• De vrouwelijke correctie

    De vrouwelijke correctie

    Achter de façades van de sprookjesachtige hoofdstad Wenen anno 1900 is niets wat het lijkt, schrijft vertaler Kris Lauwerys in zijn boek Van licht naar duisternis, met als ondertitel Drie vrouwen in Wenen (1900-1938). Die vrouwen zijn modeontwerpster Emilie Fröge, journaliste Milena Jesenská en schrijfster Veza Canetti. Zij hebben gemeen dat hun bekendheid overschaduwd werd door hun veel bekendere, mannelijke geliefden. Volgens Lauwerys heeft de geschiedschrijving ‘na een eeuwenlange focus op mannen ‘een vrouwelijke correctie’ nodig’.

    Van licht naar duisternis bestaat uit drie delen, elk gewijd aan één van de vrouwen. De bekendste van de drie is Milena Jesenskà, met name door haar intense briefwisseling met Franz Kafka. Emilie Fröge was de jarenlange geliefde van schilder Gustav Klimt en Veza Canetti was echtgenote van de latere Nobelprijswinnaar Elias Canetti. Lauwerys wil het clichébeeld rechtzetten dat zij ‘muze’ of ‘vriendin van’ waren. Hij doet dat door de geschiedenis van Wenen vanaf eind negentiende eeuw te beschrijven aan de hand van het leven van de drie vrouwen, ingebed in een ‘razend interessant, turbulent en in toenemende mate sinister tijdperk’. Het verhaal gaat daardoor zeker niet alleen over de vrouwen, maar vooral ook over hun mannen, hun tijdgenoten en de geschiedenis en gebeurtenissen in Wenen en het einde van het Habsburgse rijk. Het personenregister van het boek bevat dan ook veel namen, ruim vierhonderd, van wie één derde vrouwelijk.

    Emilie Flöge

    Het eerste deel Emilie Flöge gaat over de jongste van de drie zussen Flöge. Emilie Flöge (1874-1952) ging na de lagere school naar de Bürgerschule voor meisjes, daarna volgde ze een naaiopleiding. Volgens Lauwerys deden de meisjes iets wat wat ongewoon was: ‘ze streefden ernaar financieel onafhankelijk te worden.’ Emilie werd ‘een bekwaam naaister met een feilloos gevoel voor vorm en kleur’.

    Via vader Hermann Flöge ontstond contact met de broers Gustav (1862-1918) en Ernst Klimt. Na enige tijd vraagt Ernst om de hand van Helene Flöge, zij is zwanger en ‘de familie-eer moet gered’. Ruim een jaar later overlijdt Ernst echter onverwacht en Gustav Klimt en Emilie Flöge worden voogd van het dochtertje.

    Gustav was ‘een charmeur, een verleider, een vriend van de familie’ en hij bracht vakanties met hen door. Emilie ontmoet Gustav regelmatig, zoekt hem op in zijn atelier en er ontstaat een verborgen relatie. Emilie heeft ‘er alles aan gedaan om haar sporen uit te wissen’, maar er zijn ondertussen vierhonderd poststukken en zeven brieven opgedoken die ‘indirect licht werpen op het leven van de jonge Emilie’ en op de relatie met Gustav Klimt. Die speelde zich af tussen 1895 en 1899. ‘Hun relatie zal zich kenmerken door wederzijdse artistieke bevruchting. Zij worden elkaars muze.’ In die tijd zette Emilie ‘haar eerste stappen als modeontwerpster’ en zij zet zich af tegen de conservatieve mode voor vrouwen waarbij ze door het korset werden ingesnoerd.

