• Onvergelijkbare Nacht van de Poëzie

    Onbehaaglijk koude rillingen die via de ruggengraat omhoog kruipen en kippenvel krijgen bij het horen van een gedicht. Dat kon je zomaar overkomen tijdens de 34e editie van Nacht van de Poëzie. In Tivoli/Vredenburg te Utrecht hingen zo’n 2000 bezoekers aan de lippen van een twintigtal opmerkelijke dichters. Een Nacht die overrompelde met dichterlijke bijdragen en enkele opzienbarende entr’actes.

    De Nacht opende glorieus met een beeldpresentatie van voorgaande Nachten, wervelende lichtbundels als sproeiende douchekoppen, openingswoorden van Piet Piryns en Ester Naomi Perquin en de Vlaamse dichter Charlotte Van Den Broeck die de spits afbeet. Haar dichtwerk over lijden en het doorbreken van sleur, was in tegenstelling tot het werk waar ze vorig jaar de Nacht mee afsloot, minder doordringbaar, maar evenwel met veelduidende strofen als: ‘geluk is geruisloos’. Of: ‘niemand strijkt de hemden meer of de man eronder’.

    ‘Spiegeling’
    Voor de geëngageerde Belgische dichter (voorheen Dichter des Vaderlands) Charles Ducal, is het socialisme nog zeer bruikbaar. Thema’s als arbeiders, Kongo, vluchtelingen op zee met een uitstapje voor een ode aan schrijver Emil Verharen (1855-1916) wist hij het publiek te boeien. Onze eigen Dichter des Vaderlands Anne Vegter is ook zeker geëngageerd maar bracht dit met zowel onontkoombare scherpte als luchtigheid. Zij was het die de luisteraars kippenvel en rillingen bezorgde met het indringende gedicht waarin ze zich afvraagt: ‘Wat nu, als de hele wereld kantelt’. Een fantastische omkeerbaarheid van de vluchteling. Heel Nederland valt uit elkaar en iedereen slaat op de vlucht maar nergens welkom. De opbouw was scherp en zonder pardon. Zo hebben we dat graag. Afsluitend klonk haar bekende: ‘Geschiedenis vindt evenwicht, maar niet vanzelf.’,werd in deze versie: ‘altijd’. Ook Joke van Leeuwen hield het publiek een spiegel voor met een karakteristiek beeld van de huidige Nederlander waarin, aan het geregeld opklinkende lachen te horen, velen zich herkenden.

    K. Michel veroverde de zaal met humor en mooie vondsten. Sterk opgebouwde, verhalende gedichten. Zoals het gedicht dat begint met het wachten op de accountant om zijn zaken op orde te brengen, is meesterlijk. Het gaat uiteindelijk over een verstoorde zus die er eigenlijk niet is omdat ze dood is. Dat een dichter niet altijd weet welke kant het gedicht op gaat, bewijst hij door de account er weer uit te schrijven en zo kwam de ‘boekhouding nooit op orde’.

    De jonge dichters van de Nacht onderscheidden zich door werk waarin nog veel werd ‘losgemaakt van ouders (vooral moeders) en werd geworsteld met verwachtingen die hen zijn opgelegd. Roos Rebergen eindigde een gedicht over moeder met; ‘Gelukkig zijn we geen vriendinnen.’ Wat veelal bij alle dichters de boventoon voerde was toch wel de op hol geslagen wereld, vluchtelingen, chaos en machteloosheid over hoe de dingen gaan. Er is geen beter voertuig, bleek deze Nacht maar weer eens, dan de poëzie om aan dit alles uitdrukking te kunnen geven.

    Ongemakkelijk samenspel
    Ester Naomi Perquin en Piet Piryns presenteerden als duo voor de derde maal op rij De Nacht. Dat de rolverdeling in die drie jaar zich duidelijk onderscheidde, gaven ze zelf al aan. Perquin, de empathische die een relatie met het publiek opbouwt, noemde het publiek vorig jaar om te zoenen en Piryns’, degene die de blik streng op het tijdschema houdt en het publiek er met de kop bijhoudt. Dat dit niet altijd voor een goede balans zorgde werd duidelijk toen Piryns de Zuid-Afrikaanse schrijver Marlene van Niekerk verzocht het podium te verlaten toen haar tijd om was terwijl zij op het punt stond haar slotgedicht voor te dragen. Onverkwikkelijk vooral omdat Perquin bij aankondiging van Van Niekerk het publiek vertelde dat zij slechts enkele uren geleden geland was en speciaal voor de Nacht naar hier was gekomen. Het was een wat gênante samenloop van aanpak. Ook omdat haar voordracht begeleid werd door verhalen over de schrijnende toestand in haar land, waar per jaar 21.000 mensen (waaronder 8000 kinderen) door geweld om het leven komen. Natuurlijk, De Nacht duurt lang. Maar enige consideratie was hier op zijn plaats geweest. Het boegeroep uit verschillende hoeken van de zaal was dan ook niet van de lucht.

