontmoetingsruimte voor lezer en auteur. Pas als de dichter niet meer leeft, wil ik (denk ik) misschien wel, in de loop van de tijd, alles van hem weten. Ik geloof wel dat Mirjam van Hengel een liefdevol boek heeft geschreven, gezien haar boek over het leven van de dichter Leo Vroman. Daar ligt het niet aan. Struisvogelpolitiek mijnerzijds, dat is het. Een biografie omvat een afgesloten leven; Campert is nog niet klaar met leven. Er kan nog wat komen. Je weet het nooit met Campert.

    Voor nu stel ik me tevreden met het literaire tijdschrift Revisor, Het Campert-nummer. Een mooi nummer met vele knipoogjes naar Campert. Astrid Lampe maakte een ‘Campert sample’ die geheel bestaat uit regels uit Dichter, Remco Camperts verzamelde gedichten uit 2015. Dean Bowen maakte een gedicht dat bestaat uit de laatste regels van diezelfde verzamelbundel. Ze konden met zijn regels doen wat ze wilden (ze naast elkaar zetten, achter elkaar, onder of door elkaar) het blijven Camperts regels.
    Het personage Boelie (Het leven is vurrukkulluk) is gerecycled tot een dj, door Daan Heerma van Voss neergezet in een treffend verhaal over een rondleiding door de stad van de dichter. De bijdrage van Camperts vertaler Donald Gardner gaat over zijn kennismaking met de dichter en zijn vrouw. Hij haalt fragmenten aan die volgens hem, (en daar sluit ik mij geheel bij aan): de kern des dichters dichterschap bevatten: Op straat lopen lezen / dat zie je niet zo vaak meer. / Als ik het nog eens doe / loop ik in het verleden…

    Hoe de jongere generatie zich tot de dichter verhoudt, daar schrijft Roos van Rijswijk over. Na het lezen van (het ongecorrigeerde manuscript) Een knipperend ogenblik heeft ook zij last van het ontmythologiseren van de dichter: ‘Dat ik dan weet welke leeftijd hij had toen zijn moeder zakdoekjes rond zijn bed vond,…’. Ze kent de dichter uit de boekenkast van haar oma, moeder en eigen boekenkast en uit het straatbeeld van Amsterdam. Er is sprake van een ‘Campert-radar’ met haar moeder. Wie de dichter signaleert, stuurt een berichtje naar de ander: ‘Ik zag Campert op Het Leidseplein.’ Hoe geruststellend dat is, te weten dàt hij er is, de constante in het stadsbeeld. Van Rijswijk schrijft: ‘Je kunt een standbeeld neerzetten voor zo’n kerel, maar mooier is dit: een boek waarin je, al naar gelang wie je zelf bent, hem leert kennen of terugvindt.
    Ja, die biografie wil ik beslist wel eens lezen. Maar eerst op naar de negentig. Dan zien we wel weer.

     

    Bestel Revisor, Het Campert-nummer hier.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren in het dagelijkse leven en over wat er fladderend beweegt in de kantlijn van de literatuur.

  • Omdenken in optima forma

    Omdenken in optima forma

    Roos van Rijswijk debuteerde in 2016 met de roman Onheilig, veelgeprezen en bekroond met de Anton Wachterprijs voor het beste debuut. Door de Volkskrant werd ze uitgeroepen tot ‘Talent van het jaar’.
    En dan is hier haar tweede boek: De olifant van de bovenbuurman. Schrijvers staan altijd voor de vuurproef met een tweede boek. Wie op een roman rekende of op een verhalenbundel, komt bedrogen uit. Hoewel, bedrogen? 

    Fantasie
    De olifant van de bovenbuurman is een, tja, wat is het eigenlijk? Een afrekening, leuk, toch stiekem een verhalenbundel, een verzameling cursiefjes, frustraties wegschrijven, therapeutisch? Het is het allemaal. Een buurvrouw komt er achter dat haar bovenbuurman met geheimzinnige en lawaaimakende zaken bezig is. Ze realiseert zich na een paar keer klagen dat klagen niet helpt en denkt om.

