• Een ode aan de verbeeldingskracht

    Een ode aan de verbeeldingskracht

    Baumgartner van Paul Auster begint alledaags, maar wordt gaandeweg bevreemdend. Op een dag in de lente van 2018 laat Seymour (Sy) Baumgartner, een 71-jarige weduwnaar, een aluminium eierpannetje droogkoken en brandt zijn hand. Hij wordt gebeld, denkt dat het zijn lastige zuster is, maar het blijkt de meteropnemer. Dan brengt Molly, de pakjesbezorger, hem een boek, en krijgt hij het dochtertje van de werkster aan de telefoon. Die vertelt dat haar vader in het ziekenhuis ligt en haar moeder niet kan komen. Vervolgens valt hij onprettig als hij de meteropnemer voorgaat op de wankele keldertrap. Zijn hoofd loopt om, of is het de ouderdom.

    Na vijfentwintig bladzijden weten we meer over hem. Hij is professor in de filosofie/fenomenologie aan Princeton, New Jersey en werkt aan een essay over de pseudoniemen van Kierkegaard. Onaardig is Baumgartner ook, hij verwenst de meteropnemer vanwege diens vermeende gezeur – en is eenzaam. Omwille van het contact met Molly de pakjesbezorger, bestelt hij telkens nieuwe boeken. Zijn eenzaamheid is het resultaat van jarenlange rouw. De aluminium pan is niet zonder betekenis, hij kocht hem veertig jaar geleden als straatarme student in een winkel waar hij voor het eerst Anna, zijn grote liefde, zag. Ze trouwden en leefden decennialang gelukkig tot zij negen zomers geleden tijdens het zwemmen in zee verdronk. Duidelijk is dat het om een echte Paul Auster gaat.

    Overeenkomsten

    Zo is Anna Blume bijvoorbeeld de hoofdpersoon in de roman In het land der laatste dingen (In the Country of Last Things, 1987), op zoek naar haar broer in een ver dystopisch land. In de roman, Maanpaleis (Moon Palace, 1989) blijkt zij de verdwenen vriendin van een medestudent van de hoofdpersoon. Overigens heeft Baumgartners Anna slechts de naam gemeen met de andere Anna. Bovendien lijkt het erop dat veel van Austers romanpersonages niet alleen dezelfde plaats- en tijdlijn hebben als de auteur, maar ook allerlei andere elementen met hem delen. Jeugd in New Jersey als kind van seculiere ouders uit de Joodse ‘middle class’ met een Oost-Europese migrantenachtergrond. Vader en moeder elk op hun eigen manier afstandelijk. Leven van de hand in de tand als student in Manhattan (en Parijs), trouwen met een vrouw die vertaler of schrijver is en wonen in Brooklyn. Soms is er een zuster en soms is er een zoon. Vaak is er sprake van honkbal.

    De overeenkomsten worden niet enkel ontleend aan interviews met Auster, maar ook aan diverse autobiografische teksten van hem, de meeste zijn verzameld in Groundwork (2013 – Levenswerk). Helemaal exact zijn ze nooit. Zo vertelt de roman 4 3 2 1 (2017) op vier alternatieve manieren het levensverhaal van Archie Ferguson, waarvan in elk universum wel elementen samenvallen met het leven van Auster. 

    Teksten van Anna Blume

    Al woont de oude Baumgartner in New Jersey en niet zoals de auteur in Brooklyn, zijn Anna Blume is wel vertaler en dichter. En wat voor een, er zijn twee autobiografische teksten van haar hand, een ontroerende beschrijving van een jeugdliefde die haar ontviel en een relaas over de nacht waarin Baumgartner haar ten huwelijk vroeg. Beide zijn zeer goed geschreven, net als haar gedicht ‘Lexicon’. Dit talent blijkt Baumgartner ook te bezitten. Zijn essays lezen we niet, maar wel het verhaal dat hij heeft geschreven over een bezoek in 2017 aan Stanislav, de geboorteplaats van zijn grootvader van moederskant, Auster in Oekraïne, tijdens een PEN-congres in Lviv. Hij vindt er weinig sporen, maar een dichter vertelt hem het verhaal over de honderden wolven die het lege stadje in 1944 bevolkten toen de Duitsers en de lokale bevolking waren vertrokken. Baumgartner heeft geen enkel bewijs voor het verhaal over de wolven kunnen vinden, maar blijft het belangrijk vinden.

