• Woordeloos graf

    Woordeloos graf

    Ik was een paar dagen in Zeeland, waar ik niet eerder was. Bij Zeeland dacht ik aan de Zeeuwse dichter en dagboekschrijver Hans Warren. In de jaren tachtig/negentig werd elk nieuw verschenen deel van Geheim Dagboek gelezen. Ik dacht erover zijn graf te bezoeken, appte een Warren kenner of hij wist waar de dichter begraven lag. Nadat ik en de man bij Oostkapelle de tent hadden opgezet, zochten we de zee. Na een urenlange, prachtige wandeling door een bos met herten, een kudde wilde paarden, hadden we de zee nog niet gezien. Toen ik later in mijn slaapzak lag te draaien, verschenen er twintig foto’s van gefotografeerde pagina’s uit een boekje met wandelingen van Hans Warren, ‘pingend’ op mijn mobiel. Het verscheen in 2006 (je woonde nog in Portugal), als onderdeel van de serie ‘Literaire wandelingen’ bij Bas Lubberhuizen en was je geheel ontgaan.

    In Borssele was er geen mens op straat. Er heerste een jaloersmakende zondagsrust. Of wacht, daar zaten twee Litouwse bouwvakkers op de hoek van de Weststraat. De een op een stoel, de ander op de stoeprand, blote voeten, kijkend op hun mobiel. Het enige café was dicht. Ik liep de Weststraat in, naar nr. 15, er stond een wit busje voor. Ik herinner me de ongelukkigheid van Warren over deze gedwongen verhuizing van het ruime, vrijstaande huis aan de Zeedijk naar een gezinswoning.
    Daarna zochten we Warrens graf op de begraafplaats aan de Oostsingel. We namen ieder een stuk voor onze rekening, liepen af en aan. Tot de man zijn hand opstak, het graf gevonden. Het lag er open en bloot. Geen grafzuil, geen tekst. Enkel een wit marmeren plaat met rechts, op een zwart marmeren rand ‘hans warren     dichter’, afstand tussen naam en dichter zoals op het graf. Ik stond bij dat woordeloos graf van de dichter die had afgezien van elke vorm van bewondering. Legde wat takjes vrouwenmantel bij zijn naam, zei enkel maar, ‘dag hans’.

    In 1957 was Warren met zijn gezin, na vier Parijse jaren teruggekeerd naar Zeeland. Op 29 juli 1957 schreef hij, ‘Sinds 1 juli wonen we Pijkesweegje 1 in Kloetinge. Een zeventiende-eeuws huisje, vervallen maar pittoresk, aardig van verhoudingen en met aangenaam licht in de kamers die op het oosten gelegen zijn. Toen ik met de verhuiswagen aankwam wist ik aanvankelijk niet goed waar ik wezen moest: ik zag een zwartgeteerde schuur met een paar kapotte planken waardoor de boerenzwaluwen in en uit zwierden. Het leek me een geitenstal. Maar het bleek de zijkant van ons toekomstige huis, dat eigenlijk uit twee arbeiderswoninkjes bestaat die spiegelbeeldig tegen elkaar gebouwd zijn.’ Het beviel hem, hij zou er tot aan zijn dood in 2001 blijven wonen.
    In het boek Augustus zoekt het dan drieëntwintigjarige alter ego van Eric de Rooij in augustus 1988 de dichter op. Hij verwachtte er veel van, tegelijkertijd niets. Bij zich een exemplaar van  Geheim Dagboek 1945-1948. ‘Mijn hoofd gloeide. Somber, nerveus en ontheemd fietste ik rechtsaf het Pijkeswegje op, en daar passeerde mij, nagenoeg gelijktijdig, een donkerbruine Volvo die de weg richting Goes insloeg.’ In die Volvo zat de dichter met zijn partner Mario Molegraaf maar hij zag het niet. Hij had zich voorgesteld hoe de dichter hem zou ontvangen. ‘Dag jongeman, (…). Wil je een kopje thee, dan signeer ik jouw exemplaar. Is het Erik met een k of met een c?’ Het werd niets.