    En dan kwam Hans Dorrestijn nog met zijn zwartgallige maar oh zo vertederende humor, die zichzelf als een mislukte Joost Zwagerman bestempelde. Hij zelf had immers vaak genoeg klappertandend op een stoel, met een touw om zijn nek gestaan, maar was er nog steeds. Een mislukte Joost Zwagerman, jaja.

    De twee debutanten van de Nacht waren Marieke Rijneveld en Jonathan Griffioen, waarvan vooral Rijneveld verraste met haar wijze van uitdrukken als: ‘Troosten is als inparkeren / het is weten en meten’, is natuurlijk prachtig. En van Griffioen is nu al zeker dat zijn opening van de 35e Nacht onvergetelijk zal zijn.

    Wandelgangen en entr’actes
    In de wandelgangen (waar kleine uitgevers achter hun tafeltjes zaten, literaire tijdschriften vertegenwoordigd waren en boeken en eetwaren te verkrijgen waren), kon je een dichter in afwachting van zijn optreden in ogenschijnlijk rustige tred zijn rondjes om de zaal heen zien draaien. Hier en daar een enkele pauzerende bezoeker minzaam groetend. Zoals het een dichter betaamt. Een van deze rondwandelende dichters, F. Starik besprong in grasgroenkostuum het podium om het dichterschap te vieren. Met een gretigheid die het publiek soms achteruit deed deinzen, bracht hij een dichterlijke tirade over ‘gras’ (dat zich overal en onophoudelijk vertoont), ten gehore. Hiermee schudde hij de ingedutte zaal voor de rest van de Nacht goed wakker.

    De entr’actes waren verrassend en ook zo verbluffend vreemd, dat de neiging om met voorgaande jaren te vergelijken er volledig bij inschoot. Al met al was het een feestje waar niets onder de maat bleef en het publiek zich welwillend naar schikte. Uitschieters waren Mondharmonicaspeler Tim Welvaars die een hommage bracht aan de onlangs overleden Toots Thielemans en waarvan je dacht toen je hem hoorde spelen: ‘Waarom heb ik nog nooit eerder van die man gehoord?’ Daar is De Nacht dan ook weer voor, om ontdekkingen te doen en nieuwe kunstenaars te leren kennen.

    Zoals de Israëlische Asaf Avidan, muzikaal fenomeen met een stem die ongekend is en nog het dichtst bij het stemgeluid van The Tallest Man on Earth komt, maar zoals gezegd ook ‘ongekend’ is. Zijn teksten en manier van zingen deden af aan toe aan Leonard Cohen denken. Vooral de ballade The Labyrinth song, waarin het repeterende refrein deze associatie nog versterkte:

    Oh Ariadne, let me sing you, and we’ll make each other last
    Oh Ariadne, I have failed you in this labyrinth of my past
    Oh Ariadne, let me sing you, and we’ll make each other last

    En tussendoor met een regelmaat ,die het begeleidende ritme van deze Nacht werd, het vrolijk gerinkel van brekende wijnglazen. Soms een enkel glas, soms bij drieën tegelijk. Daarbij lijkt het publiek elk jaar jonger te worden, als is er een soort verschuiving in leeftijd waarneembaar. Waarschijnlijk ook dat daarom deze zeer succesvolle Nacht tot aan het einde toe opvallend druk bezocht bleef.

     

     

    Foto: Anna van Kooij

     

  • Sentimental journey naar de jongere zelf

    Sentimental journey naar de jongere zelf

    Deze dichtbundel is de eerste publicatie van Roos Rebergen, waarmee niet duidelijk is of het een debuut mag heten want Rebergen schrijft al jarenlang liedteksten die zij samen met haar band Roosbeef tijdens optredens ten gehore brengt en op cd’s uitgeeft. De bekendste daarvan is ongetwijfeld ‘Ze willen wel je hond aaien maar niet met je praten’. De gedichten uit Ik ben al 11 jaar geen 16 meer sluiten daar goed bij aan: wie Roosbeef heeft zien en vooral horen optreden, kan zich moeiteloos voorstellen hoe Rebergen een melodie zet onder haar gedichten en ze dan zingt met haar doordringende, aparte stem, net zo opvallend als haar neonroze haar toen was.

    Die stem klinkt door in haar  gedichten: het lijkt alsof Rebergen schrijft zoals ze spreekt, alsof ze met iemand in een conversatie verwikkeld is. Maar we horen slechts één kant van het gesprek door één spreker en we vallen er zonder achtergrondinformatie middenin. In veel van haar gedichten richt ze zich rechtstreeks tot één speciaal persoon; het is aan de lezer om uit te maken wie dat is: haar broer, haar moeder, haar ex-vriend of iemand die we slechts vluchtig leren kennen, zoals ‘kees’ uit het gedicht ‘Weergoden’:

    ik was aan het soundchecken en plots zat hij daar achterin
    ik was zo blij dat hij daar zat
    hij was me niet vergeten

    Het is verleidelijk de gedichten daarom autobiografisch te noemen, maar heeft niet Simon Carmiggelt met vaste hand een streep door dat voornemen getrokken, toen hij stelde dat men dan net zo goed tegen Shakespeare kon zeggen: ‘Zo, wat hoor ik, heeft uw oom uw vader vermoord?’, enkel en alleen omdat hij dat Hamlet liet overkomen. Toch ontkom je niet aan de indruk dat de ik-figuur Rebergen zelf is: alle gedichten zijn vanuit  de eerste persoon geschreven en handelen over heel persoonlijke aangelegenheden. En elke dichter legt iets van zichzelf in zijn werk.