    Eigen ervaringen worden fictie

    Er vindt een keerpunt in zijn eenzame bestaan plaats als hij gedroomd heeft dat Anna hem geruststellend toespreekt. Vanaf dat moment wil hij zijn leven weer in beweging zetten, onder meer door zijn minnares ten huwelijk te vragen. Dat wordt niets. Auster laat haar letterlijk van het toneel verdwijnen en neemt de geschiedenis van Baumgartner pas na een jaar weer op.

    Intussen is de lezer door de stroom van herinneringen aan zijn vader en moeder, veel te weten gekomen over Baumgartners jeugd en achtergrond van zijn familie. Daarnaast zijn er indringende ervaringen die hij nooit vergeet. In twee gevallen gaat het om het gedrag van een kind in de trein. Aan het einde van de roman duikt er een lichtpuntje op in Baumgartners leven. Had hij als eerste poging tot rouwverwerking een bloemlezing van Anna’s poëzie gemaakt en uitgegeven, nu dient zich een jonge promovenda aan die ook ongepubliceerd werk van haar bij het onderzoek wil betrekken. Hoe de ‘Saga’ van S.T. Baumgartner afloopt, vertelt de roman niet.

    Baumgartner is een ode aan de verbeeldingskracht, juist door de manier waarop Austers eigen ervaringen veranderen in fictie. Uit recente interviews weten we dat hij zo ziek is dat hij al een jaar niet meer heeft geschreven. Maar ook dat hij voor de verhalen over kinderen in de trein en de wolven in Oekraïne uit eigen ervaring putte. Zwanenzang is een afschuwelijk woord.

     

     

  • Oogst week 44 – 2023

    Logboek Slauerhoff – Dagboeken & reisverslagen

    Jan Slauerhoff (1898-1936) was een van de belangrijkste dichters en schrijvers van het interbellum en behalve dat arts en reiziger. Wereldreiziger welteverstaan. De zee had een aantrekkingskracht op hem waaraan hij geen weerstand kon bieden. Als scheepsarts maakte hij talloze reizen naar verre landen op continenten als Zuid-Amerika, Afrika en Azië. Vooral China was favoriet. De man die schreef ‘Alleen in mijn gedichten kan ik leven’ wilde altijd weer weg uit Nederland, keerde soms tijdelijk terug om te herstellen van een ziekte, want hij had een zwakke gezondheid. Op het schip schreef hij en legde zijn leven vast in de omgeving waar hij vertoefde.

    Logboek SlauerhoffDagboeken en reisverslagen bevat, zoals de ondertitel aangeeft, alle dagboeken en reisreportages, plus fragmenten uit brieven. De teksten waren niet zelden de bron voor zijn verhalen en gedichten. Het boek is geïllustreerd met veel foto’s, onder meer van Slauerhoff zelf, en met andere documenten als aantekeningen en half afgemaakte manuscripten. De teksten zijn chronologisch weergegeven zodat de lezer Slauerhoff kan volgen tijdens zijn reizen en verblijfplaatsen. In het Literatuurmuseum bevindt zich de zeemanskist waarin hij zijn foto’s en documenten bewaarde. Veel van de illustraties in Logboek Slauerhoff komen uit deze verzameling. Het boek bevat ook een handige wie-is-wie lijst van historische personen die in het boek voorkomen. Slauerhoff is een goede observator, vertelt geestig en is soms karikaturaal. Maar het zijn zijn eigen woorden en ‘dichter bij Slauerhoff kom je niet’ zegt de uitgever.

    Logboek Slauerhoff - Dagboeken & reisverslagen
    Auteur: Jan Slauerhoff
    Uitgeverij: Uitg. Nijgh & van Ditmar

    Baumgartner

    De Amerikaanse schrijver Paul Auster (1947) schreef tientallen boeken, romans, essays, gedichten, filmscripts. Hij is een van de grootste schrijvers van de Verenigde Staten. Hij werd bekend met experimentele detectiveverhalen waarin hij de detectivevorm gebruikt om het over existentie en identiteit te hebben. Identiteit, persoonlijke betekenis en toeval zijn thema’s in zijn werk. Dat wordt in meer dan veertig landen vertaald.