    De dag na zondag stond ik op dat pad naar het voormalige huis van de dichter. Ik keek naar het van de weg afliggende donkere huis, verscholen tussen bossages waar de zon doorheen speelde. Je dacht aan de vele bezoekers die over dit pad de dichter hadden bezocht. In een van zijn dagboekdelen beschreef Warren een scene waar je nog wel eens aan denkt als er ongewenst bezoek voor de deur staat. Hoe hij zich met zijn vrouw tussen de ingeklapte tuinstoelen in een klein berghok verstopte. Warren in halfzit tegen de stoelen gedrukt, Mabel op schoot, haar bij de heupen vasthoudend, hoorden ze hoe de ongenode gasten rond het huis liepen. Na enkele benauwende momenten werd plots de deur van het berghok opengetrokken, Warren en zijn vrouw tuimelden naar buiten. Reactie van bezoekers , ‘Oh, zitten jullie hier?’ En hoe je je hier weer uitdraait.

    Sinds Zeeland ben ik opnieuw in de Geheim Dagboek ‘mood’. Lees die van 1945-1948. Bestelde het literaire wandelboekje Hart van mijn land ik ben terug door Ronny Bogaart en Eric de Rooij. Met dank aan beiden voor de uitmuntende informatie over leef en wandelgangen van Hans Warren.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over boeken en haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.



  • Vakantierubriek 2013 – Machiel Jansen

    Nederland

    Deze zomer reis ik in de tijd en blijf ik op mijn plaats. Niet dat ik stil zit. Minstens één keer in de week ren ik mijn huis uit, het dorp door en beklim ik de heuvel die ‘Hoog Baarn’ genoemd wordt. ‘Hoog’ betekent hier in meerdere opzichten verheven boven de rest van het dorp en de omgeving. Grote villa’s, hoge bomen, ware woonkastelen, een ouderwetse watertoren en een prachtige vijver zijn te vinden op een plaats die iets dichter bij de hemel lijkt te liggen dan de rest van de omgeving.

    Het dorp is Baarn en de villawijk heet officieel Wilhelminapark al is er van een echt park geen sprake. Dit is een dure, prachtige wijk op een zandheuvel met huizen die veelal gebouwd zijn rond de voorlaatste eeuwwisseling. Wie er rennend doorheen gaat en door de inspanning  een zuurstofschuld heeft opgebouwd, waant zich even in die tijd.

    Vlak onder het hoogste punt van de heuvel staat een wat kleinere villa. De weg er langs is stil en schaduwrijk. De villa zelf is okergeel geschilderd en ligt op een hoek. De zijstraat waar de ingang zich bevindt, loopt na een tiental meters dood. De lucht ruikt hier altijd naar degelijke, ietwat prijzige rust. Hier heerst een stilte die niet iedereen zich kan veroorloven.

    De tuin van deze relatief bescheiden villa is niet eens zo groot of is er misschien aan de andere kant nog een deel dat ik niet zien kan? Er is een klein balkonnetje aan de voorkant en al met al lijkt me dit een ideaal huis om in te schrijven. Hier woonde Lodewijk van Deyssel. De muren waren toen wit in plaats van okergeel en het asfalt in de straat zal er ongetwijfeld nog niet gelegen hebben. Maar de schoonheid en de rust die Van Deyssel zo op prijs stelden zijn gebleven.

    Van Deyssel schreef hier Uit het leven van Frank Rozelaar en het huis zelf wordt een aantal keer beschreven:

    Van-ochtend vroeg weer thuis komend, werd ik getroffen door de schoonheid van mijn huis, zoo als het daar stond, wit, door de zon licht goud beschenen, onder het diepe blaauw van de lucht. Indien het niet mijn huis ware geweest, zoude het mij niet deze gewaarwording hebben gegeven. Toch weet ik zeker, dat ik niet vooraf gedacht had: “hoe heerlijk, daar is mijn huis”.

    Zoo dat de gemoedstrilling zich buiten mij om met het uiterlijk voorkomen van het huis verenigd had, en zij als een geheel mij stonden te wachten.