    Wenen
    In het eerste deel schrijft Lauwerys naast het leven van Emilie, veel over de ontwikkeling van het politieke en culturele leven in Wenen, met de opkomst van het anti-semitisme en vroege nationalisme – mede als gevolg van de massale immigratie. Meer dan de helft van de bewoners is immigrant, afkomstig uit alle hoeken van het Habsburgse rijk en Duitsland. ‘Het nationaliteitenprobleem zal onopgelost blijven tot de Eerste Wereldoorlog en tot die tijd de politiek van Oostenrijk-Hongarije domineren.’ Net als de groeiende aanwezigheid van de uit het Oosten gevluchte Joden, oplopend van 100 duizend tot 175 duizend. Doordat de Joden eeuwenlang ‘landbouwer noch ambachtsman mochten zijn, legden ze zich traditioneel op de handel, het bankwezen, industrie en intellectuele beroepen toe.’  Lauwerys geeft daarvan voorbeelden uit het culturele leven en de financiële en industriële en handelswereld in Wenen en concludeert: ‘Dat alles wekte afgunst en zou het antisemitisme aanwakkeren.’

    Milena Jezenská

    Het tweede deel Milena Jezenská is het kortste, de relatie en de briefwisseling met Franz Kafka duurden ook niet zo lang.  Veel van wat is beschreven in het eerste deel geldt bovendien ook voor de tijd dat hun intensiefste briefwisseling duurde, van december 1919 tot najaar 1920.

    Milena Jesenskà (1896-1944) groeide op in ‘een beschermde, burgerlijke omgeving’ in Praag.  Haar vader was hoogleraar en de familie woonde in het centrum van Praag.   Op haar elfde ging zij naar het eerste meisjesgymnasium in Oostenrijk-Hongarije. Helaas kreeg haar moeder een ongeneeslijke ziekte en twee jaar lang moest zij na schooltijd de zorg voor haar moeder op zich nemen. Na de dood van haar moeder is ze ‘het ankerpunt in haar leven kwijt.’ Milena dwaalt af van het pad dat haar vader voor haar heeft uitgestippeld: zij laat overal in de stad onbetaalde rekeningen achter, ze steelt bloemen uit een park en verdovende middelen uit de apotheek van haar vader. ‘Frustraties, onbegrip en woede, van beide kanten.’ Van haar vader krijgt ze ook te horen wat zich in zijn behandelkamer afspeelt om de verminkte soldaten weer toonbaar te maken. Ze breekt haar intussen begonnen medicijnstudie af, en krijgt een relatie met een tien jaar oudere man. Milena wordt zwanger, haar vader zorgt voor een abortus, ze trouwen en ‘het jonge paar vertrekt in ballingschap naar Wenen.’

    Journalist
    Via haar man maakt ze in het Weense café Herrenhof kennis met literaire vrienden en intellectuele vriendinnen van haar man. Ze wordt echter slechts beschouwd als ‘de vrouw van’. Na veel problemen met haar (huwelijkse) leven, lukt het Milena een eerste artikel te schrijven voor het Praagse tijdschrift Tribuna. Ze krijgt daarna opdrachten voor meerdere stukken per week en gaat vervolgens ook voor een andere krant schrijven. In de jaren twintig zal ze zich ontwikkelen tot een ‘gerespecteerd journalist en vertaler’.  Als na de oorlog in Wenen grote hongersnood ontstaat, vindt de jonge journaliste haar onderwerp. Milena heeft een grote maatschappelijke betrokkenheid. Uit gehechtheid aan haar man blijft ze toch in de stad: ‘Wenen is haar broodwinning geworden.’

    Vertaler
    In 1919 ontdekt Milena het verhaal De stoker van Kafka en ze vraagt hem of ze het in het Tsjechisch mag vertalen. ‘Kafka was zichtbaar ingenomen met het idee.’ Het is een eerste vertaling van zijn werk. Kafka schrijft haar, als hij het tijdschrift met de vertaling heeft ontvangen, dat die ‘een bijna vanzelfsprekende waarheid’ bezit. De maanden erna volgt een steeds intensiever wordende briefwisseling, Kafka schrijft eerst om de paar dagen, dan dagelijks lange brieven. Al snel worden de brieven intiem en na een paar maanden wil Milena dat hij naar Wenen komt. Kafka is bang voor de eventuele gevolgen voor haar huwelijk, maar hij gaat wel. Ze ontmoeten elkaar later weer in een grensplaats tussen Oostenrijk en Tsjechoslowakije, maar ‘het is een catastrofe’. De briefwisseling hapert en Kafka wordt zieker. Ze zien elkaar nog een paar keer – het einde van Kafka nadert snel. Milena gaat een jaar later terug naar Praag en wordt een bekende journaliste.