    Austers laatste roman handelt over Sy Baumgartner, een 71-jarige professor filosofie met pensioen in het vooruitzicht. Hij valt ten prooi aan zijn door elkaar lopende herinneringen, flitsen waarop hij geen vat heeft. Ze gaan over Anna, zijn vrouw die bijna tien jaar geleden bij een zwemongeluk om het leven kwam. ‘De woeste, monsterlijke golf die haar rug brak en haar doodde, en sinds die middag, sinds die middag – nee, zegt Baumgartner tegen zichzelf, je moet daar niet heen gaan.’ Veertig jaar lang hadden ze een gepassioneerde relatie. Het huis is onveranderd sinds Anna’s dood. Naast herinneringen aan haar ziet Baumgartner ook zijn jeugd voorbij komen en zijn vader, een in Polen geboren mislukte revolutionair. De vraag waar het in het boek om draait is: waarom worden sommige momenten en gebeurtenissen in het leven een herinnering en andere niet?

    Baumgartner
    Auteur: Paul Auster
    Uitgeverij: Uitg. De Bezige Bij

    Oostwaarts – Een avontuurlijke reis achter vijandelijke linies

    Deze non-fictie leest als een avonturenboek. Fitzroy Maclean (1911-1996) vertelt in Oostwaarts over zijn spannende belevenissen als diplomaat en militair in vijandelijk gebied. Hij was een Schots politicus, diplomaat, militair en schrijver. Het avontuurlijke zat diep in hem. In 1937 begon hij zijn loopbaan als diplomaat in Parijs, maar de geneugten van het bijbehorende leventje begonnen hem te vervelen en hij verzocht overplaatsing naar Moskou. ‘Ik was vijfentwintig. Toch begon ik al wat vast te roesten in mijn gewoonten; misschien, overpeinsde ik in mijn zeldzame momenten van introspectie, werd ik zelfs een beetje zelfgenoegzaam.’

    In Moskou verbleef hij tot 1939. Veelvuldig reisde hij naar afgelegen Centraal-Aziatische streken in de Sovjet-Unie, geschaduwd door de geheime dienst en zelfs werd hij eens gearresteerd. Hij was getuige van de Stalinistische zuiveringen. Toen de oorlog uitbrak wilde hij meevechten maar mocht als diplomaat niet in het leger. Daarop nam hij ontslag en meldde zich bij een rekruteringsbureau.

    In Noord-Afrika ging hij bij de Special Air Service (SAS) waar hij onverschrokken deelnam aan gevaarlijke missies. Hij vocht onder meer in Libië en Irak. Later, in 1943, leidde de krachtdadige Maclean op verzoek van Churchill een missie naar Joegoslavië. Hij stortte zich in het partizanenbestaan en had vele gesprekken met Tito.
    Op soms ironische toon getuigt hij gedetailleerd van deze avontuurlijke jaren, die wel doen denken aan T.E. Lawrence (Lawrence van Arabië). Hun levens en boeken bevatten veel dezelfde elementen: verre reizen, andere culturen, vorstelijke genoegens van het diplomatenleven, oorlogshandelingen en avontuur.

    Oostwaarts - Een avontuurlijke reis achter vijandelijke linies
    Auteur: Fitzroy Maclean
    Uitgeverij: Uitg. Van Oorschot
  • Elizabeth Finch blijft onbekend

    Elizabeth Finch blijft onbekend

    Julian Barnes is met zeventien boeken op zijn naam een van de grootste Britse schrijvers van deze eeuw. Voor The Sense of an Ending (Alsof het voorbij is in Nederlandse vertaling van Ronald Vlek) kreeg Barnes in 2011 de Man Booker Prize voor fictie. Zijn ideeëngoed en onderwerpen grenzen aan een intellectuele en erudiete bagage, die resulteren in literatuur met een grote L. Dat geldt ook voor zijn voorlaatste roman, De man in de rode mantel, een levendig verhaal over de baanbrekende chirurg Samuel Pozzi in het Parijs van de Belle Epoque. Barnes vergelijkt daarin de Britse met de Europese cultuur. 