    Een ding is zeker: het is een geweldig boekje. Het illustreert hoe je van je nadeel een voordeel kunt maken, hoe je van je ergernis over en de overlast van een lawaaimakende bovenbuurman een bundel kunt maken waar de humor de boventoon voert en de fantasie de hoofdrol speelt.
    Een aantal voorbeelden van lawaai: de bovenbuurman neemt een olifant als huisdier die tapdanst en op een skippybal het huis doorgaat. De buurman heeft als hobby gaten boren in muur en vloeren en verwarmingsbuizen schuren. Hij leegt zakken met knikkers op het parket zodat hij niet meer hoeft te lopen. Als hij somber is vindt hij rust bij een cursus percussie in en om het huis. En zo gaat het maar door.

    Laagjes
    De bovenbuurman woont alleen en heeft al snel een olifant inwonen. En dan zijn er nog de los-vaste gasten. Eerst een kangoeroe: de olifant was zo eenzaam en pikte hem op bij een feest. Later komen er nog een bizon, een zeehond en een specht over de vloer om feest te vieren (en nog meer herrie te maken) en uiteindelijk verrast de buurman de olifant met een zeeleeuw, want de olifant vond het wat stilletjes worden zo alleen bij de buurman. Tussendoor begint buurman een Bed & Breakfast: er moet brood op de plank komen. Bovendien geeft het wat aanloop en heeft de olifant zo wat aanspraak. De eerste gasten zijn zes Britten, waardoor Van Rijswijk de grootste clichés over Britten een plek kan geven.
    Waanzin en Kolder, beide met hoofdletters. Wat ontzettend leuk.

    Er zitten nog wel wat laagjes in dit boekje: de olifant is erg gevoelig, maakt zich zorgen over haar gewicht en of iedereen haar wel aardig vindt. De buurman is ook gevoeliger dan je zou denken: hij houdt heel veel rekening met de olifant. Maar gek genoeg alleen met haar: de rest van de wereld, laat staan een onderbuur, bestaat niet. Een eigen universum dus. De maatschappij bestaat niet of in ieder geval: buurman houdt daar geen rekening mee. Hij leeft zijn eigen leven, vindt dat hij recht heeft op zijn autonomie en gaat gewoon door waar hij mee bezig is.Roos van Rijswijk heeft aangegeven dat ze wel met haar bovenbuurman contact heeft gehad, dat ze hem ook wel snapte, maar dat hij niet van plan was zijn manier van leven te veranderen.
    Wellicht is dit boekje dus ook te lezen als een schrijnend voorbeeld van verwarde mensen die hun plaats in de samenleving op hun eigen wijze invullen en geeft Van Rijswijk aan dat niet deze mensen zullen of moeten veranderen, maar de manier waarop wij er mee omgaan.

    Het boekje is prachtig geïllustreerd door Sylvia Weve.

  • Je kunt altijd een ekster nemen

    Je kunt altijd een ekster nemen

    Roos van Rijswijk (1985) heeft met haar debuut een verrassende roman geschreven die bij herlezing steeds beter bevalt. Onheilig gaat over getroebleerde familiebanden. In dit geval over een ongeneeslijk zieke moeder en haar zoon. Sentiment kan al gauw de overhand nemen in zo’n geval; maar niet bij Van Rijswijk. In negen hoofdstukken nemen we afwisselend kennis van het leven van de moeder, Angelique en de zoon, Miguel. Beide levens vormen twee verschillende verhaallijnen die elkaar af en toe raken maar nergens samen komen.