    Wie leest Van Deyssel nu nog? Zelfs de Baarnse boekhandel Den Boer verkoopt zijn boeken niet meer. Van Deyssels biograaf Harry Prick heeft de schrijver lange tijd nog overeind gehouden en met veel liefde en toewijding ervoor gezorgd dat er geen woord van de grote Tachtiger verloren ging. Telefoonbriefjes, aantekeningen, dagboekfragmenten, brieven; elk woord van Van Deyssel is gepubliceerd. Maar zijn echte literaire werk, wie leest dat nu nog?

    Van Deyssel is een merkwaardig figuur. Op mij maakt hij de indruk van een schrijver die voortdurend bezig is zich voor te bereiden op het schrijven van een meesterwerk. Alles, bijna alles, wat ik van hem ken, maakt de indruk een voorproefje te zijn, een vingeroefening op iets werkelijk groots en meeslepends. Maar aan het echte, grote werk is hij vervolgens niet toe gekomen. In plaats daarvan schreef hij uitvoerige aantekeningen over de manieren waarop hij de vliegen uit zijn schrijfkamer hield en hoe hij de rust probeerde te bewaren die voor het werkelijke schrijven noodzakelijk was.

    Ondertussen weet Van Deyssel toch de indruk te wekken dat hij een groot, zeer groot schrijver is. Die indruk maakte hij ook op zichzelf. De gewaarwording dat hij veel, zo niet alles kon, was hem niet vreemd. Dat wil niet zeggen dat hij dacht dat hij alles ook echt kon, maar hij beweerde te ervaren wat iemand die alles ook echt kan, ook ervaart. En omdat daden in die tijd door veel intellectuelen werden gezien als slechts een uiterlijk en minderwaardig bijverschijnsel van het innerlijke leven, was die gewaarwording op zich al genoeg. Waarom iets doen dat uiteindelijk een ervaring oplevert die je al hebt voordat je ook maar iets gedaan hebt? Voor Van Deyssel werd de gewaarwording dat je iets kunt, belangrijker dan het handelen zelf. Met andere woorden: het zijn van een God in het diepst van de eigen gedachten was bijna hetzelfde als een God te zijn.

    Zoals ik al zei, Van Deyssel was een merkwaardig figuur.

    Een aantal van deze ideeën beschreef hij in Het ik, heroïesch-individualistische dagboekbladen, uitgegeven in de reeks privé-domein en nu alleen nog antiquarisch te krijgen. Het is het beste dat ik van Van Deyssel ken. W.F. Hermans noemde het boek een meesterwerk en dat zegt zowel iets over het boek als over Hermans zelf.

    Het ik, is een uitermate zelfbewust boek. En met zelfbewust bedoel ik dat de schrijver niet alleen zijn gedachten weergeeft, maar ook zijn gedachten over die gedachten. Die zelfbewustheid doet bij Van Deyssel af en toe opmerkelijk modern aan. De stijlvormen die hij in zijn werk kiest zijn die van zijn tijd, maar het denken erover zorgt ervoor dat hij, makkelijker dan zijn tijdgenoten, de ene vorm voor de andere inruilt. Zijn roman Een liefde (1887) is een fraai voorbeeld van een laat-negentiende-eeuwse, impressionistische roman, inclusief een heus schandaal. Wie het leest moet overigens eens opletten hoe Van Deyssel de eens zo beruchte masturbatie-scène van Mathilde beschreven heeft: bijna uitsluitend in termen van licht, kleur en beweging.

    Uit het leven van Frank Rozelaar (1911) is een heel ander boek. Het is kalmer, beschouwend en bevat passages die lijken op het Natuurdagboek van Nescio, maar veel eerder geschreven zijn:

    Ik was verheugd over den zachten dag. Er was iets, dat mij heel oplettend stil deed staan. Ik weet niet wat het was, dat mij zoo stil deed staan. Vreemd was het. Een ochtend, die als een avond was. De maan, wel bleek, maar klaar. Onder de maan kwam daar een heele groote vogelzwerm aan, die mooi vloog met de vele vleugeltjes en telkens anders werd in groote licht-zwarte figuren.