    Barnes’ laatste roman Elizabeth Finch valt ook onder het kopje erudiet en intellectueel, filosofisch wellicht ook. Maar op de een of andere manier werkt het dit keer niet. Neil, de verteller van het verhaal, volgt een cursus ‘cultuur en beschaving’ bij professor Elizabeth Finch. Vanaf dag een is hij in de ban van de veel oudere vrouw, hij wordt zelfs verliefd op haar en ze sluiten (een platonische) vriendschap. De cursus is allang afgelopen, maar de volgende twintig jaar gaan ze regelmatig samen lunchen, altijd in hetzelfde Italiaanse restaurant, en zij betaalt. 

    Wijsheden en oneliners

    Elizabeth Finch leert haar volwassen studenten onafhankelijk te denken en wijst hen, volgens Neil, ‘elegant de weg naar het voor de hand liggende.’ Tussen neus en lippen door worden tal van wijsheden door haar aangereikt, zoals ‘acteren is het perfecte voorbeeld van kunstmatigheid die authenticiteit voortbrengt’. ‘Mislukking kan ons meer vertellen dan succes.’ ‘Beledigingen komen het vaakst voor wanneer een ruzie verloren gaat.’ ‘Anarchisme heeft een zekere intellectuele aantrekkingskracht, maar realistisch gezien zou het nooit werken.’

    De eerste veertig bladzijden geeft Neil een karakterschets van de vrouw, die ontegenzeggelijk intrigerend, mysterieus en geleerd is, maar we leren haar niet echt kennen. EF, zoals Neil haar noemt, blijft een personage dat oneliners ventileert, en de ene keer is ze empathischer dan de andere keer. Een van haar stokpaardjes gaat over begrippen waar mono voorstaat. ‘“Monotheïsme,” zei Elizabeth Finch. “Monogamie, monotonie, wat zo begint kan niet goed zijn.” Ze zweeg even. “Monogram – een teken van ijdelheid. Monocle idem. Monocultuur – een voorbode van de dood van het rurale Europa.”’ Monotheïsme zou het einde van onze cultuur hebben ingeluid, zo laat Barnes Finch vertellen.

    Neil’s essay

    Ondertussen geeft Neil ook een beeld van zichzelf. Bedoeld als zelfspottend staat hij bekend als de man van de mislukte projecten, heeft hij drie kinderen bij verschillende vrouwen, heeft hij iets vaags als acteur gedaan. En zoals het een echte Engelsman betaamt, doet hij zichzelf als minder voor dan hij is. 

    Tijdens de cursus wordt van de studenten verwacht dat ze een essay schrijven, maar Neil lijdt aan uitstelgedrag. Als EF jaren later overlijdt blijkt Neil haar boeken en notities te hebben geërfd en ontmoet hij Elizabeths broer. Pas in en na deze passages komt EF vreemd genoeg meer tot leven dan voorheen. Neil wordt opnieuw met haar geconfronteerd en gaat op zoek naar haar verborgen leven en overweegt zelfs haar biografie te schrijven. Niet gemakkelijk, want hij heeft weinig houvast aan haar papieren, behalve dat er aanwijzingen zijn voor een obsessie met Julianus de Afvallige, de enige Romeinse keizer die nooit een voet in Rome heeft gezet. 

    Neil besluit postuum het essay te schrijven over Julianus de Afvallige. Dit essay is integraal opgenomen in het boek en beslaat deel twee. Het is een taai, maar niet oninteressant stuk over deze laatste ‘heidense’ Romeinse keizer, die twintig maanden rond 363 heerste. Hij verloor zijn leven op het slagveld, uitroepend: ‘Gij hebt overwonnen, o bleke Galileeër.’ De bleke  Galileeër was Jezus van Nazareth, ‘waarmee Julianus de overwinning van het christendom over het heidendom erkende.’ Over Julianus is veel gepubliceerd, schrijft Barnes in Neils essay, en hij staat te boek als een empathisch staatsman, bekend om ‘vervolging door middel van zachtaardigheid’. Door de tijden heen heeft hij veel schrijvers en denkers beïnvloed die schreven over de opkomst van het christendom in Europa. Hij was Elizabeth Finch’s grote voorbeeld en daarom schreef Neil dit essay, omdat EF en keizer Julianus zelfs op elkaar zouden lijken.  