    Veza Canetti

    Veza Canetti is deel III. Veza Taubner (1897-1962) is geboren in Wenen, haar ouders wonen in Leopoldstadt, waar de meeste Joden wonen. Ze groeide op in de Sefardische gemeenschap, maar was ‘een typische geassimileerde Weense Joodse vrouw.’  Haar vader sterft al als zij zeven jaar is, haar moeder hertrouwt als zij veertien is met een rijke Jood uit Sarajevo.  Deze man is ‘schatrijk, maar tegelijk is hij een ontzettende vrek … een huistiran, tegen wie Veza jarenlang een stellingoorlog heeft uitgevochten.’ Over haar jeugd en opleiding schrijft Lauwerys weinig, er is weinig bronnenmateriaal. Tot haar zestiende volgde Veza een meisjeslyceum. Voordat Veza jaren later kennismaakte met Elias, leerde ze eerder het gezin Canetti al kennen maar het contact met hem ‘bleef beperkt tot hoffelijkheden’. Veza en Elias ontmoeten elkaar in 1924 voor het eerst, na een lezing van Karl Kraus, die ‘een moreel kompas’ voor haar was en een inspiratiebron voor de beginnend schrijfster. In de jaren twintig schreef ze wel, maar er was nog niets gepubliceerd. Over haar werk in die tijd is weinig bekend, ze vertaalde en was lerares Engels. Publiceren gebeurde pas in de vroege jaren dertig met een reeks in één van de meest in aanzien staande kranten. Een eerste verhaal in boekvorm verscheen in 1932 bij een linkse uitgeverij, waarvoor Elias ook vertaalwerk deed. In 1935 zou Elias Canetti’s eerste roman Die Blendung verschijnen. Veza was socialiste en een van de eerste schrijfsters over macht en huiselijk geweld binnen het huwelijk. Volgens Lauwerys is ‘Veza net zozeer Elias’ muze’ als hij voor haar. Maar ’in de loop der jaren zijn de twee verstrikt geraakt in een kluwen van wederzijdse afhankelijkheid.’ Veza heeft besloten Elias zijn vrijheid te gunnen, waar het om vrouwen gaat. Zij ‘intussen verpietert in haar rol van huishoudster en secretaresse in dienst van de schrijver.’  Pas na de dood van Elias Canetti in 1994, die haar posthuum als mede-auteur van Massa en macht heeft verklaard, werden haar korte verhalen en haar roman gepubliceerd.

    De ‘vrouwelijke correctuur’ is Lauwerys gelukt met de ontsluiting van het leven en de betekenis van de drie vrouwen aan de hand van recente biografische bronnen.  De ondertitel zet de lezer wel wat op het verkeerde been, aangezien het grootste deel van het boek over de politieke en culturele context gaat, en een leerzame blik geeft op het Wenen van begin 20e eeuw tot de Tweede Wereldoorlog.

     

     

  • Bijzonder actueel in deze tijd van oorlogen en desinformatie

    Bijzonder actueel in deze tijd van oorlogen en desinformatie

    Babi Jar heeft als ondertitel ‘een document in de vorm van een roman’. De Oekraïens-Russische schrijver Anatoli Koeznetsov (1929-1979) schreef de eerste versie van Babi Jar als veertienjarige in een dik schrift tijdens de Tweede Wereldoorlog nadat hij de gruwelijkheden rond het ravijn Babi Jar bij Kiev had meegemaakt. In 1966 werd het zwaar gecensureerde boek in twee miljoen exemplaren in de Sovjet Unie gepubliceerd en in Nederland verscheen de vertaling ervan in 1967. Na zijn vlucht uit de Sovjet Unie kon Koeznetsov de ongecensureerde versie met aanvullingen in 1970 in Londen publiceren. 