    De bundel is geïllustreerd met een aantal collages van de hand van Colin Temple, een Vlaamse kunstenaar met wie Rebergen vier jaar een relatie had. De collages hebben niet rechtstreeks betrekking op de gedichten, maar geven meer de sfeer van de bundel aan. Rebergen gebruikt geen interpunctie, zelfs geen hoofdletters, op een enkel vraagteken na. Ook is er nergens eindrijm te bespeuren. Sommige gedichten beslaan twee pagina’s, andere bestaan uit slechts twee regels. Wat opvalt is dat er veelvuldig gebruik wordt gemaakt van herhaling, vooral in het begin van de zinnen:

    een date

    er is geen uur afgesproken
    er is geen dag afgesproken
    er is geen plaats afgesproken
    er is geen hoop
    er zijn geen verwachtingen
    ik doe iets leuks aan
    ik zal er zijn
    ik kan niet wachten
    ik kijk ernaar uit

    De neutrale opstelling die gecreëerd wordt door de herhaling van de passieve vorm van de zinnen slaat om in een positieve houding zodra het onderwerp vervangen wordt door ‘ik’ en de zinsbouw actief wordt, waardoor de wanhoop omslaat in hoop. Tegelijkertijd wordt de indruk gewekt dat de ik in het gedicht zich juist daarom verheugt op de ontmoeting omdat die zo vrijblijvend is. De korte zinnen drukken het ongeduld uit en het trappelend verlangen.

    In het prachtige, lange gedicht ‘toen wij‘, dat zich richt tot de broer van het lyrisch ik, begint elke regel met een onderschikkend ’toen’, zonder dat er een hoofdzin op volgt en wordt er teruggeblikt op een gedeeld verleden, om dan plotseling zonder herhaling heel direct te eindigen met:

    soms mis ik het nauwelijks
    maar nu jij een kind krijgt en een huis koopt
    meer dan ooit
    beloof me dat het een broer gaat krijgen en stop met roken
    sukkel

    De ‘sentimental journey’ naar het verleden is bezworen en het heden komt weer nuchter naar voren, beklemtoond door dat prachtige ‘sukkel’ als slotzin. Opvallend is de manier waarop in de gedichten naar iets gekeken wordt vanuit een andere ooghoek dan gebruikelijk is; meestal levert dat een komisch effect op:

    soms hoopte ik dat zij zij was
    en zij niet ik
    maar het leven heb je niet in de hand
    net zoals paarden het blijven beesten

    Het taalgebruik van Rebergen lijkt argeloos kinderlijk (‘de wind klonk zoals ernie van bert en ernie met zijn stem de wind nadoet / woei woei woei’), maar daardoor weet ze juist heel goed te verwoorden wat ze wil zeggen. In Ik ben al 11 jaar geen 16 meer, is een eigenzinnige jonge vrouw aan het woord die zich uit alle macht verzet tegen het volwassen worden. Dat  doet ze op een verrassende en kwetsbare manier, in het besef dat alle verzet zinloos is. Zij heeft de verwondering van een kind behouden dat alles voor de eerste keer ziet, voor wie alle dingen nieuw en belangrijk zijn en er een volstrekt eigen logica op na houdt. Haar poëzie lijkt simpel op het eerste gezicht, maar er schuilt veel meer onder de oppervlakte dan de eerste indruk doet vermoeden.

    Door bijzondere beelden en zinswendingen te gebruiken bereikt Rebergen vaak een verfrissend resultaat waar je als lezer blij van wordt. Toch is het niet allemaal rozengeur en maneschijn in haar gedichten: soms slaat de verwondering om in uitzichtloosheid en depressie en is de herhaling van ‘het gaat goed met mij’ in het ontroerende gedicht ‘lieve moeder’ net iets te nadrukkelijk om waar te zijn.

    Niet alle gedichten in deze bundel zijn even goed: sommige gedichten lijken te zijn toegevoegd om het aantal te vermeerderen en dat is jammer, want kwaliteit gaat boven kwantiteit. De vervreemdende illustraties benadrukken nog eens de verwarring die volwassen worden met zich meebrengt: het zijn veelal collages van vrouwen in raadselachtige situaties, die de sfeer van de bundel verhogen.

    Toch is het vooral de eigen stem van Rebergen die door de hele bundel heen te horen is en die het lezen de moeite waard maakt. Zij  transformeert alledaagsheid tot poëzie, ziet dingen, zoals gezegd, waar een ander achteloos aan voorbij loopt en die zij weet te benoemen op een manier die je voorgoed de ogen opent.