    Als lezer verlang je naar iets stouts

    In het derde en laatste deel zijn we terug bij Neil en zijn herinneringen aan EF, ze zou betrokken zijn geweest bij een schandaal, Neil praat met andere oud-studenten over haar, wat hem meer inzichten geeft over wie ze was. Als lezer verlang je naar iets stouts, een misstap van Finch of Neil, een stevige affaire, maar het blijft allemaal erg fatsoenlijk, behalve dat Elizabeth rookt als geen ander. En wie ze eigenlijk was, of niet was, mag je als lezer zelf uitvinden. 

    Barnes laat zijn personages discussiëren en stellingen poneren over cultuur en beschaving, heel legitiem binnen de cursus die EF geeft en hij reikt daarmee de lezer de nodige stof tot nadenken aan. Daarmee is Elizabeth Finch een ideeënroman, al zal de auteur voor dat etiket wellicht zijn neus optrekken. Zijn lezers boeien hem niet, wat jammer is omdat hij ze daardoor op afstand houdt. 

     

  • Oogst week 46 – 2019

    De man in de rode mantel

    De Amerikaanse portret- en landschapsschilder John Singer Sargent (1856-1925) maakte met zijn Portrait of Madame X (1883-1884) de tongen los: omdat het expliciet erotisch zou zijn, maar wellicht ook omdat het een weergave was van aristocratische stijl en decadentie die niet werden gewaardeerd in de Franse bourgeoisie-kringen van destijds (aldus Jonathan Jones in The Guardian). Vanwege alle ophef exposeerde Singer zijn Dr. Pozzi at Home, dat hij in 1881 al voltooide, in Londen onder de naam A Portrait. Singer zou met die anonimiteit de reputatie van de geportretteerde, de jonge chirurg en gynaecoloog Samuel-Jean Pozzi, hebben willen beschermen. Poserend in een flamboyant rood gewaad, zijn hand op zijn borst, wendt Dr. Pozzi zijn blik van de toeschouwer af. Het schilderij vormde de inspiratiebron voor de alom geprezen auteur Julian Barnes, die de lezer in zijn De man in de rode mantel langs ingrijpende gebeurtenissen gedurende de Belle Époque voert, maar vooral de mysterieuze figuur Pozzi in een nieuw licht plaatst en hem de biografie schenkt die hij naar Barnes’ idee verdient.

    De man in de rode mantel
    Auteur: Julian Barnes
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De dood van Jezus

    Nobelprijs- en tweevoudig Booker Prize-winnaar J.M. Coetzee sluit zijn saga over het leven van de jonge Davíd af met De dood van Jezus (vertaling Peter Bergsma), waarin hoofdpersoon Davíd zich geëngageerd toont en gaat, zonder dat zijn ouders Inès en Simón enige inspraak hebben op zijn keuze, in een weeshuis wonen. Als hij kort daarna onverklaarbaar en ernstig ziek wordt, vrezen zijn ouders voor zijn leven. Coetzee schuwt diepe thema’s en emoties niet in zijn nieuwe roman – iets wat hij volgens kenners van zijn werk per definitie niet doet. Zoals Griet Op de Beeck eens zei: ‘(Precies daarom) is hij me zo lief: hij loopt niet in een boogje om de grote emoties heen, maar staart ze vol in het gezicht.’

     

    De dood van Jezus
    Auteur: J.M. Coetzee
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Vormen van gekte

    In het gedicht ‘Een kinderspiegel’, uit Beemdgras (1968), reflecteert dichteres en toneelschrijver Judith Herzberg op het ouder worden – en alle ongemakken die de verteller in de toekomst liever uit de weg zou gaan:

    ‘Als ik oud word neem ik blonde krullen
    ik neem geen spataders, geen onderkin,
    en als ik rimpels krijg omdat ik vijftig ben
    dan neem ik vrolijke, niet van die lange om mijn mond
    alleen wat kraaiepootjes om mijn ogen.’