    Hoe het mogelijk is dat die laatste versie van het boek nu pas in het Nederlands is vertaald, vermelden de flaptekst en inleider Arnold Grunberg niet, maar vorig jaar verscheen ook een Amerikaanse herdruk ter gelegenheid van één jaar Russische inval in Oekraïne. In zijn voorwoord schrijft Grünberg dat een voorwoordschrijver ‘angstaanjagend veel op de recensent’ lijkt, omdat er van hem wordt verwacht dat hij veel in eigen woorden samenvat, maar hij laat Koezetsov zelf aan het woord als deze cynisch schrijft over het Duits humanisme van de moordenaars: ‘(…) er zijn evenveel humanismes op de wereld als moordenaars. En elke moordenaar heeft zijn eigen, edelste humanisme, en zijn eigen culturele vernieuwing.’ 

    Catastrofale goedgelovigheid

    In het ravijn Babi Jar bij Kiev werden door de nazi’s meer dan 100.000 mensen vermoord, te beginnen met ruim 33 duizend Joodse burgers op twee dagen in september 1941; zij waren een dag eerder opgeroepen voor een gedwongen verhuizing onder bedreiging van executie voor het niet opvolgen van de oproep. Opvolgen of niet, het maakte in feite niet uit wat je deed, maar goedgelovigheid deed de meeste Joden het bevel opvolgen. Koeznetzsov schrijft daarover: ‘De systemen gebaseerd op leugen en geweld hebben handig een zwakke plek in de mens ontdekt en tot eigen nut aangewend: zijn goedgelovigheid.’ Ook dit maakt het boek bijzonder actueel in deze tijd van oorlogen, nepnieuws en desinformatie.     

    Volgens Grünberg heeft ‘wie meent alles over de Tweede Wereldoorlog te weten (…) geen recht van spreken’ als hij niet dit boek van Koezetsov heeft gelezen. En terecht, dit boek laat door de dagboeken van de jonge Russische Koeznetsov zien wat in Kiev is gebeurd en de nazi’s aan het eind van de oorlog geprobeerd hebben te verbergen. Net als dit na de oorlog door de Sovjet Unie onder leiding van Stalin nogmaals is geprobeerd, omdat de dood van de Joden niet belangrijk genoeg werd geacht en bovendien in het verlengde lag van het antisemitisme en de moord op Joden in de Sovjet Unie in de vooroorlogse jaren. 

    In de uitgave van het boek in 1970 zijn, net als in deze vertaling, drie verschillende soorten tekst te onderscheiden: de eerste uitgegeven tekst uit 1967 – in normaal lettertype – , de door de censuur geschrapte tekst – in vet lettertype – en wat Koeznetsov na 1967 heeft toegevoegd – tussen vierkante haakjes.  

    Gecensureerde bladzijden

    De vet gedrukte, gecensureeerde  tekst komt  op iedere bladzijde voor, soms bladzijden achter elkaar en bevat volgens Koeznetsov  in zijn voorwoord ‘Aan de lezers’, ‘de belangrijkste betekenis waarvoor het boek geschreven werd’. Het begint al in het inleidende hoofdstuk waar hij schrijft: ‘Ik ben vaak begonnen met het schrijven van een gewone documentaire roman, maar zonder enige hoop die ooit gepubliceerd te zien.’ En even verder: ‘Ik schrijf alsof ik onder ede voor het hoogste gerecht een getuigenverklaring afleg en ik sta in voor elk woord. Dit boek vertelt alleen de waarheid.’ Een onvoorstelbare waarheid waarin mensen niet alleen werden neergemaaid door machinegeweren, maar ook tot worst werden vermalen door een Oekraïense slachter in deze tijd van onvoorstelbare hongersnood.

    De roman begint in september 1941 als het Rode Leger zich heeft teruggetrokken uit Kiev, de Duitsers binnentrekken en het plunderen begint, door de Duitsers … en door de inwoners. Voor een groot deel bestaat het boek uit de observaties die de jonge Anatoli in een dik schrift heeft geschreven dat hij later had verstopt. Zijn moeder vond het schrift na de oorlog en moest erom huilen. ‘Zij was de eerste die zei dat ik er een boek over moest schrijven.’ Koeznetsov woonde in een buitenwijk in de buurt van het ravijn dat een van de speelplekken in zijn jeugd was. Het werd een verboden zone, met prikkeldraad onder hoogspanning. Hij hoorde er ‘machinegeweren ratelen, met verschilende tussenpozen: ratata,rata…Twee jaar lang heb ik dat gehoord, dag in, dag uit, en ik hoor het nog steeds. Tegen het eind steeg uit het ravijn een dikke, vette rook op. Dat duurde drie weken.’