    ‘Vallende ziekte, vallende ziekte,’ … zingt het in het hoofd van Angelique als zij op haar zevenenvijftigste te horen krijgt dat ze kanker heeft in een ver gevorderd stadium. Niet meer te redden. Alles doet zeer. Ze komt uit een welvarende familie maar heeft nooit enige richting aan haar leven kunnen geven. Ze brengt haar tijd door met roken, eindeloos roken, veel drinken en stapels boeken lezen en porno kijken. Op haar drieëntwintigste bevalt ze na een onenightstand met een Mexicaan van haar zoon Miguel. Hij werd geboren op het toilet van de Bijenkorf. ‘Zo banaal dat je het niet verzinnen kunt, ik zocht een angoratrui en kreeg ineens ontzettende kramp. Toen kwam Miquel.’ Haar zoon leverde haar twee keer een ‘rotstreek’: de eerste was door geboren te worden en de tweede keer door naar Duitsland te verhuizen.

    Schaamte
    Voor een vrouw die in haar leven verschillende pogingen tot zelfmoord heeft ondernomen, is haar reactie op haar ongeneeslijke ziekte verrassend. Door haar therapeut Jacoba gestimuleerd, begint ze een dagboek bij te houden waarin ze zich richt tot deze therapeut, want verder heeft ze niemand. O ja, haar zus, maar die vertegenwoordigt teveel het sentimentele waaraan ze zich dan weer ergert. En Leendert is er ook nog, die voorziet haar van de hoognodige verdovende middelen en bezorgt haar zelfs een pistool  voor als ze er vroegtijdig een eind aan wil maken. Maar juist door die onheilstijding schijnt ze de impuls te voelen er iets van te maken. Op aanraden van haar therapeut, schrijft ze haar zoon een brief. (…) ze schrijft dat ze bezig is in een heel goed boek en dat ze hoopt  het einde nog te halen. Geen titel.’  Wat een toevoeging is (Geen titel) die te denken geeft.

    Miguel schaamde zich al vroeg voor het disfunctioneren van zijn moeder. Als ze hem vroeger naar school bracht wilde hij een straat eerder worden afgezet zodat zij zich niet op school zou vertonen met haar dranklucht en opvallende verschijning. Op zeventienjarige leeftijd verliet hij het huis. Het beeld dat hij van zijn vader heeft, die hij nooit gezien heeft, is een man die altijd, ‘ (…) in een zandvlakte stond, in de zon, in de buurt van een cactus, zijn gezicht in de schaduw die zijn sombrero wierp.’ Geen dag gaat voorbij zonder een gedachte aan hem. Als hij zich verbeeldt dat zijn vader hem kan zien lopen of op zijn brommer ziet rijden, recht hij ongemerkt zijn rug. Hier blijf je als lezer even bij stilstaan: Wat het doet met een mens die zich gezien voelt.
    Hij woont sinds twee jaar in het dorpje Nieheim in Duitsland, samen met Jorge, een Spaanse jongen die op een dag in het dorp verscheen. In het dorp gaan ze door voor broers, allebei donker en een ‘Mayakop’.

    Mooie zinnen
    Als de ziekte zo ver gevorderd is dat alles haar vermoeit, vertrouwt ze haar dagboek toe dat ze altijd al levensmoe is geweest. ‘Een versleten ziel, die gaat al eeuwen mee, is één keer te vaak teruggekomen uit ijdelheid en teruggefloten.’
    Waarmee we gelijk een van de vele mooie zinnen van Van Rijswijk te pakken hebben. Zinnen die het verhaal diepgang geven en de personages een dimensie van stille wateren en diepe gronden. En net als je een beetje consideratie met Angelique voelt, dringt het door wat  voor type ze eigenlijk is: (…) hoe vaak ik geen kunstenares geweest ben, of een Française, een tijdlang was ik schrijver en zelfs Leendert heeft dat geloofd.’ Ook weet ze opeens niet meer zeker of de vader van Miguel ‘wel echt een Mexicaan was!’

    Misschien is dat wat Roos van Rijswijk (als ze al iets wil meegeven) wil laten weten met Onheilig. Dat er een doel in het leven moet zijn, tegen dingen geschopt moet worden, zodat er iets beweegt en we contact maken met de wereld. Je wordt filosofisch van de mooi geformuleerde gedachten en stellingen in dit boek.