    Nu, op haar vijfentachtigste, is Herzberg even jong van geest en actief als altijd. In Vormen van gekte, haar nieuwste bundel, zijn zowel oude als nieuwe gedichten opgenomen. Herzbergs werk werd onder meer bekroond met de P.C. Hooft-prijs, de Constantijn Huygens-prijs en de Prijs der Nederlandse Letteren.

    Vormen van gekte
    Auteur: Judith Herzberg
    Uitgeverij: Uitgeverij De Harmonie
  • Tractatie over literatuur

    Tractatie over literatuur

    Julian Barnes is niet alleen romanschrijver (bekend van onder andere The Sense of an Ending, Arthur & George en Flaubert’s Parrot), maar publiceert in tijdschriften en kranten ook regelmatig essayistisch werk. Dit jaar verscheen de vertaling van zijn bundel met essays over literatuur: Through the Window (Uit het raam).

    Wat biedt deze bundel? Krijg je meer zicht op de ideeën van Julian Barnes over wat goede literatuur is, zijn poëtica? Ren je naar de boekhandel om nieuwe ontdekkingen meteen aan te schaffen? Of zijn de stukken op zichzelf weer nieuwe literatuur?

    In de inleiding herinnert Julian Barnes ons er nog even aan hoe bijzonder fictie is: ‘Fictie verklaart en verrijkt, meer dan enige vorm van schrijven, het leven.’ En sterker nog, in het opgenomen pamflet ‘Een leven met boeken’ schrijft hij: ‘Als je een goed boek leest, ontsnap je niet aan het leven, je stort je er juist dieper in.’

    Het is een bont gezelschap van boeken en auteurs die Barnes bespreekt. Opvallend is de aandacht die hij schenkt aan onbekende schrijvers, zoals de Engelse dichter Arthur Hugh Clough en de Franse aforismenschrijver Chamfort (1741-1794). Maar de grote namen krijgen ook een plek: van George Orwell en Rudyard Kipling tot hedendaagse auteurs als Houellebecq en de (toen net overleden) John Updike. En het zijn niet alleen mannen: Penelope Fitzgerald, Lorrie Moore en Joan Didion komen onder anderen eveneens aan bod. De enige overeenkomt tussen de auteurs is dat het uitsluitend Britse, Amerikaanse en Franse schrijvers betreft.

    De aandacht voor Franse literatuur zal de kenners van het werk van de francofiele Barnes niet verbazen. Zijn fascinatie en bewondering voor Flaubert zie je terug in de vele verwijzingen. Maar Julian Barnes maakt je ook nieuwsgierig naar een aantal bijna obscure Franse werken. Want niet iedereen is op de hoogte van bijvoorbeeld het bestaan van Nouvelles en trois lignes van Félix Fénéon. Deze ‘onzichtbaar beroemde’ kunstcriticus, kunsthandelaar, uitgever, vertaler en journalist werkte in 1906 voor een krant en was verantwoordelijk voor de faits divers (gemengde berichten) ook wel bekend onder de naam ‘chiens écrasés’ (overreden honden). Julian Barnes laat met veel voorbeelden zien wat deze nieuwsberichten van drie regels tot literatuur maakt: ‘Hij wist hoe je een scherpe zin moest opstellen, hoe je die drie regels kon laten ademen, een stukje essentiële informatie uitstellen, een eigenzinnig bijvoeglijk naamwoord toevoegen, het noodzakelijke werkwoord tot het laatst bewaren.

    Met precisie ingaan op de ambacht van het schrijven: dat maakt een aantal essays interessant. Een voorbeeld daarvan is het stuk over een bijzondere vorm van schrijven, namelijk het vertalen. Barnes analyseert grondig zes verschillende vertalingen van twee zinnen uit Madame Bovary, waaronder de recente vertaling van de Amerikaanse schrijfster Lydia Davis. Barnes biedt de lezer de kans om in de huid van de vertaler te kruipen en alle dilemma’s te ondervinden die daarmee gepaard gaan. Een vertaling is ‘een [..] manier om onvermijdelijk tekort te schieten.’