    Ooggetuigenverslagen

    Nadat hij met een vriend in het ravijn had rondgelopen en zij er geen grof zand vonden zoals vroeger maar witte steentjes die restanten van botten bleken te zijn in grijze mensenas, besloot hij dat hij alles moest opschrijven zoals het echt gebeurd was. Naast zijn eigen dagboeken gebruikt Koeznetsov documenten, onder meer bekendmakingen in het Oekraïens  Parool, later het Nieuw Oekraïens Parool toen het bestaande werd verboden wegens ‘verraderlijke doelen’ en de hoofdredacteur in Babi Jar werd gefusilleerd.  En hij citeert uit Sovjetpublicaties uit de jaren zestig over de nazi-Duitse bezetting. Koeznetsov beschrijft zijn eigen observaties, die van vrienden en familie en de verhalen die hij hoorde van overlevenden die hij na de bezetting opspoorde.  Eerst zijn de Okraïeners opgelucht dat ze van de Sovjets af zijn na jaren uithongering en onderdrukking, en hebben ze sympathie voor de bezetter, maar dat verandert als ze er al snel achter komen dat ook zij gebruikt worden voor de Duits oorlogsindustrie en met razzia’s opgepakt konden worden.  

    De ooggetuigenverslagen van de explosies in de binnenstad van Kiev, van de executies in Babi Jar en over de arbeiderswijk Darnitsa, die was afgesloten met prikkeldraad om zo’n 60 duizend gevangenen vast te houden, behoren tot de gruwelijkste over de Tweede Wereldoorlog. Evenals de bekende verhalen over concentratie- en of vernietigingskampen in Oost Europa. Deze tragische gebeurtenissen zijn nog schrijnender met de huidige oorlog van Rusland in het nu zelfstandige Oekraïne. Het boek eindigt met de lafhartige pogingen van de Duitsers om voor hun terugtocht de moord op ruim honderdduizend slachtoffers in Babi Jar te verbergen en de latere ontkenning door de Sovjet Unie van wat er zich heeft afgespeeld. Op de plek van het ravijn van Babi Jar werd een woonwijk gebouwd en er was lang – tot 2001 – geen aandenken of monument. 

    Koeznetsov bespiegelt tussen zijn ervaringen door zijn eigen lot en dat van de mensheid. Zijn toon is niet alleen dramatisch. Hij vindt dat hij mazzel heeft gehad: ‘ik hoefde door mijn leeftijd niet naar Duitsland, bommen en kogels raakten me niet, patrouilles vingen me niet (…)’. Maar hij is ook geschokt, misselijk en wanhopig. ‘Waarvoor ben ik geboren, waartoe kruip ik rond in deze wereld als in een gevangenis?’ Hij vraagt zich af wat er morgen zal gebeuren. ‘Staat ons meer barbarij te wachten?’ Zijn boek is een onmisbaar pleidooi voor de vrijheid van de mens als kostbaarste bezit. 

     

     

  • Tijdens het lezen dringen beelden van het huidige front in Oekraïne zich op

    Tijdens het lezen dringen beelden van het huidige front in Oekraïne zich op

    De ‘grensreportages’ van journalist en romanschrijver Joseph Roth (1894-1939) zijn weliswaar zo’n honderd jaar geleden geschreven door de nog maar net beginnende ‘Roter Joseph’ – zoals hij later bekend werd – maar hebben door de oorlog van Rusland tegen Oekraïne bijzondere actualiteitswaarde  gekregen. Ze spelen zich deels af rond het toenmalig oorlogsfront tussen Rusland en Polen, langs de grenzen die aan het eind van WO I niet zo nauwkeurig waren vastgesteld en een bron van conflicten bleken te zijn.