    Vrijpostige personages
    Literatuur komt er via verschillende wegen in voor. Miguel herinnert zich dat zijn moeder ’s nacht in de woonkamer zit te lezen en onbedaarlijk moet lachen. In een boek van Anaïs Nin is een foto achtergebleven van een negenjarig jongetje met een beugel en een T-shirt waarop het 7-up mannetje Fido Dido staat. Het kind keek schaapachtig en met blozende wangetjes in de lens. ‘In Nin!’ lachte zijn moeder slap. Dit is de mooiste aller tijden! Dit kereltje, in Anaïs Nin! Nin stond bekend om haar erotische verhalen.

    De Spaanse Jorge is de simpele ziel zoals we die kennen uit Van muizen & mensen van Steinbeck. Ook hij kan zijn ogen niet van mooie meisjes afhouden en Miguel vreest soms dat hij het katje, dat is komen aanlopen, doodknuffelt. Als hij alleen is, zingt Jorge liedjes van de Duitse band Unheilig en kan hij in ontzettende lachbuien uitbarsten.
    Dat is het fijne aan de stijl van dit boek, de personages veroorloven zich zo nu en dan bepaalde vrijheden waarbij het lijkt of ze uit de hand van de schrijver zijn geglipt.

    Van Rijswijk is een schrijver die werk maakt van literatuur. Met de gedragingen van haar personages geeft ze een wonderlijke psychologie van de menselijke natuur weer waar nog dagen over doorgedacht kan worden. Denk aan een vader  die ‘een woestijnlied neuriënd door een scheur in het plafond verdween.‘ Of dat er op en dag een ekster in de woonkamer van Angelique zit en ze de hulp inroept van een buurjongen die net verlaten is door zijn vriend. Wanneer ze ernaar vraagt, stamelt hij: ‘Het is, eh, uit, geloof ik.‘ En begint te huilen. Dan troost ze: ‘Alles komt goed. En anders kun je altijd een ekster nemen.’ Een waarlijk prachtig boek.

     

  • Verkocht

    Verkocht

     

    Ik stelde voor dat ik voor altijd thuis zou blijven. Ik zei: ‘Laat mij maar thuis blijven. Dan zal ik, in ruil daarvoor, de schappen in de voorraadkast en de kastjes boven het aanrecht steeds opnieuw ordenen en schoonmaken en de onderbroeken strijken. Daarna zal ik de aangekoekte pannen met staalwol schrobben, de zwarte aanslag uit de theepotten (vier in totaal) verwijderen en de tuin doe ik er ook wel bij. Al die dingen zal ik steeds opnieuw doen, net zo lang tot er een sereniteit ontstaat die jou bij thuiskomst weldadig omarmt. Die jou, wanneer je met vermoeide ledematen en een leeg hoofd thuiskomt, de rust geven die je nodig hebt. Je weet, ik houd niet van regelmaat en steeds dezelfde dingen moeten doen, maar als ik voor altijd thuis mag blijven: doe ik het gewoon. Ik zet de stoelen omgekeerd, met hun poten omhoog op tafel, pluk tussen duim en wijsvinger pluizen en andere huislijk vloervuil van elke poot afzonderlijk en luister naar programma’s waarin bijvoorbeeld K. Schippers aan het woord is. Die het heeft over voorbijgangers alsof het beroemdheden zijn. Dan ben ik verkocht. Tussendoor gooi ik een digitaal prullenbakje leeg, spoel het vaatdoekje uit en neem voor de derde maal de kastjes nog eens uit. Je ziet. Genoeg te doen.