    In het essay over Houellebecq gaat Barnes ook in op een aantal romantechnische aspecten om tot de conclusie te komen dat ‘het gevoel [opdringt] dat Houellebecq een intelligent man is, maar een veel minder intelligent romancier.’

    Wees niet bang voor droge, technische verhandelingen. Julian Barnes verlevendigt zijn stukken met literaire roddels (‘waar niet altijd op moet worden neergekeken’, zoals hij zelf zegt). En veel artikelen gaan vooral in op biografische wetenswaardigheden van de betreffende auteurs. Zo lezen we over de autotochten van Kipling door Frankrijk. Kipling deed dat niet alleen als toerist, maar ook als inspecteur van horecagelegenheden voor de Automobile Association. Nadat zijn zoon in de Eerste Wereldoorlog in Frankrijk is gesneuveld, is hij actief als lid van de Oorlogsgravencommissie en inspecteert hij de militaire begraafplaatsen. Barnes citeert uit zijn autodagboeken en laat de schrijnende kant van de droge notities zien: ‘Dury. Geen grafstenen. Stenen sinds een jaar opgestapeld.’

    In ieder essay trakteert Barnes je op treffende beschrijvingen. Liefhebbers van de schrijver Ford Madox Ford, die volgens hem altijd in de minderheid zullen zijn maar zich niet uit het veld laten slaan, vergelijkt hij bijvoorbeeld met leden ‘van een van die vrijwilligersgroepen die het Britse kanalenstelsel helpen restaureren. [..] Je bent er vrij zeker van dat ze iets goeds doen, maar als je er zelf niet in springt om ook aan het graven te gaan en onder de modder komen te zitten, snap je waarschijnlijk niet wat je eraan hebt dit werk te doen.’ Ondertussen probeert het Barnes het aantal ‘fordianen’ uit te breiden met een enthousiasmerend pleidooi voor het lezen van de roman The Good Soldier.

    Het laatste essay over rouw (naar aanleiding van de boeken van Joan Didion en Joyce Carol Oates) lees je met een brok in je keel. Barnes voert op een oprechte wijze een bijna onmogelijke taak uit, namelijk het bespreken en beoordelen van twee autobiografische romans over rouw. Hij vermeldt niet dat hij nog niet lang geleden zelf zijn vrouw heeft verloren.

    Julian Barnes vergelijkt romans met steden. Er zijn steden die helder ontworpen zijn, zoals de kleurige metrokaarten. En er zijn steden zonder zo’n routekaart, waar je zelf de weg moet vinden en kan dwalen. In deze essays zijn beide benaderingen verenigd. Barnes maakt je deelgenoot van zijn dwalingen door de literatuur en neemt de tijd om te ‘pauzeren’ en te ‘lummelen’, maar door zijn heldere en precieze schrijfstijl raak je nooit de weg kwijt.

     

     

  • Gezegend met een heerlijke zelfspot

    Gezegend met een heerlijke zelfspot

    Niet zelden wordt in literaire kritieken uitgegaan van een set ‘basisregels’ waaraan een literair werk zou moeten voldoen. Deze basisregels staan boven alle twijfel verheven en worden besproken als de essentiële eigenschappen van literatuur of poëzie. Niemand vindt het vreemd als een recensent stelt dat een literair boek een zekere diepgang moet kennen, of dat de hoofdpersoon een ontwikkeling moet doormaken. Aan de hand van Ben Lerners roman Leaving the Atocha Station (in het Nederlands vertaald als Vertrek van station Atocha) wil ik nader ingaan op dit fenomeen. Men kan nu boos uitroepen dat deze roman wordt ‘misbruikt’ voor andere doeleinden, dat ondergetekende het boek op deze manier geen recht doet (hetgeen overigens ook zo’n subjectieve vooronderstelling is), maar dit moet direct krachtig worden tegengesproken: Vertrek van station Atocha wordt op deze manier vermoedelijk in een positiever licht gesteld dan als we het werk op mimetisch niveau zouden bespreken.