    Roth kwam na zijn vlucht voor de nazi’s in 1933 regelmatig naar Nederland. Zijn eerste bezoek was in 1933 om onder anderen kennis te maken met uitgever Allert de Lange, die een aantal boeken van Roth als Exil-literatuur zou uitgeven. Zijn eerste roman Hotel Savoy verscheen honderd jaar geleden in Berlijn, de eerste vertaling in het Nederlands was zijn roman Job in 1931, daarna volgden er nog vele. De laatste jaren werd zijn werk vertaald door Els Snick, die ook de drijvende kracht is achter het Nederlands Joseph Roth Genootschap. 

    Journalistieke reportages

    De journalistieke reportages zijn weliswaar minder bekend dan zijn romans, maar omvatten zeker de helft van zijn verzameld werk. Deze bundel ‘grensreportages’ heeft een Vlaams tintje: naast de vertalingen door Els Snick (en anderen), is de inleiding verzorgd door auteur Erik Vlaminck en de illustraties zijn van Koen Broecke, allemaal Vlamingen. De verhalen zijn van 1919 tot en met 1924 gepubliceerd in de Oostenrijkse krant Der neue Tag, de Neue Berliner Zeitung en de Frankfurter Zeitung.  De reportages in de Frankfurter Zeitung zijn bijzonder actueel omdat ze zich in Lemberg – het huidige Lviv – en omgeving afspelen. Roth zelf is in 1894 geboren in het Oekraïense stadje Brody, dat honderd kilometer ten oosten van Lviv ligt, indertijd op de grens van de Habsburgse dubbelmonarchie met Rusland. Nu in West-Oekraïne. 

    De eerste reportages in de bundel schreef Roth tijdens een van zijn eerste journalistieke opdrachten in 1919. Een reis naar Heanzenland, het grensgebied tussen Oostenrijk en Hongarije dat na de Eerste Wereldoorlog aan Oostenrijk werd toegewezen.  Het zijn meteen al de persoonlijke reportages waarmee Roth beroemd zou worden. In de eerste persoon en met milde spot in zijn waarnemingen.
    Een anekdote, die zijn stijl laat zien. Roth probeert een hotelkamer te krijgen met een inschrijfformulier van een ander: “Er kwam een kamermeisje, ze las het inschrijfformulier en keek me aan. Toen zei ze met spontane hartelijkheid in haar stem: ‘Ik geef u kamer 52. Maar alleen omdat u uit Matterdorf komt.’ Waarop ik zweeg en met het kamermeisje naar kamer 52 ging. Toen ik mijn spullen had neergelegd en de kamersleutel in mijn zak had gestoken, trok ik mijn revolver en zei heel vriendelijk: ‘Juffrouw, ik kom helemaal niet uit Mattersdorf. Het inschrijformulier is van een andere man.’ ‘ Nou,’ zei ze, ‘dan had ik u de kamer niet gegeven’. ‘U zult er geen spijt van krijgen, antwoordde ik, stak de revolver in mijn zak en gaf haar een briefje van tien kronen.’ Of het zo echt is gebeurd? Hij maakt er verder geen woorden aan vuil. 

    Reportages Pools- Russische oorlog

    In 1920 verhuist hij van Wenen naar Berlijn en maakt in de zomer reportages voor de Neue Berliner Zeitung tijdens de Pools-Russische oorlog. In de bundel is dit de tweede serie die het grootste deel van het boek beslaat. Net als het andere deel wordt deze ingeleid met een korte historische toelichting en een getekend kaartje van de omgeving waar alles zich afspeelt. Geillustreerd met sfeervolle water- en olieverf afbeeldingen van schilder en historicus Koen Broucke, die militairen, oorlogshandelingen en bijna abstracte landschappen laten zien in heldere en sombere kleuren. 