    De nadruk die Van Deyssel legt op de schoonheidservaring is waarschijnlijk het meest opvallende kenmerk van zijn werk. Maar vooral in dat ene merkwaardige boek, Het ik, laat Van Deyssel zien dat hij meer kan. Dit boek verheft hem een beetje boven zijn vrienden en collega’s uit die tijd.

    ***

    Herman Gorter had de plaats hoog op de heuvel voor Van Deyssel uitgezocht. Hij was het die deze villa vond. Gorter zelf woonde in Amersfoort, even verderop, en aan de andere kant woonde Frederik van Eeden, in Bussum. Ook Willem Kloos woonde een tijdje in Bussum. De Tachtigers konden met een beetje goede wil naar elkaar toe wandelen en als dat te vermoeiend was, konden ze de trein nemen. Maar Van Deyssel moet behoorlijk lui zijn geweest. In één van zijn briefjes zegt hij een bezoek aan Van Eeden af omdat hij het te vermoeiend vindt naar het station te lopen. …Het is nog steeds een kippenendje.

    Het briefje staat in het boek Het beste mijner paradijzen van Ronny Boogaart en Eric de Rooij. Het is een wandelgids door het Gooi in de resten van de wereld van de Tachtigers. Villa Viletta, zoals het huis op de heuvel heet, staat er uiteraard ook in.

    De heuvel moet Van Deyssel goed hebben gedaan. Een plek, verheven boven de omgeving, pastte wel bij zijn levenshouding. Dat moeten zijn vrienden ook gedacht hebben, want in 1899 boden ze hem op diezelfde heuvel een nieuw huis aan, ter gelegenheid van zijn twaalfenhalfjarig huwelijksfeest met zijn vrouw Cato. Tegenover Van Deyssels villa lag een stuk grond braak waar bremstruiken groeide en Van Deyssels literaire vrienden zorgden ervoor dat daar een nieuwe, grotere villa speciaal voor hem werd gebouwd. Architect K.F.C. de Bazel, nu vooral bekend van dat grote gebouw in de Vijzelstraat in Amsterdam waar het stadsarchief gevestigd is, werd gevraagd het te ontwerpen.

    De Bremstruik heet het, en het is naar mijn mening wat minder fraai dan Villa Viletta. Het is te groot voor het formaat van een schrijver als Van Deyssel. Het mist de intieme schoonheid die zo opvallend is in het werk van de Tachtigers. Maar misschien is het van binnen fraaier dan van buiten – De Bazel schijnt veel aandacht aan het interieur te hebben besteed.

    Wie de heuvel afdaalt komt op de plek waar Van Deyssel zijn nieuwe Bremstruik aangeboden heeft gekregen. Alle Tachtigers waren in 1899 aanwezig in Hotel Groeneveld dat nu Restaurant Greenfields heet. Men at er o.a. schildpadsoep en pudding met ‘rhum sauce’. Nu ligt het aan de drukke Amsterdamse straatweg, een doorgaande autoweg die honderd jaar eerder nog een breed bospad was. Een foto van de locatie staat in Het beste mijner paradijzen afgedrukt. De stilte en schoonheid van de omgeving doet weemoedig aan. Tijdens het kijken in het verleden, vraag je je af of Van Deyssel zich bewust was van de schoonheid die hem omringde. Maar het antwoord is duidelijk te vinden in zijn werk: ja.

    Ik blijf thuis deze zomer. En natuurlijk kan ik altijd nog een uitstapje maken naar Bussum waar Van Eeden en Kloos zaten. Daar begon Van Eeden zijn kolonie Walden naar voorbeeld van de Amerikaan Henry David Thoreau. Het paradijs op aarde dat maar geen paradijs wilde worden. Maar daarover misschien later meer.

    Machiel Jansen

     

    In de Vakantierubriek 2013 stellen recensenten een aantal boeken aan u voor, uit de landen die zij op hun vakantie zullen bezoeken, of inmiddels hebben bezocht.
    Wilt u ook een bijdrage leveren aan de Vakantierubriek 2013? Klik dan hier.

    Wilt u alle bijdragen van alle recensenten lezen, klik dan hier.