    Daarenboven geeft de roman zelf aanleiding tot overpeinzingen van een meer filosofische aard. Het begin is uitermate boeiend. De jonge Amerikaanse dichter Adam (de ik-figuur) heeft een beurs gekregen om in Spanje aan een poëzieproject inzake de Spaanse burgeroorlog te werken. Hij doet dit, zoals het een student betaamt, op zijn dooie gemakje. Drugs, zeeën van tijd, wat boeken lezen, struinen door Madrid – het is welhaast een clichébeeld. Bijna elke morgen bezoekt hij het Prado om zich daar (vrij letterlijk) te vergapen aan de Kruisafneming van Rogier van der Weyden, een schilderij dat in dit boek zeer treffend wordt beschreven. Waarom de hoofdpersoon steeds weer terugkeert naar ditzelfde schilderij, is een volstrekt raadsel. Dat wordt expliciet gemaakt wanneer Adam op een gegeven moment een andere bezoeker voor de Kruisafneming ziet staan en deze in snikken uitbarst; de man, zo beseft Adam, heeft een diepe kunstzinnige ervaring! (Overigens een bijzonder komische scène.) Het geeft hem te denken: hijzelf heeft nog nooit zulk een ervaring gehad, en hij vraagt zich af of hij er überhaupt wel toe in staat is.

    Wanneer dit zó prominent naar voren wordt gebracht aan het begin van een roman, kan het moeilijk worden afgedaan als een triviaal verhaalelement, temeer daar de episode vrij in het luchtledige lijkt te hangen. De lezer wordt aan het denken gezet over het fenomeen van zo’n artistieke ervaring – de hoofdpersoon gaat in de loop van het boek een stapje verder en komt tot de conclusie dat al zijn waarnemingen een wat afstandelijk karakter hebben. Zijn houding tegenover de poëzie (hij wil een dichtwerk schrijven over de Spaanse burgeroorlog) is in grote mate onverschillig: hij schrijft voor het behouden van zijn beurs, en niet andersom. In eerste instantie is Adam zich niet eens bewust van de nare kanten van deze nonchalance: dat komt pas later, wanneer hij verliefd wordt. De titel van de roman refereert naar Adams inkeer: wanneer op 11 maart 2004 een terroristische aanslag op het station Atocha wordt gepleegd, moet Adam een keuze maken: aan de zijlijn blijven staan, zoals hij gewoon is, of deelnemen aan het verdriet en de woede. Wat Adam kiest, blijft echter onvermeld. Het is aan de lezer om dit in te vullen.

    Adams afstandelijkheid tot de wereld om hem heen kleurt ook de verhaaltrant. Lerners boek is een klassiek voorbeeld van de stream of consciousness: observaties, indrukken en gedachten wisselen elkaar af en beïnvloeden elkaar – vaak is hierbij niet duidelijk of hij iets écht waarneemt, het zich verbeeldt of het in herinnering roept. Dit dwingt ook de lezer tot het nemen van een zekere afstand want de onbetrouwbaarheid van de ik-figuur – de combinatie van drugs met poëzie levert een volstrekt eigenzinnige waarneming op -, heeft bij vlagen wel wat weg van het alcoholische delirium in Venedikt Jerofejevs Moskou op sterk water. Toch gaat Lerner niet zover als Jerofejev (die zijn ik-personage zelfs zijn eigen dood laat beschrijven). Het blijft te allen tijde geloofwaardig. Adam is een aparte dichter-niksnut, maar zijn verhaal is wel plausibel.

    Of Vertrek van station Atocha een ‘goed’ boek is, hangt dus af van de criteria die worden gesteld; de hoofdpersoon is weinig sympathiek, de verhaallijn weinig opwindend en de schrijfstijl weinig direct. Daarentegen biedt de roman voldoende: een poëtisch kijkje op Spanje, een fervent gefilosofeer en tal van thema’s ‘ter contemplatie’. Wederom in de lijn van Jerofejevs boek, is Vertrek van station Atocha zo af en toe eerder een prozagedicht dan een roman. Maar de verteller is gezegend met een heerlijke zelfspot:

    ‘Een schilderij fotograferen…’, zei ik bijvoorbeeld met honende geheimzinnigheid (…) of ik zei bijvoorbeeld ‘Blauw is een idee over afstand…’, of ‘Literatuur eindigt in dat specifieke blauw…’ (…) enzovoort. (p.51)