    Een zwak voor iemand hebben is het mooiste wat je kan overkomen. Zaterdagochtend zat ik in bed met een kop koffie en Sir Edmund toen het gebeurde. Op pagina 16/17 werd ik getroffen door een jonge vrouw, die me met een niets verwachtende, wat waterige blik vanuit een blauw/witte achtergrond aankeek en zich, zo bleek uit het interview, op een punt in haar leven had bevonden tussen John Steinbeck en Michael Cunningham. Die tussen die twee schrijvers in, als twee entiteiten van het schrijverschap, haar eigen schrijverschap had uitgevonden. Ze nam me voor zich in omdat ze Van muizen en mensen van Steinbeck hield.

    Een paar dagen daarvoor had deze schrijfster, Roos van Rijswijk, op TIRADE.NU geblogd over een irritant geluid in het ventilatiesysteem van haar huis waardoor haar vriend en zijzelf ’s nachts geen oog dicht deden. Ze sliep met siliconen oordopjes in:

    ’s Ochtends vind ik die dopjes in mijn kruin, ze zijn knalroze en er nog moeilijker uit te krijgen dan kauwgom.

    Het was wachten op de ventilatieman die het euvel zou verhelpen. En passant blogt ze verder dat over twee dagen, op 10 februari haar debuutroman Onheilig, gepresenteerd zal worden.

    Een gebeurtenis die haast in het niet valt bij de mogelijke verlossing die ventilatieman kan brengen, desalniettemin heb ik ook daar zin in.

    Haar formulering van de dingen nam me voor haar in. En hoe ze op die prachtige foto van Jiri Buller, waar de natte winterkou vanaf straalt, haar handen plat op haar donkerblauwe gebreide muts legde, als om de muts op haar hoofd aan te drukken. Om de onschuld van die handen was ik weer verkocht. Vraag me niet wat het is. Vraag me alleen of ik voor altijd thuis zal blijven. Zodat ik Onheilig kan lezen. Tussendoor maak ik nog wel een aanrechtkastje schoon.

     

     

  • Debuteren leer je op het Debutantenbal

    Debuteren leer je op het Debutantenbal

    Gevestigde en recent gedebuteerde schrijvers delen hun ervaringen, uitgevers vertellen over hun werk en voor iedere bezoeker is er gratis schrijfadvies. Je kunt schrijvers horen vertellen over feit en fictie en hun eerste pogingen tot schrijverschap, met redacteuren en schrijfdocenten aan de bar hangen en erachter komen hoe die relatie tussen schrijver en redacteur nu in elkaar zit.

    De verschillende programma onderdelen zijn:

    Feit en fictie
    Veel schrijvers verwerken gebeurtenissen uit hun eigen leven in hun werk. Andersom worden fictieve gebeurtenissen soms door lezers voor waar aangenomen. Waar ligt de grens tussen feit en fictie en hoe beïnvloeden de twee elkaar? Met de auteurs: Karin Amatmoekrim, Pieter Waterdrinker en Michael Bijnens.

    Rijp voor je eerste boek? 
    Tijdens dit programma spreken schrijvers en hun redacteuren met elkaar over de totstandkoming van hun eerste boek. Waar letten de redacteuren op en wat vinden de schrijvers hiervan? Hoe weet je dat een schrijver klaar is om te debuteren en welke relatie hebben schrijvers met hun redacteuren? Met o.a.: Jelte Nieuwenhuis (redacteur Atlas Contact), Jerry Hormone (schrijver en muzikant), Suzanne Holtzer (redacteur De Bezige Bij), Frederik Willem Daem (schrijver), Roos van Rijswijk (schrijver en journalist) en Josje Kraamer (redacteur Querido).

    Terug naar het debuut 
    Bekende gevestigde schrijvers lezen voor uit hun debuut en vertellen over het schrijfproces. Ze spreken over welke invloed hun debuut gehad heeft bij het verschijnen, maar ook op de vorming van hun oeuvre. Met o.a.: Connie Palmen en Renate Dorrestein.

    Aan het eind van de avond maakt een vakjury de winnaar bekend van de Debutantenschrijfwedstrijd.

    Koop hier een ticket.