    Roth trekt rond met openbaar vervoer, liftend en lopend, en hij beweegt zich aan beide kanten van de grens. Hij schrijft ooggetuigeverslagen die doen denken aan sommige van de recente  berichten uit Oekraïene. Nu geen spot, ook geen milde, maar eerder mededogen. Hij praat met Poolse en Russische soldaten en Kozakken. ‘Ik kon vaststellen dat Poolse troepen die zich op de terugtocht bevonden, volslagen dronken waren. Het viel me op dat de Russen soms geen mensen gevangen nemen en kleine groepjes laten lopen. Op straat zie je nu overall afgedankte voertuigen en uiteengevallen colonnes, die een troosteloze indruk maken. Vreemd genoeg zijn er bijna geen gewonden te zien. De vlucht lijkt dus zonder al te zware strijd te zijn verlopen.’  

    Er waren indertijd ook buitenlandse soldaten aan het front. Uit verhalen van grensbewoners tekent Roth op dat er Franse artillerieeenheden en Franse officieren in grote aantallen met het Poolse leger meevechten. En aan de andere kant is het ‘niet te bevatten hoeveel jonge mensen zich vrijwillig melden bij het Rode Leger.’ Niet alleen gevluchte, gedeserteerde Polen, maar ook Duitse arbeiders. Deze serie sluit af met een kort verhaal over Oleksa Solonenko, een Oekraïnse boer die in Berlijn overleed op de terugweg van Brazilië naar Oekraïne. Waarom Oleksa vertrok vertelt Roth niet, maar toen hij hoorde dat er een revolutie was in zijn land kreeg hij heimwee naar ‘Katharina, het varken en de jongens’ en wilde na tweeëntwintig  jaar terug naar zijn vaderland. Roth schrijft een kort tragi-komisch portret dat zoals hij zegt een aanvulling is op het politieverslag.

    Verhalen over geboortegrond

    De laatste serie is een Reis door Galicië uit 1924 in opdracht van de Frankfurter Zeitung. Deze verhalen spelen zich af in de streek waar Roth is geboren en opgegroeid. In 1982 voor het eerst in het Nederlands uitgegeven door uitgeverij Allert de Lange. De drie verhalen over zijn geboortegrond zijn met liefde geschreven: ‘Over het vlakke land waait onophoudelijk een eeuwig onveranderlijke wind, die nauwelijks waarneembaar is. Heuvels, beloftes van de Karpaten, kleuren blauw in de verte. Raven cirkelen boven de bossen. Ze voelen zich hier altijd al thuis. Sinds de oorlog zijn ze talrijk geworden. Geen enkele fabriek, geen reclame, geen roet. Op de markt worden primitieve houten marionetten verkocht, zoals in Europa tweehonderd jaar geleden. Is Europa hier geëindigd?’

    Het zijn deze verhalen die me in de jaren tachtig verleid hebben naar Roth’s geboorteplaats Brody te reizen, dat indertijd nog onder de knoet van de Sovjet Unie leefde. In het verhaal over Lemberg/Lviv schrijft Roth over de ‘polyglotte kleurenpracht’ van de stad. Hij studeerde hier nog maar een paar jaar eerder en zijn toon is nu al weemoedig. Na 1924 is er nog zoveel vreselijks in Lemberg gebeurd dat het Roth nog  weemoediger zou stemmen naar de buurt rond het theater waar de mensen Jiddisch spreken. ‘Dat hebben ze hier altijd gesproken, en waarschijnlijk zullen ze nooit iets anders spreken.’ Het is dat Roth in 1939 al is overleden, anders zou hij de moord op die Joden hebben meegemaakt.

    Het laatste verhaal van de bundel is het indrukwekkendste. Roth schrijft hier over de rouwstoet voor een Poolse invalide die zichzelf na een toespraak voor zijn kameraden ‘een kogel door de kop schoot.’ De stoet bestond uit duizenden verminkten. ‘Ja, de mensen bleven staan en keken en verroerden zich niet.’ Tijdens het lezen dringen beelden van het huidige front in Oekraïne zich op.
    Eric Vlaminck noemt het boek in zijn inleiding ‘een zegen’, omdat zowel Roth als Broucke ook voor ‘mededogen, troost en hoop zorgen.’ Tussen de legers is een prachtige bundel met literair-journalistieke verhalen van de beroemde romancier die de vroege aanloop naar de crisisjaren en WO II laten zien.